29 december 2012

Plaats voor cultuur


Wie vandaag studeert aan de Leuvense Universiteit heeft niet te klagen, tenminste als hij/zij kiest voor een zachte richting. Al naargelang de persoonlijke voorkeur kan de student of studente de colleges dan bijwonen waar Lieven De Cauter zijn vulgaire praat verkoopt, of, als zijn/haar maag dat niet verdraagt, kiezen voor de zachtzinnige, sentimentele aanpak van een Marc Hooghe.

Deze laatste bijvoorbeeld wees er recent nog fijnzinnig op dat Albert Coburg recht van spreken heeft als het over “de jaren dertig” gaat, want:
“De waarschuwing van ons staatshoofd is vanuit puur wetenschappelijk standpunt dan ook zeer terecht. […] Toen Koning Albert één jaar oud was verloor hij zijn moeder; toen hij tien jaar oud was werd hij met zijn vader opgenomen in Duitse gevangenschap.”
Tussen de politicologie en de damesroman zijn er onvermoede raakvlakken. Ikzelf was nog het meest aangedaan door dat “opgenomen worden” van vader Leopold.

Maar Hooghe heeft zijn beurt hier al gehad en wij richten onze aandacht nu op De Cauter. Die man tapt uit een ander vaatje. Hij hanteert een verschillend palet en zingt een ander lied. 
Zo schreef Lieven laatst nog een mail aan een hoop journalisten en cultuurdragers. Hij ondertekende die mail met: 
prod dr. Lieven De Cauter,
filosoof en kunsthistoricus

Die “prod” moet een tikfout zijn, want ik neem aan dat hij prof en niet “prot” bedoelde, ook al betekent dat woord in sommige dialecten –misschien ook in het zijne– “wind” of “scheet”. Crepitus zou Erasmus zeggen. De T, D, en F zitten nu eenmaal dicht bij elkaar op een azerty.
Anderzijds: een woord als “shit” lijkt onze prod wel degelijk te kennen. We zien het verschijnen in zijn mail, die gedeeltelijk in onvervalst en huisbereid Engels is opgesteld.
Op enkele ongelukjes na (bv. “thruth or dare”, dat in het Engels nog niet algemeen is: behalve op een paar Vlaamse datingsites is de schrijfwijze van dit spelletje "truth or dare", zo leert ons Google) kunnen we zelfs zeggen dat Lieven het Straatengels uitstekend beheerst. Alvast hij zal met de omschakeling naar het echte Engels weinig problemen hebben in zijn lessen, althans als hij de fles (bottle) laat staan.

Sommigen van zijn adressaten hadden namelijk de sterke indruk dat Lieven hen een portie zattemansgelal had voorgeschoteld.
Dat laatste moet ieder voor zich beoordelen, en daarom geef ik hier de Engelse passages uit het schrijven van prof.dr.Lieven De Cauter, filosoof en kunsthistoricus:

Sorry boy! …I don't don't buy this shit! …Sorry …Sorry …look in my eyes …ghost writers …The works! …Sorry …Sorry …Thruth or dare! …I CALL YOUR BLUFF …You must be joking! …You don’t wanna go there! Do you? Come on??? Try me! …sorry… ghost writers …Fuck you! …ghost writers… in no time … whatever …Try me for starters. I eat you for breakfeast.

28 december 2012

Marc Hooghe als man van het Ancien Régime


Marc Hooghe is een eminente politicoloog, en als dusdanig valt hij vanzelfsprekend buiten het gebied van de wetenschap. Verder dan deze uitspraak wil ikzelf niet gaan, want ik ben helemaal bereid te erkennen dat ook politicologen, net als iedereen wel eens een verstandig woord kunnen spreken. 


