31 december 2013




Alle lezers speciaal ook een gelukkige 25ste mei gewenst !


30 december 2013

Economie is transcendentaal


Eind jaren vijftig verscheen in Amerika “When Prophecy Fails”, een boek met een lange ondertitel: “A Social and Psychological Study of a Modern Group that Predicted the Destruction.” Auteurs waren Leon Festinger, Henry Riecken en Stanley Schachter en het ging inderdaad over een groep gelovigen die het einde van de wereld hadden voorspeld. 

De 21ste december van 1954 zou het zover zijn. Een huisvrouw uit Chicago (Dorothy Martin; 1900-1992) had via écriture automatique hierover berichten ontvangen, afkomstig van de planeet Clarion. Gelukkig echter: net voor de wereld in een vloedgolf zou verzuipen, zou haar groepje gelovigen door een ruimteschip worden opgepikt.
Wat onze huisvrouw niet wist, was dat zich tussen haar volgelingen ook een paar ongelovige observators hadden genesteld.

Toen nu de grote dag was aangebroken, en er zich na middernacht geen ruimteschip leek aan te melden, kreeg zij in de vroege ochtend, alweer via écriture automatique het verlossende bericht dat God had besloten om de planeet Aarde alsnog te sparen.

In besloten gemeenschappen komen zulke non-events wel meer voor, en vaak leggen zulke groepen dan uit, dat juist door hun actie, door hun gebed of wat dan ook, het onheil op het nippertje werd afgewend. Festinger schreef later nog een boek: “A Theory of Cognitive Dissonance”, waarin hij dit coping mechanism helemaal uit de doeken deed.

Nu moest ik gisterenmiddag aan dit laatste boek denken (wijlen prof. Hugo Van den Enden had het me nog doen lezen) toen ik Herman Van Rompuy bezig hoorde op VTM. Ik zag het gesprek op de pc, en de naam van de uitstekende journaliste ken ik helaas niet, waarvoor mijn excuus.
Ook Herman Van Rompuy had het over een reëel evenement, dat evenwel niet had plaatsgehad. Vermoedelijk kwam dat, zoals bij Dorothy Martin, door de werking van de gebeden van hemzelf en zijn groepje gelovigen: 

VTM: U zegt: 2013 is het jaar dat Europa de crisis heeft overwonnen. Hoe gaan we dat merken?
President Herman: Wel, u gaat dat ook merken vanaf volgend jaar. De economie is aan het hernemen, eigenlijk al in de loop van 2013, en hoop ik, nog sterker volgens alle vooruitzichten in 2015. We gaan dat niet onmiddellijk merken op het vlak van de werkgelegenheid, daar is altijd een soort van tijdsafstand tussen herneming van de economie en het aanwerven van mensen.  Maar, waar men het nog best aan zou kunnen merken   –maar dat heeft zich niet voorgedaan– is het volgende: mochten wij de eurozone niet stabiel gehouden hebben, mocht de eurozone uit mekaar zijn gevallen, dan zaten wij hier nu gewoon niet! Dan hadden we niet alleen een recessie, maar ook een depressie. Dus dat merken de mensen niet, omdat het zich niet heeft voorgedaan, maar het is dan wel even reëel.
VTM: Ja, u zei het daarnet al, de jobs, daaraan gaan we het in elk geval niet merken.



22 december 2013

Tussen emotie en ratio is de koek niet eerlijk verdeeld


In een column in De Tijd van zaterdag lezen we over onzingesprekken en over slordig redeneren aan de feesttafel.  “Ampele graden alcohol volstaan daartoe al.
 “Ampel is een mooi woord, en het heeft iets erudiets ook, maar hier had het spijtig genoeg niets te zoeken. We begrijpen wel wat de columnist wil zeggen, maar het had beter gekund.

Het bovenstaande is een detail, maar even verder spreekt de auteur (als mens met  “meer eruditie, ervaring en opzoekingsuren op de teller) over de  “nanoseconden waarin onze geest werkt om emotionele beslissingen achteraf voor onszelf rationeel te verrechtvaardigen.
“Nanoseconden” vind ikzelf minder mooi dan “ampel” maar even erudiet klinkt het zeker, bij goed gebruik. Dit is hier echter niet het geval want er is in ons hele zenuwstelsel geen elektrochemisch proces bekend dat met zulke snelheid signalen kan doorgeven of verwerken. Het gaat altijd om een tijdsspanne van ongeveer 0,1 seconde, zijnde honderd miljoen van die nanoseconden. Zenuwcellen werken met een frequentie van ongeveer 10 hertz, zou je kunnen zeggen als het wat geleerder mag klinken.

Ook vernemen we dat in onze hersenen de rationele beslissingen maar 0,04 procent van de beschikbare tijd in beslag nemen. De rest van de tijd, 99,96% dus, hebben ze nodig om onze emotionele beslissingen rationeel te justificeren. Rationele seconden zijn er bijgevolg niet veel per etmaal.
De aangehaalde percentages getuigen van een bijzonder precieze kennis. Twee decimalen is een nauwkeurigheid die je normaal enkel bij kiespeilingen ziet. Waar mag deze accuratesse toch vandaan komen?

Dat vernemen we gelukkig ook: uit de popwetenschap. Namelijk uit het “fenomenale” boekje van William Gladwell, “The Tipping Point”, nog van het jaar 2000. Destijds een bestsellertje dat in de wetenschappelijke wereld helaas weinig bijval oogstte maar zijn auteur niettemin flink wat heeft opgebracht.

 “Cave hominem unius libri” las ik eens boven de ingangspoort van een bibliotheek. In de plaats van “cave” zie je ook wel “timeo”. Een woord van Thomas naar het schijnt: kijk uit voor de man van één boek, of vrees die man.

En Alexander Pope viel hem bij:

A little learning is a dang'rous thing
Drink deep, or taste not the Pierian spring:
There shallow draughts intoxicate the brain,
And drinking largely sobers us again.


Stukje eerder verschenen in Doorbraak


18 december 2013

De Piano en het Krukje


Michèle Tribalat, auteur en directeur bij het Franse onderzoekscentrum INED (Institut National des Études Démographiques), was zaterdag te gast bij Alain Finkielkraut in zijn uitzending Répliques.
Ze had een mooie omschrijving voor de inspanningen die de eigengereide “classes politiques” leveren, om toch vooral geen rekening te moeten houden met de wensen van de oorspronkelijke Franse of Europese bevolking:

Michèle Tribalat : Dans les élites politiques, notamment au niveau européen, il y a une anticipation du déclin démographique des forces vives européennes. L’Europe compte sur l’immigration pour que la population européenne perdure et donc elle s’attend à une Europe de plus en plus plurielle et diversifiée au niveau de son peuplement, et donc elle cherche en fait, enfin les autorités européennes cherchent à adapter les populations européennes à la diversité. C’est-à-dire que, si vous voulez, au lieu de déplacer le tabouret pour l’approcher du piano, c’est le piano qu’on va essayer de rapprocher du tabouret.
Alain Finkielkraut : Oui, et en plus le tabouret devient de plus en plus grand, presque aussi grand que le piano.
Michèle Tribalat : Voilà.




Michèle Tribalat : Bij de politieke elite, in het bijzonder de Europese, voorziet men een demografische terugloop van de productieve Europese krachten. Europa [bedoeld wordt, meen ik de EU] rekent op immigratie om de Europese bevolking te laten voortbestaan, en wat betreft de samenstelling van de bevolking verwacht men een steeds meer verscheiden en gediversifieerd Europa.
En feitelijk probeert men dus –tenminste, de Europese autoriteiten proberen datom de Europese bevolking zich te laten aanpassen aan de diversiteit. Dat komt erop neer als u wil, dat men in plaats van het krukje dichter bij de piano te brengen, het de piano is die men dichter bij het krukje probeert te krijgen.
Alain Finkielkraut : Ja, en komt daarbij dat het krukje alsmaar groter wordt, bijna even groot als de piano zelf.
Michèle Tribalat : Zo is dat.

Stukje eerder verschenen op Doorbraak

10 december 2013

Waartoe dient een cultuurzender?


