28 januari 2013

Onbekommerd zelfvertrouwen


Hoe de francofone geest precies werkt, is een onderwerp dat hier meermaals al fragmentarisch aan bod kwam. Die geest vertoont aspecten die een Nederlandstalige blijvend verbazen, en die ik ook nu enkel zijdelings zal kunnen toelichten.

Vorige week bestelde ik het boek “Dictionnaire amoureux de la Russie”, 859 bladzijden, van Dominique Fernandez (Plon 2004, €26). Welgeteld drie dagen later had ik het, en dat kwam omdat ik het had besteld bij boekhandel Limerick (recht voor het St-Pietersstation) en niet bij Amazon.fr, al leveren die ook snel moet ik bekennen.

Die Dictionnaire is een breed opgezet naslagwerk over literatuur, politiek, geschiedenis. Alles netjes alfabetisch gerangschikt, zoals te doen gebruikelijk in woordenboeken. Ik had het boek nooit eerder gezien, en toen ik het op de tram opensloeg, zonk de moed mij in de schoenen.

Alweer bleek: er naar binnen lopen en dan op je duizend gemakjes rondneuzen bij Limerick of een andere boekhandel, is heel iets anders dan werken bestellen die je nog nooit hebt ingekeken.

Wat zag ik de lexicograaf Fernandez daar
in zijn ontwapenend eerlijke voorwoord schrijven?

Malgré mes efforts, recommencés à plusieurs reprises, pour apprendre la langue russe, je n’en suis resté qu’à des balbutiements inopérants. Je n’ai lu les textes russes qu’en traduction, et dois donc tout ce que j’en aime aux traducteurs du russe, français et italiens, qui se trouvent être, heureusement, d’une compétence et d’un talent insignes.

[Mijn meermaals herhaalde pogingen om de Russische taal onder de knie te krijgen ten spijt, ben ik nooit verder gekomen dan enig onwerkzaam gestamel. De Russische teksten heb ik enkel in vertaling gelezen, en alles wat ik erin liefheb, ben ik dus verschuldigd aan de vertalers uit het Russisch, Fransen en Italianen die, gelukkig maar, opmerkelijk bekwaam en talentvol blijken te zijn.]

De vraag rijst: hoe weet die man dat? van dat grote talent?

Zelf geen Russisch kennen is geen schande. Ik ken het ook niet, al heb ik een jaar les gehad. Na dat jaar zag ik dat ik met gemak Russische schaakcommentaren kon lezen, bijvoorbeeld in het weekblad «64», of in de maandbladen «Шахматы в СССР» (Schaken in de USSR) en «Шахматный бюллетень» (Schaakbulletin), en daar ging het mij om. Opmerkingen als «wit staat merkelijk beter», of «nu krijgt zwart een gevaarlijke aanval», of «zet van twijfelachtige waarde» kon ik goed begrijpen want die kwamen vaak terug, en ik hield mijn Russische studiën voor bekeken.
De Russen (zoals de Fransen) zeggen overigens niet zoals wij: "wit staat gewonnen", maar "de witten staan", slechter of beter. En ze hebben ook geen Dame of Koningin in hun spel, maar een Raadsheer, een Vizier (Ферзь) aan de zijde van de Koning. Dat is weer vervelend voor psychoanalytische interpretaties van het schaakspel.
Die bladen waren bovendien spotgoedkoop,
enkele honderden frank per jaar, altijd stipt op tijd en in het Westen verkrijgbaar op eenvoudige bestelling. Ik ontmoette eens Grootmeester Viktor Kortsjnoi, en toen ik hem zei dat ik van «64» alle jaargangen had, keek hij me ongelovig aan en verklapte mij dat vanwege de papierschaarste in de USSR maar weinige grootmeesters daar hetzelfde konden zeggen.
In die bladen stond ook altijd, voorafgaand aan het ernstige werk van de schaakcommentaren, op pagina 2 een artikel over Lenin of over de verbroedering der volkeren, maar dat kon ik niet goed ontcijferen.
Een dictionnaire over Rusland schrijven, was niet voor mij weggelegd.

Om nu op de auteur Fernandez terug te komen: ik las meteen wat hij te vertellen had over Poesjkin. Dat viel tegen. Idées reçues, dingen van horen zeggen. Wat hij verder nog over Tolstoi, Dostojewski, Raspoetin, Siberië, tsaren, berken, beren, vodka, sleden of sneeuw te vertellen heeft, zal ik niet meer vernemen.

