29 juli 2008

Hand in hand tegen huwelijksdwang ?

.

Vrijheid gaat aan wetten voorbij?

Necla Kelek

Toen ik in 2005 in mijn boek “De vreemde bruid” er op wees dat moslimvrouwen worden uitgehuwelijkt – gearrangeerd of onder dwang – en dat zij in Duitsland als echtgenoten geïmporteerd worden, kwam er protest van de kant van moslims, van Turken en van hun politieke vrienden. Mij werd toegedicht dat ik alleenstaande gevallen opblies, en politica’s van Turkse origine lieten openlijk weten dat zij uit liefde getrouwd waren, enkel maar om mij te bewijzen dat dwanghuwelijken, noch met hun cultuur, noch met de islam enig uitstaans hadden. Migratiewetenschappers eisten “gerechtigheid voor moslims” en verdedigden importhuwelijken, als zijnde een reflex op de restrictieve immigratievoorwaarden.
Inmiddels is het onomstreden dat hier in dit land jaarlijks duizenden moslimvrouwen en -mannen door hun familie in een huwelijk gedwongen worden. De vrouwenhuizen en consultatiebureaus zitten vol, omdat jonge mensen vrezen dat zij uitgehuwelijkt zullen worden tijdens de vakantie in het thuisland van hun ouders.

Hand in hand tegen huwelijksdwang?

De islamitische gemeenschap werd door de publieke opinie genoopt zich te rechtvaardigen, niet enkel voor deze kwestie, maar ook voor de zogenaamde eremoorden, en het geweld binnen huwelijk en gezin. Geen mens neemt hun herhaalde soort van gebedsmolenspreuk nog ernstig, “dat dit met de islam niets van doen heeft.” Nu poogt Tariq Ramadan, pionier van een “Europese islam”, dit tij te keren voor de moslims. Samen met de Rotterdamse islamverenigingen, en met de Berlijnse vereniging “Inssan” – die dicht bij de Moslimbroederschap staat – én met de steun van de Berlijnse integratieambtenaar Günter Piening draagt hij zijn steentje bij tot het initiatief “Hand in hand tegen huwelijksdwang”.
Het betreft hier een poging om intussen zelfbewuste moslimmeisjes onder controle te krijgen, en hen moslimadvies te geven, zodat zij niet langer hun toevlucht zoeken in officiële adviesbureaus of vrouwenhuizen, en aldus voor Allah verloren gaan. De actiegroep heeft zich in Berlijn-Kreuzberg gepresenteerd, en een brochure het licht laten zien met in acht talen hun argumenten.

Niet in naam van de islam

Nieuw daarin, en toe te juichen, is de bekentenis door moslims en islamverenigingen dat dwanghuwelijken een probleem zijn in de moslimgemeenschap. Natuurlijk wordt dat gerelativeerd, en voert men aan dat er zich in boeddhistische, hindoeïstische en christelijke maatschappijen ook wel eens neteligheden voordoen. Gedwongen huwelijken zouden geen probleem van de islam zijn, maar van de cultuur. Dit onderscheid tussen cultuur en religie moet de religie behoeden voor openlijke verantwoording en voor kritische zelfreflectie. Ramadan en anderen argumenteren dat de woorden van Allah en de daden van de profeet feilloos zijn, en dat enkel de mens soms fouten maakt. Op die manier blijft de islam verschoond van de misdaden begaan in zijn naam.
Het besef dat religie en cultuur samen een “cultureel systeem” vormen, en dat men ze niet als van elkaar gescheiden kan zien, wordt hier, hoe absurd ook, juist door moslims ontkend terwijl zij tegelijkertijd de scheiding van religie en dagelijks leven, van religie en politiek afwijzen. Dwanghuwelijken zouden on-islamitisch zijn, zou Mohammed al verkondigd hebben. Dat Mohammed zelf de zesjarige Aïsha huwde, kan niet als misbruik gelden, of als gedwongen huwelijk, maar wordt op de bijeenkomst met Ramadan afgedaan als een “anekdote”, die enkel tot doel heeft om de islam te discrediteren. Het centrale koranvers met betrekking tot het huwelijk, “Huw de vrijgezellen uit”, Sura 24, vers 32, ontbreekt bij deze argumentatie. Daar staat namelijk niet “Vrijgezellen, treed in het huwelijk” – hetgeen zou betekenen dat mensen zelfstandig het recht bezaten om een huwelijk te sluiten –, maar met de uitspraak “Huw de vrijgezellen uit” wordt de huwelijkssluiting zaak van de familie en de gemeenschap.

