31 december 2008

Collusie als vak- en moedertaal

.
We kijken om het jaar te besluiten even in De Morgen, want bij De Standaard dachten ze mijn jaar met lijstjes-en-plaatjes te mogen afronden.
Massa’s lijstjes kreeg je daar de hele week, en vandaag bovenop door de redactie uitgekozen nog honderd plaatjes: twee dingen die vroeger enkel in vrouwenbladen stonden of die je bij de coiffeur wel eens zag.
Ik stopte dat onnozele katern vanmorgen op de trein onmiddellijk in het kleine vuilnisbakje dat de NMBS speciaal voor dit doel onder elk venstertabletje in haar rijtuigen monteert.
De rest van de krant gooide ik later weg, na lectuur van een verlaat kerststuk van Mia Doornaert over de Goede Wil op Aarde. Volgens vaststelling van de baronesse bestaan er Franstaligen, fatsoenlijke en ontwikkelde mensen vaak, die onwillig zijn om in Vlaanderen Nederlands te spreken. Dat moet een fictief stuk geweest zijn.
Wel had ik nog even overwogen om de zoveelste aflevering van Paul Goossens zijn kerst-essay over Europa te lezen (hij bedoelt de EU), maar zijn erbarmelijke clichétaaltje, zijn lullige Nederlands, zijn copy&paste-gedachtjes werden mij snel te machtig.

De Morgen dan. Daar had Björn Soenens .(van het VRT-journaal) een ingezonden stuk. Een journalistiek stuk veronderstelde ik redelijkerwijs, maar dat was het niet. Het was zo te zien geschreven door iemand die opleidingscursussen voor Gentils Organisateurs van zomerkampen geeft. Björn Soenens had helemaal de repetitieve en exhortatieve stijl van zulke lesgevers getroffen. Zo vroeg hij om “blije politici met groot talent en wilde plannen”.
Vóór iemand hier in de lach schiet: het valt niet te ontkennen dat zo'n zinnetje positieve energie uitstraalt.
En Björn heeft nog enkele raadgevingen voor politici.

Politiek is wellicht het mooiste vak ter wereld. Samen met de journalistiek, die dat vak mag beschrijven en becommentariëren.
Björn bedoelt wellicht enkel te zeggen dat journalistiek een mooi vak is, dat hij mag doen. Toch moet een journalist voorzichtig zijn met wendingen als “samen met de journalistiek”, zo gevaarlijk dicht bij een andere zin, want dat kan verwarrend werken. Mensen zijn vaak geneigd om het slechtste te denken, en zo ben ik geneigd om een journalist helemaal anders te willen zien. Als een luis in de pels.

Laat de media hun werk doen. Kom naar buiten en laat u door volk en journalisten testen. Beantwoord alle mogelijke vragen.

U ziet lezer, dat ik met mijn term exhortatief niks overdreven heb. Björn laat hier uitschijnen dat de politiek journalisten zou beletten om hun werk te doen. Hoe self-gratifying deze gedachte ook is, ze staat ver van de waarheid. Niet dat Björn helemaal geen punt heeft: kwaliteitsjournalisten doen inderdaad hun werk niet, maar dat is wel hun eigen keuze, hun redactionele lijn, hun “samen met”.

Weg met de antipolitiek, weg met de foertstemmen.

Hoezo Björn, weg met foertstemmen? Wil je meteen het kiesstelsel herzien? Besef je die consequentie goed? Weg met de feiten is enkel een goede journalistieke gewoonte – daarom ook dat het publiek foert zegt tegen de kwaliteitspers, en toenemend naar blogs gaat. Maar even later zegt Björn iets verstandigs:

Schaf onduidelijke wetten af.
Een enkel voorbeeldje had hier goudwaarde gehad. Jammer. Ik vermoed dat hij wetten wil afschaffen die onduidelijke, rechtsonzekere, dus ondemocratische consequenties meebrengen, zoals misschien de Antiracismewet? Wij blijven in het ongewisse.

Denk na over de groeiende versnippering. Te veel partijtjes. Slecht voor de helderheid van de boodschap. Maak grote blokken, van traditionele gezinspartijen tot sociaaldemocratische olijfboomcoalities. Zorg dat er een duidelijke keuze is. En binnen die grote blokken: e pluribus unum. Eenheid in verscheidenheid. Grote blokken en duidelijke scores bij verkiezingen zullen het regeren een stuk makkelijker maken en de kiezer minder bedriegen met coalities die hij of zij niet heeft gewild. Het zal de debatten scherper maken en de antipolitiek wellicht een halt toeroepen.

Ik zeg niets over die onleesbare gehakt-stro-stijl, die ongetwijfeld uit een schrijfcursus komt, en makkelijk voor misverstanden kan zorgen aangezien grammatica dan goeddeels afwezig mag blijven, maar alweer: een journalist die het regeren een stuk makkelijker wil maken! mijn got! Waar is Karl Kraus, die luis?

Misschien gaat dit je wat ver Björn, maar zou de antipolitiek niet in de politiek zelf zitten, veeleer dan bij het kiesvee? Mensen als een De Gucht, met zijn aandelen en zijn halfzachte uitleg daaromtrent, mensen als Dewael, die niet het begrip verantwoordelijkheid kennen, mensen als Verhofstadt of Lizin die de samensmelting der machten als normaal beschouwen, allemaal zonder daarbij ooit erg lastig te zijn gevallen door jouw kwaliteitsconfraters, of nog, om even terug te gaan, mensen als de jonge Eyskens, of Nothomb, en nu weer iemand als Leterme, die zijn expliciete beloften breekt, en wie vergeet ik niet allemaal?
Wat bedoel jij met antipolitiek brave man? Als dat begrip in filosofische zin al bestaanbaar zou zijn, maar ik wil niet te moeilijk doen, dan is het gemaakt door politici, en door hun journalistieke lakeien, niét door de kiezers. Dat laatste zou een democratische tegenspraak vormen, begrijp je?

En Björn, denk ook eens na voor je schrijft, want nu maak je het gortig: eerst wil je een Olijfboomcoalitie, met andere woorden een lekkere hutsepot, en in dezelfde zucht wil je duidelijkheid én grote blokken, weliswaar binnen een beperkt spectrum, gaande van gezinspartijen tot sociaaldemocratie. Dat is verontrustend voor een democraat zoals ik.
De radicale tegenstelling tussen laatstgenoemde twee begrippen moet je dringend eens uitleggen, allereerst aan jezelf trouwens, want met wat je daar schrijft lijk je kort en goed een Eénpartijstaat na te streven.

Extra ecclesiam nulla salus est, om ook eens Latijn te spreken.
.
.

8 december 2008

Over eentonigheid en afwisseling

.
Een boek dat pas is verschenen, na de Boekenbeurs moeten wij dus vaststellen, is De Levenskunstenaar .(Il Discreto) van de XVIIde E.'se Spaanse jezuïet Baltasar Gracián.
Uitgeverij Papieren Tijger had vier vertalers aan het werk gezet, en die deden over het boekje van net geen 150 pagina’s toch enkele jaren. Gracián is een barokke auteur vol woordspelingen, de schrik van vertalers.
En al geniet Baltasar Gracián in managerskringen tegenwoordig enige bekendheid – tenslotte wil in die kringen ook eens een citaat van Machiavelli of Clausewitz vallen, of van Lao Tse, Sun Tsu of een andere Chinese Wijze – toch lijkt het me twijfelachtig of zijn boek in onze kranten op voet van gelijkheid zal besproken worden met bijvoorbeeld een nieuwe Verhulst of Lanoye.

Wat belooft ons De Levenskunstenaar ?
Een levenskunstenaar, zo vertelt de uitgever op de achterflap, slaagt er in alle middelen onder controle te krijgen en kan in overeenstemming met zijn psychische gesteldheid elk beroep uitoefenen, met profijt en voldoening zijn leven leiden en zich voorbereiden op het hiernamaals.