Elke zondagnamiddag, al meer dan een jaar loopt op France Culture de uitzending Le Gai Savoir. Die fröhliche Wissenschaft of la gaya scienza dus. Een tweegesprek tussen Raphaël Enthoven en Paola Raiman.
De formule is zeer fragiel want Paola Raiman kwam als zeventienjarige lycéenne in het programma bij Enthoven, gechevronneerde filosoof, product van de École normale supérieure, maître de conférences en ook –maar dat doet hier niets ter zake– vader van het eerste kind van Carla Bruni.

Paola en Raphaël spreken elkaar met de voornaam aan, maar vanzelfsprekend vousvoyeren ze altijd. Hun programma duurt een uur en het onderwerp is een klassieke tekst. Zij stelt de vragen of doet suggesties of legt verbanden met weer andere teksten. Hij geeft uitleg, interpreteert en associeert in een duizelingwekkend tempo, of stelt als een Socratische vroedmeester zelf weer vragen. Maar beiden zijn volstrekt gelijkwaardig en hun gesprekken over Rousseau, Plato, Schopenhauer, Kant, Lucretius, Orwell kunnen alle richtingen uitgaan.
Laatst was Montaigne het onderwerp, Essai viii van Boek III, "De l'Art de Conferer", maar aangezien hierover zoveel te zeggen valt, trokken ze er twee uitzendingen voor uit. Twee weken Montaigne dus, als manna in de woestijn.

Denkend aan de vraag van Montaigne “Que scais-je?”, kwam in het gesprek plots de vraag op of de luisteraars van France Culture intelligenter waren, of alleszins “moins cons que les autres”. Enthovens antwoord kan dienen als beginselverklaring voor om het even welke cultuurzender:

Paola: Ce n'est pas parce qu’on écoute France Culture qu’on est moins con que les autres, enfin qu’on est plus intelligent.
Raphaël: Non, ce n’est pas ça, c’est que: il faut écouter France Culture, c’est la meilleure radio qui soit et vive France Culture et vivent les auditeurs toujours plus nombreux de France Culture.
Mais! il faut écouter France Culture parce qu’on y apprend notamment que ce n’est pas parce qu’on écoute France Culture qu’on est moins con que les autres, justement. Et que enfin une radio qui admet le fait que la culture qu’elle transmet n’est pas une garantie contre la bêtise, si vous voulez. C’est ça l’intérêt de France Culture en occurrence.
Disons qu’un spectateur de TF1 qui ne doute pas de la nullité de ce qu’il regarde est peut-être de meilleure compagnie qu’un auditeur intégriste, comme il y en a, de France Culture qui ne doute pas de la qualité de ce qu’il écoute.
Voilà, c’est la seule différence si vous voulez. Mais c’est une différence fondamentale. Si l’on réduit la bêtise à ces deux déterminations qui sont, un la bêtise de l’ignorant et deux la bêtise du savant, la bêtise du savant est beaucoup plus redoutable que celle de l’ignorant parce qu’elle est incurable. Parce que le savant est déjà guéri, parce qu’il croit qu’avec l’intelligence il a cessé d’être bête, avec la culture il a cessé d’être ignorant.
Or Montaigne qui est l’homme le plus cultivé de son temps, ne cesse de demander ce qu’il sait, de dire « Que scais-je ? », de le brandir comme un étendard. Et Montaigne qui est l’homme le plus intelligent de son temps ne cesse de décrire ses propres travers et son incapacité propre à supporter la bêtise, où sa propre bêtise se reconnaît.



Paola: Het is niet omdat je naar France Culture luistert dat je minder stom of intelligenter bent dan de anderen.
Raphaël: Inderdaad niet, maar intussen moet je wel naar France Culture luisteren, het is gewoon de beste zender, en leve France Culture en leve de almaar talrijkere luisteraars van France Culture.
Maar! naar France Culture moet je luisteren, precies omdat je daar leert dat door naar France Culture te luisteren, je toch niet je minder stom wordt dan de anderen, en omdat het een zender is die toegeeft dat, zo je wil de cultuur die hij overbrengt geen bescherming biedt tegen dwaasheid.
Daarin zit hem toevallig het belang van France Culture. Neem een kijker van TF1die er niet aan twijfelt dat wat hij bekijkt beuzelarij is: die is misschien beter af dan een onkreukbare luisteraar van France Culture –en die zijn er– die geen enkele twijfel heeft bij de kwaliteit van wat hij hoort.
Dat is het enige verschil kun je zeggen. Maar wel een fundamenteel verschil.
Als we de stompzinnigheid beperken tot twee soorten, namelijk die van de dwaas en die van de geletterde, dan is de stompzinnigheid van de geletterde veel meer te duchten dan die van de dwaas, want zij is ongeneeslijk. De geletterde is immers al genezen, want hij gelooft dat door zijn intelligentie er een eind is gekomen aan zijn stompzinnigheid, en door zijn cultuur aan zijn onwetendheid.
Terwijl Montaigne, de meest gecultiveerde man van zijn tijd, zich zonder ophouden afvraagt wàt hij dan wel weet, en met “Wat weet ik?” als vaandel zwaait. En Montaigne, de verstandigste man van zijn tijd, beschrijft zonder ophouden zijn eigen tekortkomingen en zijn eigen onvermogen om de dwaasheid te verdragen, waarin zijn eigen dwaasheid zichzelf herkent.

2 december 2013

Een kerstliedje


Nu zoals elk jaar de mooie stad Gent weer dichtslibt met afzichtelijke houten barakken voor de kerstmarkten –a newly invented tradition– kan het geen kwaad als wij eens luisteren naar een kerstlied dat Tom Lehrer in maart 1959 in Harvard ten gehore bracht.





Lehrer was daar docent wiskunde toen (statistiek meen ik), en soms deed hij een optreden "for college audiences". Hij zingt nu al lang niet meer, maar sinds ik zijn drie live-LP’s leerde kennen in de sixties, heb ik ze tientallen keren beluisterd, tot ik ze van buiten kende eigenlijk.

Al zijn liedjes zijn tegenwoordig op cd, op youtube &c. te vinden.
Lehrer zong niet graag voor een zaalpubliek beweerde hij, maar hij deed het toch, gedreven als hij was door idealisme:
"If, after hearing my songs, just one human being is inspired to say something nasty to a friend, or perhaps to strike a loved one, it will all have been worth the while."

25 november 2013

Televisie moet het van het beeld hebben


De lichtheid van de babbeltjes die je op de tv te horen krijgt in politieke programma’s is meestal goed verteerbaar op voorwaarde dat je aandacht afgeleid raakt door het beeld. Af en toe krijg je op de achtergrond misschien een aantrekkelijke vrouw te zien, een glimp volstaat, ongeveer zoals bij de Elisabethwedstrijd waar je soms een bepaalde violiste van het orkest wil zien die helaas maar af en toe verschijnt maar je wel het hele concert doet uitkijken. Een andere goede mogelijkheid is dat er op de voorgrond een vent zit die juist door zijn lelijkheid weer interessant wordt.

Al te vaak echter maken we het mee dat geen van beide gunstige factoren voorhanden is, en de kijker bijgevolg aan verveling en ergernis wordt overgeleverd want hij hoort nu wat hij hoort, als was het radio:

Ivan De Vadder: Als je zelf een peiling moet houden om te zeggen dat je goed bezig bent, dan ben je niet goed bezig.
Steven Samyn: Ja, inderdaad ja de, ja de, het Vlaams Belang is, is gewoon volledig dood gewicht geworden. Een zweeppartij, maar een zweeppartij die een kwart van de stemmen haalt daar doe je iets mee. Een zweeppartij die met de tien procent flirt, ja als je, je moet zeggen, een beetje later in dat fragment zei hij, Gerolf Annemans: wij doen aan verandering, verjonging, inhoudelijke vernieuwing. En dan heb ik zoiets… ja de partij is tegen de islam, tegen de immigratie, tegen de Europese Unie…
Ivan De Vadder: Filip De Winter maakt vandaag bekend dat hij zijn dochter in Wallonië wil op een lijst, Vlaams Belanglijst zetten. Dat is wel verjonging en vernieuwing.
Steven Samyn: Ja maar dan zie je, da’s zo een schreeuw om aandacht. Partijen die in de, in de problemen zitten, waar de media nie meer spontaan naartoe gaan, die niet de talk of town zijn, die proberen de meest waanzinnige ideeën naar voren te schuiven. Da’s een leuk ideetje dat vandaag gelanceerd wordt en dat morgen weer…
Ivan De Vadder: Maakt dat een kans, mevrouw Lamquin…

Dat was De Zevende Dag, en beeldgewijs was er met geen van beide heren iets mis, het beeld was neutraal, de interviewer spreekt bovendien goed en ook Samyn trekt op dat gebied min of meer zijn streng. Maar dan loert zoals gezegd het gevaar dat de kijker op de inhoud begint te letten.