Lof van de grootfamilie

Interessant is het, hoe Ramadan en zijn aanhangers het begrip familie definiëren. Er wordt niet het kerngezin bedoeld, bestaande uit moeder, vader en kinderen, maar de grootfamilie, de stam. Zo ontstaat uit de gemeenschap der moslims, de umma, een familiecultuur. In de brochure staat het zo te lezen: “In een familiecultuur is de familie belangrijker dan het individu. De familie vormt de eenheid, en wordt aldus door de andere families uit de sociale omgeving als een volwaardig en gelijkwaardig geheel erkend (…). Ieder individu dient in het belang van de familie te handelen.” Is dat niet het geval, dan wordt eer der familie gekwetst: “In de groep is de eer een gemeenschappelijk bezit, waar alle familieleden verantwoordelijkheid voor dragen, ongeacht hoe de hiërarchie binnen de familie is geregeld.”
Ramadan en zijn leerlingen pogen aan de grondrechten en de waarden van de Europese burgerlijke maatschappij een andere draai te geven. Zij ontzeggen aan het individu het zelfbeschikkingsrecht, definiëren de mens als gemeenschapswezen en niet als individu, bepleiten het systeem van de “schaamtemaatschappij”, met inbegrip van een funeste interpretatie van de notie eer. Nergens in het boekje wordt aan het individu de vrijheid gelaten om zelf te beslissen of hij wil huwen of niet. “De familie vormt de kern van islamitische gemeenschap, en het huwelijk is in de islam de enig toegestane vorm waarin een familie kan gesticht worden.” Het beleven van de eigen seksualiteit is niet geoorloofd.

Een soort islamitisch huwelijksadvies

En de rood-rode Berlijnse integratiecommissaris Piening wil graag, zoals hij op de bijeenkomst zei, “leren van Rotterdam”? .Ziet de Senaat dit dan ook zo? .Tariq Ramadan zei in Rotterdam onder andere: “Vrijheid is niet die vrijheid, die anderen van ons willen.” Wat hij bedoelt is: ieder beschikt over zijn eigen vrijheid, aan gene zijde van de wet. – Een interessante variant, om de sharia als vrijheid te bestempelen. Hij wil het ook niet meer over integratie hebben, want de moslims zijn wat hem betreft een deel van de multiculturele samenleving, in dewelke alle religies én hun denkbeelden gelijk zijn, en wier eigen regels aanvaard dienen te worden. Dat echter de Europese samenleving de grondrechten van het individu desnoods beschermt tegen elke groep, religie of zelfs tegen de Staat, wordt naar best vermogen over het hoofd gezien.
Op die manier wordt onder het motto “Tegen het dwanghuwelijk” eenvoudigweg aan islamitisch huwelijksadvies gedaan. Daarbij wordt uitdrukkelijk het gearrangeerde huwelijk als model aangeprezen, ook al erkent men dat dwang daar vaak bij te pas komt. “Een huwelijk is bijgevolg altijd een verbond tussen twee familiegroepen (…). Omdat een huwelijk een verbond tussen families is, zoeken de families die partners uit, die het beste bij elkaar passen, precies ook met het oog op een zo goed mogelijk verbond tussen de families.” Tegen gemengde huwelijken wordt gewaarschuwd: “Een moslimjongen kan weliswaar een christelijk meisje huwen, maar een moslimmeisje mag niet huwen met een christelijke jongen.

Tegen de dwang tot huwen

Het huwelijk is de halve religie” luidt een andere uitspraak die aan Mohammed wordt toegeschreven. In dat licht gezien, is Ramadans argumentatie propaganda voor de moslimse dwang tot huwen. Want zonder de gehuwde vrouw, en zonder de controle van mannen over de vrouw, kan een moslimsamenleving niet functioneren. Om die reden is dit initiatief een oplichterij met gebruikmaking van valse etiketten. Er moet één grondregel gelden: huwelijken van jongeren onder de achttien dienen principieel veroordeeld te worden als zijnde gedwongen. Aan elke jonge mens, die in de situatie komt dat hij tegen zijn wil door zijn ouders uitgehuwelijkt kan worden, dient de bescherming van de maatschappij gewaarborgd te zijn.
Vrouwenadviescentra en vrouwenhuizen, zoals Papatya, of die van de schrijfster Serap Cileli, “Peri – de goede fee”, of “Hatun en Can” zijn eerlijke antwoorden op het probleem van de dwanghuwelijken. De wet die gedwongen huwelijken bestraft, moet ten langen leste in de Bondsdag besproken en aangenomen worden. Wij zijn allen gesommeerd om gevallen van dwanghuwelijken aan te klagen en er klaarheid over te brengen, zodat politici zich niet telkens opnieuw laten vangen door imagocampagnes van islampredikanten.

De citaten komen uit het boekje “Hand in Hand tegen Huwelijksdwang” van de Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR), Rotterdam.

