.
“Het adjectief zwakt het substantief vaak af, ook al stemt
het ermee overeen in naamval, geslacht en getal.” schreef Voltaire in 1765 aan
Jean d’Alembert. Dat is een regel die nogal wat schrijvers en anderen boven hun
bed mogen hangen.
.
In 1822 schreef Alexandr Poesjkin aan zijn censor iets
gelijkaardigs: “Uw brief is zo substantief dat hij geen adjectief nodig heeft
om mij oprecht te verheugen”. Hij bedoelde dat ironisch, want de censor had in
zijn gedicht De Krijgsgevangene van de Kaukasus een aantal verzen opgeschoond,
maar hem tegelijk ook 500 roebel honorarium toegekend, als adjectief. Wel had
hij een “lange kus” van de twee gelieven in het verhaal vervangen door een
“bittere kus”, en een “hemelse vlam”, waar het over de aardse liefde ging,
zelfs helemaal weggeknipt.
Poesjkin schreef nog in zijn brief: “U hebt mij vele
beslommeringen bespaard door het lot van de Gevangene volledig veilig te
stellen. Uw opmerkingen zijn volledig terecht en nog te clement; maar gedane
zaken nemen geen keer.”
Hans Boland vertaalt voor de uitgeverij Papieren Tijger het
verzameld werk van Poesjkin, en het zesde van negen delen is nu uit. Boland
schrijft levend Nederlands, en vooral: hij vertaalt “mager”, zoals ik hem eens
hoorde zeggen. Hij versiert niet. Zijn auteur blijft op de voorgrond, een grote
verdienste.
.
Ik moest daaraan denken toen ik in de krant las dat de
beschuldigde in Tongeren een “echte” psychopaat genoemd werd door de
psychiaters. Ook “rasechte” zag ik gedrukt staan. Misschien hebben die
psychiaters dat inderdaad zo gezegd, maar dan werkt hun adjectief wel ondermijnend.
Je gaat je dan afvragen of het substantief op zich iets voorstelt, en wat het kan
betekenen in een strafzaak.
.
Iemand die daaromtrent zijn twijfels had, was de Franse pleiter
Tixier-Vignancour, die hier eerder aan bod kwam. In een zaak waarbij zijn cliënt
de doodstraf riskeerde, pleitte hij in 1956 spottend:
“Het zal volgend jaar, mijne Heren, dertig jaar geleden zijn
dat ik de eed heb afgelegd voor de Eerste Kamer van het Gerechtshof van Parijs.
Ik kan u verzekeren dat de psychiaters in 1927 veel minder dan vandaag te maken
hadden met delinquenten en misdadigers. Een beschuldigde toen moest al manifeste
tekenen geven van een mentale stoornis, voor men iemand van Saint-Anne of
Villejuif ging lastigvallen. Maar de dag van vandaag! Als de dag van vandaag,
Heren, een kiekendief wordt voorgeleid bij de Procureur van de Republiek, die
hem de dag daarop wil laten verschijnen wegens betrapping op heterdaad, dan
lijkt het te zullen gebeuren, en wij zullen dat in een wellicht nabije toekomst
meemaken, dat tussen zijn voorleiding bij de Procureur en zijn verschijning
voor de rechtbank, er in het gerechtsgebouw een psychiater van dienst een vaste
stek krijgt, om er met zijn rubberen hamertje op de knieën van de kiekendief te
tikken. Mijne Heren, wij worden overstelpt door de psychiatrie, wij raken onder
de psychiaters bedolven, wij zien het eind niet meer.”
.
Adjectieven weglaten zal alvast geen kwaad doen.
Stukje NIET verschenen in de Knack vandaag
.