30 december 2014

Wat nu broodnodig heet, was voor kort nog te mijden


In het Knack-interview met Siegfried Bracke vandaag, staan enkele verwonderlijke dingen. Zo las ik dat Theodore Dalrymple 'zijn beste tijd heeft gehad'. Dit moet een journalistiek atavisme van Bracke zijn, want Dalrymple is een soort filosoof en geen potje yoghurt waar een vervaldatum op gedrukt staat. Bedoeld wordt allicht dat hij niet meer 'hot' zou zijn, niet meer in de mode, althans volgens de journalistieke logica die alles wat eergisteren is gebeurd of geschreven als onbelangrijk beschouwt. Om helemaal eerlijk te zijn: Siegfried voegde daaraan toe dat Dalrymple wel iets goeds had gezegd destijds. Spons hierover dus, passons.

Wat Bracke daarna antwoordde op de vraag van Jan De Meulemeester – of was het nu Simon Demeulemeester? die twee namen samen zijn verwarrend voor een lezer – was een stuk eigenaardiger. Hun vraag was:
Kan je stellen: onze naoorlogse welvaartstaat is erin geslaagd de meest pijnlijke vormen van armoede uit te sluiten. Behalve die onder nieuwkomers, onder allochtonen.

'Dat heeft te maken met hoe wij onze migratie niet hebben geregeld. En dat heeft dan weer alles te maken met de verziekelijking ervan door het Vlaams Blok. Zij hebben belet dat een broodnodige maatschappelijke discussie gevoerd werd.'

Nu zou ik van de Kamervoorzitter graag vernemen hoe één partij al de andere partijen kan beletten een 'broodnodige discussie' te voeren. Lachwekkend is die kreet, een flauwe drogredenering die door iedereen doorgeprikt zal worden wiens geheugen twee-drie decennia ver reikt. Er wáren toen namelijk geen partijen die deze broodnodige discussie wilden voeren, op één na.
Men vond het toen vooral broodnodig om erover te zwijgen, journalisten en politici zoals gewoonlijk in één front. Het enige begripje dat die samen konden bedenken was 'cordon sanitaire'.
Ik zou de Voorzitter willen aanraden om nu Enoch Powell eens te lezen, maar dan spreken we niet meer over twee decennia, maar over een halve eeuw geleden.

"The supreme function of statesmanship is to provide against preventable evils. In seeking to do so, it encounters obstacles which are deeply rooted in human nature. One is that by the very order of things such evils are not demonstrable until they have occurred: at each stage in their onset there is room for doubt and for dispute whether they be real or imaginary. By the same token, they attract little attention in comparison with current troubles, which are both indisputable and pressing: whence the besetting temptation of all politics to concern itself with the immediate present at the expense of the future. Above all, people are disposed to mistake predicting troubles for causing troubles and even for desiring troubles: "If only," they love to think, "if only people wouldn't talk about it, it probably wouldn't happen."

De hoogste taak van staatsmanschap bestaat erin om voorzieningen te treffen tegen voorkoombare kwalen. Bij die betrachting ontmoet zij obstakels die diep geworteld zijn in de menselijke natuur. Eén daarvan is dat zulke kwalen uiteraard niet aantoonbaar zijn alvorens zij zich hebben voorgedaan: in elk stadium van hun opdoemen is er plaats voor twijfel en voor dispuut, of het om werkelijkheid gaat of om inbeelding. Ergo trekken zij weinig aandacht naast de actuele bekommernissen, die zowel onbetwistbaar zijn als dringend: vandaar de hardnekkige neiging van alle politiek om zich met het onmiddellijke nu bezig te houden, ten koste van de toekomst. Bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken van problemen, of zelfs het zoeken van problemen: "Als men" willen ze graag denken, "als men er maar niet over praat, dan gebeurt het wellicht niet."

Zeker de laatste zin moet de vriendengilde van journalisten en politici broodnodig nog een tweede keer lezen, en nu met al hun aandacht erbij.

28 december 2014

Intellectueel terrorisme is geen nieuwigheid, het gaat al jaren mee!

Gesprek met Jean Sévillia,
historicus, auteur en journalist,
27 december, op Boulevard Voltaire