Dit laat weinig te wensen over, en ik laat Gracián dus zelf aan het woord:

Een stakker is het genie dat zweert bij één enkel onderwerp, ook al is dat iets unieks of zelfs het meest sublieme, en al helemaal als het slechts iets gewoons zou zijn. Die slechte gewoonte hebben veel vakmensen gemeen, zoals een soldaat die alleen maar over zijn veldtochten kan praten en een handelsman over zijn winsten.* Niemand wil luisteren naar zoiets eentonigs of zijn aandacht schenken aan een niet ter zake kundige, en als men zich soms al daartoe laat overhalen, dan gebeurt dat om er de draak mee te kunnen steken.
Afwisseling is altijd mooi en dus aangenaam en in dit geval zelfs aanlokkelijk. Bij de meeste mensen kan men maar voor één ding terecht, want zij hebben niet de capaciteit voor twee; bij sommigen moet je steeds hetzelfde punt aanroeren en maar over één onderwerp spreken, waar zij niet los van kunnen komen. Dat zijn de stokpaardberijders die van een conversatie een Sisyphuskwelling maken en je verpletteren onder de steen van hun eeuwige thema. Met reden beeft elke levenskunstenaar voor hen, want hij zal zijn verstand nog uitzweten als een van deze domoren zich op zijn geduld werpt. Uit angst voor zo’n pijnlijk risico geeft de wijze de voorkeur aan de dorre eenzaamheid en beleeft zijn Gouden Eeuw** innerlijk.
Het is een afschuwelijk kenmerk van sommigen, dit vervelen tot misselijkmakens toe wat ieder mens met goede smaak verfoeit onder de bede dat God ons behoede voor de man die altijd maar over één onderwerp kan praten en slechts op zoek is naar één ding. Daar tegen kunnen slechts enkele veelzijdige, talentvolle en verstandige vrienden, kortom mensen voor elk uur die altijd te pas en nooit ongelegen komen, ons genoegdoening schenken. Eén van hen telt al voor velen, terwijl van die anderen er duizend nog niet voor één tellen, en reken dan maar uit hoeveel uren je op ergerlijke wijze van hen afhankelijk moet zijn om op te wegen tegen één uur met een vriend.
_________________________

* Dit is een verwijzing naar Propertius 2,1,43 vg: "Navita de ventis, de tauris narrat arator, enumerat miles vulnera, pastor oves". De zeeman spreekt over de stormen, de ploeger over zijn ossen, de soldaat telt zijn wonden, de herder zijn schapen.
** Volgens Ovidius, in Metamorphoseon I, 89 e.v. brak er na de Schepping een gelukzalige periode aan onder Saturnus, de Gouden Eeuw, gevolgd door een Zilveren, een Bronzen en een IJzeren Tijd. Aansluitend bij Plato's theorie over de cyclische tijd kon de Renaissance er op bogen een terugkeer te zijn naar die Gouden eeuw.


De levenskunstenaar
(Il Discreto, 1646)
Uit het Spaans vertaald door
Jan Bakker, Kees van Dooren, Tineke Groot en Bep van Wees
2008, Papieren Tijger, pp. 52-3
.

.

1 december 2008

Geen gewetenloos geklieder met drukinkt !

.
Beste lezer,
al sinds enkele dagen is het mij onduidelijk of Arthur Schopenhauer wel gelijk had in §283 van zijn Über Schriftstellerei und Stil :
[…] so lese ich aus einem Autor ein paar Seiten und weiß dann schon ungefähr, wie weit er mich fördern kann.
[laat mij van een auteur een paar bladzijden lezen, en dan weet ik wel ongeveer tot waar die mij vooruithelpen kan]

Mijn twijfel aan de uitspraak van Arthur Schopenhauer kwam, omdat ikzelf al geruime tijd de geschriften van Peter Vandermeersch lees –meer dan eens heb ik u deze lectuur deelachtig gemaakt– maar daarbij toch een valse indruk van de auteur moet hebben opgedaan.
Vandermeersch schreef vrijdag namelijk een stuk –deels als antwoord aan zekere Thomas Siffer, deels ook als wraakoefening op Van Cauwelaert van Knack– en wat mij opviel in zijn stuk was dat het zo duidelijk en goed geschreven was. Vandermeersch sprong met zijn inkt zuinig om. Schopenhauer zou gezegd hebben: van gewissenlose Tintenklexerei is hier geen sprake. Het was een moedig stuk.
De uitleg voor deze stijlbreuk bij Vandermeersch is eenvoudig: “Daher nun ist die erste, ja, schon für sich allein beinahe ausreichende Regel des guten Stils diese, DASS MAN ETWAS ZU SAGEN HABE: o, damit kommt man weit!
[Vandaar dat de eerste, ja, op zich al bijna voldoende regel van de goede stijl deze is: DAT MEN IETS TE VERTELLEN HEEFT : o, daar kom je een eind mee!]

En Vandermeersch hád iets te vertellen, en zelfs extra nog iets te vertellen dat ook mij wat op de lever had gelegen, al had die kleinigheid mij geen moment belet om de petitie van dr.
Frank Thevissen te ondertekenen.
Vandermeersch merkt in zijn artikel terecht op dat Draulans bijna verwijtend werd toegevoegd dat hij "van origine bioloog" was. Ik ging er onmiddellijk van uit dat die toevoeging niet zo bedoeld was, maar dat neemt niet weg dat zij er beter niet had moeten staan, immers: “Alles Entbehrliche wirkt nachtheilig.
En er zijn ook zóveel biologen die schitterend schrijven, altijd een stuk beter, spannender, zinniger dan sociologen, politicologen, zelfs filosofen en tutti quanti.
Biologie is een precies bèta-vak, misschien niet even precies als fysica, maar wel dichter bij onze wereld op menselijke schaal.
Om een paar biologen-schrijvers te noemen die ik voor geen geld had willen missen, en ik noem expres Leo Vroman niet: Jacques Monod, Stephen J. Gould, Edward O. Wilson, en iets verder terug de grote J.B.S. Haldane.
Deze schreef ooit een prachtig essay: "On the Importance of Being the Right Size", ik meen eind jaren dertig.
Haldane wees erop dat als je in een put valt, het veel verschil maakt hoe groot je bent, en dat (als ik me de voorbeelden goed herinner) een muis een diepe val in zo'n put met gemak zal overleven, een hond ook nog, wel met pijn in zijn botten, terwijl een mens gebroken blijft liggen en een paard zelfs uiteenspat.
Vooral de val van die hond en dat paard zal bij zijn Engelse lezers hard zijn aangekomen, maar het essay zelf werd een stukje Engelse Literatuur – dat helaas aan de nochtans anglofiele graafkikker Lippens voorbij moet zijn gegaan.
.

22 november 2008

Vous m’en rendrez raison!

.
Onze tijd erkent geen enkele erecode nog zeg ik, en bij Knack hebben ze hun best gedaan om die stelling te illustreren.
In de enge kring rondom Dirk Draulans zal wel langer al bekend zijn wat voor figuurtje hij is, maar ikzelf –zoals ongetwijfeld anderen buiten die overigens hypothetische kring– ikzelf dus had zijn artikel over Morel-Vanhecke nodig om tot enig inzicht te komen.
Waar is de tijd, zucht ik, dat politici en journalisten nog met elkaar, ofwel onderling in duel gingen als iemand een onvertogen woord had laten vallen ?
Duels zijn wreedaardig zult u zeggen, en naar de gebruiken van vóór de Eerste Wereldoorlog wil niemand terug. Laat ik dit beamen, min of meer, maar zoals het er nu aan toegaat zijn uitlatingen als die van Draulans te goedkoop. Even duur als een buskaartje in Hasselt.
Dan neig ik in mijn betere momenten liever naar de stelling van een grappig lid van de Facebook-groep Pour la Légalisation du Duel, dat ter rechtvaardiging een mooi rijm schreef: .Le duel c'est bien, ça évite les embrouilles pour rien :)

Om mij beknopt uit te drukken: Vanhecke zou, vanzelfsprekend met alle plichtplegingen, deze Draulans moeten kunnen toeroepen: .Vous m’en rendrez raison!
Na afloop van het duel zou hij dan voor een assisenjury moeten verschijnen, dat wel, maar daar heeft hij minder te vrezen dan voor het Europees Parlement.
Zelfs Jean-Jacques Rousseau vond dat de edicten van Lodewijk de Veertiende, die het duel verboden hadden, tegen het rechtsgevoel ingingen. In zijn Lettre à M. d’Alembert deed hij zijn beklag: “La loi même ne peut obliger personne à se déshonorer. […] les édits ne me laissent le choix que du supplice ou de l’infamie”.
Ik heb die Lettre niet zelf gelezen, maar vond de verwijzing in een recent boek: LA MORT EN FACE: Histoire du duel de la Révolution à nos jours, van François Guillet (Aubier, Collection historique; Flammarion 2008).
In een wereld waar het duel zou zijn toegestaan, of liever gedoogd zoals dat nog in de XIXde E. het geval was, zou een schunnig figuurtje als die Draulans geloof ik twee keer nadenken voor het zijn pennetje in de inkt doopt.
Ik zeg meteen, lezer, dat ik het als mijn burgerplicht beschouw om hier onmiddellijk een uittreksel te geven uit hetzelfde boek (p.90), in de hoop uw begrijpelijke enthousiasme voor het duel weer wat te temperen:


Difficilement perceptible pour le non-initié, la provocation prend des formes particu-lièrement délicates. En 1897 éclate ce que les journaux de cette époque appellent «l’affaire Thomeguex-Pini», qui oppose deux escrimeurs renommés, l’un français, l’autre italien. Le point de départ de l’affaire se situe le 6 mars 1897 quand, en sortant d’un tournoi d’escrime qui se tenait au Cirque d’été, le chevalier Pini effleure la bottine d’Albert Thomeguex. Celui-ci considère que son adversaire lui a marché sciemment sur le pied. Après deux rencontres entre témoins, un premier procès-verbal conclut à l’absence d’offense, mais Thomeguex, manifestement désireux de se mesurer à une illustre figure de l’école italienne d’escrime, refuse de s’en tenir à cette décision et constitue de nouveaux témoins. De cette «controverse des bottines», qui oppose les représentants des deux principales écoles d’escrime, les journaux se livrent à une véritable exégèse : «Le chevalier a-t-il vraiment voulu effleurer de sa bottine la bottine de M. Thomeguex ? écrit Maurice Talmeyr dans Le Figaro. Le chevalier déclarait que non, mais M. Thomeguex maintenait que si, et toute l’Europe a pu savoir qu’on ne s’entendait pas là-dessus. Échanges de témoins, procès-verbaux, arbitrage, sentence d’arbitre, toute la théologie de l’honneur y a passé, et la question a fait plus de bruit, en quatre jours, que les deux cent mille Arméniens écorchés vifs par les Turcs n’en avaient fait en quatre ans.»
Le duel aura lieu le 17 mars, au champ de courses de Saint-Ouen.



Provocaties kunnen bijzonder subtiele vormen aannemen, die voor de niet-ingewijde moeilijk te plaatsen zijn. In 1897 barst, zoals de kranten van die tijd zeggen, de “affaire Thomeguex-Pini” uit, waarin twee befaamde schermers tegenover elkaar staan, de ene een Fransman, de andere Italiaan. Vertrekpunt van de affaire was op 6 maart 1897, toen na afloop van een schermtoernooi gehouden in het Cirque d’été, ridder Pini de rijglaars van Albert Thomeguex lichtjes beroerde. Deze laatste nu was van oordeel dat zijn tegenstander hem bewust op de tenen had getrapt. Na twee ontmoetingen tussen getuigen wordt bij een eerste proces-verbaal besloten tot de afwezigheid van belediging, maar Thomeguex is klaarblijkelijk op een krachtmeting met een illustere vertegenwoordiger van de Italiaanse schermschool gebrand, weigert zich aan deze conclusie te houden, en stelt nieuwe getuigen aan.
In dit “laarzendispuut”, dat de vertegenwoordigers van de twee voornaamste schermscholen tegenover elkaar stelt, geven de kranten zich over aan een ware exegese: “Had de ridder werkelijk de intentie om met zijn laars de laars van M. Thomeguex te beroeren? schrijft* Maurice Talmeyr in Le Figaro. De ridder zelf verklaarde van niet, maar M. Thomeguex hield vol van wel, en heel Europa heeft kunnen zien dat hier geen overeenstemming werd bereikt. Woordenwisselingen tussen getuigen, processen-verbaal, arbitrage, arbitrale beslissing, heel de theologie van de eer kwam erbij kijken, en de zaak maakte op vier dagen tijd meer ophef dan de tweehonderd duizend Armeniërs hadden gedaan, die in vier jaar tijd door de Turken levend zijn gevild.
Het duel zal plaatshebben de 17de maart, op de renbaan van Saint-Ouen.
____________________________

* Le Figaro, 18 maart 1897. Grappig artikel ook in The New York Times van 4 april 1897.
.

20 november 2008

Mark Grammens over De Gucht

.
In zijn jongste Journaal (20 november) vertelt Mark Grammens (linkse flamingant zoals we weten) een paar hartige waarheden over De Gucht. Ook over Leterme trouwens.
Beiden zijn leugenaars, het is eenmaal niet anders, faut faire avec.
De laatste is dat volgens Neelie Kroes (die meer dan enkel de schijn mee heeft bij haar bewering), en eerstgenoemde volgens VanderKelenDesmetVandermeersch, zoals hieronder zal blijken, want ik geef het slot van Grammens zijn artikel, op p.4195.
Grammens wil niets weten van het www (en overigens ook niet van de voorkeurspelling), maar een klein citaat mag wel, veronderstel ik.


[...] Maar er is vooral dit. In juni 2005 liet Karel de Gucht zich in een interview zeer laatdunkend, zelfs ronduit beledigend, uit over de Nederlandse premier Balkenende. .Zoiets doet een minister van Buitenlandse Zaken niet, en De Gucht bevond zich daardoor in een zeer lastig parket. Toen heeft hij drie keren flagrant gelogen door te beweren dat hij verkeerd geciteerd was, totdat de bandopname van het interview openbaar werd gemaakt.. Dit was toen de reaktie van Luc van der Kelen: ."terugkrabbelen en de journalist proberen onderuit te halen, met keiharde leugens, is van het meest laaghartige menselijke gedrag" (in Het Laatste Nieuws, 6.6.05). ."Mijn konklusie: De Gucht is niet geschikt voor de politiek" (in Humo, 21.6.08). ."Drie keren heeft minister Karel de Gucht geprobeerd zich uit de problemen te liegen, die hij zelf veroorzaakt had met beledigende uitspraken over Balkenende" (in Het Laatste Nieuws, 6.6.05). .In De Morgen (9.6.05) werd toen door partijgenoten van De Gucht gesteld dat "een minister die manifest loog, zoals De Gucht in dit dossier herhaaldelijk deed, zonder meer moet opstappen", en werd het betreurd dat de partijleiding van de VLD De Gucht bleef steunen.
We rakelen dit op om eraan te herinneren dat de waarheidsgetrouwheid van De Gucht sterk gerelativeerd dient te worden, maar als dit zo is, wat is zijn ontkenning van misbruik van voorkennis bij de verkoop van aandelen van Fortis dan nog waard? ."De kans dat een liberaal kopstuk gedwongen wordt tot ontslag blijft zeer klein.. Maar de imagoschade valt stilaan niet meer in te schatten" (De Morgen, 5.11.08). .Drie jaar geleden schreef men hetzelfde: de leugens die De Gucht verteld had, aldus toen De Morgen (11.6.05), ."stralen natuurlijk ook af op de partij".
En vandaag: bij hem (en Dewael) ."lijkt het begrip politieke hygiëne onbestaande" (De Standaard, 0.11.08).
Intussen blijft de VLD hardnekkig de lof zingen van haar eigen ministeriële voortreffelijkheid. Immers, als zij het niet doet, wie zou het dan nog doen?


Dat De Gucht een leugenaar is, tot driemaal toe, daar bestaat dus geen twijfel over. Maar hoe vaak de haan eerst moet kraaien, daarover vrees ik zullen we nooit zekerheid hebben – hoe eensgezind onze eigen drie Evangelisten Lukas, Yvo en Petrus ook zijnwant wij weten uit oudere teksten:

Mattheus 26:34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
Markus 14:30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
Lukas 22:34 Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.
Johannes 13:38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

.

19 november 2008

Oude beroepen in hun bestaan bedreigd

.
Elk nadeel heb zijn voordeel zei Cruijff, en wat aan de bankencrisis iedereen moet bevallen is het grote aantal protserige figuren dat op slag niets meer voorstelt. Plezieriger nog daarbij is, dat niet alleen die figuren maar ook hun functies en titels mee de lucht ingingen. Eigennamen geven hoeft hier niet, dat zou de zaak maar verengen.
Vandaag schiet iedereen al in de lach bij het horen van soortnamen als manager, beheerder, voorzitter, CEO, consultant, expert, communicatiespecialist, accountant, beursanalist, beurswaakhond, beursjournalist.
Die situatie is niet nieuw. Vroeger al raakten beroepen als chirurgijn, barbier, wonderdokter, exorcist, tandentrekker of waarzegger hun uitstraling kwijt. Wij weten nu: onder dezen zaten inderdaad nogal wat charlatans en oplichters. Al bij onze vaderen moet dit besef allengs zijn doorgedrongen. Hun verworven inzichten hebben aan die beroepsgroepen als geheel toen veel schade toegebracht, en het makkelijke geld werd hen niet meer toegegooid.

