25 juli 2012

Joël en de optatief

.
Journalisten gebruiken courant de stellende wijs, de indicatief. Als voorbeeldzin kan dienen: “Dat is er gebeurd.” Ook ingewikkelder zinnen als: “Ik meld dit nu, omdat het zonlicht niet te ontkennen valt, maar liever zwijg ik over zulke zaken”, horen bij de stellende wijs, zelfs al wordt in het tweede zinsdeel niet veel opzienbarends gesteld.
Inhoudelijke aspecten en grammatica kunnen ver van elkaar staan, en dat mag tegen het gevoel ingaan maar er is niets aan te doen. Dus ook een zin als: “Zo horen wij de feiten te interpreteren, liefst nog voor we weten wat die feiten echt zijn”, staat helemaal in de stellende wijs.
Toegegeven, dat laatste voorbeeld, al is het helemaal in de indicatief, komt aardig in de buurt van de zogenaamde imperatief, de gebiedende wijs. Dat zit zo: als een sergeant roept: "Rust!" of als een baasje tegen zijn hond zegt : “Lig!” of “Pak!”, dan zijn dat imperatieven. Die zijn meestal kort. Bij een goede hond hoeft het baasje soms zelfs helemaal niets te zeggen. Het beest reageert al op een eenvoudige blik of een gebaar, een soort impliciete imperatieven.
Maar die wijs gebruiken verstandige journalisten zelf nooit. Niet dat zij geen imperatieven zouden kennen of begrijpen, integendeel, maar zij hebben die wijs wijselijk verinwendigd, geïnterioriseerd. Er komt in hun geschriften niets van aan de oppervlakte. Hun journalistieke geweten gebruikt hem dus wel op de achtergrond, maar de lezer merkt niets.
Er bestaan nog moeilijkere wijzen, en die gebruiken sommige journalisten weer wel. We spreken hier over de conjunctief of subjunctief of aanvoegende wijs, en over bijvoorbeeld ex-Knack, nu Standaardjournalist Joël De Ceulaer.
Hier een voorbeeld van zijn hand:



Voor de vervoeging maakt het geen enkel verschil, maar die conjunctief of subjunctief van hem voelt zelfs aan als een optatief of wensende wijs. Natuurlijk, dit is twitter en bijgevolg kort op de bal en kort door de bocht.
Ik weet trouwens niet of ook Joël deze mooie journalistieke wendingen gebruikt met die bal en die bocht, want daarvoor zou ik zijn rubriek moeten lezen, over de tv-programma’s die hij de week daarvoor bekeken heeft, en als je die niet zelf hebt gezien, heb je daar weinig aan, net zoals je op de trein of in de kroeg sommige gesprekken niet goed kunt volgen.
En of Joël met zijn optatief goed beseft wát hij juist wenst, weet ik evenmin. Dat zijn bedoelingen edel zijn, betwijfel ik geenszins maar om de een of andere reden vermoed ik dat hij over het onderwerp hoofddoeken nog niet veel achter de kiezen heeft. Weet de man wel waar hij het over heeft?
Om Joël hier een helpende hand te reiken, stuurde ik hem twee verwijzingen op, uittreksels uit twee boekjes van de Parijse antropologe Chahdortt Djavann (Bas les voiles! Gallimard 2003, en Que pense Allah de l’Europe? 2004).
Dat eerste boekje begint zo : «J’ai porté dix ans le voile. C’était le voile ou la mort. Je sais de quoi je parle.»
Ik hoop dat onze twitterende man er iets aan heeft, en het zijn tenslotte heel dunne boekjes zodat hij nog ruim tijd zal overhouden voor zijn tv-programma’s.

.

21 juli 2012

Mieux vaut un sage ennemi, qu'un ignorant ami

.
Vandaag overleed in Duitsland de Amerikaans-Ierse politiek journalist Alexander Cockburn. Hij werd 71 en was al een tijd ziek. Cockburn schreef jarenlang onder meer voor The New York Review of Books, Esquire, Harper's, The Nation, The Wall Street Journal, de New Statesman.

