10 februari 2010

Lang leve de filosoof Jean-Baptiste Botul

.
Het is deplorabel maar waar. Wie meent dat er in de filosofie nooit eens gelachen kan worden heeft gelijk. En die eindeloze ernst en droefgeestigheid van filosofen gaat een mens op de duur tegenstaan.
Uitzonderingen op de regel zijn er altijd, zo leert ons de filosofie, en dus bestaan er ook grappige filosofen. Schopenhauer is een goed voorbeeld, maar Augustinus in zijn tijd kon ook geestig uit de hoek komen. En Baltasar Gracián niet te vergeten, al vermaande deze jezuïet juist diegenen die voortdurend geestigheden willen verkopen. Dan word je aan het eind niet meer ernstig genomen, waarschuwde hij. Er zijn nog voorbeelden te noemen, maar in het algemeen gesproken vormen filosofen toch een trieste, zeurderige bende, zelfs als ze het over hun zogenaamd vrolijke wetenschap hebben.

Dan is het avontuur dat de filosoof Bernard-Henri Lévy deze week overkwam een welkome afwisseling. Weliswaar gaat het bij Bernard-Henri niet om een geestigheid die hijzelf zo bedoeld had (waartegen Gracián immers waarschuwt), maar helaas om een onbedoelde beestigheid, een pure bêtise.
Zeker, de lezers hier weten dat BHL strikt genomen geen filosoof is, maar in de wereld rondom ons zijn er nog velen die denken van wel. Yves Desmet bijvoorbeeld loopt hoog op met de man, en als hij iets van hem hoort dan herhaalt hij dat ook, ook al werd er dertig jaar geleden al ernstig gewaarschuwd voor die jongen. Vidal-Naquet schreef in 1979 dat hij in hem niet meer zag dan “un médiocre candidat au baccalauréat”. Hij staafde dat met enkele afgrijselijke, beschamende, bloedstollende blunders van BHL, feiten die de man niet kent, zaken die hij verdraait. Maar misschien werd Vidal-Naquet niet op alle redacties goed gelezen.

Nu heeft deze BHL zonet weer een boekje gepubliceerd, en onvervaard neemt hij daarin niets minder dan de Aufklärung zelf op de korrel, meer bepaald dus Immanuel Kant.
Ik heb zijn boekje niet gelezen, het is er pas morgen, en ik weet bijgevolg niet of hij ook de modeterm “verlichtingsfundamentalisme” bezigt, maar aangezien BHL eerder al partij koos voor de UCK van de moslims in Kosovo, en luidkeels Amerikaanse bombardementen op Belgrado afriep en goedkeurde (met even later applaus van Desmet vanzelfsprekend), zou de term althans van enige suite dans les idées getuigen.

In een boekje dat ik wél gelezen heb, lang geleden, en dat Pieter Bas heet, vertelt Godfried Bomans dat onder Leidse studenten het nog eens voorkwam dat laat op de avond in de sociëteit iemand uitriep: “Kant kletst!”, en dan veel bijval oogstte.
Iets dergelijks heeft nu BHL in Parijs ondernomen, maar helaas voor hem en voor zijn bewonderaars liet Bernard-Henri het niet bij een zatte kreet in een café.

Ter staving van zijn aanval op Kant zoekt BHL overigens steun bij een andere filosoof (op zich een eerbare en aanbevelenswaardige wetenschappelijke procedure), namelijk bij de relatief onbekende Jean-Baptiste Botul (1896-1947), auteur van o.m. La vie sexuelle d'Emmanuel Kant (conférences «retrouvées» par Frédéric Pagès), vertaald als Das sexuelle Leben des Immanuel Kant, een Reclam-boekje. Van deze auteur verschenen nog meer werken, zoals Landru, précurseur du féminisme: Correspondance inédite, 1919-1922, en Métaphysique du mou, waarin Botul de aard van het begrip “malsheid”, of “weekheid” ontrafelt:
En 1938 Botul crée et explore le concept de mouïté. Il en tire des idées étonnantes, qui bouleversent la phénoménologie ambiante, sur l’Être, le néant, la charcuterie, le fromage, les seins des femmes, le transport des valises et les années trente.
In 1938 creëert en exploreert Botul het concept weekheid. Hij komt tot verbluffende ideeën, die de doordeweekse fenomenologie overhoophalen, betreffende het Zijn, het niet-zijn, de charcuterie, de kaas, de borsten der vrouwen, het transporteren van valiezen en de jaren dertig.