Nee, dan zijn wij Nederlandstaligen wel gezegend, met vertalers en historici als van het Reve of Bezemer of Timmer, met vertalers-dichters als Boland of Jonker of Rawie.
Lees eens –als u zoals ik geen Russisch kent– de Onegin in het Frans, Engels en Duits, vergelijk en je zult over de Nederlandse vertalingen (want er zijn er meerdere) met meer recht dan Fernandez kunnen zeggen …d’une compétence et d’un talent insignes.

__________________


Een aanrader: “Russische Zon, Hans Boland over Poesjkin”.
En wie nóg meer wil weten, kan terecht bij T.J.Binyon: “Pushkin, a biography”. Henri Troyat (Lev Aslanovitch Tarassov, 1911-2007) schreef in 1946 een beroemde biografie, maar die is uitverkocht.


19 januari 2013

Vandaag leren we de staartdeling


De politiek journaliste Kathleen Cools heeft in dagblad De Tijd een weekendcolumn: “De blik van Cools”. Vandaag gaat die over Lance Armstrong.
Cools houdt niet van de man zijn uitstraling, maar ze geeft toe dat ze niet veel verstaat van de koers. Van politiek wél, zo begrijpen wij, en dat kan iedereen aannemen maar de vergelijking die zij vervolgens maakt, lijkt die tweede bewering niet te ondersteunen. De Tijd, p.12: 

Maar net omdat ik geen kenner ben, heb ik er jarenlang met grote ogen en open vizier naar gekeken. Naar Armstrong. En naar dat wijdverbreide publieke geheim dat doping heet. Iedereen weet het, maar de show bleef doorgaan. Als ik het op mijn eigen wereld toepas: alsof politiek journalisten verkiezing na verkiezing zouden verslaan, jarenlang, op basis van een frauduleus kiessysteem. Iedereen weet het, maar we doen alsof het niet bestaat. Krankzinnig. 

Nu wil ik mij niet meten met Kathleen Cools als het op politiek inzicht aankomt, want ik voel mij meer op mijn gemak bij eenvoudige dingen, zoals bijvoorbeeld de staartdeling die wij allemaal op de lagere school moesten leren. 
Je had dan twee getallen, een deeltal en een deler, en je verkreeg een quotiënt. Een voorbeeld van zo’n deling ziet u hiernaast, en toevallig is dat een heel interessante deling.
Want om bij de rekenkunde te blijven: wat wij weten, is dat er in België een vast aantal Kamerleden is, 150 namelijk, en sommigen van hen worden in Vlaanderen verkozen, anderen weer in Wallonië. 
Nu hebben die Vlamingen gemiddeld 43.700 stemmen nodig voor een zetel, en de Franstaligen kunnen volstaan met 35.600. Je kunt bedenkingen hebben, maar dat is eenmaal zo geregeld.

Voor het gemak laten we die nullen vallen, en we beginnen met onze staartdeling. Waarom al die moeite, zult u vragen? Wat is het nut van zo'n quotiënt? Wel, dat quotiënt leert ons dat als Franstaligen 100 stemmen nodig hebben voor een zetel, de Vlamingen er 123 moeten halen. 


Iedereen weet het, maar we doen alsof het niet bestaat. Krankzinnig.


12 januari 2013

Duchâtelet vertelt over geschiedenis en taal


Werner Trio, producer bij Klara, had daarnet zoals elke zaterdag twee gasten in de studio. Dat waren vandaag Peter De Roover van de Vlaamse Volksbeweging, en Roland Duchâtelet van Melexis en voetbalclub Standard.

Nu zal niemand betwisten dat Duchâtelet een buitengewoon inventieve ingenieur is, en zoals hijzelf zegt: de elektronica van Melexis zit tegenwoordig in bijna elke auto die ergens van de band rolt.
Maar in het vuur van zijn Belgische betoog vergat Duchâtelet helaas de oude spreuk over de schoenmaker en zijn leest: ne supra crepidam sutor.

Roland beweerde namelijk dat het Nederlands nog niet oud was, want: het Woordenboek der Nederlandsche Taal was nog niet oud. Volgens hem was dat trouwens het oudste Nederlandse woordenboek. En hij wist nog "andere historische feiten", bijvoorbeeld ook over de spelling van die taal.

Het is al langer bekend dat een taal niets meer is dan een dialect dat over een leger beschikt, maar Duchâtelet vindt dit onvoldoende. Een taal moet ook een woordenboek hebben, en een eenvormige spelling.

Als hij bij zijn leest was gebleven, dan had hij met meer reden kunnen zeggen dat er geen auto's bestonden vóór de tijd dat Melexis chips bakte.

 

11 januari 2013

"Paleis zal meewerken aan strengere dotatiewet"


Je leest dat in de krant, maar medewerking van Laken is geheel overbodig.

