28 november 2005

Is werkelijk alles onduidelijk geworden? Mensen hebben plichten, maar dieren hebben geen rechten!


Het zal altijd willen lukken: 's middags hoor ik op de radio iets over "dierenrechten" (een ethica-prof laat zijn licht schijnen), en dan valt nog op de trein bij het naar huis gaan mijn oog op een stukje dat precies daarover gaat.
In de XVIIIde-eeuwse correspondentie van de abbé Ferdinando Galiani met Mme Louise d'Épinay kwam het onderwerp namelijk ook aan bod:

Galiani woonde tien jaar in Parijs, maar werd dan tot zijn grote spijt teruggeroepen naar zijn geboortestad Napels, als economisch adviseur. Naast Parijs is Napels een waar boerengat zegt Galiani, en dat hij daar nu zijn dagen moet slijten, in plaats van in de Parijse salons, brengt hem altijd weer danig uit zijn humeur, zodanig zelfs dat hij soms niet meer weet wat hij eerst aan het schrijven was…

Mais je ne sais pas si j'allais vous parler d'une pauvre femme qu'un soldat tua d'un coup de poignet à la tête, [een "poignet" is misschien een ijzeren bracelet, een soort boksijzer dus, zegt de uitgever van de brieven, Daniel Maggetti] ou si je vous parlais de deux chiens condamnés à la mort par autorité de justice, et exécutés par la main du bourreau pour avoir mordu un enfant. L'un est atroce, l'autre est ridicule à l'excès. Peut-être aussi c'était quelque autre idée dont je ne me souviens point du tout. 


in: Ferdinando Galiani - Louise d'Épinay
Correspondance IV, juin 1773 - mai 1775
Les Éditions Desjonquères, 1996, p. 175



PS: voor een goed begrip, beoordeeld worden door een rechtbank ...is een recht.

24 november 2005

Dan maar zonder supporters? (als nu ook "The Spectator" BlairBush begint aan te vallen...)



.Naar de verdommenis maar ik publiceer het.