De verstandigsten onder deze professionelen zagen hoe laat het was, kozen een ander werkterrein en werden dan maar manager, consultant of iets dergelijks.
Echte stielen vermeden zij over het algemeen en dat is begrijpelijk, want wat zij als clevere kerels beseften was dit: .neem, een grote bank besturen is niet half zo moeilijk als een smakelijk brood bakken of een deftig kostuum naaien.
Het grootste verschil is namelijk altijd geweest dat een bakker of kleermaker die in zijn winkel voortdurend verhalen afstak over diversificatie, overnames, schaalvoordelen of synergie*, zijn laatste klant de deur zag uitgaan nog voor hij het geweer van schouder kon veranderen en een loflied aanheffen op zijn core business.
Bij het grote publiek zijn deze inzichten nu doorgedrongen, en ook zijn er journalisten bij wie iets begint te dagen. Politici blijven voorlopig wat achter lezen we, en in een fout lijstje gisteren in DS stonden Laurette, Joëlle en Patrick vrolijk op kop. Die voeren nogal wát foute lijstjes aan, en dus ook dat van de dure consultancies. Laurette is hier de enige die een goede reden kan aanvoeren: op die manier houdt zij tenminste haar gezinsbudget in evenwicht, en staathuishoudkunde begint thuis zal zij uit haar Xenofoon onthouden hebben.
Maar zoals gezegd, en helaas voor onze deskundigen: bij het publiek lijkt hun lachgas voorlopig uitgewerkt.

______________________

* iemand moet aan managers en journalisten eens duidelijk maken dat het woord synergie, net zoals bijvoorbeeld zand, afval of melk (of het nu moedermelk, koeienmelk, schapenmelk, geitenmelk of paardenmelk betreft), géén meervoud kent.

.

9 november 2008

Cursus formele logica

.
Wat vond u vorige week, beste Standaardlezer, van onderstaande alinea ?

Angst maakt ons defensief en agressief, die agressie wordt als arrogantie aangezien, arrogantie brengt haat voort, haat leidt tot geweld, en geweld maakt ons dan weer angstig. Ik verlang naar iemand die die vicieuze cirkel kan doorprikken.

Dat het gewoonlijk ballonnen zijn die doorgeprikt worden, terwijl cirkels eerder doorbroken of gewoon gebroken worden? Of dat defensief en agressief minstens licht tegenstrijdig zijn?
Kijk, het zal inderdaad waar zijn dat een cirkel doorprikken geen eenvoudige zaak is in onze driedimensionale wereld (er met een tweedimensionale rekenlat doorslaan gaat al een stuk beter), maar wat uw tweede bezwaar betreft moet ik wijzen op de bekende uitdrukking “aanval is de beste verdediging”.
Mijn bewondering wekte in de eerste plaats de ijzeren logica die uit het geheel van de redenering sprak. Vooral de implicatie, en de eigenschap der transitiviteit werden uitstekend geïllustreerd:

(angst)[(verdediging agressie)(agressie arrogantie)](arrogantie)(haat)(geweld)(angst)

Dit kon wel uit een cursus formele logica geplukt zijn. Die van wijlen Leo Apostel bijvoorbeeld, hoewel ook weer niet, want die man zou er ongetwijfeld op hebben gewezen dat in deze cirkel, en net vanwege de genoemde transitiviteit, (angst) bijvoorbeeld ook (geweld) impliceert ethologen kijken hier verbaasd–, wat ons meteen toelaat om dat laatste pijltje om te draaien, net zoals alle pijltjes van richting mogen veranderen, liefst tegelijk dan wel.

Als wij nu deze twee proposities op elkaar leggen, de ene met naar links kijkende en de andere met naar rechts kijkende pijltjes, dan bekomen wij overal dubbele pijltjes "", en logisch staan die gelijk met "=" .
De enige kleine hapering is dat tekentje "", omdat het zij het met enige reserve op zich weer een propositie proposeert. Maar daar kunnen we overheen lezen en zeggen dat al de gebruikte termen au fond hetzelfde betekenen al zullen naast de genoemde gedragskundigen nu ook mensen die Nederlands kennen zich wat gewrongen voelen.
We moeten echter bedenken dat de tekst niet door een logicus is geschreven, maar door een popzangeresje met een diepe stem dat zoals wij lezen ook nog eens in Tennessee woont.

Zeg wat u wilt geëerde lezer, maar die Sarah Bettens mag wat mij betreft met een gerust gemoed postvatten naast een Oscar van den Boogaard, zelfs al steekt Oscar zijn wekelijkse preekjes in De Standaard af met de meer traditionele en aan iedereen vertrouwde falsetstem.

Ja, de Vlaming gaat niet meer naar de Zondagsmis, niet weinigen onder hen wellicht om de preken te vermijden, maar dat heeft hem blijkbaar niet de doordeweekse sermoenen kunnen besparen.
.

5 november 2008

Ter gelegenheid van de Boekenbeurs

.
.
Ik weet niet of er op de Boekenbeurs, die ik helaas nog nooit bezocht heb –ik kan er dus weinig over zeggen– ook een Ars Poetica te koop is. Waarschijnlijk wel, want bijvoorbeeld Aristoteles en Horatius schreven er elk een. Huysentruyt of Lanoye of Verhulst misschien ook, maar die zijn mij onbekend. In ieder geval, er bestaan er honderden, meestal dikke turven. Mocht u naar zo'n Ars Poetica op zoek zijn geweest, of liever een korte hebben: hier is er eentje.




Raad aan de jonge dichter

Dooie dichters willen wij,
Verorberd door de wormen.
Woorden, netjes in de rij,
Niks geen nieuwe vormen.

En wat de thema’s nu betreft:
Nergens gevoelens bezingen,
Of freudiaanse dingen!
Ik hoop dat je dit goed beseft.

Wél kan een leerdicht natuurlijk,
Ook een klucht rond De Gucht,
Of een haal naar Dewael,
Gepaard gaand met wat vuurwerk.

Haiku’s zijn compleet harám,
Ghazeltjes mogen weer wél –
Eén van rijm, perfect van tel.
Blanke verzen klinken lam.

Vergeet bijgot filosofie,
Diepe gedachten zijn een kwaal.
Het enige dat telt is taal:
Je komt in mijn chrestomathie.


.
.

2 november 2008

Nomen est omen

.
Is het acceptabel –moreel, intellectueel of anderszins– om iemand te verachten enkel op basis van zijn voornaam? iemand die je verder van haar noch pluimen kent?
Wellicht niet, en toch word ik mijn verachting voor Tommy Thijs van De Kwaliteitstabloid slechts met grote moeite de baas. Die jongen werd door zijn ouders genoemd naar een pistoolmitrailleur, en niemand zal Tommy dit kruis benijden dat hem voor zijn verdere levensweg op de schouders werd gedrukt door die ongetwijfeld brave mensen.

Maar, deze Tommy ondertekende wél een bijzonder laf stukje, vrijdag in de rubriek “Kreten en Gefluister”, met als titel “Geschonden”. Hij deed dat natuurlijk niet op eigen houtje (Vlaamse journalisten hebben geen eigen houtje) maar in zijn opdracht als sluipschutter, hired gun als u wilt, of hit man.
Guy Tegenbos
ondertekende overigens mee, en die mag als verstandige volwassene –bij momenten toch– meer nog dan Tommy zich schamen, want hij had wellicht het commando bij de opdracht. Laten wij echter aannemen dat Guy geregeld stukken ondertekent die hij niet gelezen heeft, en waar hij dus geen verantwoordelijkheid voor kan dragen – of toch niet in de moderne opvatting, zoals die verdedigd wordt door bijvoorbeeld Zijne Excellentie Patrick Dewael.

Het onderwerp in “Kreten en Gefluister” was een futiliteit, zoals dat in die rubriek de regel is, daar dient ze voor, en elders in de krant werd de kwestie geen woord waardig geacht. De Standaard was hier natuurlijk geheel in lijn met alle andere Vlaamse media, en banaliseerde het zaakje zoveel als mogelijk. Dat was mooi, maar toch nogal opvallend afgesproken tussen al die onderling inwisselbare hoofdredacties.
En ja, wat betekent tenslotte de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van een Vertegenwoordiger des Volks? Niets toch?

Geschonden

Wie misschien straks een facelift kan gebruiken, is Frank Vanhecke. Hij schond zijn aangezicht. Het Europees Parlementslid van Vlaams Belang verliest wellicht zijn parlementaire onschendbaarheid. De juridische commissie van dat parlement beveelt dat aan omdat een rechtbank hem wil vervolgen: een lokaal partijblad waarvan hij verantwoordelijke uitgever was, schoof vandalenstreken onterecht in de schoenen van allochtonen.
De manier waarop broodschrijver Tommy hier speels en achteloos voorbijgaat aan de Grondwet (getrapte verantwoordelijkheid), aan zijn eigen plicht tot feitelijke en volledige voorlichting ("een rechtbank", sukkel!), aan alles wat een journalist zou moeten zijn en doen ...klasseert hem.
Mag ik die eerloze maar even brave Tommy, die wellicht zelfs zich van geen kwaad bewust is en gewoon doet wat hem wordt opgedragen, hier herinneren aan wat de grote Karel van het Reve vond van een Eénheidspers?