F.A.Z. 29 juli 2008

_____________

Noot van de vertaler:
- Toen Necla Keleks boek Die fremde Braut verscheen, besteedde de Nederlandse Omroep daar natuurlijk aandacht aan. Op hun site kun je onder meer lezen: Kelek is vanwege haar opvattingen al diverse malen met de dood bedreigd.
- De citaten die Kelek hierboven geeft, heb ik gewoon vertaald uit de tekst van de FAZ, zonder de oorspronkelijke, wellicht Nederlandse bewoording te hebben gezien.

.

26 juli 2008

Keizer Napoleon en Koning David

.
Van de Nederlandse journalist Martin Bril verscheen vóór enkele maanden een boekje over Napoleon: De kleine keizer, verslag van een passie. Ik bezit het niet, maar recensente Alexandra De Vos besprak het vrijdag in De Standaard. Het was een onderhoudend werkje, vol interessante weetjes over de keizer. Gunstige recensie dus, al kwam er één zinnetje in voor dat mij wellicht zal beletten om het boekje van Bril te kopen.

Schrijven kon de kleine keizer ook, en wel zo goed dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code civil voor hij zich aan zijn literaire arbeid zette. 'Een wonder van droge, maar toch elegante formuleerkunst', noemt Bril Napoleons burgerlijk wetboek.
Nu kwam toevallig deze gewoonte van Stendhal nog ter sprake net hieronder, en of Bril ook echt schrijft dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code Civil, valt uit de recensie van De Vos niet goed op te maken, maar ik hoop voor hem van niet want Stendhal zelf vertelt het anders:

“Je ne vois qu’une règle: le style ne saurait être trop clair, trop simple […]. J’ai horreur de la phrase à la Chateaubriand. […] En composant la Chartreuse, pour prendre le ton, je lisais de temps en temps quelques pages du Code civil”.
Hij nam eerst zijn medicamenten, merkte iemand geestig op – Flaubert meen ik.

Zoals het in De Standaard staat echter, en misschien ook bij Bril, hebben wij dus te maken met de gewone journalistieke stijlfiguur der hyperbool. Maar ook afgezien van die kwalijke gewoonte van het aandikken, is de mededeling over Stendhal en Napoleon simpelweg niet op haar plaats.
Het is natuurlijk verleidelijk om te denken van wél, maar net zoals naar alle waarschijnlijkheid die andere veldheer, koning David, niét de Psalmen heeft geschreven die naar hem zijn genoemd, zo heeft Napoleon – en dat weten we met zekerheid – niét de Code Civil des Français geschreven. Wel gaf hij opdracht daartoe, en was hij sterk met het project begaan, maar de redactie was van Jean-Jacques-Régis de Cambacérès, duc de Parme, die een vierkoppige commissie van juristen leidde, bestaande uit François-Denis Tronchet, Jean-Etienne-Marie Portalis, Félix-Julien-Jean, comte Bigot de Préameneu en Jacques, marquis de Maleville.

Maar dat Napoleon echt kon schrijven, staat inderdaad buiten kijf: zijn militaire teksten en toespraken waren zó sterk, dat de geschiedschrijver (en Frans president) Adolphe Thiers van hem zei: Singulière destinée de cet homme prodigieux, le plus grand écrivain de son temps, tandis qu'il en était le plus grand capitaine, le plus grand législateur, le plus grand administrateur! La nation lui ayant, dans un jour de fatigue, abandonné le soin de vouloir, d'ordonner, de penser pour tous, lui avait en quelque sorte, par le même privilège, concédé le don de parler, d'écrire mieux que tous. (Histoire du Consulat et de l'Empire, 1845-62, volume 2, pp.451-2). Ik vond deze verwijzing in het werkje dat hiernaast staat afgebeeld.
Sainte-Beuve was al even enthousiast. Hij maakt de vergelijking met Blaise Pascal, en zegt: Napoléon, quand il écrit, est la simplicité même [...]. Il a l'à-propos grandiose [...] [du] grand style du moderne César, à ce style où dominent dans une forme brève la pensée et la volonté (imperatoria brevitas), et où l'imagination se fait jour par éclairs”.

In zijn jonge jaren schreef Napoleon, naast enkele verhandelingen over het geluk en de liefde, ook nog een heel kort, half autobiografisch liefdeshistorietje, Clisson et Eugénie, maar of Stendhal dat als voorbeeld zou hebben genomen betwijfel ik, want het is een pastorale vertelling die nog sterk XVIIIde E.'s aandoet, met meisjes aux dents d'ivoire, die handen hebben où le bleuté des veines contrastait avec la blancheur de la peau.
De jonge militair schreef het nadat zijn relatie met zekere schone Eugénie Désirée Clary was bekoeld. De protagonist, né pour la guerre, komt om het leven: [Clisson] en toute diligence se mit à la tête d'un escadron, se jeta tête baissée dans la mêlée, là qu'il vit la victoire décidée, et il expira percé de mille coups.
Hij zocht het geluk op aarde, maar vond slechts de glorie, schrijft de toekomstige keizer.