Boris Johnson

Het dient gezegd dat diegenen onder ons die optimistisch genoeg waren om de oorlog in Irak te steunen, achteraf niet gediend werden door het verloop der gebeurtenissen.
Er waren diegenen die geloof hechtten aan de onzin van de regering over Saddams MassaVernietigingsWapens. Deze MVW’s weigerden vervolgens op te dagen, wat geschiedenis heeft gemaakt.
Sommigen onder ons waren er in hun onschuld van overtuigd dat het Pentagon een doordacht plan had om de dictator weg te krijgen en vrede te stichten. Toen kregen we die opstanden waarbij tienduizenden de dood vonden.
Sommigen onder ons dachten dat het er om te doen was nooit nog chemische wapens te zien gebruiken op Iraakse bodem. Toen hoorden we van de witte fosfor die het Pentagon had aangewend.
Sommige mensen geloofden dat de Amerikaanse bevrijding het einde zou inluiden van de folteringen in Iraakse gevangenissen. Dan was er Abu Ghraib.
Sommigen van ons geloofden dat het allemaal draaide om de verbreiding van de instellingen van de burgerlijke maatschappij – eerst en vooral een vrije pers waarin journalisten konden werken zonder vrees om vermoord te worden. Toen hoorden wij van het plan van Bush om al-Djazira op te blazen.
Sommigen onder ons vinden dat wij in onze relatie tot die oorlog voor aap staan. Onze hoop laait telkens op, en dan komt alweer het nieuws met een lage slag. We snakken er naar om te horen vertellen dat wij het slecht voor hebben, dat stilaan alles in orde komt, dat het glas halfvol is.
Daarom zou ik graag willen geloven dat Dubya [1] enkel een van zijn studentengrapjes uithaalde toen hij het had over de vernietiging van het TV-station dat uitzendt vanuit Qatar. Misschien wilde hij enkel een beetje rotzooien. Misschien was het een losse flodder, van het soort dat hij gewoonlijk debiteert voor hij theatraal weer in het bezemhok verdwijnt. Misschien was het wel een soort van Hendrik de Tweede-moment: je weet wel, wie verlost mij van dat turbulent TV-station? [2] Misschien had hij een opstoot van verlicht Reaganesk surrealisme, zoals toentertijd die ouwe kerel vergeten was dat de microfoons aan stonden, en een persconferentie met verstomming sloeg met zijn aankondiging dat hij binnen de vijf minuten Rusland zou bombarderen. [3] Misschien dacht Bush dat hij Kenny Everett was. [4] Wellicht speelde hij Basil Brush . Boem, boem. [5]
Wie zal het zeggen? Maar als zijn opmerkingen niet méér waren dan een onschuldig stuk cretinisme, waarom dan bij Jupiter! heeft de Britse staat gedecreteerd dat iedereen die deze opmerkingen afdrukt, de bak invliegt?
Wij allemaal mogen vurig hopen dat wat de Amerikaanse president deed niets meer was dan, in een soort tic van hem, [6] enige neocon-praat verkopen over dingen die de lucht zouden worden in geblazen.
Wij zijn direct bereid om aan te nemen dat de Daily Mirror het mis heeft. Wij staan klaar om te zeggen dat de twee Britse ambtenaren die het zaakje hebben gelekt, of kwaadaardig zijn of zich hebben vergist. Maar als er één omstandigheid is die lijkt te bevestigen dat het verhaal in zijn essentie waar is, dan is het wel dat de Openbare Aanklager zijn voornemen heeft bekendgemaakt om iedereen te vervolgen die exacte feitelijkheden publiceert.
Wat moeten wij daar van denken? De ontmoeting tussen Bush en Blair had plaats op 16 april 2004, het hoogtepunt van de Amerikaanse aanval op Fallujah, en er zijn sterke aanwijzingen om aan te nemen dat Bush best datgene kan hebben gezegd wat men beweert dat hij heeft gezegd.
Wij weten dat de Amerikaanse regering furieus was over de berichtgeving rond die slag, zoals die door Al-Djazira werd gebracht, en over de nadrukkelijke manier waarop de zender inging op de honderden doden, waaronder burgers, liever dan de nadruk te leggen op de noodzaak om die stad te zuiveren van gevaarlijke terroristen. Wij herinneren ons hoe Cheney en Rumsfeld allebei zwaar uitvielen naar de zender, met de beschuldiging dat die de opstandelingen diende.
De New York Times vertelt ons dat er binnen de administratie hoogoplopende ruzies waren, waarbij de ene ambtenaar schreeuwde dat de zender moest worden gesloten, terwijl weer anderen het een beter idee vonden om zich met die journalisten te verstaan, wat hopelijk gunstiger verslagen zou opleveren.
Ook stond het ons voor ogen dat de Amerikanen niet aan hun proefstuk waren inzake de media-infrastructuur van regimes die hen niet aanstaan. In 2002 hadden zij in Kabul de redactie van Al-Djazira opgeblazen, en de Bagdadredactie hadden zij in 2003 in as gelegd en daarbij een van de reporters gedood. In 1999 wisten zij een Servische TV-zender op te blazen, en zij doodden daarbij twee maquilleuses, in omstandigheden waar nooit een goede uitleg voor is gekomen.
Om eerlijk te zijn tegenover de Amerikanen moeten wij gelijk erkennen dat zij goede redenen hadden om bezwaar te maken tegen Al-Djazira. Die zender geniet zeer hoog aanzien in de Arabische wereld, heeft ongeveer 35 miljoen kijkers, en vertolkt uiteindelijk wat niet anders kan worden omschreven dan – de fundamenteel Arabische kijk op de actualiteit.
Zij werken mee aan de verheerlijking van zelfmoordcommando’s; maken de drammerige tapes van Bin Laden wereldkundig en ook die van andere grote wereldgriezels en -gekken; zij zijn verpletterend anti-Amerikaans en sceptisch over het neocon-project om westerse waarden en politieke stelsels aan het Midden-Oosten op te leggen.
En toch, hoe verkeerd je Al-Djazira’s invalshoek en gezichtspunten ook vindt, je moet erkennen dat wat zij brengen onmiskenbaar tot de journalistiek behoort. Niet altijd helpen zij de Amerikaanse zaak in Irak vooruit, maar dat doet tenslotte de BBC al evenmin; zou daarom iemand in Londen of Washington durven suggereren om een Tomahawk op White City af te sturen? Misschien wel, maar dan enkel als grap.
Het is de uitgeputte westerse leiders vergund – zij moeten leven in de nachtmerrie van een media-gestuurde democratie – om grapjes te maken over het in de lucht blazen van journalisten.
Van toen ik naar Belgrado werd gestuurd om de Nato-aanvallen te verslaan, staat mij nog voor dat Tony Blair aan de toenmalige eigenaar van de Daily Telegraph vroeg om “aan de Nato te zeggen dat de bombardementen moesten worden opgevoerd!” Ho maar!
Als er evenwel één ons van waarheid zit in de bewering dat George Bush in ernst de vernietiging van Al-Djazira heeft voorgesteld, en zich enkel door de Prime Minister zulks liet ontraden, dan hóren wij dat te weten, en dringend te weten. Wij dienen te weten waar wij tot nog toe voor hebben gevochten, en er is maar één manier om daar achter te komen.
Het verbod van de Openbare Aanklager is ridicuul, onhoudbaar, en riekt naar schuld. Ik ben niet gek op lui die de Official Secrets Act aan hun laars lappen, en zelfs is het zo dat ik geen bezwaar zou uiten als mensen die vermoed worden de geheimhoudingsplicht te hebben gebroken, ook verder vervolgd zouden worden.
Maar nu staan we voor aantijgingen van zulkdanige zwaarte, de Amerikaanse President en diens motieven betreffend, dat wij die nodig moeten uitklaren.
Als iemand mij één dezer dagen een document overhandigt, dan zal ik dat met genoegen publiceren in The Spectator, al riskeer ik daarmee gevangenisstraf.
Het publiek moet zelf kunnen oordelen. Zonlicht is het beste ontsmettingsmiddel. Als wij de waarheid onderdrukken, dan vergeten wij waarvoor wij vechten, en in een belangrijk opzicht worden wij dan even verdorven en even slecht als onze vijanden.