Die eerste vraag zou je zonder veel slechte wil als a leading question kunnen omschrijven: het antwoord zat er al in vervat. Maar misschien was dit bedoeld als een soort beleefdheid, om Samyn het niet te moeilijk te maken en hem op zijn gemak te stellen.
Steven bevestigt inderdaad opgelucht en blij, maar raakt helaas meteen daarna op drift met zijn “daar doe je iets mee”. Dat is natuurlijk een leugen, of in zijn geval misschien een vergeetachtigheid, want al heb ik niets tegen een cordon sanitaire, een cordon médiatique is heel iets anders en Steven moet daar ooit al van gehoord hebben.
Maar na zijn, alles bijeen, toch sterke begin wordt Steven ronduit onvoorzichtig. Partijen zomaar wegzetten die in een peiling (!) net onder de tien procent blijven –en in andere peilingen weer niet– is niet bijster verstandig. Zeker zullen ook bepaalde andere partijen dit niet graag gehoord hebben. Partijen die net in het stemhokje daaronder blijven en met de kiesdrempel “flirten” zoals hij dat zo mooi zei.
Verder lijkt Steven te denken dat partijen die “verjongen en vernieuwen” meteen heel hun programma opzij zullen zetten, of dat toch behoren te doen.
Dat doen partijen inderdaad wel eens, Steven: ze voeren dan belastingen in die ze zelf even later weer “pestbelastingen” noemen, tegen elke ministeriële collegialiteit in. Of ze zeggen dat de befaamde “Burgermanifesten” maar om te lachen waren.
Maar nu stel ik het geheugen van onze jonge vriend al te zeer op de proef.



Stukje eerst verschenen op Doorbraak

23 november 2013

Zelfs als het over kunst gaat kan radio interessant zijn


Laatst schreef Mia Doornaert een column in De Standaard, met als titel: "Europa is cultuur". Volkomen juist. Wel maakte Doornaert de fout om volgende grappige uitspraak aan Joseph Goebbels toe te schrijven: "Als ik het woord cultuur hoor, grijp ik mijn revolver". Nu zij geen journaliste meer is, wordt het voor haar stilaan tijd om de goede gewoontes van bloggers over te nemen en bronnen te checken. Meestal legt men Göring die uitspraak in de mond, even verkeerd als Goebbels maar hun twee namen worden door journalisten begrijpelijkerwijs wel eens verward omdat ze met dezelfde letters beginnen. Simpelweg Wikipedia kan hier al goede diensten bewijzen: Hanns Johst (1890-1978): Aus seinem “Schlageter” stammt die fälschlich Hermann Göring zugeschriebene Aussage: „Wenn ich Kultur höre ...entsichere ich meinen Browning“ (1. Akt, 1. Szene).


Maar daar gaat het nu niet om: de stelling in haar column is zoals gezegd volkomen juist, en ze wordt door iedereen onderschreven die niet zelf op het Schumanplein werkt. Dus ook door Régis Debray, zoals hieronder te lezen. De uitzending Répliques van Finkielkraut waaruit dit fragment komt, ging eigenlijk over "kunst", bijvoorbeeld over de onnozele Opblaashondjes van zekere Jeff Koons en dergelijke dingen. De alhier befaamde Mosselpot van Jan Hoet (en enigszins ook van Marcel Broodthaers) kwam niet ter sprake bij Finkielkraut, maar ook  zonder dat was het vanmorgen toch weer interessant, en Mia Doornaert zal met genoegen haar stelling horen bijtreden:

Régis Debray: Excusez-moi, mais là il faut revenir à Malraux. Malraux est un homme qui a interrogé sa culture à travers la culture des autres et notamment la culture de l’Orient. Il faut rappeler que le musée imaginaire de Malraux est un musée mondial. Or il se trouve que la Renaissance n’a pas été ottomane que je sache. Elle a été italienne. Et c’est la Renaissance qui a vu la naissance de la notion d’art, de beauté, de critique d’art, d’histoire de l’art. Monsieur Erdoğan ne doit pas être très sensible à notre notion d’art, avec ce qu’elle implique d’originalité individuelle, de culture des profondeurs, de singularités. Le régime de singularité pour lui n’existe pas, donc monsieur Erdoğan, pour qui le culturel ne fut qu’un petit intermède occidental entre deux stades du cultuel, revient à son culte et considère que un culte doit en remplacer un autre, et que ce que nous avons appelé culture, n’a pas eu de place comme un moment historique significatif. Voilà donc quelque chose qui peut remettre, relativiser notre indignation ou notre stupeur devant cette incroyable métamorphose. Mais vous savez, moi, il y a un mot que j’aime bien –excusez-moi je le dois à Spengler, qui a très mauvaise réputation– c’est le mot de « pseudomorphose » qui est un terme de cristallographie. C’est-à-dire qu’il y a des minéraux qui gardent un aspect, une enveloppe extérieure mais dont la structure a changé complètement. On a une pseudomorphose de l’école par exemple. C’est vrai que ça s’appelle encore éducation et école: c’est autre chose. On a une pseudomorphose de l’état. On parle de l’état, bon, mais on ne voit pas que derrière la façade tout a changé. C’est plus le même mobilier. Donc, n’utilisons pas tous azimuts une notion très occidentale et très singulière qui est celle d’art.
Alain Finkielkraut: Alors d’accord Régis Debray, vous dites, relativisons notre indignation, parce que notre civilisation n’est pas universelle. Elle a –je vais reprendre un terme qui vous est cher– elle a des frontières. Et elle doit le savoir. La frontière c’est en effet l’apprentissage de la modestie avant d’être une attitude d’exclusion…
Régis Debray: …et la reconnaissance de l’autre en tant qu’autre.
Alain Finkielkraut: …en tant qu’autre. Très bien, mais cela veut dire que une frontière passe entre l’Europe et la Turquie.
Régis Debray: Oui, absolument.
Alain Finkielkraut: Donc l’intégration de la Turquie dans l’Union Européenne serait tout de même une chose assez étrange, et demanderait à l’Europe de se séparer définitivement –il est vrai que ses fonctionnaires y œuvrent déjà– de la civilisation Européenne. Et tant qu’il y a en Europe une civilisation Européenne qui en fait la substance, en fait la définition, la frontière existe et monsieur Erdoğan se charge de nous le rappeler tous les jours.
Régis Debray: Je ne suis pas, comme vous Européocentrique, mais je constate qu’effectivement le monde ottoman et le monde turque n’a rien à faire dans l’Europe.
Alain Finkielkraut: Je ne suis pas Européocentrique, je suis Européen!
Régis Debray: Je disais ça pour vous taquiner, mon cher. Non mais c’est… je suis d’accord avec vous, il y a là une frontière entre le monde ottoman. Qu’est-ce que la Turquie a apporté à l’Europe centrale et balkanique qu’elle a dominée pendant des siècles? Pas grand-chose. En tout cas pas d‘œuvres d’art majeures en dehors des minarets.
Alain Finkielkraut: Bien mais écoutez, nous en restons là sur ce sujet…
Jean Clair: ...Hautement géopolitique et donc polémique… revenons à nos moutons.
Alain Finkielkraut: …ce sujet très explosif et sur lequel j’aurai l’occasion de revenir dans d’autres émissions bien sûr.




Wil Vlaanderen nog van België weten?


Véronique Lamquin, chef politiek bij Le Soir, schreef een mooi stukje over harteloze koude Vlamingen, en over de grote morele waarden die de Francofonen koesteren. Je kunt haar artikel natuurlijk beter in het Frans lezen, maar ik heb het toch maar vertaald, omdat ik in de laatste Villa Politica een Nederlandstalige minister een soort Frans heb horen spreken dat mij deed vermoeden dat zij nog niet vaak een artikel in Le Soir, La Libre &c. zal gelezen hebben.

La Flandre veut-elle encore de la Belgique?

