18 december 2010

De Hooghe-van San-controverse

.
.
Statistiek is een moeilijk vak,
En Marc Hooghe een beste man,
Maar wetenschappelijk zo zwak,
Zelfs contradictorisch,
Omdat ideologisch
Hij eenmaal niet anders meer kan.

.

25 november 2010

Merkwaardige opvattingen bij een toekomstig EU-lid


Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul is ongewenst op een internationale literaire bijeenkomst in de lekenstaat Turkije, lezen we in de krant De Telegraaf .(geen kwaliteitskrant gelukkig), en wie zich afvraagt wat er zo verschrikkelijk mis is met die Naipaul kan hieronder, bij wijze van voorbeeld, een tekstje van hem lezen dat ik gauw heb vertaald, maar dat hier een aantal jaren geleden in het Engels ook al te lezen was.
In dit fragment uit onderstaand boek heeft Naipaul het over Pakistan, niet over Turkije, laat staan over Europa, maar dat mag niet deren. Vormen wij immers niet allemaal één grote Unie?

Gevoelsmatig wordt het Westen, of de wereldwijde beschaving waar het de leiding van heeft, verworpen. Het is ondermijnend; het is bedreigend. Maar tegelijk is het onmisbaar, voor zijn machines, goederen, medicijnen, gevechtsvliegtuigen, overschrijvingen van de emigranten, ziekenhuizen die misschien een remedie hebben tegen calciumtekort, universiteiten die gegradueerden kunnen afleveren aan de massamedia. In heel die verwerping van het Westen zit de veronderstelling besloten dat ergens daarbuiten altijd een levendige, creatieve beschaving zal blijven bestaan, wonderlijk neutraal en open voor elkeen die er een beroep op wenst te doen. De verwerping is bijgevolg geen absolute verwerping.  Voor de gemeenschap als geheel is het ook een manier om intellectuele inspanningen te staken. Het is een parasitisme; parasitisme is een der erkende vruchten van fundamentalisme. En de emigranten stromen het land des geloofs uit: enkel naar Berlijn 30.000 Pakistani verscheept door de experten van de export van mankracht, om er het politiek asiel op te eisen dat bedoeld was voor de mensen uit Oost-Duitsland.
De patroonheilige van de islamitische fundamentalisten in Pakistan was Maulana Maudoodi. Hij was gekant tegen de idee van een aparte Indische moslimstaat, omdat de moslims naar zijn gevoel niet zuiver genoeg waren voor zulke staat.  Hij vond dat God de wetgever moest zijn; en met zijn aanbod van soortgelijke extatische denkbeelden in plaats van een praktisch programma kwam hij in het brandpunt van een chiliastische ijver. Hij voerde campagne voor de invoering van islamitische wetten zonder duidelijk te maken wat die wetten dan moesten zijn.
Hij stierf toen ik in Pakistan was. Maar het was niet in Pakistan dat hij stierf: het bericht van zijn dood kwam uit Boston. Aan het eind van zijn lange en woelige leven was de Maulana tegen al zijn principes ingegaan. Hij was naar een ziekenhuis in Boston gegaan, op zoek naar genezing; hij had zich helemaal aan het eind toevertrouwd aan de kunde en de wetenschap van de beschaving waar hij zijn volgelingen voor had willen afschermen. Hij had geprobeerd, zo zei iemand mij (niet alle Pakistani zijn fundamentalisten), om te oogsten waar hij zijn volk liever niet zag zaaien. Van de Maulana zou je kunnen zeggen dat hij naar zijn welverdiende plekje in de hemel is gegaan met een ommetje via Boston; en dat hij die weg minstens gedeeltelijk heeft afgelegd per Boeing.

Vidiadhar Surajprasad Naipaul
Among the Believers
An Islamic Journey
André Deutsch, London 1981, pp.158-9

.

21 november 2010

Gaat het nú al bergaf met het NRC?


Om samen te vatten wat hieronder staat: dat Islamboek van Wim en Sam van Rooy mag dan bijzonder goed verkopen –het is al in herdruk– maar veel recensies heeft niemand gezien.
In Vlaamse kranten stond helemaal niets. Soit.*
In Holland had het NRC een soort bespreking, van de hand van adjunct-hoofdredacteur Sjoerd de Jong, maar die leek nergens naar en Afshin Ellian gaf in Elsevier een antwoord aan de man. Dat antwoord kwam hierop neer, dat de recensent het boek aantoonbaar niet had gelezen, en stellingen aanviel die hijzelf eerst had bedacht, maar die in het boek niet voorkwamen.
Sjoerd was –heel begrijpelijk– van de veronderstelling uitgegaan dat zulke zaken in het boek wel moésten voorkomen. Na het antwoord van Ellian is het nu wachten tot Sjoerd – misschien niet het hele boek, maar alleszins het stuk van Ellian uit heeft, en die man dan aanpakt met citaten, argumenten enzovoorts.
Ook is er de mogelijkheid dat Sjoerd zijn eerste oordeel alsnog bijstelt: laat het onwaarschijnlijk zijn dat zoiets gebeurt, in een volwassen democratie als Nederland is het niet onvoorstelbaar.

Hoe dan ook: .beter een afkeurende, ongefundeerde recensie dan helemaal geen, zoals in de Vlaamse kranten. Al kunnen deze laatste verzachtende omstandigheden laten gelden, want net nog hadden zij een parachutemoord, en dan kwam plots die watervloed, waardoor ze met een overvloed van pakkende artikels en grote foto’s zaten.

Maar om de zaak in een breder perspectief te plaatsen: ik weet niet of zijn kritiek op Sjoerd wel helemaal terecht is, want zoals gezegd heeft Ellian zelf een stuk geschreven in dat Islamboek, wat toch een schijn van deskundigheid of zelfs partijdigheid kan wekken. Bovendien, wat is er zo kwaad aan een recensent die een boek niet gelezen heeft? Iemand kan dingen toch aanvoelen, zonder eerst een dik werk te hoeven doorwaden?
In zijn ‘Florentijnse Nachten’ geeft Heinrich Heine het voorbeeld van de stokdove tekenaar-muziekcriticus, zijn vriend Johann Peter Lyser:

…ik bedoel de dove schilder, Lyser is zijn naam, en grappig en gek als die is, wist hij in een paar schaarse krijtstrepen de kop van Paganini zo raak te treffen dat je in de lach schiet en tegelijk schrikt door het veridieke van zijn tekening. ‘De duivel heeft mijn hand vastgehouden’ vertelde de dove schilder me, en hij giechelde geheimzinnig en schudde goedmoedig ironisch met zijn kop, zoals hij doet bij zijn geniale Uilenspiegelstreken. Deze artiest is altijd een rare vogel geweest; en al was hij dan doof, toch hield hij hartstochtelijk van muziek en als hij een plaatsje had dicht genoeg bij het orkest, dan zou hij in staat zijn geweest om de muziek af te lezen van de gezichten der muzikanten, en kon hij zich door hun vingerbewegingen een oordeel vormen of de uitvoering min of meer geslaagd was; hij schreef dan ook de operakritieken voor een zeer gezien blad in Hamburg.
Wat moet daar ook zo verwonderlijk aan zijn? In de zichtbare tekenen van het instrumentenspel kon de dove schilder de klanken zien. Er bestaan toch ook mensen voor wie klanken onzichtbare signaturen zijn, waar zij kleuren en vormen in horen.

Zeer juist, maar Sjoerd had tegen het Islamboek ook een volkomen onredelijk bezwaar. Bij het snelle doorbladeren ervan, had hij opgemerkt dat het alleen maar sombere diagnoses bevatte, en geen remedies. Nu is dat niet waar, maar zelfs als het waar was, moet de diagnose aan de remedie voorafgaan.
Dat er iets niét in staat, kun je aan elk boek verwijten – behalve aan de koran zelf natuurlijk. Zo’n verwijt is gratuit, en het geeft aan Sjoerd zijn bespreking iets willekeurigs en zeurderigs. Goethe zei daar iets over:

Die Supp’ hätt’ können gewürzter sein,
Der Braten brauner, Firner der Wein. —
Der Tausendsackerment!
Schlagt ihn tot, den Hund! Es ist ein Rezensent


Een pittiger soep was hij gewend,
De wijn vroeg kelder, ‘t gebraad wat jus. –
Verdomme nondedju!
Sla hem dood, die hond! Het is een recensent.


oOoOoOo

* noot van 7 december: in de uitzending van het Humanistisch Verbond, een gastprogramma op Radio1, kwam het boek wel aan bod, in een gesprek van 10 minuten met de samensteller Wim van Rooy; een heel lang gesprek dus, naar de normen van vandaag.
.

9 november 2010

Alweer heeft De Standaard zijn Latijn fout...

.
Het Latijnse equivalent voor waar een wil is, is een weg, luidt nil volentibus arduum. Zij hadden daar maar drie woorden voor nodig. Iedereen weet dat, en dat is ook wat zekere Jessy op haar rug wilde laten tatoeëren. Volgens De Standaard staat dat er ook, maar soms rapporteren ze daar onnauwkeurig. Een beetje zoals bij De Volkskrant zou Peter Vandermeersch zeggen, maar die kreeg toen een rake trap van Jan Mulder, zoals op Youtube te zien is.
Wat ik op hun foto lees is volentidus, met de d van arduum. Misschien moet ik een nieuwe bril hebben, maar beter nog had Jessy om Romeinse kapitalen gevraagd aan haar graveerder.