Émilie Barthet en Peter Hicks gaven bij Fayard de tekst van zijn manuscript prachtig uit, definitief mag men zeggen, en het manuscript zelf is hier te zien.
.

Napoléon Bonaparte
Clisson et Eugénie

Texte et commentaires établis
d’après des documents inédits par
Émilie Barthet et Peter Hicks
Essai de Gérard Gengembre
Librairie Arthème Fayard, 2007



Boekbespreking op Radio1

(VRT, 8 mei 2009, bij "Feyten of Fillet")
.

21 juli 2008

Frans leren is niet gemakkelijk !

.
Mijn meeste blogs zet ik ook op de site van In Flanders Fields. .Zoals mijn bedenking rond Richard Miller, hieronder. Er kwamen daar nogal wat reacties, en ik antwoordde aan een lezer:

ik moet er eens werk van maken om alles wat Casanova over de Fransen en de Franse taal heeft gezegd te verzamelen ...maar de man schreef duizenden bladzijden, en al lees ik altijd met een potlood in de hand (anders kan ik zelfs niet echt lezen) het blijft een heel werk. Ja, Casanova schreef zijn belangrijkste werk in het Frans, en wel zodanig dat Stendhal vond dat, naast dat van de Code Civil, zijn Frans het beste was dat er geschreven was ...ook al verscheen er heel soms een italianisme, zoals hierboven de la Florentine ipv que.
Waarop weer een andere lezer reageerde:
Nou breekt mijn klomp! Ik heb altijd gedacht dat het Frans van Casanova vol fouten stond (hij heeft wellicht een goede "redacteur" gehad). Het voorbeeld dat ik mij herinner is volgende passage: Casanova schreef: "pour juger de la beauté d'une femme, j'écarte ses jambes". En hij wilde hier helemaal niet dubbelzinnig zijn. Het was gewoon het gevolg van een gebrekkige kennis van het Frans.
Dat is echter een misvatting: Casanova heeft helemaal geen redacteur gehad, en in zijn autobiografie Histoire de ma Vie, die hij natuurlijk op latere leeftijd schreef, vertelt hij over de problemen die hij met het Frans had, toen hij voor het eerst in Parijs arriveerde.
Tijdens zijn leven werd zijn handschrift trouwens niet uitgegeven. Te delicaat. Casanova was wél zijn eigen redacteur, en hij heeft grote stukken van zijn handschrift herschreven, veel geschrapt en toegevoegd, en daar gaan onze uitgaven op terug. De accuratesse van Casanovas herinneringen is ronduit verbluffend, en vaak perfect controleerbaar.
Het werk bestaat uit twaalf volumes, en in het derde gaf hij deze ondertitel aan hoofdstuk IX :
Mes balourdises dans la langue française, mes succès, mes nombreuses connaissances. Louis XV. Mon frère arrive à Paris.
Volgend tafereel speelt in de Parijse Opera, en hij is op dat moment pas drieëntwintig.

[…] c’était une musique de Lulli. J’étais assis dans le parquet, précisément au-dessous de la loge où se trouvait Madame de Pompadour, que je ne connaissais pas. À la première scène voilà la fameuse le Maur qui sort de la coulisse, et qui au second vers fait un cri si fort et si inattendu que je l’ai cru devenue folle; je fais un petit éclat de rire de très bonne foi ne m’imaginant jamais qu’on pourrait le trouver mauvais. Un cordon bleu* qui était auprès de la marquise me demande sec de quel pays je suis, et je lui réponds sec que j’étais de Venise.
– Lorsque j’ai été à Venise j’ai aussi beaucoup ri au récitatif de vos opéras.
– Je le crois, monsieur, et je suis aussi sûr que personne ne s’est avisé de vous empêcher de rire.
.Ma réponse un peu verte fit rire Madame de Pompadour, qui me demanda si j’étais vraiment de là-bas.
– D’où donc?
– De Venise.
– Venise, Madame, n’est pas là-bas; elle est là-haut.
On trouve cette réponse plus singulière que la première, et voilà toute la loge qui fait une consultation pour savoir si Venise était là-bas, ou là-haut. On trouva apparemment que j’avais raison, et on ne m’attaqua plus. J’écoutais l’opéra sans rire, et comme j’étais enrhumé, je me mouchais trop souvent. Le même cordon bleu, que je ne connaissais pas, et qui était le maréchal de Richelieu, me dit qu’apparemment les fenêtres de ma chambre n’étaient pas bien fermées.
– Demande pardon monsieur; elles sont même calfoutrées.
. On rit alors beaucoup, et j’en fus mortifié parce que je me suis aperçu que j’avais mal prononcé le mot calfeutrées. J’avais l’air tout humilié. Une demi-heure après M. de Richelieu me demande laquelle des deux actrices me plaisait davantage pour la beauté.
– Celle-là.
– Elle a des vilaines jambes.
– On ne les voit pas, monsieur, et après, dans l’examen de la beauté d’une femme la première chose que j’écarte sont les jambes.
. Ce bon mot-là dit par hasard, et dont je ne connaissais pas la force, me rendit respectable et fit devenir la compagnie de la loge curieuse de moi. Le maréchal sut qui j’étais, de M. Morosini même, qui me dit que je lui ferais plaisir à lui faire ma cour. Mon bon mot devint fameux, et le maréchal de Richelieu me fit un accueil gracieux. Celui des ministres étrangers auquel je me suis attaché le plus fut milord maréchal d’Écosse Keit, qui l’était du roi de Prusse. J’aurai occasion de parler de lui. […]