Een N-VA die op 31,2% staat, kan men daar nog omheen? Democratisch gesproken is het antwoord eerder neen. Hoe zou men, voor de tweede keer nog wel, de stem van bijna een derde van Vlaanderen kunnen negeren? Als de uitslag van de peiling bevestiging krijgt in het stemhokje, dan lijkt het politiek heel moeilijk te zullen worden om opnieuw een federale regering te vormen die in Vlaanderen niet over een meerderheid beschikt.

Maar eigenlijk zit de echte les van deze peiling minder in de consolidatie van de N-VA, dan in de visie die Vlaanderen heeft geuit op de toekomst van het land. Bart De Wever heeft het confederalisme, tot nog toe een wat vaag begrip, gedefinieerd: het gaat om een België dat door de twee gewesten is gevild. Onmogelijk hier niet van op de hoogte te zijn, de media hebben het nationalistische Vlaamse project uitvoerig becommentarieerd. Men mag er dus redelijkerwijs van uitgaan dat als vier Vlamingen op de tien voor de confederale stellingen gaan, zij dat met kennis van zaken doen. Maar als hierover toevallig toch nog enige twijfel zou bestaan, dan zal de rest van onze vragenlijst licht brengen. Dubbelzinnigheid over het goede begrip van de vraag over de sociale zekerheid is uitgesloten: bent u voor of tegen de splitsing ervan? Vóór, zeggen koudweg 55% van de Vlamingen. De sociale zekerheid splitsen is de solidariteit verbreken tussen de Belgen, rijk en arm, ziek of gezond, jong of oud. Dat is België afmaken op het altaar van het egoïsme van de portefeuille of de ideologie. Wat betreft Brussel zijn de resultaten al even verbluffend. De N-VA wil aan de Brusselaars een identiteitskeuze opleggen: Franstalig of Nederlandstalig, wat naderhand bepalend wordt voor hun fiscaal of sociaal stelsel, hun onderwijs, hun stemrecht. Ziedaar wat op de creatie van subnationaliteiten neerkomt, in een gebied dat teruggebracht wordt tot het statuut van sub-regio. Ziedaar wat 54% van de Vlamingen bekoort, duidelijk gewonnen als zij zijn voor een gezamenlijk bestuur van de hoofdstad door de twee gemeenschappen, met miskenning van de mening van de Brusselaars.

Deze cijfers hebben de verdienste dat ze helder zijn. De Francofonen met diametraal tegengestelde opvattingen doen er goed aan ze niet achteloos weg te vegen. Integendeel moeten zij ons eraan herinneren dat de communautaire vrede wellicht oppervlakkig is. En dat we een Vlaanderen dat niet meer alle waarden van het Zuiden deelt, misschien niet tot in lengte van dagen onder het Belgische dak kunnen houden.

15 november 2013

Een geleerde spreekt: niks islam, het gaat om een breuklijn die zich op een ander niveau bevindt


Vroeger aan de universiteit had je wat je noemde studentencursussen. Ik weet niet of de term nog bestaat. Het waren gestencilde notities die studenten zelf hadden gemaakt bij de colleges van proffen die geen gedrukte cursus of handboek hadden, maar enkel lesgaven. Deze uitgeslapen en ijverige studenten verkochten hun notities aan medestudenten, die vaak niet in de mogelijkheid verkeerden om deze lessen bij te wonen, bijvoorbeeld omdat ze te vroeg op de ochtend vielen. Vaak echter waren het gebrekkige of onvolledige weergaven van wat de geleerde lesgevers in werkelijkheid hadden verteld, maar beter dat dan niets.
Tegenwoordig is dit wel anders. Als nu een prof lesgeeft, kan iedereen een opname daarvan beluisteren en, als hij de behoefte daartoe voelt, die ook rustig transcriberen. De wijsheden en soms verrassende inzichten die je dan leest zijn volkomen waarheidsgetrouw:


Lieven Verstraete (Terzake donderdagavond, na 22'55"): […] professor Jo Van Steenbergen en toch, vandaag in Irak bijvoorbeeld 57 doden door religieus geweld, ten gevolge van het eind van die ashura. Hoe valt dat te verklaren eigenlijk?
Jo Van Steenbergen: Wel ik denk niet daje die doden die vallen in Irak, in de context van ashura kan herleiden tot een soenni-sjiïschisma, of de essentie van het geloof soennieten-sjiieten. Zo zie je het ook in deze mooie reportage, dat au fond het gaat in beide gevallen om moslims, mensen die beiden geloven dat er één god is, en dat zowel mo… zowel soennieten als sjiieten onderworpen zijn aan die wil van die ene god.
Lieven Verstraete: Ja, maar der is wel, der is wel, in 680 was die moord denk ik, een schisma ontstaan toch hé?
Jo Van Steenbergen: Der is daar inderdaad een tweedeling in die gemeenschap ontstaan, waarin we vandaag de dag zien dat er een kleine groep moslims, een minderheid moslims, men schat meestal tien procent tot de sjiitische gemeenschap behoort, en de meerderheid tot de soennieten behoort. En het verschil tussen die beide en dat hebben we ook in zekere zin gehoord, ligt hem er, ligt hem eigenlijk in de namen die toegekend worden aan die twee gemeenschappen, waarbij de soennieten in de wijze waarop zij hun islam gaan invullen vooral gaan kijken naar het voorbeeld van de profeet, wat men de soenna noemt…
Lieven Verstraete: Ja, goed…
Jo Van Steenbergen: …terwijl de sjiieten hun naam afleiden van de term sjiat Ali, de partij van Ali, niet enkel gaan kijken naar het voorbeeld van de profeet maar ook van Ali, die neef van de profeet, zijn kleinzonen en hun nakomelingen.
Lieven Verstraete: En dat schisma binnen de islam, kun je dat eigenlijk een beetje vergelijken met katholieken-protestanten bij ons, dat die scheuring er gebeurd is?
Jo Van Steenbergen: Heu, tot op zekere hoogte zeker wel, maar in de feiten, hmm, je hebt een theologisch verschil, namelijk het statuut van de imams dat binnen de sjiitische gemeenschap zeer belangrijk is als een goddelijk …als een kanaal naar het goddelijke, wat door de soennieten absoluut niet aanvaard wordt, en anderzijds ook in de praktijk waar er enkel kleine verschillen zijn in hoe die islam beleden wordt, hoe men een goede moslim kan zijn. En daarnaast heb je ook geografische, geopolitieke verschillen in de wereld van vandaag waarbij wij allemaal weten dat de staat Iran inderdaad in meerderheid sjiitisch is, terwijl veel landen in het Midden-Oosten daarnaast soennitisch zijn.
Lieven Verstraete: Ja, dus het heeft ook politiek gevolgen tot de dag van vandaag, maar wat mij ook opviel in die reportage was die man die zei van ja, wij beleven dat alsof het pas gisteren gebeurd is. Een moord van duizend vierhonderd jaar geleden.
Jo Van Steenbergen: Inderdaad, en dat is de essentie van heel het ritueel natuurlijk. De figuur Hoessein is cruciaal in het sjiitische geloof, als diegene die zijn leven bijna heeft gegeven op dat moment, in 680, de tiende van de eerste maand van het jaar 61van de islamitische jaartelling, voor de hele sjiitische gemeenschap. En door zijn opoffering, door zijn zuiverheid waarin hij standvastig is opgekomen voor zijn geloof, is hij al het ware zo dicht bij god gekomen, dat hij tot op de dag van vandaag gezien wordt als iemand die bemiddelt voor alle gelovigen. En door dat ritueel te herbeleven, door in een trance te komen, waardoor men zo dicht mogelijk bij Hoessein komt, ziet men dat als een manier om inderdaad zo nabij mogelijk tot god te komen.
Lieven Verstraete: Maar, om terug te komen op dat schisma tussen katholieken en protestanten, godsdienstoorlogen zoals wij indertijd hebben gehad, dat hebben wij niet meer, terwijl er vandaag, ik zeg het opnieuw, 57 mensen in Irak zijn vermoord.
Jo Van Steenbergen: Euh, ook de islam heeft in die zin zijn godsd… of, religie is een heel gemakkelijk kanaal om te gebruiken, een ideologisch kanaal om in te zetten in conflicten, strijden die op een ander niveau werken.
Lieven Verstraete: Voilà, we zeiden in het begin, dit zijn eigenlijk ook niet echt godsdienstoorlogen.
Jo Van Steenbergen: Dit zijn niet echt godsdienstoorlogen. Dit zijn, in een context Irak-Iran, Syrië vandaag de dag ook, waar dus, waar weinig zekerheden meer bestaan, waar nationale staten als het ware verdwenen zijn, waar men op zoek gaat naar andere identiteiten die vertrouwen geven, die gemeenschap vormen, waar men terechtkomt bij traditionele identiteit zoals soennieten-sjiieten. Waar Iran ook zijn rol speelt, zijn geopolitieke rol wil vergroten, zijn hegemonie gaan uitbouwen, en als dusdanig ook religie gaat gebruiken om cellen op te bouwen in andere landen, om mensen te steunen.
Lieven Verstraete: Maar met andere woorden, als het in de Arabische wereld niet echt gaat om een godsdienstoorlog, maar wel om geografisch-politieke conflicten die gevoed worden dan door de godsdienst, kunnen we dan ook zeggen bij ons: die verdeeldheid tussen soennieten en sjiieten kan nooit zo hoog oplopen, kan nooit gewelddadig worden dan ook?
Jo Van Steenbergen: Ik denk dat we vorig jaar wel een spijtig evenement hebben meegemaakt waarbij er een aanslag is gebeurd op een sjiitische moskee in Brussel, waarbij een dode is gevallen, heu, maar ook daar weer denk ik dat het niet zozeer religie is gespeeld, geweest die daar de voedingsbodem is geweest voor geweld en haat. Nee, het gaat dan weer om een breuklijn die zich op een ander niveau bevindt, en waar religieuze identiteiten dan vorm aan kunnen geven. Maar au fond, zoals we in het filmpje ook hebben gezien zijn het, gaat het in beide gevallen om moslims, die als moslim wensen samen te leven.
Lieven Verstraete: Ok, professor Van Steenbergen, van harte bedankt voor dit gesprek.
Jo Van Steenbergen: Graag gedaan.