[1] George W. Bush wordt vaker enkel bij zijn middle name genoemd.
[2] Henry II zei over Thomas Beckett: “Who will rid me of this meddlesome priest?”, "Wie verlost mij van die bemoeizieke pastoor?".
[3] Dat was nog een redelijk goeie grap van Reagan, die (1984) bij een microfoontest zei: "My fellow Americans, I'm pleased to tell you today that I've signed legislation that will outlaw Russia forever. We begin bombing in five minutes." Reagan heeft ooit wel grotere, en onbedoelde stommiteiten verkocht. ("Waarde landgenoten, met genoegen kan ik u vertellen dat ik net een besluit heb getekend dat Rusland voorgoed buiten de wet plaatst. Nog vijf minuten en we gaan bombarderen.")
[4] (Sixties-) Engelse, melige, absurde en overleden komiek.
[5] Een versie van Samson en Gert, zij het zonder Gert, en met een bever in plaats van een hond, maar verder identiek.
[6] Johnson schrijft hier "Tourette" ipv "tic", verwijzend naar een neurologisch syndroom dat ongecontroleerde handelingen doet stellen. De beroemde auteur Dr. Oliver Sacks heeft "Tourette" voor leken verklaard.

18 november 2005

Als het goed is zeggen we het ook: de bekende auteur Osama Bin Laden beschikt over een uitstekende stijl

.
De Amerikaanse professor Bruce Lawrence heeft een boek uitgegeven met teksten van Osama Bin Laden. Daarin zegt hij wat je al kon vermoeden zonder ook één lettergreep Arabisch te verstaan: die Osama bin Mohammed bin Laden schrijft goed! En Bin Laden schrijft goed zonder neerbuigend te doen: geen populisme, want mijnheer gebruikt complexloos de verheven taal, en verwijst naar de hoge cultuur ...en zijn publiek wil het graag zo. En vooral, Bin schrijft niet enkel goed, hij spreekt ook heel goed, wat in de Arabische wereld vanzelfsprekend nog belangrijker is.
Ach, waarom moeten wij het toch altijd stellen met politici die er wel een sympathiek subtaaltje uitslaan, maar verder geen pen in hun hand kunnen houden?