Maar Hooghe gaat wél een stap verder. In zijn bespreking van de besprekingen van de koninklijke kersttoespraak zegt hij dit:

"Een verwijzing naar de jaren dertig was daarbij misschien inderdaad niet noodzakelijk. Maar mag ik voorstellen dat we het oordeel daarover overlaten aan de leeftijdsgenoten van Koning Albert? Als prille veertiger voel ik me niet geroepen daarover een oordeel te vellen."

Nu zal die onhandige, wat bange stijl van de auteur Hooghe niet iedereen bevallen. Een zin met daarin “misschien inderdaad” is misschien inderdaad niet fraai, maar wie onzeker is van zijn boodschap begaat al snel een kleine stilistische fout.
Echter, wat Hooghe hier ruiterlijk erkent is dat zijn vak, de politicologie, niet in staat is om dingen te analyseren die een politicologische auteur niet zelf lijfelijk heeft meegemaakt. Wellicht bedoelt hij dat dergelijke analyses beter aan historici, politiek filosofen of filosofen tout court worden overgelaten, en dan siert het de nederige mens Hooghe dat hijzelf hiervoor past.
Even daarvoor had hij het wel nog over een “eeuwenoude traditie” die hij als politicoloog moeiteloos kon plaatsen, want met onverholen sympathie voor het ancien régime schrijft de jonge Hooghe:

"In 1993 heeft Koning Albert II de eed afgelegd dat hij “het grondgebied van ons land ongeschonden zal bewaren”. Voor een man met een dergelijk gevoel van eer, plichtsbesef en familiale traditie is dat geen loze belofte. Men kan veel kritiek hebben op Koning Albert II, maar het is wel een man van zijn woord. Als sinds de vroege middeleeuwen behoort het tot de kern van de verplichtingen van een monarch dat hij het grondgebied van een land ongeschonden zal bewaren. Koning Albert past dus perfect in deze eeuwenoude traditie." 

Als een man een voorgeschreven formule afleest, dan getuigt dat van eergevoel, plichtsbesef en familiale traditie. Nu behoort deze mening van Hooghe onbetwistbaar tot de politicologie, maar om ook nog wetenschappelijk te zijn, had hij geen aanhalingstekens mogen gebruiken in die zin met “ons land”. 

Aanhalingstekens, dat moet aan onze professor eens uitgelegd worden, dienen om een tekst letterlijk weer te geven. "Citeren" heet dat met een geleerd woord. Wie aan een tekst graag een sentimenteel tintje wil geven of er een kleurwoordje in wil aanbrengen, die mag dat rustig doen maar dan zonder aanhalingstekens.
Een bezittelijk voornaamwoordje zoals dat “ons” –dat je ook terugvindt in journalistieke wendingen als “onze premier”, maar nu betreden wij een gebied dat iederéen buiten de wetenschap legt–, komt in de eedformule niet voor.

Royalist Marc zal met vrucht luisteren naar wat zijn perfecte Albert Coburg werkelijk vertelde toen:



16 december 2012

Straatengels is overal nu


Vanavond kon iedereen op de televisie, ter gelegenheid van een mars tegen zinloos geweld –waar vanzelfsprekend ook witte ballonnen werden opgelaten– een pastoor de liturgische woorden horen spreken: “en al de rest is bullshit”.

Waar die wellicht enigszins simpele of slecht opgeleide man geen besef van heeft, is dat hijzelf een deel is van het probleem waartegen hij wilde protesteren. Hij maakt namelijk deel uit van een vereenvoudigde en gebrutaliseerde wereld waarin mensen zich enkel nog van korte Engelse woordjes bedienen, zoals shit en fuck en suck …en bullshit. Dat laatste woord telt twee lettergrepen, wat hun ongearticuleerdheid enigszins op de proef moet stellen.

Nu is het natuurlijk zo dat de pastoors tegenwoordig uit een kleine poel gevist moeten worden. Zij zullen wel enkele begrippen van het rudimentaire Straatengels beheersen, maar niet meer van het Latijn.