Met mijn excuses voor dit lelijke gedrocht hierboven, maar Podbean, nochtans een betalende dienst, staat niet langer toe om een discreet groen balkje te gebruiken: gewoon een eenzijdige beslissing van hen, een smakeloze soort contractbreuk, die natuurlijk in hun kleine lettertjes voorzien was.

10 november 2013

Een verhaal uit het loden tijdperk


Kranten- en tijdschriftenbazen hoor je de laatste tijd enkel nog klagen. De mensen lezen veel op het web, helemaal gratis, kopen geen kranten meer en dan vinden zij weer geen adverteerders meer. Eigenlijk is dit diefstal zeggen ze, want journalistiek en advertenties zijn voor hen een en hetzelfde.


Laatst las ik in De Tijd nog een interview met die cross-mediale kerel van Sanoma – ik vergeet zijn naam altijd, maar Koen Meulenaere beschreef hem eens als een nog altijd in leven zijnde B-acteur uit vele zwart-witfilms. Hiermee moet hij op het web terug te vinden zijn.

En omdat we nu toch over geschiedenis spreken: was het vroeger beter?
Marie-Henri Beyle (Stendhal) schreef in 1835-36 een autobiografie: «Vie de Henry Brulard»Hij vertelt daarin, dat in het rijke gezin waar hij opgroeide (vader, grootvader, tantes en twee zussen, want zijn moeder was gestorven toen hij pas zeven was) er ‘s ochtends uit een hoop kranten voorgelezen werd.

Zijn verhaal zal de baron van Circus Sanoma maar matig bevallen, want er werd blijkbaar toen ook al gestolen. Akkoord, op kleinere schaal, maar het ging in die tijd wel om kranten en bladen waar werkelijk iets in stond.

De familie van de kleine Henri woonde in Grenoble en de kranten kwamen uit Parijs. Ze werden bezorgd door zekere mijnheer Santerre, mooie grote man die vroeger een losbandig leven had geleid, wat door de familie vanzelfsprekend werd afgekeurd:

« Hij bezorgde, ik meen om de twee dagen, of laten we zeggen als de post uit Parijs arriveerde, aan mijn grootvader vijf of zes kranten die aan anderen geadresseerd waren, en die wij nog vóór die anderen lazen. Mijnheer Santerre kwam tegen de middag, rond een uur of elf, en wij gaven hem als dejeuner een half glas wijn en brood. […]
Mijn idee dat mijnheer Santerre niet elke dag langskwam, berust op het aantal kranten dat er te lezen viel. Maar misschien was het in plaats van meerdere nummers van één krant, eerder een groot aantal verschillende kranten.
Soms, als mijn grootvader verkouden was, kreeg ik de taak om voor te lezen. Wat een onhandigheid van mijn tirannen! Het was alsof de Pausen een bibliotheek hadden opgericht, in plaats van alle boeken te verbranden zoals Omar het deed (al is er betwisting over deze mooie ingreep).
Van al deze voorlezingen, die meen ik doorgingen tot een jaar na de dood van Robespierre en die elke ochtend flink twee uur duurden, herinner ik mij niet dat het ook maar één keer is voorgekomen dat ik het eens was met de meningen die mijn huisgenoten uitspraken.
Uit voorzichtigheid zweeg ik, en als ik dan toch een keer wilde spreken, dan weerlegden ze mij niet maar legde men mij het zwijgen op. »

Kranten en bladen kunnen nog leven, maar niet als ze van circusbaronnen moeten afhangen.

Stukje eerst verschenen op de site van Doorbraak

26 oktober 2013

Generatio Spontanea nieuw leven ingeblazen


“De term «islamofobie» ontstond in de jaren tachtig en negentig”, zo begint een ontwerptekst van onder meer de senatoren Bert A. van de SP-a, en Richard Miller van de MR. De hoogwaardige Senaat zal zich buigen over hun voorstel van resolutie betreffende de strijd tegen genoemd verschijnsel.
Islamofobie, leren ons de heren, is een term die simpelweg ontstond zonder dat iemand hem heeft moeten bedenken. Een geval van generatio spontanea, zoals wormen en vliegen en zelfs muizen spontaan uit een oude afvalberg kunnen voortkomen. Ook leren we dat de term niet ineens maar op minstens twee momenten is ontstaan, toevallig nog wel in twee op elkaar volgende decennia.

Een dergelijk ontstaansproces is onvergelijkbaar met bijvoorbeeld een uitvinding, neem die van de stoommachine of nog die van het warme water. Deze laatste uitvinding heeft met de spontaan ontstane term wel het kenmerk gemeen dat zij niet één keer, maar verschillende keren is gedaan – weliswaar niet door Bert A. of Richard M.
En zeker kan ook een uitvinding een toevallige ontdekking zijn, eerder dan het gevolg van een zoekproces, maar dan ontbreekt toch het kenmerk van de spontaneïteit. Bij de herkenning van het ongewone àls ongewoon is er sprake van een scheppend moment.

Ik zou aan doctorandus Bert, die met het begrip bronnenonderzoek mogelijk nog niet volkomen vertrouwd is, willen vragen wat hij denkt van deze bewering:


De term «islamofobie» werd uitgevonden en gepropageerd vroeg in de jaren negentig, door het «International Institute for Islamic Thought (IIIT)», een dekmantel van de Moslimbroederschap. Abdur-Rahman Muhammad – die lid was van de IIIT toen de term formeel werd ontworpen, en daarna afstand heeft genomen van hun ideologie – onthult nu wat de oorspronkelijke bedoeling was achter het concept «islamofobie»: “Deze verwerpelijke term is niets meer dan een stoplap die de ideeën moet sturen, bedacht in de schoot van de moslim think tanks, en met als bedoeling critici uit te schakelen.”

Drs. Bert kan deze tekst met vrucht eens terugvertalen naar het Engels – altijd een nuttige oefening – en dan zal hij op Google nog veel meer interessants vinden. Helaas weinig over zijn generatio spontanea.
Over zijn maat Miller zwijg ik verder, al zijn diens wijsheden ook wel interessant, bijvoorbeeld waar hij het heeft over de superioriteit van het Frans boven de Germaanse talen. Geïnteresseerden kunnen ze hier vinden.


Stukje verschenen op Doorbraak

BBC Newsnight


Jeremy Paxman spreekt met Russell Brand, een Engelse komiek die zich met politiek wil inlaten en die hier bij ons ernstig wordt genomen door bijvoorbeeld David Van Reybrouck. Het volledige interview kunt u hier zien, maar ik transcribeerde enkel een klein stukje, beginnend na 2’09”.