Tageszeitung: Mijnheer Lawrence, waarom hebt u een boek uitgegeven met teksten van Osama Bin Laden?
Bruce Lawrence: Ik kende de weinige korte passages die uit de boodschappen van Bin Laden worden geciteerd en dan dacht ik: waar is de context? Hoe passen deze fragmenten in zijn wereldbeeld? Ik vroeg het aan vele mensen maar die zegden mij: zijn boodschappen zijn niet zomaar toegankelijk. In maart dan sprak mij de uitgeverij Verso aan: of ik een boek wilde samenstellen met teksten van Bin Laden, en er de inleiding en noten voor wilde schrijven.
Was het moeilijk om aan die teksten te komen?
Er waren twee soorten problemen. Ten eerste was het moeilijk om de volledige teksten te vinden. De meeste van de 24 boodschappen in het boek had de Arabische televisiezender Al Djazira uitgezonden – maar die stemmen niet altijd overeen met de cassettes die Al-Qaeda oorspronkelijk aan de zender had gegeven. Een ander probleem was het, om de teksten te vinden die op islamitische internetsites waren gepubliceerd. Die zijn intussen allemaal dicht. Dus moesten wij mensen vinden die de redevoeringen hadden gekopieerd nog voor de pagina’s werden afgesloten.
Wat ontbrak er dan in de uitgezonden versies van Al Djazira?
Er ontbraken vooreerst stukken in, die betrekking hebben op het Saoedische koningshuis en op dat van Qatar. Qatar speelt voor Bin Laden in twee richtingen. Het koningshuis van Qatar behoort, net als het Saoedische dat door Bin Laden altijd hard wordt aangepakt, tot de school van de wahhabitische islam. Bin Laden richt zijn aanvallen minder vaak op het Qataarse dan op het Saoedische koningshuis. Hij zegt wel dat ieder die met de Amerikanen samenwerkt tegen moslims, geen ware moslim is en bestreden dient te worden. Anderzijds wordt Al Djazira uitgezonden vanuit Qatar – en Al Djazira, en daarmee ook Qatar, spelen een uiterst belangrijke rol bij het succes van Bin Laden. Immers vóór de stichting van Al Djazira in 1996, bestonden er in de Arabische wereld enkel de door de staat gecontroleerde zenders, die zijn boodschappen waarschijnlijk niet zouden hebben uitgezonden.
Osama Bin Laden kan in de Arabische wereld bogen op een bepaalde aantrekkingskracht. Hoe komt dat?
Aan de ene kant is daar zijn imago van Spartaanse persoonlijkheid, iemand die bijna armelijk gekleed gaat en in zijn optreden zeer bescheiden is. Aan de andere kant is het natuurlijk van belang dat hij al sedert 1980 lid was van de Mujahedin in Afganistan, en hij dus niet enkel heeft gesproken maar ook daden heeft gesteld. Ik denk, de attractie ligt in het mengsel van de vastberaden krijger met de idealen van de islam, én dat beeld waarin hij als bescheiden en armoedig naar voren komt.
Zijn de teksten van Bin Laden in het Arabisch makkelijk te verkrijgen? En worden zij in de Arabische wereld veel gelezen?
Dat is een goede vraag die ik niet kan beantwoorden omdat daar geen onderzoek naar is. De enige enquête daarrond kwam van het Amerikaanse PEW-instituut – en dit gezegd, in de Arabische wereld zijn er velen die zeggen dat zij weliswaar Bin Ladens opvattingen niet delen, maar hem niettemin beter vertrouwen dan andere politici. Op de vraag hoe zij van Ben Ladens opvattingen wéét hebben, antwoorden velen: wij hebben zijn redevoeringen gehoord op cassettes. Zo weten we dat er in de moslimwereld nog altijd cassettes met redevoeringen van hem in omloop zijn.
Bin Laden wordt dus vooral als redenaar gezien. Is hij dan een goede redenaar?
Ja. Hij is overtuigend omdat hij goed spreekt. Belangrijk is natuurlijk ook dat hij wordt gehoord, en dat zijn beeld door de stormachtige ontwikkelingen in de media op heel de aardbol bekend is. Het is toch geen toeval dat Bin Laden pas aan het eind van de 20ste, begin 21ste eeuw een wereldberoemde media-ster is geworden, toen de dagbladen hun betekenis kwijtspeelden en televisie en internet de dominante media zijn geworden.
Wat is er zo typisch aan de taal van Bin Laden?
Die is zeer verrassend. Als je enkel geïsoleerde citaten van hem kent, dan houd je hem voor een scherpslijpende ideoloog van het terrorisme en extremisme. Dat is hij ook wel, maar in zijn boodschappen stelt hij zijn wereldbeeld zó voor, als was het een reactie op de politiek van het Westen. Hij geeft toe dat hij een terrorist is, maar zijn terreurdaden zegt hij, zijn enkel een antwoord op de terreur van de Amerikanen en Europeanen. Zij hebben de moslimwereld aangevallen. Hen betitelt hij als een bondgenootschap van kruisvaarders en zionisten, als een Zionist Crusader Alliance. Dat is een bijzonder eigenaardig begrip, dat in het Arabisch pas sinds zeer kort bestaat.
U heeft beweerd dat Bin Laden een der meest elegante auteurs van het Arabisch proza is…
Niet ik heb dat gezegd, maar de zeer geziene islam-expert Bernard Lewis. Hij heeft daar gelijk. Als je voor de eerste keer het proza van Osama Bin Laden leest, of hem hoort spreken, dan zul je versteld staan hoe goed hij zijn gedachten formuleert. Hij maakt geen gebruik van de omgangstaal, en allerminst van neologismen. Hij spreekt net zo, als was hij nog iemand die in de 7de eeuw. leeft en de profeet Mohammed vereert.
Een opleiding als godsdienstgeleerde heeft hij toch niet?
Neen, helemaal niet. In religieuze zaken is hij autodidact.
Wat voor opvoeding heeft hij dan wel genoten?
Aan de universiteit van de Saoedische havenstad Djidda was hij ingeschreven voor cursussen in de ingenieurskunde en de economische wetenschappen, en ook voor een paar religieuze cursussen. Zelf zegt hij dat zijn sleutelervaring in 1973 kwam, toen het Israëlische leger in de Yom Kippur-oorlog al verslagen was, maar het hen door Amerikaanse hulp mogelijk werd gemaakt om de nederlaag alsnog af te wenden en de oorlog te winnen.
Ik denk dat onbetwistbaar ook Mohammed Qutb grote invloed op Bin Laden heeft gehad. De Palestijn Qutb is de jongere broer van de stichter der Egyptische Moslimbroeders en heeft in Cairo gestudeerd. Had Bin Laden hem niet leren kennen, dan had hij niet zijn ideeën ontwikkeld over een anti-imperialistische strijd die enkel teruggrijpt naar de vroege islamitische geschiedenis en de Koran.
Hoe hebben de Amerikaanse media op uw boek gereageerd?
Enkele lui, rechts in het politieke spectrum, hebben de vraag gesteld hoe een geziene uitgever het in zijn hoofd haalt om zulk een boek uit te brengen. In de San Diego Union-Tribune schreef een journalist dat zulks gelijkstond met het uitbrengen van haatliteratuur, zoals Hitlers “Mein Kampf”. Een andere, in de American Conservative Magazine, gaf te verstaan dat Bin Laden een crimineel is, en dat derhalve niemand zijn teksten naar buiten hoorde te brengen. Maar er waren ook positieve reacties – eerder van Liberals, die zegden dat het de hoogste tijd was dat zo'n boek uitkwam.
Hebt u ook haatbrieven of doodsbedreigingen ontvangen?
Tot nog toe niet, nee. Maar ik weet wel zeker dat ik er krijg. Ik hoop dan maar dat vele mensen zich de moeite zullen getroosten om te lezen wat ik op andere plaatsen heb geschreven. Ik ben even patriottisch als ex-minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, en net als hij diende ik in het leger. Ik heb gevochten voor de Amerikaanse waarden. Als ik doodsbedreigingen mocht ontvangen, dan zou dat ironisch zijn en ook zeer treurig.