P.S. ze waren nochtans verwittigd bij de Kwaliteitstabloid dat ze moesten uitkijken met vreemde talen.
.
____________________

P.P.S. (10 november) De journalist Koen Baumers wijst mij in een vriendelijk briefje erop dat de tatoeëerder zijn werk wel degelijk en goed heeft gedaan, zoals hieronder ook duidelijk te zien is: 




Terecht schrijft hij: "Toch even iets rechtzetten: als u op onderstaande link klikt, ziet u een foto waarbij niet het gezicht, wel de spreuk op de rug scherp staat. Zo zie je duidelijk een B in plaats van een D. Op de foto met haar gezicht erbij lijkt het door het puntje op de 'i' inderdaad alsof het beentje van de volgende letter naar achter kantelt, waardoor het teken lijkt op een gotische D in plaats van een gewone B.
De titel van uw blogbericht is overigens sowieso niet juist: zelfs als er een D stond in de tattoo, dan nog was het een fout van de tatoeëerder en niet van de krant."
Met de laatste zin ben ik het niet helemaal eens, namelijk dat De Standaard in dat geval geen fout tegen het Latijn zou hebben gemaakt: inderdaad zou De Standaard dan geen schrijffout verweten kunnen worden, maar wel een leesfout. Maar ik geef ootmoedig toe dat ik mij liet misleiden door dat eerdere artikel, waar zij een getatoeëerde voetballer bespraken, én door dat puntje op de i ...dat er trouwens niet had mogen staan want de Romeinen deden dat niet.
.

7 november 2010

Alexis de Tocqueville over Cordon en PC


Laatst ging het hier over het begrip populisme, en wat de betekenis daarvan mocht zijn. Deze keer bekijken we twee aan elkaar verwante begrippen, namelijk politiek correct en cordon sanitaire. Die zijn minder modern dan gemeenlijk wordt aangenomen, en de klassieke auteur Alexis de Tocqueville omschreef ze uitstekend, al kunnen er bedenkingen zijn bij zijn begrip "meerderheid".
Ik weet dat zijn werken in het Nederlands vertaald zijn, vanzelfsprekend, maar ik heb enkel de Franse tekst bij de hand en vertaal daarom een passage:

Over de greep die in Amerika de meerderheid heeft op het denken

Zodra zich onherroepelijk een meerderheid heeft gevormd rond een vraagstuk, wordt er in de Verenigde Staten niet meer geredetwist – Waarom dat zo is – De morele macht van de meerderheid op de ideeën – Democratische republieken maken het despotisme tot iets immaterieels.

Als men onderzoekt hoe in de Verenigde Staten ideeën ontstaan, dan merkt men heel duidelijk hoezeer de macht van de meerderheid alle machten overtreft die wij in Europa kennen. Opinies vormen een onzichtbare en bijna ongrijpbare kracht die elke tirannie voor schut zet. In onze tijd kunnen ook de meest absolute heersers van Europa niet beletten dat er in hun staten in stilte bepaalde gezagsvijandige gezindheden gangbaar blijven, zelfs tot aan hun hoven toe. Niet zo in Amerika: zolang daar de meerderheid nog onzeker is, praat men; maar zodra deze zich onherroepelijk heeft uitgesproken zwijgt elkeen, en zowel vriend als vijand lijken samen in het gareel te lopen. De simpele reden hiervoor is: geen monarch is zo absoluut dat hij alle maatschappelijke krachten in de hand kan houden of hen verslaan, zoals een meerderheid, bekleed met het recht om wetten uit te vaardigen en ten uitvoer te leggen, dat wel kan.
Een koning bezit ook enkel materiële macht, die op de gedragingen wel inwerkt, maar op de gezindheden geen vat krijgt; een meerderheid is echter bekleed met een materiële zowel als een morele macht, die op de gezindheid niet minder inwerkt dan op de gedragingen, en die tegelijk acties belet én de wens daartoe.
Ik ken geen ander land waar, in het algemeen gesproken, minder geestelijke onafhankelijkheid en echte vrijheid van discussie heerst dan Amerika.
Er bestaat geen religieuze of politieke theorie die men in de constitutionele staten van Europa niet vrijelijk zou kunnen prediken, en die niet ook in de andere zou doordringen; want er is in Europa geen land zozeer aan één enkele macht onderworpen, dat diegene die de waarheid wil verkondigen er geen steun zou vinden die hem beschutting verleent tegen de gevolgen van zijn onafhankelijkheid. Als hij het ongeluk heeft onder een absoluut bewind te leven, dan vindt hij vaak het volk aan zijn zijde; als hij in een vrij land woont, kan hij zich desnoods verschuilen achter het koninklijke gezag. In democratische gewesten beschermt de aristocratische fractie van de samenleving hem, en in de andere doet de democratie dat. Maar binnen een democratie zoals die in de Verenigde Staten is georganiseerd heb je maar één gezag, één enkel element van kracht en welslagen, en daarbuiten niets.
In Amerika trekt de meerderheid een geduchte cirkel rond de vrije gedachte. Binnen die krijtlijn is de schrijver vrij; maar wee hem die zich erbuiten zou wagen. Niet dat hij een autodafe hoeft te vrezen, maar hij staat bloot aan alle soorten van afschuw, en aan dagelijkse vervolgingen. Een politieke carrière is voor hem uitgesloten: hij heeft immers de enige macht beledigd die zulke carrière voor hem zou kunnen openstellen. Alles wordt hem ontzegd, tot zelfs zijn eigenwaarde. Vóór hij zijn opinies publiceerde dacht hij nog medestanders te hebben; nu hij zich voor iedereen bloot heeft gegeven, gelooft hij niet langer dat hij er nog heeft; want diegenen die hem afkeuren, geven daar luid uitdrukking aan, en diegenen die denken zoals hij, maar niet zijn moed bezitten, houden zich gedeisd en stil. Hij zwicht, buigt onder de last van elke dag, en hult zich in stilzwijgen, als had hij wroeging over zijn oprechte woorden.
Kettingen en beulen waren de lompe instrumenten die de tirannie destijds gebruikte; maar in onze tijd heeft de beschaving tot zelfs het despotisme geperfectioneerd, ook al leek dat niets te leren meer te hebben.
De prinsen hadden om zo te zeggen het geweld gematerialiseerd; de democratische republieken van onze dagen hebben het geweld omgevormd tot iets dat net zo geestelijk is als de menselijke wil, die het aan banden wil leggen.
Onder het absolute bewind van een enkeling sloeg het despotisme botweg het lijf, om zo de ziel te treffen; en de ziel, die aan deze slagen ontkwam, verhief zich in alle glorie er boven; maar in de democratische republieken gaat de tirannie niet meer op die manier te werk; zij laat het lijf met rust en gaat recht op de ziel af. De meester zegt niet meer: u zult denken zoals ik, of u gaat eraan; hij zegt: het staat u vrij om niet te denken zoals ik; uw leven, uw have en goed, alles mag u behouden; maar vanaf nu bent u een vreemde onder ons. Uw burgerrechten zult u behouden, maar ze zullen nutteloos voor u zijn; want als u naar de gunst van uw medeburgers dingt, zullen zij u die niet verlenen, en indien u nog maar hun achting verlangt, dan nog zullen zij doen alsof ze die weigeren. U zult onder de mensen blijven, maar recht op medemenselijkheid zal u worden ontzegd. Als u toenadering tot uw gelijken zult zoeken, zullen zij u als een onrein wezen mijden; en diegenen die in uw onschuld geloven, juist diegenen zullen u in de steek laten, want anders zou men op hun beurt ook hen mijden. Ga in vrede, ik spaar uw leven, maar dat zal erger zijn dan de dood.
De absolute monarchieën hadden het despotisme onteerd; laten we uitkijken dat de democratische republieken het niet alsnog in eer herstellen, en dat zij, door het voor enkelingen zwaarder te maken, het niet in de ogen van de meerderheid ontdoen van zijn hatelijke aspecten en zijn vernederende karakter.

Alexis de Tocqueville
De la démocratie en Amérique
(d’après la douzième édition, 1848)
Préface d’André Jardin
Éditions Gallimard 1981, tome I, pp. 380-3
.

2 november 2010

Goossens, Hooghe en grof taalgebruik

.
Om te beginnen zal ik iets moois vertellen, want daarna word ik noodgedwongen vervelend. In het leven is er nooit een vrije dag, zei Gerard Kornelis van het Reve, en hij had gelijk. Ik weet niet of Harry Mulisch ook zulke diepe gedachten heeft neergeschreven.

De naam Angela de Franceschi, bijgenaamd la Mariuccia (1734-1805), zal niet iedereen bekend voorkomen neem ik aan, maar zij was een van de geliefden van Casanova, en hij gaf een wondermooie beschrijving van haar:
“Ses yeux noirs, très fendus et à fleur de tête, et toujours remuants avaient sur leur superficie une rosée qui paraissait un vernis du plus fin émail. Cette rosée imperceptible que l’air dissipait très facilement reparaissait toujours plus fraîche au rapide clignotement de ses cils.”*
Haar zwarte ogen, heel langwerpig en prominent, en voortdurend in beweging, hadden op hun oppervlak een laagje dauw, dat een vernisje van het fijnste émail leek. Deze onmerkbare dauw, die aan de lucht heel makkelijk vervluchtigde, kwam telkens weer helemaal fris tevoorschijn bij het snelle knipperen van haar oogleden.

Geef toe lezer, zelfs in mijn gebrekkige vertaling kunnen deze twee zinnen neerbuigend kijken naar de gedrochten die bij ons voor “de mooiste zin van het jaar” elke keer moeten doorgaan.

Een andere Angela is Angela Merkel, en Paul Goossens bedacht haar met een artikeltje, getiteld: “Een vluggertje, voor Angela”.
Niet het register dat Casanova hanteert, zult u zeggen. Inderdaad, en wat hierbij niet als excuus mag gelden, is dat Paul als oud-seminarist zich misschien geen houding weet te geven als er vrouwen ter sprake komen, want Casanova was ook bijna pastoor. Neen, hier speelt de eeuwige drang die columnisten voelen om vooral levendig te schrijven, gedurfd, stout. Dat brengt hen helaas tot vulgariteiten.