* Cordon bleu : un chevalier du Saint-Esprit ; ordre crée par Henri III roi de France […]


Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Suivie de textes inédits
Volume 3 – Chapitre IX
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Robert Laffont, 1993, 2002, pp.586-7


Deze prachtige scène deed mij nog denken aan een passage bij Heinrich Heine, bewonderaar van Casanova,** die het in zijn Ideen. Das Buch Legrand, Kapitel VII, ook heeft over de moeilijkheden bij de studie van het Frans. De kleine Harry-Henri-Heinrich liep school in Düsseldorf en vertelt hoe het in de les toeging:

[…] ich erinnere mich noch so gut, als wäre es erst gestern geschehen, daß ich durch la religion viel Unannehmlichkeiten erfahren. Wohl sechsmal erging an mich die Frage: »Henri, wie heißt der Glaube auf französisch?« Und sechsmal und immer weinerlicher antwortete ich: »Das heißt le crédit«. Und beim siebenten Male, kirschbraun im Gesichte, rief der wütende Examinator: »Er heißt la religion« – und es regnete Prügel, und alle Kameraden lachten. Madame! seit der Zeit kann ich das Wort religion nicht erwähnen hören, ohne daß mein Rücken blaß vor Schrecken und meine Wange rot vor Scham wird. Und ehrlich gestanden, le crédit hat mir im Leben mehr genützt als la religion

[…] ik herinner mij nog zo goed, als was het pas gisteren gebeurd, dat ik door la religion een hoop onaangenaamheden heb meegemaakt. Wel zes keer kreeg ik de vraag: “Henri, hoe zegt men geloof in het Frans?” En zes keer, alsmaar meer in tranen, antwoordde ik: “Dat is le crédit.” En de zevende keer, bruin aangelopen als een kers, riep de woedende examinator: “Het is la religion” — en het regende stokslagen, en alle kameraden lachten. Madame! sedert die tijd kan ik van dat woord religie niet meer horen, zonder dat mijn rug bleek van schrik en mijn wangen rood van schaamte worden. Een eerlijk toegegeven, le crédit is mij in het leven meer van nut geweest dan la religion

** In zijn "Briefe aus Berlin" (1822) schrijft hij: Es ist keine Zeile in diesem Buche, die mit meinen Gefühle übereinstimmte, aber auch keine Zeile, die ich nicht mit Vergnügen gelesen hätte. [er staat in dat boek geen regel die met mijn gevoel zou overeenstemmen, maar ook weer geen regel die ik niet met plezier zou gelezen hebben]
Over Heines eigen verhaal schreef Ludwig Marcuse nog:
Und Harry gab schon in jungen Jahren auf die Frage: wie heißt der Glaube auf französisch? die echte Rothschild-Antwort: le crédit!
Heinrich Heine in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten
Rowohlts Monographien, 1960, S.17



.

19 juli 2008

Een slag van de molen gehad

.

In een interview met Knack (25 juni) trachtte Rudy Demotte (PS) onlangs het “minderwaardigheidscomplex” van de Vlamingen te verklaren. Demotte zegde dat Vlaanderen “veel meer openheid aan de dag moet leggen”, maar verklaarde toch geschokt te zijn door het verkeerde beeld dat veel Franstaligen van Vlaanderen hebben: “Onlangs werd ik door Richard Miller (MR) in het parlement van de Franse Gemeenschap geïnterpelleerd met de vraag of het Frans toch niet per definitie een open taal is, die haast spontaan leidt tot een tolerante levenshouding, terwijl het Nederlands - die gesloten Germaanse taal! - per definitie een bekrompen wereldbeeld zou opleveren.”

Het interview met Demotte in Knack was mij ontgaan, en ik las dit paragraafje pas gisteren op de site van het Belang, onder de titel: "Franse taal superieur?".