Veel brevieren doet de man allicht ook niet. Vermoedelijk leest hij liever bladen als P-Magazine, want de hoofdredacteur daar kent heel goed dat Adolescenten-engels, en die pastoor moet het ergens vandaan hebben.

Als ik een suggestie had mogen doen, dan zou dat de uitdrukking taurinum stercus zijn geweest, en misschien had onze gewijde man in stercus (stercoris) de letters s-t-r van stront wel herkend. En taurus is een stier, dus inhoudelijk zou er niets verloren zijn gegaan.

Wat nu echter uit zijn mond kwam, was onwelriekend. Maar misschien vond hijzelf dat het wél lekker rook?

Bij Montaigne lezen we in zijn Essais (Livre III, chapitre VIII):
Stercus cuique suum bene olet
Ieder vindt zijn eigen stront welriekend.
De opmerking is van Erasmus afkomstig en Montaigne citeert hem.

Die Essais zijn onschatbaar. In mijn uitgave (Pierre Villey et V.L. Saulnier, PUF 1924, p.929) staat op deze plaats een voetnoot: “bij Erasmus, in zijn Adagia III,IV,2 lezen we: “suus cuique crepitus bene olet”. Maar crepitus is een wind, in principe dus geen stront.

Dat had Montaigne niet helemaal correct onthouden. Niemand is onfeilbaar.
.

14 december 2012

Eng nationalisme


Wat je wel eens hoort zeggen of ergens leest, is dat alleen bij kinderen het verschijnsel van de verveling zich in zuivere vorm voordoet. Ik begrijp wel wat men dan bedoelt, maar ben het er niet mee eens.
Als een volwassene in zijn krant leest, of op de radio hoort dat een bank, neem Fortis opeens een veel langere naam krijgt, of dat Dexia plots Belfius moet heten, dan geloof ik dat er zich ook van deze volwassene een gevoel meester kan maken dat niet zo erg verschilt van de kinderlijke, oorspronkelijke verveling.

Als die volwassene daarna hoort dat een bepaalde bank onder haar nieuwe naam iets heel lelijks wil doen, namelijk schilderijen verkopen die dezelfde bank onder haar vorige naam had opgekocht, dan laat dit hem gewoonlijk koud.
Hij verveelt zich. Die schilderijen heeft hij nooit gezien, en dan gaan spelen alsof de verkoop ervan je in je diepste culturele wezen raakt, is kinderachtig.

Bert A. kan zich dat nog veroorloven, maar in zijn partij zal hij weinig gehoor vinden want welbeschouwd is zijn verwarde betoog erg nationalistisch getint, en helemaal in tegenspraak met de grote multiculturele droom waarin het niet meer uitmaakt of een schilderij dat hier is geschilderd ten eeuwigen dage ook hier blijft hangen.

Mij alvast maakt het niet uit waar bijvoorbeeld de een of andere Magritte hangt. Niet dat Belfius dat beroemde schilderij met die pijp zou bezitten, dat je ook op een reproductie kunt bekijken zonder de diepe gedachte erachter te moeten missen, maar ook bij de verkoop van echte schilderijen uit die verzameling zouden enge nationalistische reflexen beter achterwege blijven.

Toevallig heeft Karel van het Reve, de broer van de man die de roman De Nachten heeft geschreven, ook over dit onderwerp weer het zijne te vertellen:


10 februari 1987
.

12 december 2012

Vorstelijk lumumbago


Als goede Belg durf ik te voorspellen dat er bij het komende proces rond de moord op Patrice Lumumba niets aan het licht zal komen dat een latere zalig- en heiligverklaring van onze Boudewijn in de weg zou staan.
Laatstgenoemde is zoals wij weten gezond en wel in Spanje verscheiden (il a trouvé sa mort en vacances om zo te zeggen), en meteen daarna al hoorde men kreten van Santo Subito.
Datzelfde kan niet van Lumumba worden gezegd.