interview: Peter Böhm
gepubliceerd op 18 november 2005
.

17 november 2005

Finkielkraut spreekt klare taal

.
De journalist Alexis Lacroix had een gesprek met filosoof Alain Finkielkraut. Deze laatste, en dat wist ik niet, toont een weldoende verachting voor de "lage cultuur". Hij wil die niet voor vol aanzien! Dus vertaal ik een deel van het interview:

[...]
Waren er eerder al voortekenen die de rellen aankondigden ?

Wel, dit is een charmant couplet uit een “rap”: “Frankrijk is een hoer, gebruik haar als een slet, vergeet het niet vent, ze moet een beurt krijgen! Ik, ik zeik op Napoleon of generaal de Gaulle.”
Maar staan overdrijvingen uit de muzikale subcultuur echt in een causaal verband met die gewelddadigheden?
Als diegenen die brand stichten in openbare gebouwen, of die vanaf flatgebouwen pétanqueballen naar de politie gooien, of brandweermannen aanvallen, dezelfde huidskleur hadden als de muiters van Rostock in het verenigde Duitsland van de negentiger jaren, dan zou de morele verontwaardiging overal de boventoon voeren.
Die morele verontwaardiging voert toch de boventoon in zekere kringen!
Neen, wat de overhand heeft is welwillendheid: het gevoel dat iets niet goed te praten is, wordt aangelengd met een zoektocht naar oorzaken. In het voorbeeld van Rostock waren alle politici, intellectuelen, journalisten, verantwoordelijken van verenigingen, navorsers in de sociale wetenschappen het eens – allen, riepen zij uit één mond: “Het fascisme mag geen kans krijgen!” Maar aangezien nu de pétanqueballen- en molotovcocktailwerpers Fransen zijn van Afrikaanse of Noord-Afrikaanse oorsprong, wordt de verontwaardiging bedolven onder explicaties, of men keert haar zelfs tegen de regering of het nationaal gebrek aan gastvrijheid.
In plaats van geschokt te zijn door het schandaal van in brand gestoken scholen, geeft men hoog op van de wanhoop van de brandstichters. In plaats van te luisteren naar wat die vertellen: “Neuk je moeder!”, “Neuk de politie!”, “Neuk de Staat!” –, ja men hoort dat wel, maar die oproepen tot haat worden vertaald in hulpkreten, en de vandalenstreken aan schoolgebouwen in een vraag naar opvoeding. Het wordt dringend tijd om dit soort van decryptering, die niets is dan zand in de ogen, te vervangen door een letterlijke lezing van de gebeurtenissen.
En weg met de excuuscultuur?
Het zijn niet méér scholen die de straatschenders eisen, of meer crèches, meer sportzalen, meer autobussen: die branden ze af. Hun hardnekkige ijver richt zich tegen de instellingen, en tegen alles wat hen in de weg staat, elke omweg, elk oponthoud dat zij ontmoeten op hun weg naar de zaken die zij begeren. Als kinderen van de afstandsbediening willen zij alles en onmiddellijk. En dat alles dat is poen, merkkledij en wijven. Paradox ten slotte: de vijanden van onze wereld zijn er tegelijk ook de uiterste karikatuur van.
Wat men zou moeten herstellen is een ander waardensysteem, een ander zicht op de tijd. Maar dat gebied ligt buiten de macht van de politiek.