Dat alles moet voor BHL zeer overtuigend geklonken hebben, en blakend van zelfvertrouwen schrijft hij over Kant:

Ou bien encore Kant, le prétendu sage de Königsberg, le philosophe sans vie et sans corps par excellence, dont Jean-Baptiste Botul a montré, au lendemain de la Seconde Guerre mondiale, dans sa série de conférences aux néo-kantiens du Paraguay que leur héros était un faux abstrait, un pur esprit de pure apparence - et cela à deux titres au moins: le concept de monde nouménal où s’entend l’écho d’une jeunesse spirite, vécue parmi les ombres et les limbes, dans un royaume d’êtres énigmatiques et accessibles par la seule télépathie; l’idée, ensuite, des catégories de l’entendement, la manie du transcendantal, l’obsession de catégories rigides fonctionnant comme un corset et qui semblent parfois là pour contenir une folie souterraine, donner forme au flux chaotique des sensations, faire barrage à la confusion mentale dont les biographes savent, aujourd’hui, qu’elle le menaçait plus qu’aucun autre - Kant, ce fou furieux de la pensée, cet enragé du concept, dont toute la Critique de la raison pure pourrait se lire, dans ce cas, comme le récit d’un drame intime, une autobiographie secrète et cryptée…Pourquoi est-ce que je dis tout cela ?...

Of nog Kant, de zogenaamde wijze van Königsberg, bij uitstek de filosoof zonder lijf en zonder leven, van wie Jean-Baptiste Botul heeft aangetoond, vlak na de Tweede Wereldoorlog, in zijn reeks voordrachten voor de neo-Kantianen van Paraguay, dat hun held een abstracte vervalsing was, een loutere schim en verschijning – en dat om minstens twee redenen: het concept van de noumenale wereld [Platoons-Kantiaanse term voor “idee”, een “Ding an sich”, dat we ons enkel geestelijk kunnen voorstellen, los van zijn zintuiglijke verschijningsvormen of fenomenen], waarin wij de echo kunnen horen van het spiritisme van zijn jeugd, die hij beleefde tussen schaduw en schemer, in een koninkrijk van raadselachtige wezens die zich enkel telepathisch lieten benaderen; vervolgens de idee van de categorieën der rede [van de ratio, het vernuft], de manie van het transcendentale, de obsessie met strakke categorieën die als een korset functioneerden, en die er soms enkel lijken te zijn om een ondergrondse gekte in toom te houden, om vorm te geven aan de chaotische stroom van gewaarwordingen, een dam op te werpen tegen die geestelijke verwarring, waar de biografen vandaag van weten dat deze hem meer dan wie ook bedreigde – Kant, die razende gek van de gedachte, die bezetene van het concept, wiens hele Kritiek van de Zuivere Rede je kunt lezen als, in dit geval, het relaas van een innerlijk drama, een geheime en versleutelde autobiografie …Waarom vertel ik dit alles? …

Ja, waarom vertelt BHL zoveel? .omdat hij niet wist dat zijn filosoof Jean-Baptiste Botul, een verzonnen personage was van een echte filosoof, en journalist bij de Canard Enchaîné,. Frédéric Pagès* ?
Of misschien gewoon omdat hij zijn geparfumeerde bek niet kan houden?
_____________________

* «Il n’a jamais été établi explicitement que Botul n’a pas existé et il n’est donc pas à exclure qu’un jour, l’histoire rende raison à Bernard-Henri Lévy», commentait hier Frédéric Pagès.
"Er is nooit ondubbelzinnig aangetoond dat Botul niet heeft bestaan, en dus kun je niet uitsluiten dat 
op een dag de geschiedenis Bernard-Henri Lévy gelijk geeft", was gisteren de commentaar van Frédéric Pagès.

Benêt Honteux de la Littérature . . . 
.