De Belgische bevolking, voor zover die op het moment van het koninklijke verscheiden niet zelf ook met vakantie was, kwam massaal de straat op. Er werden bloemen neergelegd en ik meen ook ballonnen opgelaten. Geheel volgens de leer van Dalrymple en zelfs enigszins daarop vooruitlopend.
Enfin, we hadden te maken met “een politiek feit” zei een journalist. Dat klopte niet natuurlijk, maar men maakte het er wel van.

Nu moet ik bekennen dat mijn beweringen over deze episode uit de Vaderlandse Geschiedenis noodgedwongen afgaan op wat ik toen las in Le Monde, en met grote vertraging las want zelf was ik ook met vakantie, in een Frans dorpje waar je met een flink half uur moest rekenen om naar het dichtstbijzijnde stadje te rijden waar naast een bakker en een slager ook een krantenwinkel was.
Wat die journalist op de Vlaamse Televisie had gezegd, vernam ik dus pas bij mijn terugkeer uit vakantie.

Maar wat ik anderzijds wél een politiek feit zou durven noemen, was de beslissing van de regering toen om voorafgaande censuur toe te passen, tegen de Grondwet in.
Nu zijn we sindsdien wel een en ander gewend –we hebben vandaag niet eens meer een grondwettelijk samengestelde Volksvertegenwoordiging– maar toen moet dat, althans voor democraten nog schokkend zijn geweest.

Wat u hierboven natuurlijk herkend hebt lezer, is een gezonde sansevieria. Een exemplaar dat nooit zorg is tekortgekomen.
En nu stierf Baudouin wel in de komkommertijd, maar het blad Charlie Hebdo dat ik toen wekelijks getrouw kocht, ook als ik met vakantie was, had bij deze gelegenheid op een van zijn binnenbladzijden een tekening van een sansevieria die er een stuk minder fris uitzag.
Helemaal slap hing hij over de rand van zijn cache-pot, en het bijschrift was : “Les Belges sont partis en vacances sans arroser leur plante verte.”
Eén van de tongen van die plante verte vertoonde inderdaad de trekken van feu onze gebrilde en aan zijn rug lijdende vorst, en het blad kwam de Staatsgrens niet over.

Helaas lezer: ik kan u die tekening niet meer laten zien want ik heb mijn gesmokkeld exemplaar direct na de vakantie geschonken aan het VRT-archief, in de overtuiging dat ik de geschiedenis een dienst bewees. Hopelijk is het exemplaar bewaard volgens de regelen der kunst. 
De voorpagina van die Charlie Hebdo kun je op het web nog vinden, zoals u hebt gezien.

11 december 2012

Vragen van Etiquette


Gisteren schreef Mia Doornaert een mooi stukje in De Standaard, onder de titel: En zeg, ‘U, U, U’. Doornaert pleit voor goede manieren en beschaafde aanspreekvormen.
Daar zullen weinig mensen bezwaren tegen hebben, tenzij dan oproerige voetbalsupporters, maar met hen laat Mia zich denk ik niet in, Paulus indachtig misschien, in zijn eerste brief aan Timótaeüs: 6:5: Verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn. Wijk af van dezulken. 

Naar Paulus verwijst Mia niet, maar wel naar De Dikke Ditz, een boek dat in Vlaanderen even onbekend is als Paulus, maar dat in Nederland juist overbekend is, bijna even bekend als de Bijbel zelf. De 37ste bewerkte druk dateert van vorig jaar, en is van de hand van Reinildis van Ditzhuyzen, een historica die tegelijk ook een veredeld soort royalty watching beoefent voor de Duitse televisie.
De echte titel van het boek is “Hoe hoort het eigenlijk?”, en het werd oorspronkelijk al in 1938 geschreven door Amy Groskamp-ten Have. In dat boek staat bijna alles wat een beschaafd mens moet weten. Hoe tafelzilver geschikt wordt, hoe men zich gedraagt in een restaurant, op straat, hoe men brieven schrijft en telefoneert, wanneer men tutoyeert en vousvoyeert. 