Mijn voorstel is om met commentaar te wachten tot we gehoord hebben wat dr. Anthony Daniels, beter bekend als Theodore Dalrymple hiervan vindt.

JP: When did you last vote?
RB: Never.
JP: You’ve never ever voted?
RB: No. Do you think that’s really bad?
JP: So you struck an attitude, what, before the age of eighteen?
RB: Well, I was busy being a drug addict at that point, ‘cause I come from the sort of social conditions that are exacerbated by an indifferent system that really just administrates for large corporations and ignores the population it was voted in to serve.
JP: You’re blaming the political class for the fact that you had a drug problem?
RB: No no no! I’m saying I was part of a social and economic class that is underserved by the current political system, and drug addiction is one of the problems it creates. When you have huge underserved, impoverished populations, people get drug problems, and also don’t feel like… they don’t want to engage with the current political system because they see that it doesn’t work for them, they see that it makes no difference, they see that they’re not served.

19 oktober 2013

Catalonië: kan men regeren tegen 80% van de burgers in?


Onderstaande tekst, van de Franse Catalaan Patrick Roca, is een vertaling uit het Frans

Vaak zegt men dat het probleem van België is dat er in eenzelfde Staat twee democratieën huizen, met alle blokkeringen die dit meebrengt. Hetzelfde geldt voor Catalonië en Spanje.  Van de Catalanen voelen 58% zich enkel of vooral Catalaan (7% enkel of vooral Spanjaard). Madrid van zijn kant is geneigd om Catalonië te zien als een min of meer vreemde en weinig betrouwbare provincie: toen de Spaanse onderneming Endesa opgekocht dreigde te worden door het Catalaanse Gas Natural, reageerde de voorzitster van het regionale bestuur van Madrid met de waarschuwing dat Endesa “het nationale grondgebied niet mocht verlaten”. Die Catalaanse provincie dient dus verspaanst te worden, wat onlangs de Spaanse minister van nationale opvoeding nog bevestigde (“we hebben er belang bij om de Catalaanse kinderen te hispaniseren”), ter rechtvaardiging van haar voornemen om het Spaans als onderwijstaal op te leggen.

Het grondige verschil met België is dat Catalonië maar goed is voor 15% van de Spaanse bevolking, en dus over geen enkel juridisch noch politiek instrument beschikt om zijn voortbestaan als natie te verzekeren, omdat het bij geen van de beslissingen van de centrale Spaanse regering zijn gewicht beslissend kan laten gelden. De prijs die Catalonië aan Spanje moet betalen is dus heel wat hoger dan de paralysie en inefficiëntie die men in België ziet: het is de assimilatie en verstikking. Assimilatie door het wegvlakken van zijn bevoegdheden en de kenmerken van zijn identiteit. Verstikking door het op gang houden van massieve transfers die de competitiviteit van de Catalaanse economie en het voortbestaan van de sociale zekerheid in gevaar brengen.

Beginnen we bij de assimilatie. Volgens bepaalde politicologen zou Spanje een van de meest gedecentraliseerde staten van Europa zijn. In dat geval kun je moeilijk spreken van assimilatie. Nochtans kan men vanuit juridisch standpunt grote vragen stellen bij deze analyse, zoals Ferran Requejo, professor politieke wetenschappen aantoonde. Geen enkele Catalaanse bevoegdheid is exclusief: zelfs wat cultuur en onderwijs betreft, mag volgens de Spaanse Grondwet de regering in Madrid de basisreglementering vastleggen, wat zij ook uitgebreid doet, waarbij zij aan de Catalaanse regering enkel gedecentraliseerde, uitvoerende taken overlaat. Die tendens is nog sterker geworden nadat in 2011 in Madrid de Partido Popular aan de macht kwam, waarna alle goedgekeurde wetten in de richting gingen van een hernieuwde centralisatie van de Staat. De PP mag dan over minder dan 15% van de zetels in het Catalaanse Parlement beschikken, door haar absolute meerderheid in Spanje kan zij vanuit de centrale staatsinstellingen haar wil opleggen, ook wat betreft domeinen die onder Catalaanse bevoegdheid vallen. Zo zou in september 2014 een nieuwe Spaanse wet het onderwijs in het Spaans moeten verzekeren, terwijl de Catalaanse wet al sinds het eind van de jaren 80 bepaalt dat het Catalaans de onderwijstaal is, een wet die gesteund wordt door 80% van de Catalaanse volksvertegenwoordigers (en volgens de peilingen door 80% van de burgers).

Wat nu de economische verstikking betreft, is het zo dat Catalonië het recht heeft om rechtstreeks ongeveer de helft van zijn belastingen te heffen, wat Vlaanderen of Wallonië niet mogen. Maar van de 50% belastingen die Madrid rechtstreeks int, is maar een deel voorbehouden voor Catalonië, en wordt het overige buiten Catalonië geherinvesteerd. Men berekent dat hierdoor ongeveer een derde van de in Catalonië betaalde belastingen naar andere streken wordt getransfereerd, een overdrachtsniveau dat in Europa zijn gelijke niet heeft en in 2008 bevestigd werd door de publicatie van de “fiscale balansen” door het Spaanse Ministerie van Financiën. De cijfers zorgden voor een schandaal van die omvang dat het Ministerie zich er wel voor wachtte om de jaren daarop nog cijfers te publiceren.
Deze transfers zouden aanvaardbaar zijn als zij gebeurden in naam van de solidariteit met armere streken. Maar hier is enige twijfel mogelijk: de omvang ervan lijkt de verstikking van Catalonië te beogen. Catalonië is een rijke streek: het is een nettobetaler aan de Europese Unie en het BBP, per hoofd en vóór belastingen, is vergelijkbaar met dat van de landen van Noord-Europa. Maar na belastingen, en na de transfers, wordt het wat betreft BBP per hoofd voorafgegaan door heel wat streken in Spanje. Met andere woorden: de Catalaanse solidariteit gaat zover dat streken die hulp krijgen er finaal rijker van worden dan Catalonië zelf. Deze hoogte van de transfers hangt deels ook samen met een bepaald cliëntelisme in de Spaanse politiek: Catalonië levert de grote nationale Spaanse partijen nogal weinig stemmen op, en die investeren dus liever in streken die hen trouw zijn, zoals Andalusië, Valencia of Madrid.
Het komt hierop neer dat om de openbare diensten correct hun werk te laten doen, de Catalaanse regering de regionale belastingen moet opdrijven en leningen aangaan. De door Madrid geplande verstikking leidt bijgevolg tot de paradox dat een streek met een BBP per hoofd, en fiscale aanslagen die vergelijkbaar zijn met deze in Noord-Europa, een openbare dienst heeft die past bij Zuid-Europa en een hoger schuldniveau dan dat van de andere Spaanse regio’s. Deze gewilde verstikking verzekert dat Catalonië afhankelijk blijft van de Staat, die aan zijn financiële steun voorwaarden kan koppelen met de na 2011 vaak herhaalde dreiging dat de regio onder voogdij kan komen.

De vaststelling dat de regionale bevoegdheden fragiel zijn, en dat het niveau van de transfers overdreven hoog is, wordt al sinds het begin van de jaren 2000 door zo goed als alle Catalaanse partijen gedeeld. Een nieuw Statuut voor autonomie wilde precies hieraan tegemoet komen, en het werd in 2006 door het Catalaanse en Spaanse Parlement goedgekeurd en breed bekrachtigd door het Catalaanse volk. Dit Statuut “blindeerde” de Catalaanse bevoegdheden; het garandeerde dat het principe van de zogenaamde « ordinaliteit » gerespecteerd werd (Catalonië mag, na de transfers, niet per hoofd van de bevolking armer worden dan de regio’s die de transfers ontvangen); bovendien erkende het Catalonië als een natie binnen Spanje, en symbolisch plaatste dit Statuut het Catalaans, in Catalonië, ook op gelijke hoogte met het Spaans.
De PP, op dat moment minoritair in zowel het Catalaanse als het Spaanse Parlement, lanceerde tegen het nieuwe Statuut een campagne die door vele Catalanen als «catalanofoob» werd aangevoeld. Maar vooral slaagde de partij erin om door politiek-juridische maneuvers te bereiken wat ze niet democratisch in het Parlement had kunnen bereiken. Het Spaanse Grondwettelijk Hof is grotendeels gepolitiseerd, en wordt gedomineerd door de Partido Popular en de Partido Socialista Obrero Español, PSOE (de huidige voorzitter is een voormalige militant van de PP) en dit zonder enige gewaarborgde paritaire vertegenwoordiging voor de Catalanen in zaken die hen aangaan, in tegenstelling met de gang van zaken in België. De PP slaagde erin om alle sleutelbepalingen van het Catalaans Statuut onderuit te halen via een belangrijk arrest van het Grondwettelijk Hof van juli 2010: gedaan met de «blindering» van de bevoegdheden, met het principe van de ordinaliteit en met de erkenning als natie.