Zolang er geen dissidente geschriften bestaan kan de censuur er in slagen in kranten en tijdschriften een beeld van het eigen land te handhaven dat slechts weinig overeenkomst vertoont met de werkelijkheid, en zijn veel publicisten zich er nauwelijks van bewust hoe schaamteloos zij liegen. Zodra naast de officiële, gecensureerde pers een vrij veel gelezen vrije pers bestaat wordt het liegen en verzwijgen moeilijker.

Karel van het Reve
Geschiedenis van de Russische Literatuur
Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov
G.A. van Oorschot, 1985 (2002), p. 246

(Vetjes van mij)


Hier op Vlaamse journalisten rekenen zou belachelijk zijn. Die hebben zelfs geen censuur nodig. Wat zijzelf doen, doen ze beter.
Ik maak mij sterk dat bloggers de énigen zijn die voor die verlossende dissidente geschriften kunnen zorgen – tenminste op voorwaarde, zoals KvhR opmerkt, dat zij voldoende gelezen worden, wat zeker nog niet het geval is, ook al gaan de slavenmedia gelukkig sterk achteruit, zoals nu weer blijkt uit het feit dat bijvoorbeeld De Morgen zich nog slechts de Tweede Krant van Kobbegem mag noemen.
.

26 oktober 2008

Problematische procreatie

.
Het bedrijven der liefde, hier verderop meer bepaald met als oogmerk het verwekken van nakomelingschap, is een onderwerp dat op deze plek geloof ik niet eerder aan de orde was.
Men kan dit betreuren, en zeker vanuit propagandistisch standpunt bezien gaat het om een nalatigheid –het thema bezit ontegenzeggelijk een wervende kracht, zelfs met veronachtzaming van het beoogde doel– maar hoe verheven het onderwerp van de vereniging der lichamen ook is, op deze plek komt nu eenmaal sneller de splitsing der lichamen ter sprake, wezen het kiesarrondissementen, gerechtelijke arrondissementen, of zelfs landen.
En weliswaar vormen in logische zin de begrippen splitsing en vereniging een paar, maar voor de doorsnee amateur of dilettant blijven alleszins de genoemde onderwerpen tot onderscheiden registers behoren. Mijzelf bijvoorbeeld valt het niet licht om in dezen het Grote Denkraam te ontdekken, en die zaken naturel en ongedwongen met elkaar in verband te brengen.
Voor professionele verbandenleggers ligt dat anders, en inderdaad zien wij in de Libre Belgique dat hun columnist, prof. dr. Armand Lequeux van de UCL, er geen moeite mee heeft.
De man is verloskundige en in zijn praktijk ziet hij vaak koppels die tijdens hun vruchtbare periode te lang zijn blijven treuzelen. Hij vraagt zich af wat hen daarbij heeft bewogen. De adolescentie is langer geworden, dat is één reden, en de professor spreekt hier van “adulescence”. Maar er zijn er ook andere:

Ensuite parce qu’une grande insécurité habite les couples contemporains en âge de procréer. Ils ne sont pas insensibles aux dangers venus de l’extérieur (le chômage, la crise financière, les modifications climatiques, l’avenir incertain de l’arrondissement de BHV, etc.), mais c’est au creux même de leur relation qu’ils perçoivent une vraie menace. […]

Brussel-Halle-Vilvoorde is voor prof. Lequeux dus zeker niet de hoofdoorzaak, maar welke politicus kan na zijn analyse nog zeggen dat de mensen daar niet wakker van liggen?
Zelfs de bijslaap laten zij.

________________

Verder omdat er bij koppels in de vruchtbare leeftijd vandaag een grote onzekerheid heerst. Zij zijn niet ongevoelig voor de gevaren van buitenaf (de werkloosheid, de financiële crisis, de klimaatveranderingen, de onzekere toekomst van het arrondissement BHV, enz.), maar het is binnen hun relatie zelf dat zij een reële bedreiging gewaarworden. [...]
.

21 oktober 2008

En die kerel doceert Strafrecht !

.
Vóór twee jaar schreef ik hier een zin neer, die mij (mondeling) nogal kwalijk werd genomen door enkele journalisten, maar die ik toch wens te herhalen.
En al stond de arme Brice natuurlijk niet op de eerste rij toen het verstand werd uitgedeeld […]
Maar oordeelt u zelf of ik mij toen liet gaan.


De Standaard, 21 oktober

Mark Eeckhaut

'Jahjah is een haatprediker'
Brice De Ruyver, voormalige veiligheidsexpert van ex-premier Verhofstadt: 'Gaat Jahjah klacht indienen tegen mij? Dat hij maar doet. Kijk, ik spreek me niet uit over de inhoud van het gerechtelijk dossier en over of hij al dan niet strafbare feiten heeft gepleegd.
Hij mag dat, maar het is nergens nog voor nodig dat burger Brice ons zijn mening geeft: het Hof heeft gesproken. Een goede raad die ik hem als leek kan geven is, om Jahjah alvast niet openlijk dingen in de schoenen te schuiven waar de rechtbank hem net van heeft vrijgesproken.

Wat ik wel weet, is dat we honderd procent gelijk hadden tegen hem en de AEL op te treden. Jahjah is een haatprediker.'
Wát, “we ? . Brave Brice, maken in jouw hoofd adviseurs (vet betaald of niet) dan al integraal deel uit van de Uitvoerende Macht? Of van een andere Macht, of misschien gewoon van alle Machten? Ook zit jouw rechtsfiguur van “haatprediker” mij niet lekker. Je blijft toch min of meer een jurist, De Ruyver? .dan moet je niet zo sentimenteel worden in de terminologie die je hanteert.

'Voor mij is Jahjah een objectieve bondgenoot van Vlaams Belang. Hij hanteert net dezelfde taal. Dat soort mensen vergeet dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen voor hen geldt maar ook voor mensen die de democratische rechtsstaat verdedigen.
Ik zal je een lectuurtip geven Brice: “objectieve bondgenoot” is een begrip dat je wellicht ergens gehoord hebt, en dat nu door jouw geest kwam gedwarreld, maar voor een oorspronkelijke en goede definitie moet je bij Lenin zijn.

Wat Jahjah en de zijnen deden met hun burgerpatrouilles is not done in een democratie. Ik zeg niet dat de AEL een criminele organisatie was maar veel mensen die Jahjah rond zich verzamelde, waren sociaal zwakkere jongeren, van wie sommige kleine criminelen die opkeken naar hem en die organisatie. Dat is gevaarlijk.'
Die “sociaal zwakkeren” van je, dat doet er niet toe. Je moet de zaken eens bij hun naam leren noemen. Niet flauw doen. Feit is echter dat je hier een intentieproces maakt. Of is “opkijken naar” nu ook al een misdrijf in jouw penologie?

De Ruyver begrijpt ook niet waarom de voormalige Antwerpse korpschef Luc Lamine de feiten nu minimaliseert. 'In die tijd hing Lamine bijna dagelijks aan de telefoon om ons te smeken Antwerpen te helpen. De situatie was gevaarlijk met de AEL, zei hij, we moesten onze verantwoordelijkheid nemen. En nu is dat blijkbaar helemaal veranderd.'
Aan de telefoon hangen dus. Misschien is de politieke druk op getuige Lamine vandaag wat minder Brice? waardoor hij zijn getuigenis heeft kunnen bijstellen, meer in overeenstemming met de feiten heeft gebracht, wat zijn recht is, of niet soms, professor?

Over het feit dat premier Verhofstadt de arrestatie van Jahjah live leek aan te kondigen in de Kamer zegt De Ruyver. 'De premier heeft vrijheid van meningsuiting. We hadden toen heel de tijd contact met politie en justitie. Het is evident dat wij wisten dat ze de zaak niet blauwblauw gingen laten.'
Het was al geen schitterend idee om Brice te interviewen in de Week van de Taal, en hij gebruikt hier inderdaad twee keer een begrip dat hij niet begrijpt: “vrijheid van meningsuiting”.
Een premier die iets aankondigt, die geeft niet zomaar een mening, beste Brice !