“Wat een grof volkje” zou Marc Hooghe zeggen, die andere Standaardman, want die maakt zulk verwijt zelfs als het totaal ongepast is, bv. enkel als Luc Huyse onheus wordt aangevallen volgens hem, en hij bij deze emeritus –om redenen waar wij het raden naar hebben– een wit voetje wil halen. Natuurlijk laten ze bij de Kwaliteitstabloid niet toe dat hun jonge medewerker op zijn plaats wordt gezet in een gedegen antwoord, ook al schreef Peter de Roover dat meteen.

Maar wat Paul Goossens, “Europajournalist” ons wilde vertellen, kwam simpelweg hierop neer dat de EU (zoals bekend zijn gagne-pain) vooral moest blijven wat zij is, namelijk een democratisch niet gelegitimeerde instelling.
"Na de mislukte ratificatie van de Europese grondwet en de traumatische goedkeuring van het verdrag van Lissabon, was het idee van een nieuwe wijziging, met alles wat dat aan referenda, chagrijn, koehandeltjes en verlammende navelstaarderij meebrengt, een perverse, zelfs destructieve gedachte."
Op een discussie met deze anti-democraat zal geen ernstige mens ingaan. Daarvoor is deze jongen ook te wollig en te zweverig, zij het dat hij ongewild soms een geestigheid heeft. Maar Paul beseft duidelijk niet wat hij allemaal verkondigt met zijn wild gezwaai. Zo zegt hij dat zijn geliefde EU steunt op een Verdrag waarvan de artikelen –die nochtans niet mogen veranderen!– getuigen van “een extreme saaiheid en trivialiteit, want gestolde macht”. In zijn ijver gebruikt Paul ook woorden waarvan hij de draagwijdte niet snapt. Zo noemt hij de artikelen van het Verdrag van Lissabon zelfs obsceen: “Met een obscene zin voor het detail bepaalt artikel 48 hoe een verdragswijziging moet worden uitgevoerd.”

Nu heeft volgens de Oxford Latin Dictionary het woord obscenus vele betekenissen, maar geen lijkt te verwijzen naar verdragsteksten die wij niettemin als onveranderlijk dienen te beschouwen:
OBSCENUS: [samengevat] sinister, walging opwekkend, op slechte voortekens duidend, smerig, vuil, onzedelijk, betrekking hebbend op perversieën of excrementen, of op de organen of handelingen die daarmee in verband kunnen staan.
___________________

* Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Suivie de textes inédits
Volume 7 – Chapitre IX
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Robert Laffont, 1993, 2002, p.613
.

24 oktober 2010

Necla Kelek kent nog het juiste perspectief

.
Vrijdag had de Frankfurter Allgemeine een schitterend artikel van Necla Kelek, de Duitse journaliste die u hier vaker las, want al sinds 2005 vertaal ik af en toe een stukje. Deze keer voorziet zij een redevoering van de Bondspresident van enkele bedenkingen:


De Republiek der Gelovigen volgens Bondspresident Wulff


Voor het Turkse Parlement gaf de Bondspresident een sterk staaltje van bagatellisering weg, en tegelijk deed hij een goed woordje voor een terugkeer van de religie in de politiek. Zijn toespraak was historisch vals, en stelde de seculiere Republiek ter discussie. De media merken enkel wat er aan de oppervlakte is geschied.

Een repliek van Necla Kelek

Toen ik zag met welke voorzichtige passen Christian Wulff in Ankara in het Turkse Parlement naar het spreekgestoelte ging, was mijn indruk niet dat hier een president van de Duitse Bonds-republiek aantrad. Die tastende korte schreden, een blik die niet gericht was op wat voor hem lag, maar enkel strak voor zich uit keek. Hij leek bevreesd te zijn voor een verkeerd woord. Wellicht was hij te fel onder de indruk van de martiale façade van het Anit Kabir in Ankara, het mausoleum van Atatürk, dat groter is dan de Akropolis van Athene, waar hij kort daarvoor een krans had neergelegd. Of van de militaire optocht, waarbij hij als smoes diende om voor de eerste keer een gesluierde presidentsvrouw te laten aantreden. Het was een voorzichtige man die ik achter de lessenaar zag staan.
Zijn rede –snel en zonder intonatie afgelezen– begint met enkele terugblikken op de Duits-Turkse geschiedenis, die “de ontwikkeling van onze naties steeds weer verrijkt hebben”. Zo beschrijft hij de militaire betrekkingen en de wapenbroederschap van het Hoge Poort en het Keizerrijk;  Keizer Wilhelm, die in de strijd tegen Engeland op de “islamitische kaart” inzette, de Duitse militairen die in de Eerste Wereldoorlog als wapenbroeders vochten, en wier “verrijking” er onder meer in bestond dat zij logistieke steun gaven aan de Jonge Turken bij de organisatie van de genocide op de Osmaanse Armeniërs. De etnische zuivering was de premisse voor de stichting van de Turkse Republiek, zonder christenen en joden, zonder de “ongelovigen” dus.
Een bijzonder woord van dank richtte Wulff tot de Turken die in 1933 werk boden aan bijna duizend leden van de “Noodgemeenschap der Duitse Wetenschappers”, die onder de nazi’s een beroepsverbod hadden gekregen.
Onvermeld liet hij daarbij dat vanaf 1940, de tijd van de hoogste nood, deze regeling niet meer gold voor joden, maar enkel nog voor diegenen die een Ariërbewijs konden voorleggen. De opvolger van Atatürk, president Ismet Inönü, verklaarde dat Turkije geen asiel bood aan “mensen die elders ongewenst waren”. Tot zover het historische deel van deze redevoering.

Bagatellisering op het hoogste niveau
Na enkele algemeenheden over de internationale toestand, komt Christian Wulff op het bijzonder belangwekkende thema van de Turken in Duitsland. Zeer open brengt hij successen en problemen ter sprake, noemt “vasthouden aan staatsuitkeringen, criminaliteits-cijfers, machogedrag, onderwijs- en werkweigering”, die echter “beslist niet enkel problemen met inwijkelingen zijn”, en in één adem voegt hij er nog aan toe: “Niemand wordt verplicht of verondersteld zijn culturele identiteit te verloochenen.”
Wie als argumentatie een dergelijke combinatie van pure gemeenplaatsen neerzet, en deze aldus aan de analyse onttrekt, versluiert meer dan hij benoemt. Wie sociale fraude onschuldig voorstelt als “vasthouden aan staatsuitkeringen”, die kan niet in ernst ervan uitgaan dat de oproep aan de migranten om zich aan de geldende regels te houden, ook doorgezet kan worden. Dat is de bagatellisering van problemen, op het hoogste niveau.
De zinsnede “Turkije kan laten zien dat islam en democratie, islam en rechtsstaat, islam en pluralisme geen contradicties hoeven te zijn” dient kritisch gelezen te worden, dat willen we de president goed aanrekenen. “Kan laten zien” drukt als vorm een mogelijkheid uit, geen realiteit, want in werkelijkheid zijn in Turkije zowel de Grondwet als de toepassing ervan nog zeer ver verwijderd van wat in Europa verstaan wordt onder een civiele samenleving of rechtsstaat. Als dat de betekenis was, dan had hij concreter moeten zijn.

Schokkende analogie
Het opvallendst was aan het eind van de redevoering het betoog over de islam in Duitsland en de christenen in Turkije. Aan de opmerking die twee weken geleden viel, “De islam hoort zonder twijfel in Duitsland thuis”, voegt hij een spiegelbeeld toe: “Het christendom hoort zonder twijfel in Turkije thuis”. Als betrof het hier de twee zijden van één medaille. Laten we nog buiten beschouwing dat de moslims in Duitsland geen “minderheid” zijn, maar deel uitmaken van deze samenleving, en met bijna 3000 gebedshuizen en evenveel voorgangers religieus net zo goed verzorgd worden als de christenen. Maar de christenen in Turkije zijn nog steeds een onderdrukte minderheid, die zich in het Oosten van het land achter hoge muren verborgen moet houden, en waarvan de kerken vaak enkel als musea te bezoeken zijn. En zoals alle niet-Sunnieten staan zij aan discriminaties bloot.
Deze beide zaken over een kam scheren is schokkend en vals. Hier worden retorisch niet enkel granaatappels met poires williams vergeleken, hier heeft de Bondspresident begrip en lof voor de terugkeer van de religie als politieke categorie, en praat hij deze terugkeer goed. Zijn wij dan geen Duitsers of Turken, maar eerst en vooral christenen, joden of moslims? geen burgers, maar gelovigen of ongelovigen? Is dat de boodschap van de ProChrist-katholiek Christian Wulff?
Als de terugkeer van de religie in de politiek de presidentiële boodschap uit Ankara is, dan staan wij in onze staat voor een nieuwe godsdienstoorlog. En in het diepe Turkije heeft de President hem met een eenvoudige redevoering ontketend.
.

18 oktober 2010

Mijnheer Bart over Herr Thilo

.
Bart Beirlant doet Buitenland voor de kwaliteitstabloid, en vandaag had hij het over het boek van Thilo Sarrazin, dat in Duitsland al meer dan een miljoen kopers vond.

'Elke samenleving kan een bepaalde proportie mensen van buitenlandse afkomst opnemen en integreren', schreef de Frankfurter Allgemeine Zeitung gisteren in een commentaar. 'Er zijn geen objectieve criteria om die proportie vast te leggen. Maar er zijn aanwijzingen. En als een boek dat wijst op de tekortkomingen in de integratie in enkele weken meer dan een miljoen keer over de toonbank gaat, is dat zo'n signaal'. Het bewuste boek is 'Deutschland schafft sich ab' (Duitsland schaft zichzelf af) van Thilo Sarrazin, dat begin september werd gepubliceerd.* Daarin klaagde de (toenmalige) bestuurder van de Bundesbank aan dat moslims niet willen integreren in Duitsland en de staat vooral geld kosten.
De sociaaldemocraat Sarrazin, die ook de joden schoffeerde door te zeggen dat ze over een eigen gen beschikken, betaalde prompt de rekening voor zijn opvattingen: hij mocht opstappen bij de Bundesbank. Maar de geest was uit de fles, in de vorm van een intens debat over de integratie van moslims én migratie.