Dat is indrukwekkend genoeg, maar bij schaakspelers was hij om een nog andere reden bekend. Cockburn schreef namelijk in 1975, drie jaar na de IJslandse match Spassky-Fischer, een geweldig goed boek tégen het schaakspel. Hij was het duidelijk eens met Edgar Allan Poe, die het spel ook vijandig gezind was. Poe vond dat schaakspelers mensen waren die ingewikkeldheid verwarden met diepzinnigheid. Cockburn vond het schaakspel een autoritaire en tegelijk kinderachtige bezigheid, en een verkapte vorm van zelfmoord.
.
Dat lezen schaakspelers graag, want velen onder hen zijn aan hun spel wel verslaafd, maar daarom beminnen ze het nog niet. Winnen doen ze wél allemaal graag, en in die beperkte zin houden ze van het spel natuurlijk, maar de heilige Augustinus zou hier wellicht van een verwerpelijk libido dominandi gesproken hebben. Alleszins kwam het spel in het Aards Paradijs nog niet voor, aangezien je er twee mannen voor nodig hebt. Het bleef daar bij tuinieren.
.
Nederland is een echt schaakland, en dus verscheen er bij de Wetenschappelijke Uitgeverij in Amsterdam nog in hetzelfde jaar een vertaling van “Idle Passion” : “Loze Passie. Schaak en de Dans des Doods .”
Ik fotokopieerde toen direct het Woord Vooraf van Jan-Hein Donner. Grootmeester Donner was de grootste schrijver onder de schakers en de grootste schaker onder de schrijvers. Een stilist zonder weerga. Hier een paar paragrafen uit zijn inleiding toen:

Alexander Cockburns interesse voor het schaakspel en deszelfs beoefenaars komt vanuit de blikrichting van de psychoanalytische theorie.
Dat is zeer goed te begrijpen. De schaker bevindt zich in zijn spel in een pre-verbale, een voorwoordelijke wereld. Zijn activiteit is gereduceerd tot het snuffelend-graaiend zien. Voor de psychoanalyticus is dat de wereld van het pasgeboren kind, de zuigeling die om zijn moeder krijt. In die wereld gelden andere deugden en ondeugden, en voor het spelen van een goede partij schaak zijn andere kwaliteiten vereist dan voor het voeren van een oppassend leven. Alles waarover het psychoanalytische jargon beschikt aan negatieve kwalificaties wordt dan ook door Cockburn in stelling gebracht om de diepe verwerpelijkheid van het schaakspel aan te tonen, een bezigheid vol lediggang waarvoor hij geen sympathie zegt te hebben. [...]
Voor een kleinigheid moet de lezer gewaarschuwd worden. Niet alles wat deze schrijver vertelt over de verschillende grootmeesters die hij de revue laat passeren, is strikt genomen geheel in overeenstemming met de werkelijkheid. Aljechin was niet vijf keer getrouwd ‘waarvan minstens drie maal met een vrouw vijfentwintig jaar ouder dan hijzelf’, en Steinitz heeft nooit ‘God uitgedaagd onder voorgave van pion en zet’. In feite zijn dit legenden die sinds jaar en dag de ronde doen in de schaakwereld en daarom doet het er van psychologisch standpunt weinig toe of ze nu letterlijk waar zijn of niet: dát zulke verhalen rondgaan over schakers is op zichzelf al veelzeggend genoeg. Dit is ook het standpunt van Norman Reider in zijn kleine maar zeer interessante studie Chess, Oedipus and the Mater Dolorosa –ook door Cockburn uitvoerig vermeld– waarin de diverse ontstaansmythen van het schaakspel verzameld en vergeleken worden.
Reider vond dat het merendeel van die mythen draait om het archetype van de ‘mater dolorosa’. Een koninklijke moeder wier zoon is gestorven of een prinses wier gemaal in de slag is gevallen, vinden in hun onuitsprekelijke smart troost in een spel dat voor die gelegenheid is uitgevonden door Sissa (die dan als beloning de bekende 264 –1 graankorrels vraagt).
Geen psycholoog kan aan de betekenis van die vondst voorbijgaan. Is het schaakspel een uiteenzetting tussen een man en zijn moeder? Vanwaar haar verdriet? Heeft zij hém verloren? Hoewel Cockburn nog te veel Freudiaans is om het Oedipus-complex te laten vallen, de gedachten moeten wel in die richting gaan.
Ontzet door de grondeloosheid van zijn geworpenheid, geërgerd door de oninzichtelijkheid van de werkelijkheid, verbijsterd door het hoge toeval van de dood zoekt de schaker een wereld waarin hij zelf de grond is van zijn handelen, een spel dat inzichtelijk is en geen toeval kent. Het is de ontzaglijke onwil die hem in een ander universum drijft, terwijl het leven wenend achterblijft. Zo is het schaakspel geworden tot wat het is: een ritueel, waarvan de geschreven geschiedenis meer dan duizend jaren teruggaat, kunst, wetenschap en godsdienst tegelijk.