Het begrip performatieve zin is jou uitstekend bekend? Dan zul je weten dat de zin van Verhofstadt in het Parlement dichter in die buurt kwam, dan bij het loutere verkondigen van een mening.
En dat hij inderdaad ongepast was, not done in een democratie, Brice.

Oh, wat ongelukkig! dat hele begrip performatief zegt je niets?
Wel zoek het dan vanavond op, De Ruyver, niet bij Lenin deze keer, maar bijvoorbeeld bij de filosoof John Searle.
Saai? ...weet ik, maar echt, het komt nog van pas, in een verstandige les van je ...ooit, later.
.

18 oktober 2008

Hebben wij nog een voldoend aantal paarden ?

..
Wellicht hebt uzelf de opmerking al gemaakt, lezer, maar de laatste tijd is er nogal wat te doen rond aandelen. Aanvankelijk bankaandelen, vervolgens alle aandelen.
Dat onderwerp heeft van in mijn prille jeugd mijn belangstelling weggedragen, ook al kende ik het woord toen nog niet –grote mensen die daarover spraken, hadden het altijd over acties– en is de belangstelling altijd van puur theoretische aard gebleven.
Dat die zaak mij zo interesseerde komt door de radio. Op werkdagen werden ’s middags de beurskoersen van Brussel voorgelezen, vlak na het Nieuws. Het kan ook vlak ervoor geweest zijn, laten wij dit in het midden.
Wat ik mij ook niet meer juist herinner is of de rubriek werd ingeleid met wat wij tegenwoordig een jingle noemen. U zult echter van mij aannemen dat ook zonder jingle namen als Rio Tinto, Kilo Moto, Compagnie du Kasai, zelfs Wagons-Lits mij als muziek in de oren klonken. Die leken wel uit Jules Verne of Karl May of Nowee te komen.

Ook zag ik, met vakantie bij mijn grootouders in het boerendorp Wezembeek-Oppem, soms meewarige lachjes aan tafel als toevallig mijn groottante ter sprake kwam die op haar zolder een malle had staan, vol met acties van de Tramways de Buenos Ayres. Die waren nog het papier niet waard waarop zij gedrukt waren, wist mijn grootvader.
Het woord penny-aandelen had toen nog niemand gehoord denk ik, maar nu begrijpen wij allemaal dat die arme tante wellicht was opgelicht door de Lippensen van haar tijd. En aangezien ik op school de hoofdsteden van alle grote landen al had moeten leren, vond ik het toch eigenaardig van die tante dat zij zo’n grote belangstelling had voor trams die tenslotte in Argentinië moesten rijden.

Het aandeel echter dat altijd mijn grootste aandacht trok, meer zelfs dan Kilo Moto, was dat van de Paardenreserve. .Paarden genoten mijn grote achting, meer nog dan moto’s.
Meestal schommelde dat aandeel rond de zeventienduizend frank meen ik mij te herinneren (vierhonderd tweeëntwintig euro zouden wij tegenwoordig zeggen), soms een beetje meer en soms een beetje minder.
Als mijn grootmoeder hoorde dat het onder de zeventienduizend was geraakt, dan keek zij verschrikt naar haar man, maar die bleef onverstoord aangezien hij enkel kippen, konijnen en duiven kweekte voor aan tafel, en zo kon de maaltijd in alle rust afgewerkt worden.
.
.

13 oktober 2008

Neue Zürcher Zeitung over slavenhouderij

.
NZZ 13 oktober 2008

Gedoogd, verdrongen en vergoelijkt

De geschiedenis van de slavernij is een pijnlijk hoofdstuk in de islamwereld

Theorie en praktijk van de slavenhandel zijn een der donkerste hoofdstukken in de geschiedenis van de islamwereld, en tot op de huidige dag blijven er situaties bestaan die veel weg hebben van slavernij. Er rust een sterk taboe op dit thema, maar het wordt nu toch aangepakt door een nieuwe generatie vorsers, mediamensen en geëngageerde burgeressen, met op kop de antropoloog Malek Chebel.


Beat Stauffer

Waar in het oude gedeelte van Marrakech bevond zich de slavenmarkt? Wanneer werden hier de laatste slaven verhandeld? Welke families en dynastieën profiteerden van deze mensenhandel? En komen er ook vandaag in de “Parel van het Zuiden” eventueel nog toestanden voor die veel weg hebben van slavernij?
Zulke vragen zouden toeristen in Arabische landen eigenlijk moeten stellen; niet enkel in Marrakech, maar ook in Ghadames, Cairo en andere voormalige centra van de slavenhandel. Maar toeristen die vandaag deze landen aandoen, worden, als het al gebeurt, hoogstens terloops en anekdotisch geconfronteerd met het feit van de slavernij; en de omstandigheid dat een deel van de slavinnen en slaven in harems belandden lijkt het hele ding niet enkel fascinerender, maar ook nog draaglijker te maken. Gedenkplaatsen die herinneren aan de meer dan duizendjarige handel, die miljoenen mensen tot slaaf maakte, vernederde en tot het niveau van lastdieren verlaagde, zul je in de vroegere centra van de Arabische slavenhandel vergeefs zoeken, en ook de handboeken in de scholen van de islamwereld bevatten nauwelijks verwijzingen naar dit donkere kapittel.
Tot voor kort was het een uitgemaakte zaak dat het fenomeen van de slavernij gold voor het Westen, en in de eerste plaats Europese landen en de Verenigde Staten betrof. De jongste tijd wordt deze zienswijze evenwel meer en meer in twijfel getrokken.
In de jaren tachtig al had de Zürichse historicus, wijlen Albert Wirz, er op gewezen dat de slavenhandel al van vóór de aankomst van de Europeanen in Afrika bedreven werd door Arabisch-moslimse handelaars, en dat dezen bij het bezorgen van slaven voor de Europese behoeften een centrale rol hebben gespeeld. Tot gelijkaardige besluiten kwamen ook andere auteurs. Het brede publiek heeft van de meeste van hun publicaties echter nooit kennis genomen.

Nieuw wetenschappelijk onderzoek

De laatste tijd echter begint wat dit betreft een andere zienswijze stilaan opgang te maken. Eén factor hierbij is, dat er intussen zulke solide documentatie voorhanden is over toestanden, in meerdere islamlanden, die zo met slavernij verwant zijn dat het probleem zich niet langer laat afdoen met een verwijzing naar het gebrek aan precisie van de bronnen. Overigens zijn er de jongste tijd enige publicaties over dit thema verschenen.
In de eerste plaats dient hier het werk van de Algerijns-Franse antropoloog en psychoanalyticus Malek Chebel vermeld te worden, dat eind 2007 verscheen onder de titel «L'esclavage en terre d'Islam». Het betreft hier de eerste studie die op een grondige manier de slavernij in de islamitische ruimte onder de loep neemt.
Chebel, die met zijn talrijke wetenschappelijke werken internationaal erkenning vond, komt er duidelijk voor uit dat hij een humanist is, en als zodanig is slavernij hem een gruwel. Toch heeft de auteur zijn nuchtere kijk op dit moeilijke thema weten te behouden, en weerstond hij de verleiding om een pamflet tegen de slavernij te publiceren.
Dat Chebel uit de Maghreb stamt en zelf moslim is, speelt in dit verband mogelijk een beslissende rol; want doordat hij hardnekkig tegen de praktijk van de slavernij argumenteert op basis van de islamitische geschriften, haalt hij het (voor de hand liggende) verwijt van islamvijandigheid meteen onderuit. “God heeft niets geschapen dat hij meer liefheeft dan de bevrijding van slaven, en hij haat niets meer dan het zondigen hiertegen”, luidt één van de hadiths, overgeleverde uitspraken van de profeet waarop Chebel zich steunt.
Men kan inderdaad niet zomaar van de hand wijzen, dat een deel van de auteurs die over dit thema gepubliceerd hebben, van hun principieel islamkritische houding geen geheim maken. Hetzelfde geldt voor een reeks van hulporganisaties, die zich inspannen voor het “vrijkopen” van slaven; voor het merendeel zijn die onder te brengen in een Evangelisch-christelijke omgeving.