Wat mij bij Beirlant interesseert, is zijn tussenzinnetje: “
…die ook de joden schoffeerde door te zeggen dat ze over een eigen gen beschikken”.
Ik vermoed dat Bart het boek niet gelezen heeft, en gewoon overschrijft wat hij bij andere kwaliteitsjournalisten gelezen heeft, of toch meent gelezen te hebben, want die zin met dat unieke “gen” vind ik niet terug. En al erkende Sarrazin dat zijn biologische kennis beperkt is, een dergelijke dwaasheid als die welke Beirlant
rapporteert, heb ik bij hem niet gelezen.
Let wel: dat bewuste gen zou dan bepalend zijn voor intelligentie, want daarover ging het bij Sarrazin. Misschien wist Bart dat niet. Of denkt Beirlant misschien toch dat er een “
gen voor intelligentie” bestaat? En dat je bovendien iemand kunt beledigen door hem intelligent te noemen? Alleszins lijkt hij niet te weten dat er een verschil is tussen “een gen”, en de uitdrukking “genetisch bepaald”.

Blijft dat joden die uit Oost-Europa afkomstig zijn, gemiddeld heel hoog scoren bij IQ-tests. Niet zomaar een beetje hoger dan de rest, zij halen 115 punten. Aan zijn Standaardcollega
Mark Eeckhaut heb ik de betekenis van zulke getallen een paar jaar geleden al uitgelegd, en hij zal aan Bart graag opheldering verschaffen.
Nu wil ik Beirlant niet verplichten om heel het boek van Sarrazin te lezen („
Es ist kein Roman“, gaf de auteur toe). Met het derde hoofdstuk kan hij volstaan. En zelfs dát hoeft hij niet te lezen, want ik zal enkele relevante passages voor hem citeren en vertalen, te beginnen op p.95.
Erklärt wird die durchschnittliche höhere Intelligenz der Juden mit dem außerordentlichen Selektionsdruck, dem sie sich im christlichen Abendland ausgesetzt sahen.“

[De meer dan gemiddeld hoge intelligentie van de joden wordt verklaard door de buitengewoon hoge selectiedruk, waaraan zij zich in het christelijke Avondland blootgesteld zagen] **

De Duitse joden, die meest uit Polen en Oekraïne afkomstig waren, “Asjkenazim” dus, waren al eeuwen verplicht om “intellectuele” beroepen te kiezen, want: „herkömmliche Handwerksberufe wie auch die Landwirtschaft waren ihnen lange versperrt, umgekehrt waren die Christen lange im Geld- und Finanzwesen durch das Zinsverbot gehindert.“

[gewone beroepen, zoals ook de landbouw, waren voor hen lange tijd uitgesloten, en omgekeerd konden lange tijd de christenen het geld- en financiewezen niet in, door het interestverbod]

En op p.97 is het al gedaan over de joden: „
Ich bin auf die deutsch-jüdischen Ursprünge der Intelligenzforschung etwas näher eingegangen, weil die Diskussion der genetischen Komponente von Intelligenz häufig auf große emotionale Widerstände stößt. Die Erkenntnis, das Intelligenz zum Teil erblich ist, verträgt sich nur schwer mit Gleichheitsvorstellungen, nach denen die Ursachen von Ungleichheit unter Menschen möglichst weitgehend in den sozialen und politischen Verhältnissen zu suchen ist.
[Ik ben op de Duits-joodse oorsprong van het intelligentie-onderzoek wat nader ingegaan, omdat de discussie over genetische componenten van intelligentie dikwijls op grote emotionele weerstanden stuit. Het besef dat intelligentie gedeeltelijk erfelijk is, laat zich moeilijk verenigen met gelijkheidsdenkbeelden, volgens welke de oorzaken voor ongelijkheden onder mensen liefst verregaand te zoeken zijn in de politieke en sociale verhoudingen.]

Wat ik tot slot nog even aan Bart Beirlant wilde vragen is, of een blad als
The New York Review of Books, dat hij misschien kent, en dat geloof ik voor ongeveer 50% door joden wordt volgeschreven, de joden ook heeft geschoffeerd met
volgende voetnoot, waarin een genetisch verband wordt gesuggereerd tussen de intelligentie van Asjkenazim, en een bepaalde ziekte die veelvuldig voorkomt in die groep. En natuurlijk gaat het niet over één gen, Bart, zo simpel is de wereld niet, maar wel over een polygenetisch samenspel.

Ik cursiveer:
[The] account is based on recent work by G. Cochran, J. Hardy, and H. Harpending, all of the University of Utah, who claim that the moderately high frequencies of several disease mutations, including that causing
Tay-Sachs, among Ashkenazi Jews might be explained by natural selection. Because the genes involved also play some role in the brain, Cochran and colleagues speculate that the relevant mutations might increase intelligence, perhaps reflecting a history of selection among medieval European Jews, who often worked in finance or related professions. Such a hypothesis is certainly possible; the critical issue is the strength of the empirical evidence.
___________________
* Verwaarloosbaar foutje van Beirlant: het boek verscheen eind augustus. Beirlant kan dit natrekken op de site van DVA (Random House), maar in dié zin heeft hij natuurlijk wel gelijk, dat onze kwaliteitspers pas half september lucht kreeg van de heisa bij onze buren.
Hiernaast mijn bestelling bij amazon.de (dat geen portkosten aanrekent aangezien België, net als bv. Oostenrijk, Zwitserland of Liechtenstein een Duitssprekend land is. Verheugend hier is dat amazon.fr van mening is dat België géén Franssprekend land is, want zij rekenen wel portkosten aan, maar gelukkig kun je de meeste Franse boeken ook bij het Duitse filiaal bestellen. Overigens kreeg ik, tegen hun gewoonte, het boek een paar dagen later dan ze hadden beloofd, maar het was dan ook al de vierde druk.)
** Dit lijkt mij een goed argument voor diegenen onder ons die menen dat de Sefarden, met hun islamitische bazen, het beter hadden getroffen want zij scoren IQ-gewijs minder goed dan hun Oost-Europese broeders.
.

17 oktober 2010

Wat zou het woord "populisme" toch betekenen?

.
Wie Vlaamse kranten leest, en overal de woorden populisme, populistisch of populist aanstreept, zou na verloop van tijd een soort definitie moeten kunnen geven. Uit de contextuele informatie moet die af te leiden zijn. Dat is ook zo, en ik kom dan uit op: slecht, gemeen, gevaarlijk, goedkoop, afkeurenswaardig, smerig, doortrapt, onbeschaafd, kwaadwillig, fout. Het is blijkbaar een term die uit de moraalfilosofie komt, en niet uit de politieke filosofie, al lees ik dat juist heel wat politici populisten zijn.
Franse journalisten werken graag met klare definities. Loze en sentimentele kreten staan bij hen minder in aanzien.
Daarom vroeg Finkielkraut gistermorgen aan twee wetenschappers, wat we moesten verstaan onder die term populisme. Ik vertaal enkele zinnen uit zijn gesprek. De rest vindt u op France Culture.

.
De quoi parle-t-on exactement, quand on parle de populisme, à quel trait reconnaît-on un discours, une idéologie, une ambiance populiste, Jacques Julliard?
Euh, c’est pas toujours facile à définir parce que comme beaucoup de termes de la science politique, celui-ci est un terme un peu vague […] alors une fois cela dit, qu’est-ce que le populisme? Je pense que c’est …une doctrine c’est trop dire, mais une pensée, une manière de penser, qui fait du peuple, un: la source là, de la souveraineté, jusqu’ici c’est une donnée de faits dans nos sociétés, et ça se confond avec la démocratie elle-même, et c’est d’ailleurs toute la question de savoir si le populisme ne se confond pas avec une certaine acception de la démocratie. Deuxièmement: alors ça va déjà un peu plus loin, la source de toute légitimité, mais en plus, j’ajouterais, de toute sagesse et de toute infaillibilité. Le peuple en tant que tel, notion qui resterait à définir, a toujours raison, alors que les élites –puisque dès qu’on parle de peuple, dans un optique populiste, et bien, on a immédiatement tendance à l’opposer aux élites– le peuple-lui est sage, le peuple est d’une certaine manière infaillible. Alors, juste un mot sur cette définition que je propose: on voit qu’elle collerait très bien avec le Contrat Social de Rousseau. Tout ce que j’ai dit là, au fond, on pourrait le tirer du Contrat Social.
Or, quelle est la différence entre le populisme au sens un peu général du terme et la démocratie elle-même ? À mon avis c’est la notion de Droit. Dans la démocratie, telle que nous la concevons, il y a la souveraineté du peuple, tel qu’il a été pensé par Rousseau, enfin, la volonté générale si vous préférez. Et deuxièmement il y a l’idée de Droit, telle qu’elle sort… surgit notamment de Montesquieu, mais de bien d’autres évidemment. Alors que dans le populisme, le Droit disparaît. D’une certaine manière le populisme c’est le peuple, moins la démocratie, moins les institutions formelles, dont le Droit, dont le Parlement etc., qui sont l’œuvre, qui sont les effets de la démocratie. Voilà comment…

Et diriez-vous que le populisme, Jacques Julliard, est particulièrement présent aujourd’hui?
Alors, il n’y a aucun doute qu’il y a une remontée du populisme. Je ne sais pas si on s’engage tout de suite dans le débat de fond, mais moi je dirais si vous me sollicitez là-dessus, je dirais qu’il y a trois raisons qui expliquent cette montée du populisme.
Il y a d’une part la défiance à l’égard du système représentatif. Ça c’est déjà assez ancien, mais je pense que c’est en train de monter. Toute une série de facteurs le montrent évidemment. Le système représentatif, tel qu’il a été inventé au dix-neuvième siècle reposait sur trois piliers: le Parlement, ou plus exactement, le suffrage universel, le Parlement et les partis. Or vous voyez que ces trois institutions sont en crise. Ça c’est la première cause, à mes yeux.
La seconde cause évidemment, c’est le… c’est le… l’immigration, le fait que les migrations dans nos sociétés sont importantes. Et lorsqu’on dit: «Mais, ça se produisait déjà au dix-neuvième siècle!». Non. Pas dans ces mêmes proportions. Vous me direz, il y a le cas des États-Unis, mais justement, il y a eu un populisme aux Etats-Unis à la fin du dix-neuvième siècle.
Et la troisième raison à mes yeux, mais je pense qu’il va falloir un peu revenir sur tout ça, la troisième raison c’est la crise. C’est la crise qui a accentué à la fois la réalité de la coupure entre les riches et les pauvres, mais a accentué encore d’avantage la perception de cette coupure.
___________________