Heeft de politieke communicatie, geconfronteerd met de “videosfeer”, het dan maar laten varen?
De bodemloze vulgariteit van de talkshows, de brutaliteit van de videospelletjes, de dagelijkse les in simpelheid van geest en lachwekkende kwaadaardigheid, gegeven door “Les Guignols de l’Info”, – dat alles valt buiten het bestek van de politici. Als dezen er trouwens tegen in zouden gaan, dan zouden de hoofdredacteurs onmiddellijk die totalitaire aanslag op de vrijheid van meningsuiting aanklagen. Misschien heeft de minister van Binnenlandse Zaken teveel de neiging – maar is hij de enige? – om zijn acties voor de media te brengen. En de term “racaille” zou niet tot het vocabularium van een politiek verantwoordelijke mogen behoren. Maar woorden schieten te kort bij mensen die, omdat zij zich door dit épitheton belasterd voelen of vernederd, reageren met het in brand steken van scholen.
Maar zij worden getroffen door recordwerkloosheidscijfers !
De dag van vandaag, terwijl het hart van het humanisme niet langer voor de school klopt maar voor de brandstichters ervan, lijkt niemand zich nog te herinneren dat je niet naar de klas gaat voor een aanwerving, maar om er les te krijgen. De eerste doelstelling van opleiding is opleiding. En deze, het weze terloops vermeld, is nooit nutteloos. Net zo moet de Republiek haar “verloren gebieden” opnieuw bezetten, net zo moet de Franse taal de voorstadstaal heroveren, dat simplistische, nijdige koeterwaals dat meelijwekkend vijandig staat tegen alle schoonheid en elke nuancering. Een voldoende voorwaarde om werk te vinden is dat niet, maar wel een noodzakelijke voorwaarde.
Een uitvindsel zijn de discriminaties nochtans niet !
In deze kwestie moet men er zich wel voor hoeden om een bevolking te stigmatiseren. Ik ben als Pool geboren in Frankrijk, ik ben zelf een immigrant van de tweede generatie, en ik voel mij beslist solidair met alle zwarte of Arabische scholieren die, omdat zij diploma’s verkiezen boven dealers, aan pesterijen blootstaan, aan rackets, en als “hofnarren” worden betiteld. Zij moeten geholpen worden; discriminatie bij aanwerving dient onvermoeibaar bestreden; er moet zonder ophouden gewerkt worden aan gelijke kansen, talent in de woonsteden moet worden opgespoord, de grote complexen moeten worden afgebroken, de voorsteden mogen geen enclaves meer zijn. Dit gezegd zou het naïef zijn zich in te beelden dat deze maatregelen een eind zullen maken aan alle vandalisme.
Waarom weet u dat zo zeker ?
Het huidige geweld is geen reactie op de onrechtvaardigheid van de Republiek, maar een gigantische antirepublikeinse pogrom.
Dit geweld is dus niet een reactie op de verwaarlozing van de “verloren territoria” ?
Als deze territoria echt waren opgegeven dan waren daar geen autobussen, geen crèches, geen scholen, geen sportzalen om plat te branden. En pas goed ondraaglijk is het om aan de auteurs van deze exploten de roemrijke titel toe te kennen van “kinderen van de Republiek”. In de plaats daarvan had men de onwettelijkheid van hun haat moeten decreteren, en hen te schande maken, zoals men de supporters te schande maakt, al zijn ook dat sociale gevallen, die naar het stadion trekken om het af te breken en die apenkreten uitstoten telkens er een zwarte speler aan de bal komt. Het brandmerk van de schande is de aanzet tot moraal. Hen tot slachtoffers of helden maken is een uitnodiging om opnieuw te beginnen.
Uitboeting van de zonden van het kolonialisme, is het dat wat de voorsteden in vlam steekt?
Helemaal niet. Maar als men die haat willen bekoelen met het verhaal dat Frankrijk inderdaad hatelijk is, en vervolgens die zelfhaat ook nog in het onderwijs inbouwt, dan stevent men onvermijdelijk op het ergste af. De moderne opvatting als zou de mens nergens meer toe verplicht zijn, en enkel nog een rechthebbende is, komt door deze aanstotelijke opstoten tot een paroxisme. Als ook de school zelf hen hierin aanmoedigt, dan is alles naar de vaantjes.
Verkeert het Franse integratiemodel in crisis?
Men vertelt veel over het failliet van het republikeins integratiemodel. Dat is absurd. De republikeinse school was al langer dood. Het is het postrepublikeinse model van die alleraardigste educatieve gemeenschap, waar alles rond het sociale draait, die water maakt. Een model dat helaas onverwoestbaar is want het haalt zijn voedsel uit zijn eigen fiasco’s. Op elke mislukking reageert het met een nog hoger bod. En dan gaan we weer een nieuwe ronde in: met verachting voor de waarheid zal morgen het Franse onderwijs de onderscheiden zwarte slavenhandeltjes verdrinken in de oceaan der antiwesterse weldenkendheid. Men zal de kolonisatie onderwijzen, niet als een historisch fenomeen, duister en verschrikkelijk, maar als een misdaad tegen de mensheid. Dat zal het antwoord zijn op de uitdaging van de integratie, en de desintegratie van het land zal er door worden bespoedigd.