Het spreekt dat ik enthousiast ben over wat die Richard Miller daar vertelt, want de superioriteit van één taal over een andere mag dan geen nieuw onderwerp zijn – tenslotte keken ontwikkelde Romeinen al neer op mensen die geen Grieks spraken, en keken daarvoor de Grieken zelf al neer op wat barbaren brabbelden – het doet altijd plezier als een of andere simpele duif er weer zo fris mee uitpakt als hier Miller.

Wat ik me wel afvraag, is of die Miller niet het gevaar loopt extra in de gaten te worden gehouden door Jozef De Witte en zijn anti-racismebrigade? Al kan de arme Jozef in dit geval Richard niet veel maken, want die is als parlementslid onschendbaar, en zijn onschendbaarheid heeft hij zelfs niet nodig aangezien zelfingenomenheid al volstaat om iemand van de buitenwereld af te schermen.

Maar om onder verstandige mensen verder te gaan: over de Franse taal had in zijn tijd ook de elegante Casanova een klein theorietje. Casanova is een Venitiaan zoals wij weten, maar hier spreekt hij over de Toscanen, en daarna over de Fransen met hun “open taal”.
Voor de gesloten Germanen onder ons, laat ik een vertaling van eigen maaksel volgen (en ik erken in dit geval vanzelfsprekend de superioriteit van het Frans, maar de ongetwijfeld sierlijker vertaling van Theo Kars heb ik niet bij de hand).

Je crois qu'un Toscan peut plus facilement écrire en beau langage poétique qu'un Italien d'une autre province, puisqu'il possède dès sa naissance la belle langue, et celle qu'on parle à Sienne est mignarde, plus abondante, plus gracieuse et plus énergétique de la florentine malgré qu'elle prétende la préférence, et qu'elle la possède effectivement à cause de sa pureté, qu'elle doit à son académie comme elle lui doit sa richesse, d'où vient que nous traitons les matières beaucoup plus éloquemment que les Français, ayant à notre choix une quantité de synonymes; tandis que difficilement on en trouverait une douzaine dans la langue de Voltaire, qui riait de ceux entre ses compatriotes qui disaient qu'il n'était pas vrai que la langue française fût pauvre puisqu'elle avait tous les mots qui lui étaient nécessaires. Celui qui n'a que ce qui lui est nécessaire est pauvre; et l'obstination de l'Académie Française à ne point vouloir adopter des mots étrangers ne démontre autre chose, sinon que l'orgueil va avec la pauvreté. Nous poursuivons à prendre des langues étrangères tous les mots qui nous plaisent; nous aimons à devenir toujours plus riches; nous trouvons même du plaisir à voler le pauvre: c'est le caractère du riche.
Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
suivie de textes inédits
Volume 11 – Chapitre VII
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Éditions Robert Laffont, 1993, 2002, pp. 763-4


Ik geloof dat een Toscaan met meer gemak in een mooie poëtische taal kan schrijven dan een Italiaan van een andere provincie, omdat hij van bij zijn geboorte al beschikt over die sierlijke manier van spreken, en de taal die men in Siena spreekt is werkelijk schattig, en overvloediger, gracieuzer, energieker dan de Florentijnse, al eist deze de eerste plaats op, en bezit zij die wel degelijk, ook vanwege haar puurheid, die ze aan haar Academie te danken heeft, net als haar rijkdom. Zo komt het, dat wij om het even welk onderwerp veel welsprekender behandelen dan de Fransen, wij hebben immers een overvloed van synoniemen ter beschikking; terwijl je er met moeite een dozijn zult aantreffen in de taal van Voltaire, die spotte met diegenen onder zijn landgenoten die zegden dat het niet waar was dat de Franse taal arm was, want bezat zij tenslotte niet alle woorden waar zij nood aan had?
Hij die enkel bezit wat hij nodig heeft is arm. En de koppigheid van de Académie Française om geen vreemde woorden te willen adopteren, bewijst niets anders dan dat de armoede haar eigen trots bezit. Wij gaan door met het uit vreemde talen inpikken van alle woorden die ons bevallen; wij zien graag hoe wij voortdurend rijker worden; zelfs vinden wij er plezier in om de arme te bestelen: zo zit de rijkaard ineen.
.

15 juli 2008

Een eerbaar man

.

.Ik had mijn twijfels bij hem, maar met het aanbieden van het ontslag van zijn regering (die nooit een regering is geweest, laten we wel wezen), .heeft Yves Leterme een daad gesteld die in de Belgische geschiedenis haar voorgaande niet heeft.
Chapeau!
En mijn innig medeleven aan:
.citoyen Albert Coburg.
.

