31 december 2008

Collusie als vak- en moedertaal

.
We kijken om het jaar te besluiten even in De Morgen, want bij De Standaard dachten ze mijn jaar met lijstjes-en-plaatjes te mogen afronden.
Massa’s lijstjes kreeg je daar de hele week, en vandaag bovenop door de redactie uitgekozen nog honderd plaatjes: twee dingen die vroeger enkel in vrouwenbladen stonden of die je bij de coiffeur wel eens zag.
Ik stopte dat onnozele katern vanmorgen op de trein onmiddellijk in het kleine vuilnisbakje dat de NMBS speciaal voor dit doel onder elk venstertabletje in haar rijtuigen monteert.
De rest van de krant gooide ik later weg, na lectuur van een verlaat kerststuk van Mia Doornaert over de Goede Wil op Aarde. Volgens vaststelling van de baronesse bestaan er Franstaligen, fatsoenlijke en ontwikkelde mensen vaak, die onwillig zijn om in Vlaanderen Nederlands te spreken. Dat moet een fictief stuk geweest zijn.
Wel had ik nog even overwogen om de zoveelste aflevering van Paul Goossens zijn kerst-essay over Europa te lezen (hij bedoelt de EU), maar zijn erbarmelijke clichétaaltje, zijn lullige Nederlands, zijn copy&paste-gedachtjes werden mij snel te machtig.

De Morgen dan. Daar had Björn Soenens .(van het VRT-journaal) een ingezonden stuk. Een journalistiek stuk veronderstelde ik redelijkerwijs, maar dat was het niet. Het was zo te zien geschreven door iemand die opleidingscursussen voor Gentils Organisateurs van zomerkampen geeft. Björn Soenens had helemaal de repetitieve en exhortatieve stijl van zulke lesgevers getroffen. Zo vroeg hij om “blije politici met groot talent en wilde plannen”.
Vóór iemand hier in de lach schiet: het valt niet te ontkennen dat zo'n zinnetje positieve energie uitstraalt.
En Björn heeft nog enkele raadgevingen voor politici.

Politiek is wellicht het mooiste vak ter wereld. Samen met de journalistiek, die dat vak mag beschrijven en becommentariëren.
Björn bedoelt wellicht enkel te zeggen dat journalistiek een mooi vak is, dat hij mag doen. Toch moet een journalist voorzichtig zijn met wendingen als “samen met de journalistiek”, zo gevaarlijk dicht bij een andere zin, want dat kan verwarrend werken. Mensen zijn vaak geneigd om het slechtste te denken, en zo ben ik geneigd om een journalist helemaal anders te willen zien. Als een luis in de pels.

Laat de media hun werk doen. Kom naar buiten en laat u door volk en journalisten testen. Beantwoord alle mogelijke vragen.

U ziet lezer, dat ik met mijn term exhortatief niks overdreven heb. Björn laat hier uitschijnen dat de politiek journalisten zou beletten om hun werk te doen. Hoe self-gratifying deze gedachte ook is, ze staat ver van de waarheid. Niet dat Björn helemaal geen punt heeft: kwaliteitsjournalisten doen inderdaad hun werk niet, maar dat is wel hun eigen keuze, hun redactionele lijn, hun “samen met”.

Weg met de antipolitiek, weg met de foertstemmen.

Hoezo Björn, weg met foertstemmen? Wil je meteen het kiesstelsel herzien? Besef je die consequentie goed? Weg met de feiten is enkel een goede journalistieke gewoonte – daarom ook dat het publiek foert zegt tegen de kwaliteitspers, en toenemend naar blogs gaat. Maar even later zegt Björn iets verstandigs:

Schaf onduidelijke wetten af.
Een enkel voorbeeldje had hier goudwaarde gehad. Jammer. Ik vermoed dat hij wetten wil afschaffen die onduidelijke, rechtsonzekere, dus ondemocratische consequenties meebrengen, zoals misschien de Antiracismewet? Wij blijven in het ongewisse.

Denk na over de groeiende versnippering. Te veel partijtjes. Slecht voor de helderheid van de boodschap. Maak grote blokken, van traditionele gezinspartijen tot sociaaldemocratische olijfboomcoalities. Zorg dat er een duidelijke keuze is. En binnen die grote blokken: e pluribus unum. Eenheid in verscheidenheid. Grote blokken en duidelijke scores bij verkiezingen zullen het regeren een stuk makkelijker maken en de kiezer minder bedriegen met coalities die hij of zij niet heeft gewild. Het zal de debatten scherper maken en de antipolitiek wellicht een halt toeroepen.

Ik zeg niets over die onleesbare gehakt-stro-stijl, die ongetwijfeld uit een schrijfcursus komt, en makkelijk voor misverstanden kan zorgen aangezien grammatica dan goeddeels afwezig mag blijven, maar alweer: een journalist die het regeren een stuk makkelijker wil maken! mijn got! Waar is Karl Kraus, die luis?