13 november 2005

Exegi monumentum ære perennius

.
Alweer moet er een plek van mijn geliefde stad Gent met een onbenullig opschrift worden gesierd. Sas zegt dat, en Sas is schepen van de stad.
Niet dat Sas wat meer reclameborden op straat wil, nee, reclame hangt er op elke hoek van elke straat al. Evenmin wil Sas dat het racaille met spuitbussen begint te kladden. Dat kladden met spuitbussen, daar is Sas geloof ik zelfs tégen want dan moet de Kärcherhogedrukreiniger er weer aan te pas komen. Ook is het geen campagne van openbaar nut, die Sas overweegt. Sas wil enkel dat zijn stadsgenoten, net zoals Sas zelf aan cultuur doen. Cultuur brengt mensen samen.
Ergens op een muur in de stad moet Sas een plekje hebben ontdekt waar nog niets op stond, een neutraal vergeten vlakje, een overgeslagen rustpunt voor het oog. Daar moet een gedicht komen.
Een gedicht? … wel in ieder geval toch een mededeling die bij een officiële dichter wordt besteld en met publiek geld zal worden betaald. Laten wij geredelijk aannemen dat zo’n tekst een gedicht is, d’office.
Wellicht zal Horatius hier verbaasd opkijken, hij die geen bronzen inschriften of standbeelden nodig achtte om de tijd te trotseren. Vanuit zijn ballingsoord aan de Krim zal ook Ovidius vreemd opkijken. En Poesjkin zal vreemd opkijken vanuit zijn ballingsoord aan de Krim. En Heine vanuit zijn ballingsoord in Parijs.
Nu noem ik dichters die misschien een overdreven eergevoel hadden. Voor dat grote eergevoel was er anderzijds wel een verklaring: zij hadden massa's lezers, en die lezers moesten niet tegen heug en meug gedwongen worden om aan cultuur te doen.
Wel is het zo dat de toenmalige gezagsdragers vaak ontevreden waren met de producten die zij ongevraagd geleverd kregen.

.
P.S. Als iemand een kabouter in zijn voortuin plaatst, of een windmolentje of een karrenwiel, dan is daar naar mijn mening veel voor te zeggen. Er zullen bedenkingen zijn, en verzuurde types zullen die ook formuleren, maar als stadsbewoner wiens oog door genoemde zaken soms wordt getroffen, bij gelegenheid van een zondagsuitstap misschien, kan ik enkel zeggen dat zij meestal bevallen, en zelfs een dankbaar gevoel van medemenselijkheid verschaffen.
In de stad echter misstaan windmolentjes. En ook gedichten op de muur. Te weinig plaats, en: een stad is geen privétuintje. Zij is het bezit van allen die zijn geweest, die tegenwoordig zijn of toekomend.
.