13 juli 2008

Le grand écart

.
Je hoort wel eens verkondigen dat onze Vlaamse journalisten te slaafs en te braaf zijn, en dat ze daarom minder en minder gelezen worden. Voor die stelling zijn argumenten te vinden, maar mij lijkt de grootste kwaal niet de hondse braafheid, maar eerder een eigenschap die in het dagelijks leven gunstig staat aangeschreven, namelijk een zekere luchthartigheid of onbekommerdheid.
Neem nu de verslaggeving over die uraniumlozing in Tricastin.
Jorn De Cock meldt daarover in de Kwaliteitskrant dat hij in een Franse krant heeft gelezen dat er ook vóór het incident met het radioactief water al rapporten waren die wezen op mankementen in de bewuste centrale.

Zo meldde de krant La Provence gisteren dat een rapport van de ASN al in mei 2007 had gewaarschuwd dat de uitbater van de kerncentrale, Socatri, de afvoerkanalen dringend moest vervangen omdat er herhaaldelijk lekken en 'dwalingen' werden vastgesteld.

Nu vond ik de term dwalingen direct verdacht. Hij past eerder bij de theologie dan bij de kernfysica vond ik. .Ketters dwalen.
Jorn gebruikt ook aanhalingstekens, weliswaar niet om iets aan te halen, maar om te laten zien dat hij zich niet helemaal zeker voelt. Dat is mooi en eerlijk van hem, want wellicht kon hij niet direct een woordenboek opslaan, of raad vragen aan een collega die het Frans goed beheerst.
Blijft dat wij Standaardlezers graag dat oorspronkelijke Franse woordje willen vernemen.

In de krant die Jorn noemt, La Provence dus, heb ik een aantal artikelen gelezen, en ik zocht eerst nog of ik bijvoorbeeld égarement of errance of iets dergelijks zou aantreffen, maar het woord dat hem tot zijn aanhalingstekens heeft genoopt, moet geloof ik écart zijn.
En voorzeker, in de theologie is een afwijking van het rechte pad, un écart du droit chemin, zonder enige twijfel een dwaling. Wij mogen hier denken aan de vele dwalingen waar de Transsubstantiatie aanleiding toe heeft gegeven.
Maar, al doen uitbaters van een kerncentrale in enge zin ook aan transsubstantiatie, mij lijkt de betere vertaling in dit geval toch: afwijking van de norm, (bewuste) normoverschrijding, overtreding, eventueel zelfs foute procedure.
.
“La Provence” révèle que la Socatri, responsable des
rejets avait été avertie pour ses “écarts répétés”.

.

6 juli 2008

Wat moeten wij onder "fobie" verstaan?

.