Idle Passion
Chess and the Dance of Death
The Village Voice/Simon and Schuster
1975, New York, $7.95
.

11 juli 2012

IJsland heeft weinig problemen

.
Onze taal heeft mooie uitdrukkingen die geen verdere uitleg vragen. “Een waarheid als een koe” is er zo een. Ook andere talen hebben zulke uitdrukkingen.
Zo heeft de Duitser het over eine Binsenwahrheit. Maar wat zijn in godsnaam Binsen? Wel, onze koe is niet veraf: het is een soort gras, biesgras namelijk dat algemeen voorkomt op vochtige plekken in het bos. Het behoort tot de soort Scirpus zegt van Dale.* En zelfs al verstonden wij geen Duits, “de biezen pakken” kennen wij wel.
De Engelsen hebben ook hun uitdrukkingen, maar meestal zeggen zij nuchter: a truism.

Bij de Fransman ligt het wat moeilijker. Hun waarheid als een koe heet daar une vérité de la Palice, en dat veronderstelt meteen dat je weet dat Jacques de la Palice (1470–1525) een edelman was, die een prachtig kasteel bouwde, dat nog altijd te bezichtigen is en waar zijn afstammelingen ook nog altijd wonen, en dat die man een kwartier voor zijn dood nog in leven was. Un quart d’heure avant sa mort, il était encore en vie.
.
Politicologen hebben ook zulke uitdrukkingen. In De Standaard dinsdag (p.10) had professor doctor Marc Hooghe, nu in zijn hoedanigheid van socioloog, deze variant: “Als we in IJsland leefden, was racisme misschien geen praktisch probleem.”
Avec des si on met Paris en bouteille, had hij nog kunnen toevoegen, maar dat is weer een andere uitdrukking. Maar dat we hier met een zorgvuldige wetenschapsman te maken hebben, zal iedereen opvallen. De omzichtigheid in zijn “misschien” geeft dat al aan. Ook zijn kwalificatie “praktisch” is heel terecht, want in puur theoretische zin zou dat probleem zich ook in IJsland kunnen voordoen, of wij daar nu woonden of niet.

Minder goed vond ik Hooghe als hij het had over die “diverse werkvloer”, waar leerlingbouwvakkertjes later op belanden. Nu zitten die nog in scholen waar zij “met diversiteit in aanraking komen”, en blijkbaar worden ze daar onverdraagzaam door.
Verbazend is dan de conclusie van de professor (of hij wordt slecht geciteerd we hebben hier met journalistiek te maken): "concentratie versterkt negatieve standpunten". Maar diversiteit in scholen blijkbaar ook?
Misschien hebben dit soort wetenschappers, sociologen, politicologen &c. wel een praktisch probleem met moeilijke begrippen als diversiteit, onverdraagzaamheid, concentratie enzovoort, en moeten ze die eerst eens aan zichzelf uitleggen en een paar operationele definities bedenken. En dan statistiek leren natuurlijk, en vervolgens een andere naam voor hun wetenschap bedenken.
___________________
.
* Mijn Duden weet daar nog meer over te vertellen: binsenglatte Wahrheit; wohl nach lat. nodum in scirpo quaerere = einen Knoten an der (glatten) Binse suchen, d.h., Schwierigkeiten suchen, wo es keine gibt: allgemein bekannte Tatsache: das ist [doch] eine B.!