5 februari 2010

Barnardje wil niet hangen

.
Te vaak lees je in de krant dat ons gerechtelijk apparaat log is, dat het te traag werkt, onderbemand is, onbekwaam, wereldvreemd en nog meer akeligheden. Vaak vergeet men daarbij te vermelden dat er ook uitzonderingen zijn, en dat er bijwijlen zelfs proactief wordt opgetreden. Onderstaande eenakter mag als bewijs gelden.


Johan Sanctorum versus Schrijver dezes (2)
Onuitgegeven Tooneelspel
Benno Barnard

Rechter: De beklaagde heeft zich dus in beledigende zin over uw gestalte uitgelaten?

Johan Sanctorum: Inderdaad, edelachtbare.

Rechter: Wat hebt u daarop te zeggen, verdachte?

Benno Barnard: Dat het me oprecht spijt. De heer Sanctorum is weliswaar een schijnheilige trol, maar zijn trolachtigheid als dusdanig is niet zijn schuld, en nu ik er zo over nadenk: zijn hypocrisie misschien ook niet, zomin als zijn antisemitisme. Allemaal een gevolg van de verkeerde opvoeding en onverteerde brokken wijsbegeerte. Maar als u mij toestaat een korte juridische overweging te maken: de gewraakte omschrijvingen stonden in een persoonlijke mail. Mijn geachte opponent heeft ze zelf openbaar gemaakt, Edelachtbare.

Johan Sanctorum: Maar daarna heeft hij mij nog eens beledigd!

Benno Barnard: Inderdaad. Opnieuw in een persoonlijke mail. De titel luidde ‘Lachen geblazen met onze dorpsgek.’ U moet weten dat we in naburige dorpen wonen. Wat denken betreft scheidt de halve aardomtrek ons, maar dat is een andere kwestie.

Rechter: En hoe ging die mail verder, verdachte?

Benno Barnard: Als volgt: ‘O, heerlijk! De grote democraat Sanctorum dreigt met het censureren van de mening die half intellectueel Vlaanderen sowieso al over hem heeft! Wat ben ik toch gemeen! Ja, meneer, ik ben veel gemener dan u!’

Rechter: U bent een grapjas.

Benno Barnard: Wat mij van de heer Sanctorum onderscheidt. Dat is het griezelige aan zo’n filosoof. Die meent alles, inclusief dreigementen met een proces.

Rechter: Hoe dan ook, het was een persoonlijke belediging, geen publieke, meneer Sanctorum.


Johan Sanctorum (mompelend): Ik begin uw intellectuele integriteit in twijfel te trekken, edelachtbare. U bent duidelijk een handlanger van de democratisch failliete Belgische Staat.

Rechter (tuurt op een papier): Klopt het, verdachte, dat ‘het draderige creatuur uit Tolkien’ nu een vaste aanduiding van de heer Sanctorum is geworden in uw vriendenkring?

Benno Barnard: Ik vrees van wel, edelachtbare.

Rechter: Dat is niet netjes van u.

Benno Barnard: Nee. Maar als ik me verstouten mag: ook niet strafbaar.

Rechter: Dan naderen we hier zo te zien de vrijspraak.

Benno Barnard: Ik heb nog een vraag, edelachtbare. Bestaat er zoiets als het democratische recht op het vergeten van een bepaalde persoon?

Rechter: Natuurlijk. U vergeet er maar op los.

Benno Barnard: Maar mag die persoon dat verhinderen?

Rechter: Hoe bedoelt u?

Benno Barnard: Ik las een paar dagen geleden nog een opmerking van een moderne artiest, die vond dat ‘inhoud toch altijd primeerde’, of zo iets. En stijl was maar een middel. Ik ben zijn naam, zijn vak, zijn onderwerp, zijn bestaan onmiddellijk vergeten. Maar hij herinnerde me aan mijn geachte tegenstander, die iets soortgelijks vindt. Want hij mist het orgaan voor poëzie, vorm, taalschoonheid, enfin, mijn vak, zoals hij ook geen gevoel voor humor heeft. Voordat hij zo verbolgen raakte op De Standaard omdat de huidige chef opinie zijn teksten niet lust, schreef hij weleens in die krant. En zo kwam het dat hij ooit Yeats en Pound ‘victoriaanse dichters’ noemde. U kunt daaruit afleiden dat hij die namen alleen maar gebruikte om niet als wijsgerige boerenlul door de mand te vallen

Rechter: Gelieve uw taalgebruik te matigen. Wat is uw punt?