De crisis die sinds 2010 heel hard aankomt in Spanje heeft ongetwijfeld de reactie in Catalonië aangescherpt, maar de chronologie van de gebeurtenissen toont goed aan dat de oorzaken van de blokkering een flink stuk ouder zijn. Dat de hervorming via het Statuut een mislukking werd, is een keerpunt in de Catalaanse politiek want dit toonde de onmogelijkheid aan om Spanje te hervormen op een manier die het overleven van de Catalaanse natie veilig stelt. Vanaf dat moment al willen meer dan 80% van de Catalanen een referendum over de onafhankelijkheid. De peilingen voorspellen al bijna twee jaar een ja-stem, schommelend tussen de 45% en 55%, en een nee-stem tussen 25% en 35%. De Catalaanse politieke partijen kunnen op dit punt niet meer terug, want de drang naar onafhankelijkheid komt vooral uit de basis voort, de burgers, georganiseerd rond apolitieke verenigingen zoals de Nationale Catalaanse Vergadering die erin slaagt elk jaar één à twee miljoen mensen op straat te brengen om de onafhankelijkheid te eisen.

Tot dusver verzet Madrid zich met hand en tand tegen het referendum, want zo niet, en ook al zou het “neen” winnen, zou hun houding neerkomen op de erkenning van Catalonië als politieke entiteit, een onderscheiden «democratie». Dit zou ook de erkenning inhouden dat de grote twistpunten in verband hiermee niet zomaar door Madrid beslecht kunnen worden, maar enkel als gevolg van een pact tussen Madrid en Barcelona. En tot dusver is dit voor Madrid geen aanvaardbare oplossing, ook al is het de enig redelijke uitweg voor een impasse die de staat Spanje zelf heeft veroorzaakt.

Deze vertaling verscheen eerst op Doorbraak


11 oktober 2013

Samen in bad geloot


Een kleinkind dat plots wakker schiet en om aandacht schreeuwt, terwijl het een moment eerder nog vredig lag te slapen, kan storend zijn voor een man die op dat moment een interessant boek aan het lezen is en juist bij een moeilijke passage was aanbeland. De lectuur vroeg zijn gehele aandacht, want goede auteurs vertellen soms dingen die je zonder concentratie maar half kunt bevatten.
Deze situatie zullen vele grootvaders herkennen. Op hun leeftijd hebben ze wel ervaring, wat vaak helpt, maar soms zijn er scherpe formuleringen die om onverdeelde aandacht vragen.

Lichtere lectuur is in die omstandigheden aan te raden, en gelukkig zijn er ook boeken waarin dat schreeuwende kind zelf het personage is, zonder dat er een echt kind aan te pas moet komen dat wil eten of spelen of verhaaltjes horen of zelfs in bad moet.

Een geschikt boekje voor bij het babysitten is het nieuwste dingetje van David Van Reybrouck. Hij heeft het over lottrekking en over de voordelen daarvan boven de vervelende en nutteloze procedure van de stembusgang. Ook een plots wakker schietend kleinkind kan hier niets bederven.

Door een interview in het dagblad Trouw ben ikzelf op die gelukkige gedachte gekomen om bij het babysitten het mij niet moeilijker te maken dan nodig. David vertelde in dat interview dat hij samen met Connie Palmen, in een bergdorp, nog in bad had gezeten:
“Twee maanden geleden was ik op een literatuurfestival in een bergdorp in Zwitserland en na het ontbijt zat ik in een bubbelbad met Connie Palmen, ja, ja! We hebben heel lang gesproken over D66 en Hans van Mierlo.”

Nu zegt u misschien: a gentleman never tells, maar dat komt hier niet te pas want D66 en Van Mierlo lijken mij geen aanstootgevende onderwerpen om met een weduwe te bespreken, vanzelfsprekend na de rouwperiode.

In zijn boekje zelf las ik met bijzondere graagte deze zinsnede: “…zoals een voormalig toppoliticus het mij eens off the record vertelde.”

Met echte kinderen heb je dat nooit: die schreeuwen wel maar vertellen alles for the record.

Eerst verschenen in Doorbraak

6 oktober 2013

Dobberen en dobbelen op het Schip van Staat


Voor een goede werking vereist de democratie betrokkenheid en inzet van alle burgers. Van sommigen worden zelfs offers gevraagd. Dit laatste geldt natuurlijk niet voor iedereen en in gelijke mate.
Zaterdag in De Tijd, op de pagina’s zesenvijftig en zevenenvijftig, in een lang onderhoud naar aanleiding van een pamfletje van hem over kansberekening, lazen we deze klacht van David Van Reybrouck:
“Ik had ook liever wat theater of poëzie geschreven. Maar ik kon niet anders. De westerse democratieën zijn tikkende tijdbommen. Het hele systeem dreigt op de klippen te lopen.”
Kennelijk voelt David zich “ein bißchen überfragt” zoals de Duitsers zeggen, en dat is begrijpelijk na de beslommeringen met zijn G1000/G708/G32 die ons allen nog vers in het geheugen liggen.

Maar David is te bescheiden. In deze enkele vier zinnen van hem zit meer poëzie, theater en zelfs geschiedenis dan in menig lang interview met een gewone sterveling.

De vergelijking maken met een psalm van David zou overdreven zijn, maar dat neemt niet weg: wie heeft er bij zijn woorden niet gedacht aan Maarten Luther, in 1521 voor de Reichstag van Worms: “Hier stehe ich, ich kann nicht anders”?

Weliswaar staat het niet vast dat Luther die woorden werkelijk zo gezegd heeft, maar hij had ze wel kúnnen zeggen. “En toch beweegt ze”, is misschien ook niet gezegd door Galileo. En zei Caesar werkelijk “kai su teknon” of “tu quoque fili mi”? Zeker weten we dat niet, en zo is het best mogelijk dat in latere tijden er ook David woorden in de mond worden gelegd die hij niet echt gezegd heeft.

Laat hem alleszins kracht putten uit een ander woord van Maarten: "Anstrengungen machen gesund und stark." Die zei dat in zijn beroemde tafelgesprekken, die vaak grappig zijn, soms op het grove af, dit natuurlijk in tegenstelling met de ernstige maar soms wat saaie David. (De onbetaalbare Tischreden van Luther kosten 8 euro bij Reclam.)

En hebben wij in bovenstaande vier zinnen geen poëzie gelezen? Wat is die eigentijdse beeldspraak over de tikkende tijdbommen, met die sprekende alliteratie dan anders? En die maritieme beeldspraak, over die klippen?
Bij deze laatste is de intertekstualiteit onmiskenbaar: David denkt aan Horatius die –in de veertiende Ode van Boek I– vreest dat het schip van staat de veilige haven niet meer zal bereiken. O navis, referent in mare te novi fluctus. O schip, zullen aankomende golven u de zee weer indrijven?

Nee, ik wil vele moderne gedichten inruilen voor één paragraaf uit een promospotje met David Van Reybrouck.