.
Wat is islamofobie ?
Gideon Böss, blogger

En alweer had de islamofobie de boter gegeten. Privé-gesprek, televisie of internet, het maakt niet uit, dat woord staat hoog genoteerd. Elkeen die zich geroepen voelt om de islam te verdedigen, en even geen passend argument bij de hand heeft, roept uit : “Dat is toch volslagen islamofoob!” Het zal nog niet vaak vertoond zijn dat een term een dergelijke zegetocht aflegde, terwijl hij hoogstens voor miskleun van het jaar kon deugen. Politici en integratiedeskundigen hebben hem als kooswoordje ontdekt. Hij roept iets op van antiracisme, en tegelijk van verweer tegen verstokte reactionairen. Komt nog bij, vertellen ons de islamofobie-experten: wie tegen antisemitisme is, is noodzakelijk ook tegen islamofobie, want die twee gelijken toch verschrikkelijk op elkaar!
Maar wat mag die islamofobie dan wel zijn? In geen geval een verbasterd antisemitisme, gericht tegen moslims dit keer. Neen, heel iets anders is het, en wel een dwaas en leeg begrip, dat de discussie belet, of in de weg staat, over de verschrikking die in naam van de islam al jarenlang over de wereld gaat. Onder die vuilnisbakterm lijkt alles wel terecht te komen, dat zich over de uitwerkingen van de Religie van de Vrede negatief uitlaat.
En waar precies zullen wij het over islamofobie hebben? Ben ik al islamofoob als ik in de luchthaven een groep jonge moslims eerder in staat zou achten tot een terreuraanslag dan een groep jonge padvinders? Of als iemand er op wijst dat het geweld van jongeren in de eerste plaats het geweld van moslimjongeren is? Is de waarheid dan zelf islamofoob? En waarom toch wordt zo vaak de directe band tussen terreur en islam geloochend? Natuurlijk verbind ik islam met terreur. Dat is ook de enige grond van relevantie die deze religie voor mij kan hebben. Waarom zou zij mij voor de rest interesseren? Tenslotte kan ook de Brad Pitt-fanclub mij maar interesseren vanaf het moment dat er te vrezen valt dat zijn leden mij de lucht in willen blazen. Zodra er in naam van de islam geen terreur meer wordt bedreven, verbind ik hem ook niet meer met terreur. Ik vermoed dat velen er net zo over denken, en zulke instelling kun je islamofoob noemen, maar dan kies je voor een misvatting.
Theoretisch is het wellicht mogelijk dat slechts een kleine minderheid van de moslims terreur goedkeurt (wat ik niet geloof), en zelfs kan het zijn, dat op de keper beschouwd de islam een fascinerende religie is (wat ik niet geloof), en wat ook kan zijn is dat de ware islam zich per slot als een waarlijk fantastische happening ontpopt (wat ik niet geloof), alleen, het kan mij geen ene moer schelen. Mijn recht op desinteresse, daar maak ik aanspraak op, en ik ben al lang blij als het moorden in naam van Allah een eind neemt. Dat lijkt mij geen overdreven eis.
Islamofobie bestaat niet. Er bestaat racisme, en xenofobie, en dat is al erg genoeg, maar als burger van een liberale democratie (en als de islam ter sprake komt, dan mag dat als argument dienen) voel ik mij beledigd, als er beweerd wordt dat hier aan de grondrechten van miljoenen mensen zou worden geraakt, eenvoudigweg omdat het moslims zijn.
Over geen enkele religie wordt hier zo fair, respectievelijk vergoelijkend bericht: nauwelijks een moment nadat alweer een gelovige moslim zich op een markt de lucht heeft ingeblazen, staat er al een expert klaar om te zeggen dat de islam zulke dingen eigenlijk verbiedt, en overigens hebben toch de Arabieren de antieke wetenschap bewaard, toen in het middeleeuwse Europa het Licht uitging, hetgeen weliswaar geen van de slachtoffers van de zelfmoordaanslag weer levend kan maken, maar daarom niet minder gezegd mag worden.
Typisch voor een islamofobe samenleving is overigens de eerlijke interesse die zij voor de islam vertoont. In Duitse boekhandels liggen er ontelbare werken over deze religie (in Egypte gaf het zelfs schandaal dat er, naar verluidde drie boeken lagen die in het Hebreeuws gesteld waren), en voortdurend wordt het onderscheid gemaakt tussen slechte islamisten en goede moslims, en wordt vermeld hoe gelijkend jodendom, christendom en islam wel zijn.
Daarom mijn tegenvoorstel: als we dan toch overtrokken begrippen willen gebruiken, dan ben ik er voor om islamofobie door islamofilie te vervangen. Motivering: brede interesse voor de islam, die in boeken, films, documentaires en discussieforums tot uiting komt. In geval van twijfel zijn de Duitsers eerder islamofiel dan islamofoob, maar in werkelijkheid noch het een noch het ander.

_______________

Noot: al kan ik deze Duitse blogger heel goed volgen, en geef ik hem groot gelijk, toch lijkt er voor de term fobie nog wel enige rechtvaardiging te vinden. Natuurlijk niet als hij gebruikt wordt zoals de mohammedanen zelf hem gemeenlijk aanwenden, met in hun zog onze naïeve politici – en met in hun gevolg weer de stoet van dwergen, knechten en lakeien van de pers, en vanzelfsprekend van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding. Zoals zij de term fobie gebruiken is hij onverdedigbaar, wat Gideon Böss mooi schreef.

Niet echter als we hem begrijpen zoals Aristoteles in zijn Ethica Nicomachea III, 6 :

We hebben reeds gezien dat moed een midden is inzake gevoelens van angst en overmoed. Nu is het duidelijk dat we bang zijn voor die dingen die angstaanjagend zijn, en dat zijn, absoluut gesproken, slechte dingen. Daarom definieert men angst ook als verwachting van iets slechts. Welnu, we zijn bang voor alles wat slecht is, zoals voor een slechte reputatie, armoede, ziekte, gebrek aan vrienden en de dood, maar men neemt aan dat wie moedig is niet met alles van doen heeft. Er zijn namelijk dingen waarvoor het gepast en moreel juist is bang te zijn en waarvan het schandelijk is er niet bang voor te zijn, zoals voor een slechte reputatie. [...] Wellicht moeten we niet bang zijn voor armoede of ziekte, of in het algemeen voor alles wat niet het resultaat is van morele slechtheid en waarvoor de handelende persoon niet zelf verantwoordelijk is. Wie echter geen angst voor deze dingen koestert, is nog niet moedig – hoewel we ook hem zo noemen doordat hij lijkt op iemand met moed. Sommige mensen betonen zich namelijk wel laf in de gevaren van de oorlog, maar ze zijn vrijgevig en wanneer ze geconfronteerd worden met verlies van geld, zijn ze vol goede moed. Het is dus ook niet zo dat iemand een lafaard is, als hij bang is voor geweldpleging jegens zijn vrouw en kinderen of voor afgunst of iets dergelijks; hij is net zomin moedig, als hij onverschrokken is bij het vooruitzicht te worden gegeseld.

Vertaling: Charles Hupperts en Bartel Poortman
2005, Uitgeverij DAMON Budel
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html