Waar hebben wij het precies over, als we van populisme spreken? Aan welke trekken herken je een discours, een ideologie of een stemming als populistisch, Jacques Julliard?
Wel, dat is niet altijd makkelijk af te bakenen, want zoals veel termen van de politieke wetenschap, is het een wat vage term […], maar dit gezegd zijnde, wat is populisme? Volgens mij is het een …een doctrine is te veel gezegd, maar een gedachtegoed, een denkwijze die van het volk, ten eerste de bron maakt van de soevereiniteit. Tot vandaag is dit een feitelijk gegeven in onze samenleving, en is het niet te onderscheiden van de democratie zelf. Dat is trouwens de hele vraag: of populisme niet versmelt met een bepaalde betekenis van de term democratie?
Bron ten tweede –en dit gaat al wat verder– van elke legitimiteit en, ik voeg er nog aan toe, van elke wijsheid en elke onfeilbaarheid. Het volk als zodanig, een term die om een definitie vraagt, heeft altijd gelijk, terwijl de elites –want zodra je in een populistische optiek van volk spreekt, heb je onmiddellijk de neiging om de elites er tegenover te plaatsen– het volk dus, is wijs, het volk is in zekere zin onfeilbaar.
Nog een kleine toelichting bij de definitie die ik voorstelde: iedereen ziet dat zij zonder moeite aansluit bij het Contrat Social van Rousseau. Alles wat ik hier gezegd heb kun je tenslotte uit het Contrat Social halen.
Wat is dan het verschil tussen het populisme in enigszins brede zin, en de democratie zelf? Naar mijn oordeel is dat het besef van wat Recht is. In de democratie, zoals wij die opvatten, ligt de soevereiniteit bij het volk, in de betekenis die Rousseau er aan gaf, kortom, de brede volkswil zo u verkiest.
En ten tweede is er de rechtsopvatting zoals die naar voren komt bij Montesquieu, en bij vanzelfsprekend ook vele anderen. Terwijl in het populisme, het Recht verdwijnt. Op een bepaalde manier is het populisme: het volk minus de democratie, minus de gevestigde lichamen, waaronder het Recht, het Parlement etc., die het werk zijn, of effecten zijn van de democratie. Ziedaar hoe…
En zou u zeggen, Jacques Julliard, dat het populisme vandaag bijzonder aanwezig is?
Wel, er is geen twijfel dat het populisme opnieuw opgang maakt. Ik weet niet of wij hier meteen het debat ten gronde aangaan, maar ik zou desgevraagd daarop zeggen dat er drie redenen zijn die deze opgang van het populisme verklaren.
Aan de ene kant is er het wantrouwen ten opzichte van het vertegenwoordigend systeem. Dat is er al langer, maar ik meen dat het stijgend is. En hele reeks factoren tonen dit duidelijk aan. Het systeem van de vertegenwoordiging, zoals het in de negentiende eeuw is uitgevonden, berustte op drie pijlers: het Parlement, of juister gezegd, het algemeen kiesrecht, het Parlement en de partijen. Maar nu zien we dat deze drie instellingen een crisis doormaken. Dat is in mijn ogen de eerste oorzaak.
De tweede oorzaak is natuurlijk de, de …de immigratie, het feit dat de migratiestromen vandaag aanzienlijk zijn. En dan zegt men: “Maar, die kwamen al in de negentiende eeuw voor!”. Nee. Niet in diezelfde proporties. U zult me het geval van de Verenigde Staten tegenwerpen, maar precies in de Verenigde Staten was er aan het eind van de negentiende eeuw een populistische stroming.
En de derde reden in mijn ogen, maar ik denk dat we op dit alles nog moeten terugkomen, de derde reden is de crisis. Het is de crisis die tegelijk de realiteit van de kloof tussen arm en rijk heeft geaccentueerd, maar die op de gewaarwording van deze kloof nog sterker het accent heeft gelegd.
.

14 oktober 2010

Lezing van Oskar Freysinger, Brussel, 9 oktober


Staat u mij, bij wijze van inleiding, deze vaststelling toe: dat het in de EU, tegen het eind van het eerste decennium van de 21ste eeuw, een waagstuk is geworden om vragen op te werpen, en daarover te debatteren. Eerst hield het centrum Diamant in Schaarbeek voor mij de deur dicht, onder druk van burgemeester en politie op de zaalverhuurder, en dan was het Crowne Plaza hotel aan de beurt om mij een zaal te weigeren. Deze eigenaar had tenminste nog de beleefdheid, nadat hij de lezing eerst had toegezegd en vervolgens geweigerd, om ons, Marcel Castermans en mijzelf te ontmoeten, en zijn verlegenheid uit te drukken met het feit dat hij zijn toezegging niet kon inlossen. “Let wel,” liet hij ons tijdens dit onderhoud weten, “Crowne Plaza vormt hier geen uitzondering met zijn weigering. Op dit moment zult u in Brussel niet één hotel of zaal bereid vinden om u te ontvangen, zo sterk is de politieke druk. Ziet u, ik ben zakenman, en kan niet tegen het systeem ingaan.”
De directeur van het Crowne Plaza had meer gelijk dan hijzelf vermoedde, want vanochtend zelf nog heeft een derde zaaleigenaar zich teruggetrokken, terwijl ook hij eerst had toegezegd.
Hier zien we hoe het komt dat Europa op drift raakt: niet door de fanatici die het terrein bezetten, maar door de lafaards die hen laten begaan. Intussen ben ik wel blij met de ontknoping van deze kwestie, waardoor ik mij nu in een zaal van het Vlaams Parlement in het Frans kan uitdrukken. Een dankwoord aan Filip Dewinter die als enige vanmorgen zich heeft ingezet voor de vrije meningsuiting in deze stad Brussel, die onder de domper van een kliek van vrijheidverkrachters zit. Intolerantie en censuur zijn tegenwoordig het voorrecht van diegenen die de woorden “ruimdenkendheid” en “verdraagzaamheid” voortdurend op de lippen hebben.
En al proberen zij ons te muilkorven, paradoxaal genoeg voeren wij ook voor hún kinderen onze strijd voor de vrijheid. De komende drie kwartier zal ik alvast een poging doen om de argumenten samen te vatten, die ons in Zwitserland hebben bewogen om een krachtig signaal te geven aan de islam, door de bouw van minaretten te verbieden.

Is de islam een bedreiging? Zo ja, op welk vlak, en door welke aspecten ervan? Dat zijn dus de vragen die ik zal proberen te beantwoorden, zonder de minste vijandigheid ten opzichte van de individuele moslims, want vaak zijn zij de eerste slachtoffers van het onverbiddelijke dogma dat hen slechts in zeer beperkte mate toelaat om een zelfgekozen leven te leiden.

1. Alle religies op voet van gelijkheid

Bij het begin van deze overdenking dienen wij ons af te vragen op welke manier om het even welke Rechtsstaat intern de religieuze vrede vrijwaart. Hij slaagt daar slechts in door middel van een eeuwenoud regime van wettelijkheid, dat zich boven de religieuze dogma’s stelt en dezelfde behandeling waarborgt aan alle geloofsovertuigingen. Om de bescherming doelmatig te laten zijn, en te zorgen dat zij aan allen gelijkelijk wordt verleend, dient de beschermende instantie boven de beschermde te staan.
Een religieus geloof is fundamenteel onbewijsbaar en ontsnapt zodoende aan elke verificatie. Voor een wetgever die een gelijke behandeling wil waarborgen aan alle religies, betekent dit dat geloof X en geloof Y noodzakelijkerwijs op gelijke hoogte staan, en dat het de mensen vrijstaat om een geloof te kiezen, en dus ook om van de ene religie op de andere over te gaan.
Godsdienstvrijheid is trouwens het oudste fundamentele recht in gelijk welke moderne constitutionele Staat. Zodra echter geloofsovertuigingen verpolitiekt raken, dreigt de politiek dogmatisch te worden. De godsdienst beïnvloedt de politiek dan in zulke mate dat deze laatste alle andere religieuze overtuigingen tenslotte verbiedt, isoleert of verdrukt (zie Iran, Afghanistan etc.), en daarbij een dogma oplegt (dat onveranderlijk en onbewijsbaar is). Staat u mij toe dat ik enkele stichtelijke gevallen aanhaal, in verband met de wet op de godslastering, die enige tijd geleden werd ingevoerd in Pakistan, dat zich nochtans als een democratie voordoet:
– De familie van een zesentwintigjarige vrouw van de Punjab, moeder van drie kinderen, beschuldigd en gevangen gezet op valse aantijgingen van blasfemie, overweegt nu wanhopig om een regeling te treffen met de aanklagers: intrekking van de klacht, en dus de vrijheid, in ruil voor bekering tot de islam. In maart 2010 werd Rubina beschuldigd door een muzelmaanse winkelierster, als gevolg van een twist over een voedingsproduct. De zittingen van de rechtbank verliepen onder sterke druk van de extremistische islamitische groeperingen. Om tot een buitengerechtelijk akkoord te komen, werd er aan de familie van Rubina gezegd dat de beschuldigingen zouden worden ingetrokken, in geval van bekering tot de islam.
– In februari 2010 werd Qamar David, een christen uit Lahore, in 2006 gevangengezet, tot levenslang veroordeeld wegens godslastering. Al drie jaar zijn zijn familie en zijn advocaat het voorwerp van bedreigingen en intimidatie. “De veroordeling is gebaseerd, enkel op verklaringen en getuigenissen die artificieel tot stand zijn gebracht, als vrucht van haat en vooroordelen”, laat de advocaat Parvez Choudry weten.
– In januari 2010 werd Imran Masih, 26 jaar, van Faisalabad, veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, voor godslastering. Een buur heeft hem beschuldigd van het verbranden van een koran. De jongeman was in de val gelokt: bij het opruimen van zijn winkel wilde hij zich inderdaad ontdoen van enkele boeken die in Arabisch schrift gesteld waren (taal die hij niet begrijpt). Hij had de raad ingewonnen van een buur die hem eerst toestemming gaf om dat te doen, en hem vervolgens beschuldigde van godslastering.
– Begin juli 2010 werd Zahid Masih van Model Town, niet ver van Lahore, gedwongen de vlucht te nemen en onder te duiken met zijn familie, nadat hij van godslastering was beschuldigd door de moslim Manat Ali, die een menigte fundamentalisten ophitste in een poging hem te laten lynchen. Zahid wordt er van beschuldigd een paneel met daarop enkele koranverzen te hebben gebruikt om een badkamer te bekleden.
Als wij deze feiten onder ogen nemen, dan is het probleem dat de islam stelt aan westerse democratieën niet in de eerste plaats theologisch van aard, maar vooral politiek en juridisch.