.

7 juli 2012

Begin juli kan het ook nog !

.
Enkel kookrubrieken lijken het op de televisie nog te doen, net zoals in de weekendbijlagen van kranten trouwens, en al is die rage misschien alweer over haar hoogtepunt heen, ik wil gauw nog een graantje meepikken.
Het onderstaande recept is van Michel Oliver, die 30 jaar geleden een programma had op de Franse televisie: La Vérité est au Fond de la Marmite. Deze Oliver komt uit een geslacht van grote koks, en is vanzelfsprekend geen familie van die Jamie Oliver die wel eens op de Engelse televisie komt of kwam. Het recept dat Michel Oliver hier geeft, is zo eenvoudig dat het geen vertaling behoeft, maar eerst zijn inleiding:


Elk jaar, halfweg juni, in het seizoen van de nieuwe look, hebben wij, mijn vader en ik een diner waar we ons te goed doen aan een gerecht dat wij als een der beste ter wereld beschouwen.
Als de look goudgekleurd en geurig de oven uitkomt, volgt er een ontroerde stilte vol erkentelijkheid. Daarna neemt elk een hele lookbol op zijn bord, haalt de teentjes zorgvuldig uit elkaar en met de achterkant van zijn vork drukt hij lichtjes op elk ervan. Wat er nu te voorschijn komt, is een gloeiendhete, gekonfijte lookpuree die wij uitsmeren op een sneetje boerenbrood, vers gegrild en flink ingeboterd. Nog wat grof zout, paar toertjes met de pepermolen…

Leve de maand juni jongens!
Kleine raadgeving onder ons: geef dat dinertje de zaterdag in de familie en vermijd om de zondag op minder dan 3 meter afstand met vreemden te spreken.

Ail nouveau au four!
.
Tous les ans, vers la mi-juin, à la saison de l’ail nouveau, nous faisons, mon père et moi, un dîner où nous nous gavons de ce plat que nous considérons comme un des meilleurs du monde.
Quand l’ail sort du four, doré et odorant, il s’ensuit un silence rempli d’émotion reconnaissante. Et puis, chacun prend une tête d’ail entière dans son assiette, sépare délicatement les grains et presse légèrement sur un grain avec de dos d’une fourchette. Il en sort une purée d’ail confite et brûlante que l’on étale sur une tranche de pain de campagne grillée bien chaude et largement beurrée. Un peu de gros sel, quelques tours de moulin à poivre…
Vivement le mois de juin, les enfants!
Un petit conseil amical: faites ce dîner un samedi en famille et, le dimanche, évitez de parler à un étranger à moins de 3 mètres.

Pour 6 personnes
Préparation: 5 minutes
Cuisson: 50 minutes

8 têtes d’ail nouveau (1kg).
1 cuillerée à soupe de beurre ramolli.
+8 cuillerées à café de beurre.
1 cuillerée à café de sel.
+24 pincées de sel.
1 verre (20 cl) d’eau

◊ Allumez le four (thermostat 6).
◊ Avec un couteau pointu enlevez la barbe de 8 têtes d’ail nouveau, puis coupez la queue de l’ail juste à ras de la tête (il faut que l’on voit le haut des gousses d’ail bien serrées les unes contre les autres).
◊ Beurrez largement un plat à gratin avec une cuillerée à soupe de beurre ramolli et saupoudrez le beurre avec une cuillerée à café de sel.
◊ Rangez les 8 têtes d’ail dans le plat beurré et salé.
◊ Sur le haut de chaque tête d’ail, juste dans le trou de la queue coupée, mettez 3 pincées de sel et posez 1 cuillerée à café de beurre.
◊ Versez 1 verre (20 cl) d’eau au fond du plat et mettez le plat au four pour 50 minutes.
◊ N.B. Toutes les dix minutes il faut arroser les têtes d’ail avec le jus formé par la cuisson de l’eau et du beurre. N’hésitez pas à ajouter un peu d’eau au fond du plat s’il en manque en fin de cuisson.

Michel Oliver
Mes premières recettes
Éditions du Rocher, 1982, p.94
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html