5 november 2005

La race des athlètes

.
Om zowel Cultuur als Sport te combineren in één ministerie – dat is een gedachte die, zoals de uitdrukking luidt van de pot is gerukt.
Misschien eerst ter verduidelijking: cultuur noch sport zouden een ministerie mogen hebben, ook niet apart want de overheid hoort zich te beperken tot haar wezenlijke taken en moet de allermeeste zaken respectvol aan de burgers overlaten.
Nemen wij de sport: de Romeinse keizers deden het wél, maar de klassieke leer van de democratie, dat geschenk van Europa aan de wereld heeft zich nooit met sport ingelaten. Sport mocht er zijn, maar de overheid had daar geen zaken mee. Die opvatting hebben wij achter ons gelaten, net als de gedachte aan democratie zelf trouwens. Op de valreep nog denkend aan die democratie, en al mijmerend over het Wenen van vóór 1914, constateerde Stefan Zweig in 1942 in “Die Welt von Gestern”: “…noch galt Sport als eine brutale Angelegenheit”.
In de Frankfurter Allgemeine hadden ze enkele dagen geleden een bespreking van de BBC-docu-fictieColloseum”, die handelt over het leven van een gladiator. Die bespreking kwam natuurlijk op hun cultuurbladzijden. De fijngevoelige journalist wilde zijn lezers niet direct wegjagen en begon zijn artikel daarom met: “Wir müssen kurz über Sport reden. Es gibt eine Szene in Oliver Stones Footballfilm…
Na zo’n captatio wordt een mens vanzelf vergevensgezind en leest hij verder, maar de combinatie van cultuur en sport in één ministerie, bij onze buren eertijds nog uitgebreid tot “Cultuur, Recreatie, Maatschappelijk Werk en Sport”, nee welbedankt! Iedereen begrijpt: de genoemde burgerlijke activiteiten zijn misschien niet serieus te nemen, maar ze moeten wel gecontroleerd worden. Het zijn machtsinstrumenten als andere.
Op de VTM was net Bert te zien bij zijn gelegenheidslakeien Polspoel&Desmet. Nu had ik mij voorgenomen om nooit nog iets over "Bart" te schrijven en, although I like to kick’em when they’re down, als cultuurminister laat ik hem verder met rust, temeer daar de man zelf heeft toegegeven dat hij lachwekkend is in die rol – handig van hem trouwens: dat kan nog stemmen opleveren.
Maar onze man, en hij niet alleen, lijkt in de mening te verkeren dat “topsport” niet een schadelijke, maar juist een nuttige, zelfs noodzakelijke bijdrage aan de maatschappij is, en dat daar overheidsgeld naartoe moet – dat is een vergissing. Iedereen weet toch dat roken en topsport allebei slecht zijn, en het leven zelfs kunnen verkorten!
Quod corrumperet juventutem moeten wij onze Bart hier veroordelen. Zijn ophemeling van zogenaamde “sporthumaniora’s” was ontoelaatbaar, maar dat werd vanzelfsprekend door geen van beide journalisten opgemerkt.
“Sporthumaniora” is een contradictio in terminis: de betiteling “humaniora” moet worden gereserveerd voor andere zaken, en dat wisten de Ouden al – niet de Ouden van de dictatuur van het Romeinse Principaat, die zagen daar zoals gezegd iets in, maar wél die van de democratische stadsstaat Athene.
Het zal velen worst wezen, maar dit is wat de grote vertaalster Jacqueline de Romilly wist over dat ene ministerie:

[...] tout comme, dans Les Nuées, [Aristophane] s’était moqué des intellectuels de profession, ceux-là se moquèrent des sportifs épris de la seule force physique, sportifs qui, précisément, tendaient de plus en plus à la spécialisation professionnelle. C’est ainsi qu’Euripide s’en prend souvent à cette force qui n’est rien, et qui est même nuisible, si elle est marquée d’amathia [ongeschooldheid]. On possède surtout un long fragment d’un drame satyrique, l’Autolycos, qui est une charge à fond contre les athlètes: «Des milliers de maux dont souffre la Grèce, il n’en est pas de pire que la race des athlètes.»
Les grands sophistes dans l’Athènes de Périclès
Éditions de Fallois, 1988

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html