Verdringing en afweer

Het onderzoek naar het thema slavernij, waarin Chebel volgens zijn eigen woord eerder toevallig was terechtgekomen, bleek al gauw de “moeilijkste opgave” in zijn leven. In de Arabische wereld zou op het thema “slavernij” namelijk een sterk taboe rusten, en momenteel zouden er noch een bewustzijn van de betekenis van dit fenomeen, noch ernstige wetenschappelijke studies voorhanden zijn.
Des te heftiger, zo meldt Chebel, waren alle slag van aanmaningen en bedreigingen waar hij in de loop van zijn meerdere maanden durend onderzoek mee geconfronteerd werd. Meer in het bijzonder de waarschuwing, dat een dergelijke studie enkel aan de vijanden van de islam munitie zou leveren, sloeg Chebel in de wind, en hij stelde zich eenvoudig ten doel om “de ganse waarheid omtrent de slavernij” te registreren, niettegenstaande mogelijke gevolgen. Hij is daar grotendeels in geslaagd.
Chebels onderzoek was van tweeërlei aard. Ten eerste doorzocht hij, vanuit het oogpunt der slavernij, schriftelijke bronnen uit de hele islamitisch traditie en geschiedenis. Daarbij gelukte het hem, om praktische handleidingen voor de slavenhouderij en andere documenten te ontdekken, die op schrikbarende manier aantoonden hoe alledaags, ja “normaal” het tot slaaf maken van mensen eeuwenlang is geweest in de islamitische wereld. Volledigheidshalve dient vermeld te worden dat de auteur ook enkele “lichtpuntjes” wist op te delven, zo bijvoorbeeld een pamflet van een Marokkaanse abolitionist.
Ten tweede ondernam Chebel een uitvoerig onderzoek naar de hedendaagse praktijk van de slavenhouderij, en dat bracht hem in zowat alle islamitische landen. In interviews met slachtoffers, in gesprekken met juristen, theologen, politici en mensenrechten-activisten poogde de auteur zoveel mogelijk aan de weet te komen over dit fenomeen, het liefst uit de eerste hand.
Het resultaat is een indrukwekkend overzicht van de theorie en praktijk van de slavernij in de islamitische wereld.
Daarbij komt dat, in weerwil van zijn openlijk partijkiezen voor de rechtelozen en zijn diepe humanistisch engagement, de “correspondenties ter plaatse” die Chebel ons heeft bezorgd een voorzichtige indruk maken, nuchter blijven, en geenszins dramatiseren; .kortom, in hoge mate geloofwaardig zijn. Enkel de omstandigheid al, dat de auteur tot nu toe door niet één islamitische staat voor de rechter is gedaagd, spreekt voor de ernst van zijn analyse.

Vrijlating als “godgevallig werk”

Maar eens temeer, hoe staat de islam dan wel tegenover het tot slaaf maken van mensen? Had de profeet werkelijk de bedoeling om de in zijn tijd wijdverbreide praktijk van het slavendom stap voor stap uit te roeien? of ging het eerder hem erom, de meest stuitende en vernederende uitingen te milderen? Chebel houdt nadrukkelijk vol dat de koranische passages waarin de slavernij aan de orde is, verhoudingsgewijs verbazend “slaafvriendelijk” zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de vrijlating van slaven als een “godgevallig werk” uitdrukkelijk aanbevolen, en wordt het tot slaaf maken van moslims – en in principe ook van de aanhangers van de andere boekreligies – zelfs duidelijk verboden.
Naar de mening van Chebel vertoont de houding van de profeet inzake het fenomeen der slavernij evenwel een niet geringe ambivalentie. Er zijn immers ook passages die ondubbelzinnig wijzen op de godgegeven hiërarchie tussen “heer” en “knecht”, en in het kader van oorlogsvoering en razzia’s geldt het tot slaaf maken van niet-moslims uitdrukkelijk als legitiem.
Wat ook zwaar weegt, is vooreerst de omstandigheid dat het nogal “slaafvriendelijke” standpunt van de profeet in de volgende eeuwen niet goed terrein wist te winnen.
Oorzaken daarvoor ziet Chebel in de eerste plaats hierin, dat de bevrijding van slaven in de koran “geen sterk leidmotief” is, en voor de gelovigen ook geen verplichting. Veeleer werd het louter aan het persoonlijk initiatief en de goede wil van slavenhouder overgelaten om een “godgevallig werk” te verrichten.
De islamitische rechtspraak zou met betrekking tot de slavenhouderij altijd “vaag, dubbelzinnig en deels tegenstrijdig” blijven, schrijft Chebel, en in de praktijk zou zij “absolutistische potentaten, rijke handelaars en feodale heersers van alle categorieën” er nooit van weerhouden hebben om zich met zoveel slaven te omringen, als zij wenselijk achtten.
“Op die manier is de slavernij van dynastie tot dynastie tot een moslims feit geworden”, noteert Chebel. Wel zouden in de geschiedenis van de islam de religieuze autoriteiten af en toe enig voorbehoud hebben geformuleerd wat betreft de gangbare praktijken van de slavernij, maar zij stuitten daar op dovemansoren.
Zijn slotsom is duidelijk: in de beginfase van de islam was er beslist een emancipatoire tendens merkbaar, maar die heeft zich in de volgende eeuwen nooit kunnen doorzetten, en heeft plaats gemaakt voor een verregaande aanvaarding van de slavernij.
Het zou een van de “meest ontnuchterende en treurigste resultaten” van zijn onderzoek zijn geweest, dat zelfs vooraanstaande islamitische geleerden zich hebben willen lenen tot het codificeren van de slavernij. “Dit houdt in dat de ‘moskee’ niet neutraal stond tegenover dit kwaad”, schrijft Chebel. “In plaats van de wortels van de slavernij aan te pakken, namelijk de hebzucht van de slavenhandelaars en de criminele achteloosheid van de eigenaars, heeft zij hen van de nodige juridische middelen voorzien, om een handel uit te oefenen die daardoor bijna alledaags, banaal en onschuldig werd.”
De oeroude traditie van de slavenhouderij heeft zich in de voorbije eeuwen als het ware op de islam “geënt”, en heeft zodoende diens oorspronkelijke, emancipatoire boodschap gecamoufleerd.
Ja, in zekere zin is de islam “aan de mentaliteit van de slavenhouders ten offer gevallen”, verklaart Chebel in een bijgevoegd interview.
Daarmee haalt hij de islam duidelijk uit de schootslijn, en laat hij de mogelijkheid open voor een “progressieve” lectuur van de heilige geschriften. Slechts in bedekte termen werpt hij de vraag op, of de “onderwerping” aan de goddelijke wil – een van de mogelijke vertalingen voor de term islam – niet ook als “voorspel” zou kúnnen begrepen zijn voor een geheel en al wereldlijke onderwerping en ondergeschiktheid, waar de slavenhouders zich al te graag op zouden hebben gesteund.
Precies zo zien conservatieve islamtheologen het tot vandaag; het standsverschil tussen heer en slaaf is voor hen onderdeel van de goddelijke ordening. Een prominente Saoedische islamgeleerde, genaamd sjeik Saleh al-Fazwan zou zich nog vóór een paar jaar openlijk tegen de afschaffing van de slavernij hebben uitgesproken, zo bericht bijvoorbeeld de Amerikaanse journalist en islamcriticus Daniel Pipes. Slavernij zou een “onderdeel van de islam zijn, net als de jihad” en zulks ook blijven zolang de islam zou bestaan, zo moet de geleerde, die deel uitmaakt van het hoogste religieuze orgaan van Saoedi-Arabië, verkondigd hebben.
Ook andere – zelfverklaarde of deugdelijk erkende – religieuze autoriteiten hebben zich in deze zin uitgelaten.