In zijn “Wintermärchen” vertelt de dichter Heinrich Heine over een ontmoeting die hij had met Kaiser Rotbart (1122-1190).  Barbarossa had natuurlijk geen weet van latere tijden en nieuwe ontwikkelingen. De dichter legt daarom aan de keizer geduldig uit wat de modernste techniek is, die wel eens aangewend wordt als vorsten op het idee zouden komen om niét geheel vrijwillig hun medewerking te verlenen:


Der Kaiser blieb plötzlich stillestehn,
Und sah mich an mit den stieren
Augen und sprach: »Um Gottes will'n,
Was ist das, guillotinieren?«

»Das Guillotinieren« – erklärte ich ihm –
»Ist eine neue Methode,
Womit man die Leute jeglichen Stands
Vom Leben bringt zu Tode.

Bei dieser Methode bedient man sich

Auch einer neuen Maschine,
Die hat erfunden Herr Guillotin,
Drum nennt man sie Guillotine.

Du wirst hier an ein Brett geschnallt;– 

Das senkt sich; – du wirst geschoben
Geschwinde zwischen zwei Pfosten; – es hängt
Ein dreieckig Beil ganz oben; –

Man zieht eine Schnur, dann schießt herab

Das Beil, ganz lustig und munter; –
Bei dieser Gelegenheit fällt dein Kopf
In einen Sack hinunter.« 

Maar eerder, in zijn “Reisimpressies”, had Heine genuanceerd als een dichter kan zijn ook gewezen op het naar zijn smaak soms al te enthousiaste gebruik van deze machine tijdens de Franse Revolutie:

Man hat in den Schulen all die sogenannten Greuel der Revolution von den Kindern auswendig lernen lassen, und auf den Jahrmärkten sah man einige Zeit nichts anderes als grellkolorierte Bilder der Guillotine. Es ist freilich nicht zu leugnen, diese Maschine, die ein französischer Arzt, ein großer Weltorthopäde, Monsieur Guillotin, erfunden hat und womit man die dummen Köpfe von den bösen Herzen sehr leicht trennen kann, diese heilsame Maschine hat man etwas oft angewandt, aber doch nur bei unheilbaren Krankheiten.

2 januari 2013

Pauli en de fabeldichter Aesopus


Ik las net een column van Walter Pauli. Het ging over politiek en voetbal. Hij had namelijk gekozen voor de vorm van de aesopische vergelijking, en bracht in een vrij uitgesponnen verhaal Bart De Wever in het veld, samen met de legendarische spits van Bayern München, Gerd Müller. Deze Müller had in zijn beste tijd als koosnaampje der Bomber, en daarna werd dat der Dicke, maar dat laatste vermeldt Pauli niet.

En net zoals Aesopus soms een vos laat spreken, of een ezel samen met een leeuw op jacht laat gaan, komen er ook bij Pauli onverwachte wendingen en onwaarschijnlijkheden voor.

Zo zegt hij in verband met de kerstvertelling van Albert Coburg:
“Koning en premier waren zich er niet eens van bewust dat ze gevaar voor eigen doel hadden gecreëerd.”
En Pauli betreurt dan dat een goaltjesdief als De Wever toch weer raak schiet.
Nu waren Albert en Elio zich ook niet helemaal ónbewust van wat zij vertelden. Walter geeft dat toe:
“Ging de toespraak van Albert over N-VA? Ongetwijfeld. Zij het in minieme mate, een klein tikje tegen de enkel.”
Maar dat was een onvrijwillige fout:
“En weer blijkt het bijzonder moeilijk om zichzelf te verdedigen tegen wat eigenlijk niet is gezegd en nooit was bedoeld. Want De Wever springt in één moeite van populisme naar fascisme en van de jaren dertig naar de jaren veertig. Historicus De Wever weet dat dit niet kan en niet mag, politicus De Wever doet het toch. Uit de schwalbe volgt een weergaloos doelpunt.”

Merkwaardig is dat Pauli het fascisme pas in de jaren dertig of veertig opmerkt. Dat is flink mis.
Een historicus kan en mag hier denken aan de fascistische Mars op Rome van 27 tot 29 oktober 1922, en een filmliefhebber kan en mag hier denken aan Sophia Loren en Marcello Mastroianni.

De wanhoop zit er bij onze journalisten diep in. Velen voelen zich de laatste tijd nogal depri, en dan kunnen er concentratiestoornissen optreden.
.

1 januari 2013

Een vrome bede


Mijn nieuwjaarswens is dat onze journalisten in 2013 volgende uitdrukkingen en woorden achterwege laten:

met stip genoteerd – prominent aanwezig – niet evident – bewust kiezen – kostenplaatje – draagvlak – mogelijksdoorheen (als voorzetsel) – locatie – hilarisch – momentum en decorum – quod non

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html