Stukje eerder op Doorbraak

1 oktober 2013

Een voetnoot bij V.S.Naipaul


Nobelprijswinnaar Vidiadhar Surajprasad Naipaul schreef in 1981 zijn beroemde boek “Among the Believers, an Islamic Journey”. Dat was voor iedereen toen schokkende lectuur. Nu schrijven we 2013, en een artikel van Nicholas Pelham in The New York Review of Books deed me aan dit boek terugdenken. Een soort déjà-vu, of eerder nog een gevoel van continuïteit.
Nicholas Pelham schrijft al twintig jaar over de Arabische wereld en is journalist bij The Economist. Zijn artikel in de NYreview heeft als titel: Losing Libya’s Revolution.
Ik vertaal een stukje eruit zonder verdere commentaar want zijn tekst, net zoals die van Naipaul toen, spreekt voor zich:

Kan iemand de gewonde staat genezen? Ansar al-Sharia, de jihadgroep die ervan beschuldigd werd ambassadeur Stevens te hebben vermoord, levert een soort oplossing. Na de moordpartij verdreven omwonenden de Ansar uit de kliniek van Benghazi die zij zich hadden toegeëigend, en beledigd openden aan de overkant van de straat de Ansar daarop een centrum voor “alternatieve geneeskunde”.
Op een late avond bezocht ik de wachtzaal, die versierd was met de zwarte jihad-vlaggen van Ansar en gevuld met patiënten. Zij waren gekomen om de jonge sjeiks van Ansar te consulteren, die zich als uitdrijvers van djinns of slechte geesten stilaan een gevolg wisten te verwerven.
De verantwoordelijke, een zevenentwintigjarige ingenieur in de gebruikelijke witte tuniek, heette Fawzi al-Wafati en hij claimde een reeks successen. Zijn sjeiks waren gewapend met een boekje waarin ruqiat, bezweringsformules uit de koran stonden, en zo hadden zij een dokter weten te redden die bezeten was van liefde voor een vierhonderd jaar oude christelijke geest die Maria heette, en zij hadden ook een 2500-jaar oude Pakistaanse djinn uitgedreven die bezit had genomen van een boer. “Hoe ouder de djinn, hoe moeilijker uit te drijven”, verklaarde hij fier.
Op de vloer lag wijwater uit een glas, stonden er potjes met kruiden en honing, en twee grote luidsprekerkasten waar de sjeiks hun uitdrijvingsformules mee versterken “om zeker te zijn dat de djinns die horen”, zei Fawzi me. Om mijn twijfels weg te nemen haalde hij een fotoalbum uit, van patiënten met ruggen vol zwellingen en wonden. Het werk van hardnekkige djinns, zei hij.
Toen ik een foto wilde maken van een stok die in tweeën gebroken op de sofa lag, ritste Fawzi die weg. “Allah, Allah” klonken de kreten uit een aanpalend vertrek.
Tripoli, 10 september 2013




30 september 2013

Hij kon dat niet weten


Kristof Calvo is een beloftevolle jongen maar hij mist begrijpelijkerwijs nog wat recul om over alles te kunnen meepraten. Zo had hij het in Terzake vanavond over het "nieuwe fenomeen Wallo-Brux".
Nu is het waar dat er de laatste tijd veel drukte, battage rond die term is geweest, en Calvo hem dus wellicht pas ontdekt heeft, zoals trouwens veel politici, journalisten en Vlamingen in het algemeen. Nochtans is die strijdkreet, en de aanspraken die erachter zitten helemaal niet nieuw.

Vorige eeuw, in 1998 en de jaren daarop, nam ik vaak de trein of het vliegtuig naar Genève en terug.
Als je toen in Brussel-Zuid op het TGV-perron aankwam zag je, op vele borden: «Bienvenue dans la région Wallonie-Bruxelles». Dat was ook zo in Zaventem, in die lange gang.

Als ik dan mailde naar de verantwoordelijke uitgever van die affiches, want er was al internet in die tijd, dat ik die 'identité fédérée' nog niet kende, dan kreeg ik geen antwoord. Bij onze journalisten moest je met zulke bekrompen opmerkingen al helemaal niet aankomen en vandaar misschien dat Kristof, die toen nog op school zat maar wellicht al kranten las en tv keek, deze term en die "wij-zij" nu zo nieuw vindt, en dus dingen zegt als deze:

En waarom vond ik het statement van Stromae, net op het feest van de Franstalige Gemeenschap zo belangrijk? Omdat men in Franstalig België ook stilaan een even eenzijdig beeld van identiteit hanteert. Het nieuwe fenomeen van Wallo-Brux, hé, waar men opnieuw beleid gaat hanteren op basis van taal. Wij versus zij, ook dat moeten we achter ons laten.



20 september 2013

Hoe men over de doodstraf dacht in de Verlichting, en hoe men er vandaag over denkt


Élisabeth en Robert Badinter werden vandaag doctores honoris causa van de ULB. Je hebt universiteiten die licht omspringen met dit soort doctoraten en ze bijvoorbeeld uitdelen aan tennissers (VUB) of aan Coburgs (KUL), maar de ULB hoort daar niet bij. Het echtpaar Badinter heeft echte verdiensten.
Élisabeth is auteur en filosofe (en zakenvrouw). Haar man is advocaat, en was in de regeringen van Pierre Mauroy Minister van Justitie, of Garde des Sceaux zoals dat in Frankrijk heet met een naam uit het Ancien Régime. Hij kon na een lange strijd een wet laten goedkeuren die de doodstraf in Frankrijk afschafte.

Samen schreef het echtpaar meerdere boeken, waaronder biografieën zoals het standaardwerk “Condorcet, un intellectuel en politique”, 1988 bij Fayard. Ik noem nu speciaal dit boek omdat ik het deze zomer las, en omdat Condorcet al in de XVIIIde eeuw vocht tegen de doodstraf. Hij deed dat samen met mensen als de jurist Cesare Beccaria, wiens boek “Dei delitti e delle pene” van 1764 grote indruk had gemaakt in Europa, tot aan de Duitse en Russische Hoven toe. Het boek werd namelijk onmiddellijk in alle talen vertaald. Bij de moderne Franse vertaling (Flammarion, 1991) schreef Robert Badinter een schitterend voorwoord.

En nu lezen we even wat de bekende strafpleiter Piet Van Eeckhaut deze zomer in Humo verklaarde:
«Ik ben lange tijd een tegenstander geweest van de doodstraf. Ik ben een groot bewonderaar van François Mitter[r]and en zijn minister van justitie. Zij hebben in Frankrijk, het land van de guillotine, in 1981 de doodstraf afgeschaft. Maar vandaag vraag ik me toch af wat je met sommige hardcore misdadigers moet doen. Iemand die een weerloze oude vrouw doodt in haar eigen huis, ik weet niet of we daar zo veel mededogen voor moeten hebben. Ik vind dat wij, in uitzonderlijke gevallen, de filosofische en religieuze bezwaren opzij moeten zetten. Sommige mensen moeten verdelgd worden. Weinigen, maar ze zijn er.»

Iemand moet dat voorwoord van Badinter eens luidop voorlezen aan zijn bewonderaar meester Van Eeckhaut, het zijn maar 39 pagina’s. Of hij moet zelf eens lezen wat Condorcet te vertellen had in zijn brieven, verhandelingen en krantenstukken.
Voor een grondige bespreking van Condorcets argumenten is hier geen plaats, maar zelfs een terzijde van hem is de moeite waard en bevat een argument dat een strafpleiter zal aanspreken. Condorcet was behalve politicus ook een beroemde wiskundige en statisticus, nauwelijks minder geniaal dan bijvoorbeeld Leonard Euler die hij bezocht en met wie hij correspondeerde.

Condorcet stelt dat gerechtelijke dwalingen niet te vermijden zijn, en dat ze statistisch eenmaal vaker voorkomen in zaken waar de emoties sterk oplaaien. Nu spreken feiten waar de doodstraf op staat altijd sterk tot de gemoederen, dus ook tot die van de rechters.

Statistieken zijn niet altijd leugens en misschien moet meester Van Eeckhaut hier eens aan denken als hij het heeft over zijn “weinigen”, en over “principes die overboord moeten”. Moet dat “verdelgen” van hem dan maar zonder principes?

Overigens moet hij ons ook nog vertellen hoe dat verdelgen precies in zijn werk zal gaan. Zullen we alvast de guillotine van het Gravensteen een opknapbeurt geven? of verkiest hij de wat modernere elektrische stoel? de gifspuit kan natuurlijk ook, lekker clean. De dood met de kogel moet mijns inziens voorbehouden blijven voor militairen, of onder omstandigheden ook voor incivieken.

Nu, welke methode Van Eeckhaut ook verkiest, zeker is dat het ambt van beul weer in het leven moet worden geroepen. En ambtenaren moet je aanwerven volgens bepaalde procedures. Wil Piet daarvoor Selor inschakelen, of kan het ook met een gewone politieke benoeming?

Stukje vanochtend verschenen op Doorbraak

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html