Slavernij in Mauritanië

Dat het debat over het thema slavernij volstrekt niet academisch van aard is, blijkt in alle scherpte in Mauritanië. Op papier was de slavernij in dit West-Afrikaanse land in de loop van de 20ste E. al drie keer afgeschaft, zonder dat er in de praktijk veel veranderde: in 1905 per Frans koloniaal decreet, in 1960 met het verwerven van de onafhankelijkheid, en tenslotte een derde keer in het jaar 1980. Drieëntwintig jaar later, in het jaar 2003, werd een wet afgekondigd die mensenhandel in gelijk welk vorm strafbaar stelde, maar die het woord slavernij naar beste vermogen vermeed.
Maar dat volstond niet: goed een jaar geleden, in september 2007, nam het Mauritaanse Parlement een bijkomende wet aan ter veroordeling van de slavernij, en besloot het parallel daarmee tot een reeks van begeleidende maatregelen.
Achter deze verordening staat in de eerste plaats een niet-gouvernementele organisatie genaamd SOS Esclaves, die al jaren kampt voor de afschaffing van de slavernij, en poogt om internationale druk op te bouwen. In 1995 werd deze organisatie opgericht door afstammelingen van voormalige slaven, maar drie jaar later al werd zij per rechterlijk besluit verboden, en tegelijk werden haar leidende figuren veroordeeld tot hoge boetes en gevangenisstraf. Pas in 2005 verkreeg “SOS Esclaves” legaal bestaansrecht, dat zij meteen benutten om een reeks voorbeeldprocessen te voeren tegen feitelijke slavenhouders.
Voor Boubacar Messaoud, medestichter en voorzitter van “SOS Esclaves”, staat het buiten kijf dat het bestaan van zijn organisatie gerechtvaardigd is. “In Mauritanië gaat de slavernij gewoon door, en wel in de traditionele, zelfs archaïsche vorm, waarin een persoon direct van zijn heer afhangt”, verklaart Messaoud aan de NZZ. Concreet wil dat zeggen dat een mens net als een zaak overgeërfd kan worden, niet zonder de instemming van zijn heer een huwelijk kan aangaan en de facto ook niet de voogdij over zijn eigen kinderen kan uitoefenen. Daarnaast stelt de mensenrechtenactivist het voortbestaan vast van talrijke bezwaarlijke afhankelijkheidsrelaties, die van slavernij in enge zin niet essentieel verschillen.
De nieuwe wet van het jaar 2007 heeft naar de mening van Messaoud daadwerkelijk geleid tot een juridische lotsverbetering van slaven en “vrijgelatenen”. De omzetting in de praktijk geschiedt echter zeer halfslachtig, en de geplande sensibiliseringscampagne is tot de grote steden beperkt gebleven. Op die manier heeft zij de slachtoffers, die grotendeels op het platteland leven, in het geheel niet bereikt, merkt Messaoud afkeurend op. Tegelijk zou zijn organisatie onder aanzienlijke druk staan, omdat haar van staatswege verweten wordt dat haar activiteiten het imago van het land schaden.
Slotsom: het thema slavernij heeft – minstens in het geval Mauritanië – niets aan explosiviteit ingeboet. In een aantal andere islamitische landen, Soedan bijvoorbeeld, zal de situatie nauwelijks beter zijn.

Rekensommetjes leiden nergens toe

Volgens de onderzoekingen van Chebel, en volgens andere studies, komen er ook in vele andere landen van de islamitische wereld traditionele vormen van slavernij voor, zowel als moderne vormen van lijfeigenschap en brutale uitbuiting – van dienstmeisjes en boerenknechten bijvoorbeeld.
Slavernij is dus ongetwijfeld een sociaal probleem met grote explosieve kracht, dat dringend aan een oplossing toe is. Maar zowel Malek Chebel, als verschillende mensenrechtenorganisaties roepen nadrukkelijk op om het heikele thema in geen geval ideologisch aan te pakken, en de “oriëntaalse” slavernij af te wegen tegen die welke ooit door Westerse staten werd bedreven, of tegen hedendaagse vormen van “slavernij” in industrielanden.
Effectiever veeleer zou het zijn om alle vormen van dwangarbeid, seksuele uitbuiting en mensenhandel radicaal te bekampen, waar zij ook plaats mogen hebben.
Amper betwistbaar is evenwel het gegeven dat de impuls tot afschaffing van de slavernij zich uit de Europese cultuur heeft ontwikkeld, en geenszins vanuit de islamwereld kwam; vele islamkritische auteurs situeren het verbod op het houden van slaven dan ook onder de grootste prestaties van de Westerse cultuur.
Afgezien van de huidige cultuurconflicten tussen de moslimwereld en het Westen, lijkt het intussen duidelijk dat enkel een universalistische houding, die aan de fundamentele mensenrechten een onbeperkte gelding toekent, het mogelijk maakt om het tot slavernij brengen van mensen in de ban te doen; als een misdaad tegen de gehele mensheid.

___________________________


Malek Chebel: L'Esclavage en Terre d'Islam. Éditions Fayard, Paris 2007.
Albert Wirz: Sklaverei und kapitalistisches Weltsystem. Edition Suhrkamp, Neue Historische Bibliothek. Suhrkamp-Verlag, Frankfurt am Main 1984.

Beat Stauffer leeft als onafhankelijke publicist in Bazel. Zijn belangstelling gaat hoofdzakelijk naar de islamwereld, inzonderheid de Maghreb.
.

7 oktober 2008

La langue de bois

.
Om eerlijk te zijn gun ik het die Hollanders wel, dat ze hun bank terug hebben. Niet dat het mij veel kan schelen, maar mij fel verwonderen ook niet.
Die Lippens .(“Maurice moet van zijn dokter rusten” zegt zijn antwoordapparaat, hoorden wij op de radio) en zijn entourage wogen natuurlijk een stuk te licht voor wat zij met ABN-Amro hebben willen verhapstukken. Iedereen zag dat gebeuren, behalve de heren zelf dan, en die brave Albert Coburg. Het is met deze kerels zoals met goede Belgische schaakspelers: .eens de grens over –doet er niet toe dewelke– betekenen ze niet veel meer. In andere sporten net zo, hoor ik.
En dan mag Karel De Gucht nog homilieën afsteken:

Achteraf roepen dat Barbertje moet hangen is gemakkelijk. […] Let wel, ik wil de figuur van Maurice Lippens hier niet witwassen. Ik ken de man niet, maar ik veroordeel niemand zonder de feiten te kennen.
…maar die De Gucht wordt de laatste tijd ook te pas en te onpas geïnterviewd. De man slaat kennelijk niéts af, en lijkt te grossieren in edel en humanitair gedachtegoed. Over welk onderwerp maakt hem niet uit, hij vertelt altijd wel iets.

Journalisten zijn zulke brave kuddedieren. Dat De Gucht Balkenende (die hij toen wellicht nog nooit had ontmoet) beschreef als een Harry Potter, en daar achteraf staalhard over loog, dat zijn zij allang vergeten. Dat Karel op een moment zelfs het bestaan van dat interview probeerde te ontkennen, en dus een journalist wilde kapotmaken die hij nochtans wél kende, en in één zucht ook maar de dode Pim Fortuyn een “relnicht” noemde, ook dat vergeten zij graag.
Nochtans blijven het moreel onwaardige uitspraken van onze pastoor. Ook op dát soort van dom Belgisch gekwaak hebben de Hollanders misschien wel wraak willen nemen? .met mijn zegen zoals gezegd. En dan spreken we nog niet over het slechte voorbeeld dat Karel aan de jeugdige Freya gaf.

Eén ding moeten we Karel nageven toch: hij probeerde zich daarna te beteren. Maar een solide moreel kompas lijkt hij vooreerst niet te bezitten, want nu slaat hij in de andere richting door, en wil niets of niemand nog veroordelen:
Ik ben ervan overtuigd dat Patrick daar niets van wist. Hij zit zo niet ineen, hij houdt zich met dat soort zaken niet bezig. [...] Ik zeg u dat Dewael van die hele situatie niets wist. Daarop heeft hij de inschatting gemaakt of hij kon blijven functioneren. Volgens hem kon dat, en ik vind dat hij de juiste keuze maakte.
De grote charme van Karel is natuurlijk dat hij journalisten blij kan maken, bijvoorbeeld in dit geval met zijn vermeende kennis van de Havelaar. Direct voelen zich die jongens en meisjes dan opgenomen in het kleine clubje van mensen met een uitgebreid referentiekader, “those in the know”.

Nu, “Barbertje moet hangen is ook een prachtige Nederlandse uitdrukking en we zijn er blij mee – al slaat ze, zoals wij weten, eigenlijk nergens op want bij Multatuli was het niet Barbertje, maar Lothario die moest hangen – maar de uitdrukking wordt wel altijd gebruikt om een manifest onschuldige aan te duiden. En dat is Patrick niet, en de gestreepte graafkikker Lippens natuurlijk niet.

Ach, Karel: op de duur zou ik Reynders nog prefereren, die als men hem iets vraagt altijd krek hetzelfde antwoord geeft, gelijk of het nu over communautaire kwesties gaat of over banken. Gegarandeerd komt zijn passe-partout-zinnetje:

Een stanvanzaak opmaak, tistoch normál?.


Gerechtsdienaar – Mynheer de rechter, daar is de man die Barbertje vermoord heeft.
Rechter – Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd?
Gerechtsdienaar – Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten.
Rechter – Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen.
Lothario – Rechter, ik heb Barbertje niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n goed mensch ben, en geen moordenaar.
Rechter – Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die... van iets beschuldigd is, zich voor 'n goed mensch te houden.
Lothario – Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van moord...
Rechter – Ge moet hangen! Ge hebt Barbertje stukgesneden, ingezouten, en zyt ingenomen met uzelf... drie kapitale delikten! Wie zyt ge, vrouwtje?
Vrouwtje – Ik ben Barbertje.
Lothario – Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!
Rechter – Hm... ja...zoo! Maar het inzouten?
Barbertje – Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch!
Lothario – Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben.
Rechter – Hm... het derde punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van Lessing's patriarch.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html