2. Tegengestelde rechtsopvattingen

In Zwitserland, zoals in elke democratie die naam waardig, is er voor elke wet een democratische legitimatie. Dit houdt in dat onze wetten gewijzigd kunnen worden, in tegenstelling tot het religieuze islamitische recht dat onomkeerbaar en autonoom is, want het geldt van goddelijke oorsprong te zijn; het is eens en voor altijd gegeven, en hoeft geen rekenschap te geven aan wie dan ook. De sharia berust op de koran, die aan de profeet Mohammed is gegeven terwijl die in een staat van mystieke extase verkeerde. De koran bestond als ongeschapen wet in het paradijs al, en door de tussenkomst van Mohammed is die ter beschikking van de mensen gekomen. De sharia gaat terug op nog een andere oorsprong, de hadiths, die door hun status als bron op hetzelfde niveau staan als de koran, en die inlichtingen verschaffen over het leven van de profeet en de handelingen die hij stelde. Er bestaan desbetreffend, al naargelang de koranscholen, verschillende opvattingen. Sommige hadiths worden door de enen wel, door anderen niet geaccepteerd. De religieuze teksten vertonen een grote interne verscheidenheid die tot sterk uiteenlopende interpretaties en praktijken leidt. Tot slot worden de contradicties binnen de koran zelf, en de domeinen die hij niet bestrijkt, vaststaand geïnterpreteerd door de ijmā , die een consensus naar voren brengt van zelfverklaarde juristen (de ulema), en die fatwa’s formuleert (juridische arresten).
Het probleem zit hem hier dat de alim (meervoud: ulema) doorgaat voor iemand die “weet”, die bijgevolg wetenschappelijke kennis bezit, terwijl het om vragen van geloof gaat. Zo wordt het begrijpelijk dat in de islam het geloof doorgaat voor kennis, en als een wetenschappelijk verifieerbaar domein van kennis. Deze opvatting is slecht te verenigen met onze idee over geloof, en zij brengt extreem kwalijke gevolgen mee voor het dagelijks leven.
In tegenstelling met de inwoners van de 57 lidstaten van de Organisatie der Islamitische Conferentie, kan het Zwitserse volk, dankzij onze rechtsopvatting, in ruime mate deelnemen aan de politieke besluitvorming, door middel van de instrumenten van de directe democratie. Het volk zou bijvoorbeeld in staat zijn om de verwijzing naar de Almachtige in de Federale Grondwet te schrappen. Geen enkel volk van de islamitische staten daarentegen, heeft het recht om de sharia ter discussie te stellen, die in die landen gelijkstaat met onwrikbaar wetenschappelijk inzicht, ongeveer zoals wijzelf, Zwitsers, voor een feit aannemen dat de aarde rond is, en rond de zon draait.
De tijd dat de kerk pogingen ondernam om zulke directe kennis te verbieden is voorbij; Galileo belichaamt om zo te zeggen de aanvang van de emancipatie van de moderne wetenschap ten overstaan van de religie. Het Turkse Constitutioneel Hof stelde in een arrest, dat door het Europees Hof voor de Mensenrechten werd bevestigd, dat de sharia de antithese is van de democratie, en dat zij de Staat zijn rol als bewaarder van de individuele vrijheden en rechten wilde ontzeggen. In dit verband is de volgende uitspraak van Dalil Boubakeur, oud-voorzitter van de Franse Raad van de islamgemeenschap, opmerkenswaard: “De islam is tegelijk religie, gemeenschap, wet en beschaving.” De Organisatie van de Conferentie der Islamitische Staten –die zoals gezegd 57 staten omvat– deed een soortgelijke vaststelling: “De islam is religie, Staat en complete levensregel”.
In overeenstemming met dit principe accepteert de Organisatie van de Conferentie der Islamitische Staten de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens slechts in zoverre deze niet in tegenspraak is met de sharia.
Het is precies deze neiging van de islam om zowel het privéleven als de publieke organisatie in een samenleving te beheersen, zijn omvattende invloed dus op de manier van leven van de mensen, die de islam onderscheidt van de andere religies. Het boeddhisme, judaïsme, hindoeïsme etc. beleven religie in de eerste plaats als een individuele mening over het leven, zonder een merkbaar politiek-juridisch bestanddeel. Zij respecteren de politiek, het recht, maar ook de wetenschap en de kunst als autonome “systemen”, terwijl schrijvers of tekenaars die kritiek op de islam leveren zich aan gewelddadige reacties mogen verwachten van de kant van de bewakers van de islamitische religie. We mogen in dit verband de terdoodveroordeling van Salman Rushdie in herinnering brengen, het werk van ayatollah Khomeiny in 1989, of nog de vernieling van Deense eigendommen in de islamitische staten, na de publicatie van de mohammedcartoons in 2006. Kurt Westergaard, een van de tekenaars, leeft trouwens nog steeds met de bedreiging van een fatwa. Na drie keer aan een aanslag ontsnapt te zijn, wisselt hij vaak van stad en land, komt nooit buiten zonder gewapende escorte, en heeft hij zijn huis tot een fort omgebouwd. Vijf jaren duurt die hel nu al. Ruim voldoende om andere adepten van de “misplaatste humor” te ontmoedigen.

3. Historische wortels van de islamitische rechtsopvatting

De islamitische religieuze teksten zijn niet enkel van ethische of morele aard, maar zij beogen ook de Staatsvorm te beïnvloeden. De koran werd samengesteld en geschreven na het jaar 800, toen de islamitische veroveringen tot in Spanje reikten. de invoering van een geheel van juridische regels met normatief karakter. De invoering van een geheel van juridische regels met normatief karakter was een vereiste om organisatie te brengen onder de veroverende stammen en clans, die zichzelf in die tijd niet als muzelmannen betitelden, maar als Saracenen.
In tegen,stelling met wat men gewoonlijk denkt, zijn moskeeën niet te vergelijken met onze kerken; ze lijken veeleer op kantoren van de burgerlijke staat, want het gaat er meestal over juridische geschillen en burgerlijk recht.
De bevoorrechte relatie tussen de muzelman en Allah passeert via de sharia, de islamitische regel. In de islam is de moraal gebaseerd op de wet, terwijl in onze opvatting de wet gebaseerd is op de moraal.
Een voorbeeld om dit te illustreren: bij ons bestaat er een moreel principe dat zegt dat doodslag een kwaad is; daarbij moet de wet, die uit dit principe volgt, in aanmerking nemen dat in het geval van zelfverdediging het kan voorkomen dat iemand een ander doodt, zonder dat hij naderhand daarvoor gestraft wordt. Doodslag blijft een kwaad, maar de wetgever erkent in bepaalde noodgevallen een wettige grond. Heel anders gaat dat in de islam. De sharia schrijft juist heel nauwkeurig voor wanneer, en in welke omstandigheden, en hoe bepaalde personen mogen gedood worden of niet. De moraal vereist eenvoudig dat deze catalogus gerespecteerd wordt; omgekeerd is het immoreel om deze catalogus niet te respecteren. Moraal wordt afgeleid uit de wettelijk norm, komt pas na de wet, hetgeen overigens logisch is binnen het islamitische stelsel, want de wet is goddelijk en ongeschapen en geldt bijgevolg eens en voor altijd.
Als een muzelman de koran reciteert, dan reciteert hij een tekst die in zekere zin dicht bij onze Code Civil staat; het verschil is dat de wetten van de islam van goddelijke oorsprong zijn en door dat enkele feit onveranderlijk.
Het hoeft dus niet te verbazen dat een muzelman die aan zijn geloof verzaakt zich blootstelt aan de doodstraf, en dat 94 procent van de zonden die de koran bestraft met verblijf in de hel te maken hebben met twijfel aan, of kritiek op Mohammed en de islam.
Alleen op zich al, geven deze tegenstrijdige opvattingen over de oorsprong van de het recht aan, hoe moeilijk de twee uitgangspunten verenigbaar zijn, en hoe zo goed als onmogelijk in de praktijk realiseerbaar.