Hier past een kleine parenthesis. Dat tutoyeren, ook op radio en tv, stoort niet enkel Mia Doornaert maar het stoorde ook de Franse filosoof Philippe Muray. Vooral een zekere Karl Zéro, presentator van het Vrai Journal op Canal+, kon hij niet luchten. Muray noemde die Zéro "un tutoyeur en série", en vervolgens trok hij een gemene parallel:
À ce propos, je ne trouve pas inintéressant que le tutoiement, en France, ait été décrété obligatoire dans les administrations par la Convention en 1793, l'année de la pire Terreur, quand le crime de masse était à son apogée, très exactement le 8 novembre 1793. Regardé jusqu'alors comme une marque de grossièreté, il est devenu à ce moment-là (très provisoirement : il déclinera vite après Thermidor) un signe de fraternisation, une marque du lien de fraternité universelle.
[In dit verband vind ik het niet oninteressant dat de jij-vorm in Frankrijk in 1793 door de Conventie per decreet verplicht werd gesteld voor de ambtenarij. Dat was het jaar van de ergste terreur, toen de misdaad massaal hoogtij vierde. Om heel precies te zijn, de 8ste november van 1793 was het. Tot dan had tutoyeren als een teken van grofheid gegolden, maar die dag werd het (zeer voorlopig: na Thermidor zal het snel weer bergaf gaan) een teken van verbroedering, een alomvattende uiting van de broederband.]

Festivus festivus, conversations avec Élisabeth Lévy  Librairie Arthème Fayard, 2005, pp. 353-4


Om nu terug te komen op de Dikke Ditz: Karel van het Reve was zeer te spreken over dit boek. Wellicht omdat het zo mooi geschreven is, in prachtige volzinnen, zoals u trouwens zelf kunt nagaan dankzij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Amy Groskamp-ten Have schreef bijvoorbeeld: “Moeders die haar dochters toestaan om ten aanschouwe van jan-en-alleman zich nagenoeg geheel ontkleed in gezelschap van jongelieden in de meest ongewenste houdingen te vertonen, dienden van overheidswege te worden beboet.” Wij moderne lezers zien hier een voorafschaduwing van de gasboetes.

Maar hoe volledig Amy Groskamp-ten Have, en vervolgens Reinildis van Ditzhuyzen ook zijn geweest met hun etiquetteregels, toch verwachtte van het Reve dat er in het boek nog bepaalde lacunes zouden voorkomen. Zo dacht hij terecht dat een hoofdstuk “Hoe gedraag ik mij op het naakstrand?” zou ontbreken. Hij maakte dan zelf maar een schets:

9 augustus 1963

9 december 2012

Het probleem met literaire weduwen


Nogal wat mensen verwonderen zich over de ingreep die Kristien Hemmerechts pas deed, en deze mensen vinden dat haar actie aan censuur gelijkstaat.
Zo twitterde Johan Van Overtveldt van Trends: “‏Vreemd. Kristien Hemmerechts verbiedt opvoering van een stuk gebaseerd op werk van haar man H. De Coninck. Begrenzing van artistieke vrijheid?!”
En Ellen Provoost van Het Laatste Nieuws plaatste dit op Facebook:

(klik om te vergroten)

Inderdaad, het betreft hier een inperking van de artistieke vrijheid. Maar of ons dat sterk moet verwonderen, betwijfel ik want Kristien toonde zich eerder al voorstander van censuur.
Interessanter is de vraag, of wij deze neiging aan de persoon van Hemmerechts zelf moeten toeschrijven. Zou het niet ook kunnen, dat wij hier te maken hebben met een breder probleem, dus niet enkel met haar, maar met de meeste literaire weduwen?
Al in het jaar 1984 was Karel van het Reve deze laatste stelling toegedaan:


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html