Misschien gaat dit je wat ver Björn, maar zou de antipolitiek niet in de politiek zelf zitten, veeleer dan bij het kiesvee? Mensen als een De Gucht, met zijn aandelen en zijn halfzachte uitleg daaromtrent, mensen als Dewael, die niet het begrip verantwoordelijkheid kennen, mensen als Verhofstadt of Lizin die de samensmelting der machten als normaal beschouwen, allemaal zonder daarbij ooit erg lastig te zijn gevallen door jouw kwaliteitsconfraters, of nog, om even terug te gaan, mensen als de jonge Eyskens, of Nothomb, en nu weer iemand als Leterme, die zijn expliciete beloften breekt, en wie vergeet ik niet allemaal?
Wat bedoel jij met antipolitiek brave man? Als dat begrip in filosofische zin al bestaanbaar zou zijn, maar ik wil niet te moeilijk doen, dan is het gemaakt door politici, en door hun journalistieke lakeien, niét door de kiezers. Dat laatste zou een democratische tegenspraak vormen, begrijp je?

En Björn, denk ook eens na voor je schrijft, want nu maak je het gortig: eerst wil je een Olijfboomcoalitie, met andere woorden een lekkere hutsepot, en in dezelfde zucht wil je duidelijkheid én grote blokken, weliswaar binnen een beperkt spectrum, gaande van gezinspartijen tot sociaaldemocratie. Dat is verontrustend voor een democraat zoals ik.
De radicale tegenstelling tussen laatstgenoemde twee begrippen moet je dringend eens uitleggen, allereerst aan jezelf trouwens, want met wat je daar schrijft lijk je kort en goed een Eénpartijstaat na te streven.

Extra ecclesiam nulla salus est, om ook eens Latijn te spreken.
.
.

8 december 2008

Over eentonigheid en afwisseling

.
Een boek dat pas is verschenen, na de Boekenbeurs moeten wij dus vaststellen, is De Levenskunstenaar .(Il Discreto) van de XVIIde E.'se Spaanse jezuïet Baltasar Gracián.
Uitgeverij Papieren Tijger had vier vertalers aan het werk gezet, en die deden over het boekje van net geen 150 pagina’s toch enkele jaren. Gracián is een barokke auteur vol woordspelingen, de schrik van vertalers.
En al geniet Baltasar Gracián in managerskringen tegenwoordig enige bekendheid – tenslotte wil in die kringen ook eens een citaat van Machiavelli of Clausewitz vallen, of van Lao Tse, Sun Tsu of een andere Chinese Wijze – toch lijkt het me twijfelachtig of zijn boek in onze kranten op voet van gelijkheid zal besproken worden met bijvoorbeeld een nieuwe Verhulst of Lanoye.

Wat belooft ons De Levenskunstenaar ?
Een levenskunstenaar, zo vertelt de uitgever op de achterflap, slaagt er in alle middelen onder controle te krijgen en kan in overeenstemming met zijn psychische gesteldheid elk beroep uitoefenen, met profijt en voldoening zijn leven leiden en zich voorbereiden op het hiernamaals.

Dit laat weinig te wensen over, en ik laat Gracián dus zelf aan het woord:

Een stakker is het genie dat zweert bij één enkel onderwerp, ook al is dat iets unieks of zelfs het meest sublieme, en al helemaal als het slechts iets gewoons zou zijn. Die slechte gewoonte hebben veel vakmensen gemeen, zoals een soldaat die alleen maar over zijn veldtochten kan praten en een handelsman over zijn winsten.* Niemand wil luisteren naar zoiets eentonigs of zijn aandacht schenken aan een niet ter zake kundige, en als men zich soms al daartoe laat overhalen, dan gebeurt dat om er de draak mee te kunnen steken.
Afwisseling is altijd mooi en dus aangenaam en in dit geval zelfs aanlokkelijk. Bij de meeste mensen kan men maar voor één ding terecht, want zij hebben niet de capaciteit voor twee; bij sommigen moet je steeds hetzelfde punt aanroeren en maar over één onderwerp spreken, waar zij niet los van kunnen komen. Dat zijn de stokpaardberijders die van een conversatie een Sisyphuskwelling maken en je verpletteren onder de steen van hun eeuwige thema. Met reden beeft elke levenskunstenaar voor hen, want hij zal zijn verstand nog uitzweten als een van deze domoren zich op zijn geduld werpt. Uit angst voor zo’n pijnlijk risico geeft de wijze de voorkeur aan de dorre eenzaamheid en beleeft zijn Gouden Eeuw** innerlijk.
Het is een afschuwelijk kenmerk van sommigen, dit vervelen tot misselijkmakens toe wat ieder mens met goede smaak verfoeit onder de bede dat God ons behoede voor de man die altijd maar over één onderwerp kan praten en slechts op zoek is naar één ding. Daar tegen kunnen slechts enkele veelzijdige, talentvolle en verstandige vrienden, kortom mensen voor elk uur die altijd te pas en nooit ongelegen komen, ons genoegdoening schenken. Eén van hen telt al voor velen, terwijl van die anderen er duizend nog niet voor één tellen, en reken dan maar uit hoeveel uren je op ergerlijke wijze van hen afhankelijk moet zijn om op te wegen tegen één uur met een vriend.
_________________________