Benno Barnard: Wel, zoals gezegd ben ik de hele existentie van die kunstenaar vergeten. En datzelfde zou ik met onze provinciale Heidegger hier ook willen doen, maar iedere keer als ik hem bijna vergeten ben, stuurt hij me weer een mail. Kunt u hem geen mailverbod opleggen, een soort restraining order, dat bepaalt dat hij niet dichter dan tien gigabyte bij mij in de buurt mag komen?
.

4 februari 2010

Rik Pinxten legt het ons uit

 .
Wie nog op zoek is naar het bewijs dat De Standaard bereid is om gelijk wát af te drukken op zijn opiniepagina, als het maar uit een goede hoek afkomstig is, die kan hier zijn gading vinden. Aan het woord is prof.dr. Rik Pinxten, antropoloog en ook voorzitter van het Humanistisch Verbond als ik mij niet vergis. Deze intellectueel komt met een gewaagde stelling:

Opnieuw, ik heb het hier niet over de oplossing die juist zou zijn, maar enkel over de houding om met verschil om te gaan. Daarin zijn wij westerlingen echt niet goed. Dat heeft alles te maken met onze cultuur, en met het feit dat we zeer moeilijk kunnen omgaan met verschillen.

Wat ik daar in alle nederigheid nog aan zou willen toevoegen, is dat vele kinderen geen spruitjes lusten, en dat dat veel, zo niet alles te maken heeft met het feit dat zij geen spruitjes lusten.
.

2 februari 2010

Benno versus Johan (eerste ronde)

.
Aangezien de meeste mensen het aangenaam vinden om vanuit hun behaaglijke vouwstoel of fauteuil het verloop van een mooi gevecht te volgen, wil ik de lezer volgende tekst niet onthouden, afkomstig van de bekende dichter Barnard. Zoals van een dichter verwacht mag worden is zijn tekst, die ik hier vanzelfsprekend volkomen getrouw weergeef, bijzonder helder en klaar, maar toch meende ik dat de bedoelingen van de schrijver misschien nog duidelijker zouden worden door toevoeging van een paar illustraties.

Johan Sanctorum versus Schrijver dezes
Benno Barnard

Onlangs publiceerde Johan Sanctorum, de ‘onafhankelijke filosoof, vrijdenker en publicist’, zoals hij zichzelf graag noemt, een artikel op de ‘Vlaamse vrijheidslievende politieke metablog’ In Flanders Fields.
Op het eerste gezicht is het een goed stuk werk, al is het ook geschreven in het soort taaldrab dat deze Vlaamsgezinde geest voor Nederlands pleegt te houden, een moeras van gallicismen, einsteiniaans gekromde grammatica en rare spelfouten (en dat terwijl de orthografie toch een Vlaamse specialiteit is). Maar inhoudelijk is het best interessant.

Zij het dat het hele essay bij nader inzien een erehaag van leugens voor Johan Sanctorum vormt.
De denker valt de zelfbediening in de Vlaamse media aan en prijst zo indirect zijn eigen morele voortreffelijkheid. Helaas is Sanctorum dom genoeg om ook mij aan te vallen: ik zou een ‘vriendje’ van Bert Bultinck zijn, de chef opinie van De Standaard. Die arme Bert! Hij opent inderdaad zijn pagina’s voor mij zoals een hoer haar dijen.

‘Ook iemand als Benno Barnard behoort tot het clubje van intimi die elkaar interviewen en bewierroken (sic) dat het een lieve lust is (zie Knack, haast elke week). Barnard kwalificeer ik als een zeer middelmatig columnist, hopeloos vooringenomen en nuanceloos, maar met een buitengewone neus voor lobbying die hem altijd opnieuw in de picture brengt. Ik klasseer dat onder de zachte corruptie, het onder-vrienden-effect, waarvan de waarheid zelf het eerste slachtoffer is, en journalistieke integrititeit het tweede,’ schrijft Sanctorum.