4. Territorialiteitsproblemen

Als de problematische compatibiliteit van de islamitische cultuur en die van het Westen niet van religieuze, maar van juridische aard is, dan is dat omdat de sharia voorafgaat aan de vorming van de Staat, en als het ware de sokkel is waarop de Staat wordt opgericht (de islamitische nomocratie, de voorrang van de wet).
De islam kent drie soorten grondgebied: in het Dar al Islam (huis van de vrede) heeft de islam getriomfeerd, en heerst hij zonder tegenspraak; in het Dar al Harb (huis van de oorlog) zijn de ongelovigen aan de macht; en in het Dar al Suhl (wat te vertalen is als het huis van het wapenbestand), is de islam nog in de minderheid en moet hij zich dus flexibel opstellen, maar het is de plicht van elke muzelman die daar leeft om alles in het werk te stellen om zijn religie daar op een dag te laten triomferen.
In deze gedachtegang worden minaretten, gescheiden begraafplaatsen, koranscholen ook en moskeeën, kleine extraterritoriale gebiedjes op onrein terrein, kleine bruggenhoofden van de islam, op het grondgebied waarvan, zelfs al gebeurt dat op kleine schaal, enkel de islamitische wet van toepassing is.
In het Dar al Islam, het heilige land waar de islam gevestigd is, kan er geen wet concurrerend met de sharia –ons strafrecht of burgerlijk recht bijvoorbeeld – toegelaten worden.
Dit “heilig land” van de islam omvat in Europa vele stadskwartieren in Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland. De muzelmannen zijn er de meerderheid; zij hebben hun begraafplaatsen, hun moskeeën, hun koranscholen. Deze plekken liggen verspreid over heel het Westen, en groeien in oppervlakte en bevolking. Minaretten staan hoogstens symbool voor deze penetratiegraad, ongeveer zoals de vlaggetjes die generaals op hun stafkaarten prikken, om aan te geven hoever hun troepen zijn opgerukt.
Het woord minaret komt van “al manar”, vuurtoren. Maar deze “vuurtorens van de jihad”, of “bajonetten van de islam”, om de woorden van de Turkse eerste minister Erdoğan te hernemen, beantwoorden niet aan enig koranisch voorschrift, en spelen in het religieuze ritueel van de islam geen rol. De muezzin is pas later uitgevonden, maar zijn aanwezigheid wordt vaak verantwoord door een betwistbare parallel met de klokken van de christelijke kerken. In werkelijkheid is de minaret voor alles een symbool voor de totale onderwerping aan een doctrine, en aan de daaruit volgende onverdraagzaamheid – zelfs al is deze laatste voorwerp van controverse tussen de verschillende strekkingen in de islam.
Als wij op het Zwitserse grondgebied de bouw van minaretten toestaan, dan zullen de conflicten die in de Oriënt plaatshebben, bijvoorbeeld tussen muzelmaanse ottomanen en alevieten, zich bij ons voortzetten.
In plaats van de wederzijdse verdraagzaamheid en de religieuze vrede aan te moedigen, wakkeren wij conflicten aan in de grote doctrinaire verscheidenheid van de islam. Inderdaad zijn voor de alevieten en de geseculariseerde moslims minaretten een belediging, en het teken dat een bepaalde interpretatie van de islam probeert zich door te zetten als enige representant van deze religie in Zwitserland. Onder radicale islamieten geldt algemeen de opvatting dat alle gebieden, waar ook ter wereld, die ooit islamitisch waren, dat opnieuw worden. Het middel daartoe is de jihad, die in 97% van de gevallen waar de term voorkomt in de koran, “heilige oorlog tegen de ongelovigen” betekent, en in slechts 3% van de gevallen moet dat woord begrepen worden als “innerlijke strijd”, “geestelijke loutering” of “zoektocht”.
Elke plek van waaraf een minaret zichtbaar is, en elke streek die men van op een minaret kan zien, moeten islamitisch worden. Deze aanspraak in acht genomen wordt het begrijpelijk dat zulk bouwsel, door de Europeanen vaak onderschat, een veel belangrijkere rol speelt dan gemeenlijk wordt aangenomen.
In Poitiers is men nu een minaret van 21 meter aan het bouwen, de stad waar Karel Martel in 732 de Saracenen op de vlucht dreef. Er worden luidsprekers geïnstalleerd. Maar aan de bevolking heeft men beloofd dat ze stom zullen blijven. Waar worden ze dan voor geïnstalleerd? Feit is dat op vele plekken waar men de bouw van een minaret heeft toegestaan, de stem van de muezzin nu meermaals dagelijks weerklinkt. Dat is het geval bijvoorbeeld in Granada, in Bosnië, in Oxford, in Londen, in Nieuw-Delhi, en zelfs in Lhassa, de hoofdstad van Tibet.
Hiertegen groeien ook elders weerstanden, en dat is goed te begrijpen: het doel van deze beweging is het installeren van de islamitische orde in de hele wereld, en de minaretten zijn enkel het zichtbare –en vaak luidruchtige– gedeelte van deze penetratie.
De Islamitische Raad van Groot-Brittannië sprak zich duidelijk uit in maart 2008: “De oproep tot het gebed moet een wezenlijk deel worden van het leven in Groot-Brittannië en Europa.” Welnu, deze oproep herhaalt vijfmaal dagelijks volgend beginsel: “Allah is de grootste. Ik getuig dat er geen god is buiten Allah. Ik getuig dat Mohammed de boodschapper is van Allah. Kom naar het gebed. Treed toe tot de vreugde. Allah is de grootste. Er is geen waarachtiger god dan Allah.”
Naast deze geloofsbelijdenis klinken de klokken van onze kerken opmerkelijk neutraal – temeer omdat zij hoofdzakelijk dienen om het uur aan te geven.

5. Godsdienstbeoefening is geen absoluut recht

De vrije uitoefening van godsdienstige praktijken –rituele slachting bijvoorbeeld– wordt in het nationale en internationale recht slechts toegestaan binnen de grenzen van de wet. Restricties zijn perfect mogelijk. Artikel 9 alinea 2 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens, artikel 29 alinea 2 van het Charter van de Mensenrechten van de VN, zoals ook artikel 36 van de Federale Grondwet laten een inperking van de godsdienstvrijheid toe, als deze inperking het algemeen belang dient, en als gezien de omstandigheden de inperking passend is.
Het is om die reden dat Senaat en Kamer zich genoopt zagen ermee in te stemmen dat het volksinitiatief tegen de minaretten niet inging tegen de wet, en bijgevolg aan het volk diende te worden voorgelegd. Wat we nu echter zien is dat de regering zich weinig gelegen laat aan de klaar uitgedrukte wil van het volk in de stemming die daarop gevolgd is, want zij heeft niet de intentie zich te verzetten tegen de bouw van een minaret in Langenthal, met als valse voorwendsel dat de bouwaanvraag al ingediend werd voor 29 november 2009. Nochtans had de minister van justitie op de avond van het referendum bij hoog en laag bevestigd dat de volkswil zou gerespecteerd worden, en dat er geen enkele minaret in Zwitserland nog zou gebouwd worden. Nog erger: in zijn antwoord van 15 september, aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, permitteert de minister zich, in een totaal misprijzen voor het begrip soevereiniteit, en met veronachtzaming van de volkswil zoals uitgedrukt in een algemene raadpleging, permitteert hij het zich te bevestigen dat “de recente jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof voorbeelden kent waar een internationaal verdrag (en een federale wet) voorrang krijgt boven een bepaling in de Grondwet.”
En iets verder voegt hij nog toe: “Deze jurisprudentie zou kunnen toegepast worden op de relatie tussen internationale normen en grondwettelijke, temeer daar artikel 190 van de Grondwet geen gewag maakt van de Grondwet zelf als zijnde relevant recht.” Op die manier wijkt de directe democratie en het algemeen stemrecht voor een “democratie van de rechters”, die op een veel kleinere democratische legitimatie kan bogen, want zij zijn gecoöpteerd door het bestaand systeem. Door zo te werk te gaan slaagt het systeem erin om het volk te muilkorven, en de democratie voor antidemocratisch te verklaren, en de politieke besluitvorming als illegaal, overal waar deze ingaat tegen de rechte leer van de globalisering.

6.Dhimmitude en integratie

Als in de VS de staat Michigan niet langer vereist dat gesluierde vrouwen bij de controle van personen hun hoofd ontbloten, dan creëert hij op zijn eigen grondgebied een concurrerende juridische situatie. In naam van een postmodern, wettelijk en tolerant pluralisme, wordt het wettelijk regime op dat grondgebied geleidelijk aangelengd. Hetzelfde, als men in een lyceum van de Oise, aan de adolescenten toestaat dat zij integraal gesluierd hun eindexamen afleggen (Le Figaro, 19 juni 2010). De beroepscommissie inzake asielkwesties heeft beslist dat “het Zwitserse recht zich niet mocht veroorloven zich boven een buitenlands recht verheven te voelen”; als gevolg van deze bevestiging, heeft zij een huwelijk toegestaan met een minderjarige, in afwezigheid van de man.
Een bijzonder treffend voorbeeld van dit juridisch pluralisme: in Duitsland heeft een rechter geweigerd een echtscheiding uit te spreken “want de echtgenote lijfelijk straffen is in de islam toegestaan”.
Deze voorbeelden tonen aan dat de westerse democratieën vandaag bereid zijn om op hun eigen grondgebied een afwijkend en concurrerend rechtssysteem toe te laten, ten koste van hun eigen stelsel. Ons zelfrespect, en voorzichtigheid zouden ons er nochtans moeten toe aanzetten om te beletten dat op ons grondgebied een rechtstelsel uitbreiding neemt, dat in tegenspraak is met de Zwitserse wet, en dat berust op een totaal andere interpretatie van de mensenrechten. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft vastgesteld, is de sharia onverenigbaar met onze opvattingen over recht, meer bepaald op het gebied van het huwelijksrecht, de mensenrechten, of nog het strafrecht.
Accepteren dat moslimonderwijzeressen de sluier dragen, of gescheiden zwemlessen voor moslimkinderen aanvaarden, zijn voorbeelden van toegevingen die door de tolerantie voor vreemde culturen gerechtvaardigd worden, en ze lijken ook weinig belangrijk, terwijl in werkelijkheid, vanuit juridisch oogpunt, zij de doos van Pandora openmaken. Deze ogenschijnlijk bescheiden aanpassingen van wetten en regels hebben tot doel om in Zwitserland een parallel rechtstelsel te doen erkennen, dat aan het onze compleet vreemd is.
Waar het bijvoorbeeld gaat om gearrangeerde huwelijken met minderjarigen, laat men toe dat fundamentele rechten (het recht te huwen), geschonden worden in naam van andere mensenrechten (de godsdienstvrijheid als groepsrecht). Maar een samenleving waar het inmiddels de bon ton is om dhimmitude te betonen –deze profylactische dienstbaarheid die geacht wordt de bliksems van Allah van onze koppen af te wenden– laat zich niet in met beschouwingen over de draagwijdte van de toegevingen die aan de islam worden gedaan.
Zagen we niet M. Delanoë, burgemeester van Parijs, de moslims feliciteren met de ramadan, en minister Hugues Hiltpold hetzelfde doen in Genève? Nooit hebben we deze mensen de christenen horen feliciteren met de Vasten? En nooit zullen we hen felicitaties zien geven aan de deelnemers van een groot straataperitief met wijn en worst! Deze dhimmitude (onderwering aan de islamitische vereisten, door “ongelovigen”) is evenwel niet enkel aan de Europese landen voorbehouden. Als ik dan verneem (Le Temps de Genève, van 28 mei 2010) dat Marokko vreemde christenen versneld van zijn grondgebied verdrijft, dan moet ik wel denken dat deze manoeuvres vanwege de koning een toegeving zijn aan de islamisten wier invloed groeiend is. Met zulke toegevingen riskeert hij, zoveel Marokkaan en koning als hij is, aan het eind een kalifaat in de plaats van een natiestaat aan te treffen. Het is niet door zich voor te doen als nog islamistischer dan de islamisten, dat het hem zal lukken om hun voortgang af te remmen, want gods gekken laten zich weinig gelegen aan reputaties, verblind als zij zijn door de vereisten van hun leer.