* Dit is een verwijzing naar Propertius 2,1,43 vg: "Navita de ventis, de tauris narrat arator, enumerat miles vulnera, pastor oves". De zeeman spreekt over de stormen, de ploeger over zijn ossen, de soldaat telt zijn wonden, de herder zijn schapen.
** Volgens Ovidius, in Metamorphoseon I, 89 e.v. brak er na de Schepping een gelukzalige periode aan onder Saturnus, de Gouden Eeuw, gevolgd door een Zilveren, een Bronzen en een IJzeren Tijd. Aansluitend bij Plato's theorie over de cyclische tijd kon de Renaissance er op bogen een terugkeer te zijn naar die Gouden eeuw.


De levenskunstenaar
(Il Discreto, 1646)
Uit het Spaans vertaald door
Jan Bakker, Kees van Dooren, Tineke Groot en Bep van Wees
2008, Papieren Tijger, pp. 52-3
.

.

1 december 2008

Geen gewetenloos geklieder met drukinkt !

.
Beste lezer,
al sinds enkele dagen is het mij onduidelijk of Arthur Schopenhauer wel gelijk had in §283 van zijn Über Schriftstellerei und Stil :
[…] so lese ich aus einem Autor ein paar Seiten und weiß dann schon ungefähr, wie weit er mich fördern kann.
[laat mij van een auteur een paar bladzijden lezen, en dan weet ik wel ongeveer tot waar die mij vooruithelpen kan]

Mijn twijfel aan de uitspraak van Arthur Schopenhauer kwam, omdat ikzelf al geruime tijd de geschriften van Peter Vandermeersch lees –meer dan eens heb ik u deze lectuur deelachtig gemaakt– maar daarbij toch een valse indruk van de auteur moet hebben opgedaan.
Vandermeersch schreef vrijdag namelijk een stuk –deels als antwoord aan zekere Thomas Siffer, deels ook als wraakoefening op Van Cauwelaert van Knack– en wat mij opviel in zijn stuk was dat het zo duidelijk en goed geschreven was. Vandermeersch sprong met zijn inkt zuinig om. Schopenhauer zou gezegd hebben: van gewissenlose Tintenklexerei is hier geen sprake. Het was een moedig stuk.
De uitleg voor deze stijlbreuk bij Vandermeersch is eenvoudig: “Daher nun ist die erste, ja, schon für sich allein beinahe ausreichende Regel des guten Stils diese, DASS MAN ETWAS ZU SAGEN HABE: o, damit kommt man weit!
[Vandaar dat de eerste, ja, op zich al bijna voldoende regel van de goede stijl deze is: DAT MEN IETS TE VERTELLEN HEEFT : o, daar kom je een eind mee!]

En Vandermeersch hád iets te vertellen, en zelfs extra nog iets te vertellen dat ook mij wat op de lever had gelegen, al had die kleinigheid mij geen moment belet om de petitie van dr.
Frank Thevissen te ondertekenen.
Vandermeersch merkt in zijn artikel terecht op dat Draulans bijna verwijtend werd toegevoegd dat hij "van origine bioloog" was. Ik ging er onmiddellijk van uit dat die toevoeging niet zo bedoeld was, maar dat neemt niet weg dat zij er beter niet had moeten staan, immers: “Alles Entbehrliche wirkt nachtheilig.
En er zijn ook zóveel biologen die schitterend schrijven, altijd een stuk beter, spannender, zinniger dan sociologen, politicologen, zelfs filosofen en tutti quanti.
Biologie is een precies bèta-vak, misschien niet even precies als fysica, maar wel dichter bij onze wereld op menselijke schaal.
Om een paar biologen-schrijvers te noemen die ik voor geen geld had willen missen, en ik noem expres Leo Vroman niet: Jacques Monod, Stephen J. Gould, Edward O. Wilson, en iets verder terug de grote J.B.S. Haldane.
Deze schreef ooit een prachtig essay: "On the Importance of Being the Right Size", ik meen eind jaren dertig.
Haldane wees erop dat als je in een put valt, het veel verschil maakt hoe groot je bent, en dat (als ik me de voorbeelden goed herinner) een muis een diepe val in zo'n put met gemak zal overleven, een hond ook nog, wel met pijn in zijn botten, terwijl een mens gebroken blijft liggen en een paard zelfs uiteenspat.
Vooral de val van die hond en dat paard zal bij zijn Engelse lezers hard zijn aangekomen, maar het essay zelf werd een stukje Engelse Literatuur – dat helaas aan de nochtans anglofiele graafkikker Lippens voorbij moet zijn gegaan.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html