Ongetwijfeld ben ik hoogst middelmatig, maar voor de rest zit de kwestie toch anders in elkaar dan Sanctorum wil doen voorkomen. Mag ik om te beginnen zijn verborgen drijfveer blootleggen, de veer in het duiveltje? Hij en ik waren voor publicatie van dit stuk gebrouilleerd geraakt. Dat was het gevolg van zijn pathologische ruziestokerij, een ernstige karakterstoornis, waarvoor ik liefdevolle verpleging aanbeveel.

Wat nu Sanctorums prediking over ‘journalistieke integriteit’ betreft: die glimt van het papenvet der schijnheiligheid. De waarheid luidt dat ik Bert Bultinck uitsluitend professioneel ken. En ook luidt de waarheid dat Sanctorum mij in het verleden meer dan eens als kruiwagen heeft gebruikt (‘Kun jij Bultinck niet even bellen?’) om een tekst in De Standaard te krijgen, zoals hij ook heeft gepoogd via mij bij Knack binnen te geraken, waar men überhaupt niet in zijn diensten geïnteresseerd was. Overigens heb ik in datzelfde weekblad inderdaad een keer een vriend geïnterviewd: Michael Freilich. Over Freilich straks meer.

Door onze brouille hield ik op Sanctorums nuttige idioot te zijn en bijgevolg kon hij me vrijelijk aanvallen in opgemeld artikel. Dat heb ik in een commentaar eronder ook uiteengezet. Er volgde een dupliek, maar onthullend genoeg ging onze zo pijnlijk betrapte gewestelijke wijsgeer op geen enkel feitelijk argument in – mijn beweringen zijn dan ook niet te weerleggen. Hij deed uitsluitend wat hij in zijn artikel ook al had gedaan: mij afschilderen als een ijdele intrigant zonder kwaliteiten.

Nu, in tegenstelling tot schrijver dezes heeft Sanctorum zeker kwaliteiten: ik vind hem ‘best’ een interessant denker. Ook vind ik hem een kwaadaardig en onbetrouwbaar mens. Toen hij Michael Freilich vanwege ons interview in een mail grof beledigde, na allerlei voorafgaand getreiter, verloor ik mijn zelfbeheersing. ‘Antisemiet’, ‘Vlaamse boer’, ‘slijmerig creatuur’ en ‘stuitende verraderlijke gnoom’: met die koosnaampjes sprak ik hem toe. Het eerste meende ik en het tweede ook. Wat die beide laatste kwalificaties betreft: ik bedoelde dat hij een lafhartig onderkruipsel was. Maar vreemd, hij interpreteerde deze woorden als een autist: ze hadden volgens hem betrekking op zijn uiterlijk en lichaamsbouw (terwijl ik hem bijvoorbeeld ook een ‘bedorven weekdier’ had kunnen noemen). En nog veel vreemder: hij maakte ze zelf openbaar op zijn website.

Sindsdien heeft hij in diverse mails met een proces gedreigd. Hij, de vrijdenker, de onafhankelijke filosoof, de metabloggende apologeet van de vrije meningsuiting! ‘Mocht je die ranzige praat echt in een van je stukjes debiteren, dan deed ik je direct een proces aan. Ik heb al van andere kalibers gewonnen, zoals je wellicht weet,’ schreef hij me. En: ‘Ik ben ervoor verzekerd, je tot het einde van je dagen opjagen kost me zelfs geen rooie duit. Als je echt oorlog wilt, kan je het krijgen, beste vriend.’

In blijde galop snelde ik hem op mijn Rossinant tegemoet: ‘O please please please, doe me dat proces aan! Dat wordt smullen! O, Johan, ik meende het allemaal niet zo, echt, je bent een fijne vent… maar alsjeblieft, alsjeblieft, sleep me voor de rechter! Inspireert het je als ik –geheel in jouw stijl– een leuke bloemlezing uit je mails op mijn blog publiceer? O toe, wees een schat, zeg ja!’

Wordt vervolgd in de rechtbank
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html