7. Culturele getto’s, individualistische samenleving en clansysteem

Dit parallelle voorkomen van twee verschillende rechtssystemen op het grondgebied van eenzelfde staat is bijzonder gevaarlijk, door het toenemende isolement van bepaalde etno-religieuze groepen in getto’s. Al sinds de eeuw van de Verlichting, wordt onze samenleving opgebouwd volgens beginsel van het individualisme; zij is er dus niet klaar voor, om groepen te ontvangen en te integreren die als quasi-ontoegankelijk collectief functioneren. Individualisme begunstigt de vrije opinievorming, en daardoor ook de vernieuwende kracht die karakteristiek is voor de westerse gemeenschappen. Parallel wordt het nepotisme afgeremd, omdat het clansysteem verzwakt wordt. Omdat het individualisme de persoon uit de greep van zijn clan haalt, laat het aan elke persoon toe om toenadering te zoeken tot een andere, die hem daarvoor nog vreemd was. Het eindresultaat is dat het algemeen belang, het welzijn van alle burgers dus, voorrang krijgt op particuliere clanbelangen. Maar zulk systeem werkt enkel in een min of meer homogene samenleving, met leden die de algemene regels kennen en respecteren. Wat meer is, de Staat moet ook bereid zijn deze regels op te leggen.
Probleem is, dat het merendeel van de buiten-Europese staten functioneert op een manier die van deze uitgangspunten totaal verschilt; de clan- en familiebelangen gaan voor op het algemeen belang, dat hoogstens een abstract begrip blijft in dergelijk kader. Naarmate het aantal immigranten afkomstig uit staten met een uitgesproken clansysteem groter is, des te meer kent onze maatschappij problemen.
Zo gezien is het ontstellend dat men toelaat, onder het voorwendsel van “familiehereniging” –een concept dat steunt op de Europese kernfamilie–, dat niet enkel de echtgenote en kinderen, maar ook broers, zussen, grootouders en neven de EU-ruimte binnenkomen. Het grootste probleem van de Europese staten komt voort uit het feit dat de ongecontroleerde immigratie, en de verzwakking of zelfs opheffing van de buitengrenzen, voor gevolg hebben dat er talrijke, en soms onzichtbare binnengrenzen ontstaan.
Als wij weigeren om op deze problemen geschikt te reageren, als wij er een taboe van maken om ze niet te hoeven aanpakken, dan riskeert het gebied van de EU, met zijn belofte van grote vrijheid, een gebied te worden van groepen die met elkaar in conflict leven.
Zwitserland ontkomt niet aan deze evolutie, want de gecumuleerde gevolgen van Schengen/Dublin, het vrij verkeer van personen en de toevloed van asielzoekers laten ons land nauwelijks nog toe om strenge regels aan het grensverkeer op te leggen. Dit heeft voor gevolg dat er handelwijzen worden geïmporteerd die slecht assimileerbaar zijn, en beschermd worden door clans die zich gehergroepeerd hebben.
Zo komt het dat zowat overal in Europa de polygamie weer opduikt. Ik breng hier het emblematische geval van Lies Hebbadi in herinnering, voorpaginanieuws de 23ste april 2010, omdat hij publiekelijk protesteerde tegen het proces-verbaal dat aan een van zijn gezellinnen te beurt was gevallen, die achter het stuur een niqab droeg. Op 9 juni werd hij aangehouden op verdenking van sociale fraude –een toestand van “feitelijke polygamie” die hem toeliet om ten onrechte van uitkeringen te genieten–, oplichting en zwartwerk. Hij is sedertdien opnieuw aangehouden voor verkrachtingen met verzwarende omstandigheden. Wordt vervolgd.
Ook in de ziekenhuizen doen de integristische buitenissigheden hun intrede: de man die weigert om zijn vrouw te laten verzorgen door een mannelijke arts, weigering van behandelingen etc. Dit levert absurde situaties op. In “Libération” van 7 juli 2010 vertelt Isabelle Lévy het geval van een patiënte die tijdens haar zwangerschap nooit onderzocht was, en die zich aanmeldde bij de spoeddienst, want zij had contracties. Zij weigerde onderzocht te worden door een mannelijke arts, en is met haar contracties weer vertrokken. Plots hoorde het personeel kreten. De vrouw in kwestie was aan het bevallen op het grasperk. De verpleegster zei haar: “U wilde niet onderzocht worden door een man, maar nu bent u bevallen in het zicht van misschien honderd man!”
Maar het rijtje stopt daar niet. Soms neemt de sociale en culturele onverenigbaarheid heel wat dramatischere vormen aan.
Wat te zeggen van het dramatische geval van de zestienjarige Swera, een Zwitserse van Pakistaanse origine die net als haar klasgenootjes het Schwyzerdütsch sprak, en die door haar vader werd gedood omdat zij een pakje sigaretten had gestolen, wat naar het oordeel van de vader, getrouw aan zijn religieuze overtuigingen, in bloed moest worden uitgewist?
Kind van zijn eigen bloed? Voor de eer, om de schande weg te vegen. Maar achter dit verschrikkelijke fait-divers, hoeveel meisjes worden er niet gemuilkorfd, bevoogd, geslagen? In clanmilieus is de heersende omerta totaal. Haar doorbreken is dodelijk. Uitgaand van deze vaststellingen wil ik mijn exposé besluiten met volgende aanbevelingen:

1. Onze rechtsstaat heeft de plicht om van de immigranten volledig respect te eisen voor ons wettelijk regime, en dient elke toegeving –hoe bescheiden deze ook mag lijken– uit de weg te gaan, die een aanmoediging zou kunnen zijn, hoe vaag ook, om parallelle rechtssystemen op poten te zetten. Door toe te geven aan de segregatie van groepen, in het bijzonder van de islamitische populatie, door de kunstgreep van uitzonderingsrechten, zoals gescheiden begraafplaatsen, algemene vrijstelling van zwemlessen, gedwongen huwelijken, verhinderen wij deze groepen om dichter bij ons cultureel patrimonium te komen, met als resultaat dat de veelgeprezen integratie enkel nog een schertsoefening is.
2. Zelfs als wij aan de vrijheid van vestiging dreigen te raken, moeten wij beletten dat er zich etnische getto’s vormen, dat er parallelle werelden groeien die onverschillig staan tegenover elkaar. Naast elkaar leven in etnische groepen heeft met integratie geen uitstaans.
3. Wij moeten beletten dat religieuze chefs bepaalde etnische groepen op sleeptouw nemen, door deze extremistische menners strenger aan te pakken.
4. Wij moeten pogen om de instroom van immigranten in te dijken, zodat wij immigranten in kleinere aantallen, maar beter kunnen opvangen, met het oog op integratie. Tenslotte moeten wij hopen dat in de komende jaren de islam zich van binnenuit hervormt, en dat hij ook een soort eeuw van Verlichting meemaakt die aan het fanatieke islamisme een eind stelt.
Zolang dat niet het geval is, hebben wij de plicht om onze eigen staat te beschermen tegen elke vorm van subversie. Het is onaanvaardbaar dat de liberale beginselen van onze Staat gebruikt zouden worden als instrumenten van zijn desintegratie, en op de duur zijn vernietiging.

Het gaat tenslotte ook om de vrijheid en de veiligheid van de moslims zelf, vooral van hen die zich bij ons echt wensen te integreren. Ik veroorloof mij in dit verband het droeve lot van de imam van Drancy, Hassan Chalgoumi, in herinnering te brengen, die zich publiek had uitgesproken voor een verbod in heel Frankrijk, van de alles bedekkende sluier. Sinds die dag worden alle gebedsdiensten die hij leidt verstoord. De 43 geestelijken die hij in 2009 bij elkaar had gebracht in de “Conferentie van Franse Imams”, om “de dubbele missie van de imams, cultureel zowel als republikeins” te bevorderen, laten een na een verstek gaan. Chalgoumi raakt inmiddels meer en meer geïsoleerd, en leeft onder politiebescherming, bedreigd als hij wordt voor die paar woorden gericht tegen het integrisme en antisemitisme. Op christelijk grondgebied vechten tegen de uitwassen van de islam, is misschien wel in de eerste plaats: de moslims beschermen tegen hun eigen “broeders”.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html