Wat heeft u het felst gechoqueerd in deze affaire Zemmour?
Een geheel van zaken, maar voor alles is het een gebeurtenis die in de lijn der dingen ligt, echt nieuw is het niet. Intellectueel terrorisme gaat heel ver terug in Frankrijk, en vijftien jaar geleden al schreef ik een boek dat de laatste vijftig jaar van de gedachtedictatuur beschreef! Kuiperijen die beogen iemand het spreken te beletten, hebben we al honderd keer meegemaakt. Deze keer neemt de zaak een extreme vlucht, doordat Zemmour in de media ook een extreme positie innam, en de laatste twee jaar een echte ster is geworden. Zijn boek is een maatschappelijk fenomeen: hij is het media-icoon dat men op de korrel neemt, of waarmee men zich identificeert ... Maar anderen hebben dezelfde gemelijkheden gekend, zonder dat iemand zich ervoor interesseerde. Zemmour zelf zou op hoogstens twee regeltjes in de krant hebben kunnen rekenen, als de affaire twee jaar geleden had plaatsgehad.
Hoe is hij dat icoon kunnen worden, is er dan iets veranderd?
Rond zijn naam heeft een kristallisatie plaats, door het nieuws in het algemeen, gevolg van de verschrikkelijke onmacht van Links dat aan het bewind is. Voor veel linkse mensen belichaamde François Hollande een nieuwe hoop, en de teleurstelling is immens. Paradoxaal genoeg stelt Rechts het evenmin goed, en zit het vast in interne twisten terwijl projecten ontbreken. Zemmour is vanzelfsprekend eerder rechts te situeren, maar hij kiest nooit voor een partijpolitieke categorie, wat het makkelijker maakt om je met hem te identificeren, temeer omdat hij straffe taal gebruikt in kwesties die de Fransen bezighouden.
En voor deze rel tegen zijn persoon, werkt de actualiteit niet echt mee!
Voor wat hij vertelde over de islam in Frankrijk, wordt hij bij iTélé aan de deur gezet. De dag daarop zijn er aanslagen. Men vertelt ons dat het om gekken gaat, kan best, maar dan wel gekken die «Allah akbar» roepen ...begrijpelijk dat velen de indruk krijgen dat men hen openlijk uitlacht! Als er anderzijds toch iets nieuws is, dan zijn het de sociale media die dienst doen als klankkast en zich werkelijk als tegenmacht aandienen. Je vindt er het beste en het slechtste, de emoties zijn er vaak opgeklopt en bijgevolg gevaarlijk, maar er circuleert ook informatie.
Journalisten zijn overigens de eersten om zich op een vakbroeder te werpen...
Ook dat is helaas geen nieuwigheid. Nationaal gezien zijn 80 % van de journalisten links, en bij sommige kranten gaat dit gemiddelde tot 90, 95, ja zelfs 99%. Het intellectueel terrorisme probeert de koppen boven het maaiveld af te hakken, en exact dat mechanisme speelt al jaren. Maar er zijn niet enkel die storende ideeën ...over de financiële kant van de zaak spreekt niemand, maar die speelt zeker. Zemmour verkoopt een pak boeken, heeft veel succes en verdient dus veel geld. In de journalistiek daarentegen lopen er veel mislukkelingen rond, sommigen met een heel matig loontje, en die zijn dan jaloers op dat succes. Dat telt ook mee.
Boulevard Voltaire lanceert een steunpetitie voor Zemmour. Zou u die ondertekenen?
Ja. Maar Zemmour is ook weer geen ijkpunt, hij is niet het middelpunt van het politieke of intellectuele leven, en evenmin is hij Onze-Lieve-Heer. Hij kan zich vergissen! Enorm veel schrijvers, filosofen en theologen zeggen evengoed heel interessante dingen die onze aandacht verdienen. De politieke of metapolitieke gevechten die wij leveren, zijn van lange adem en daarin moet elk volgens zijn talenten zijn plek innemen. Wij hebben iedereen nodig, en zijn buitensporige sterstatus is noch goed voor de ideeënstrijd, noch voor Éric Zemmour zelf. Zijn talent erkennen, zijn uitgesproken moed, een boodschap aanmoedigen ...allemaal goed en wel, maar je mag je leven niet afstemmen op wat Zemmour vertelt. Het zou bijzonder ongezond zijn om je achter een man te verschuilen die voor alles in jouw plaats denkt. Waar hij nu zit, levert hij werkelijk interessant werk, laten we hem die plek vanzelfsprekend gunnen, maar ook niet meer dan die plek.

Gesprek met Charlotte d'Ornellas

22 december 2014

Finkielkraut over censuur ... door journalisten


Vertaling van het eind van een gesprek tussen Élisabeth Lévy en Alain Finkielkraut, voor het programma L'Esprit de l'Escalier,
uitzending van gisteren die u hier in haar geheel kunt zien.


Élisabeth Lévy: Voor we afscheid nemen, toch een woordje over Éric Zemmour, die werd weggewerkt bij iTélé, als gevolg van een toch wel schaamteloze manipulatie van zijn uitspraken in een Italiaans dagblad, en van de druk ...pardon ik herstel, er was de minister van Binnenlandse Zaken die min of meer om zijn hoofd vroeg, twee redacties, die van RTL en die van iTélé die afstand van hem hebben genomen, en tot slot heeft iTélé besloten om het zonder...
Alain Finkielkraut: Om hem te ontslaan.
Élisabeth Lévy: ...om het maar zonder de kip met de gouden eieren te stellen, wat bijna angstwekkend is.
Alain Finkielkraut: Ja, en waarom is dat angstwekkend? Al mijn bedenkingen tegen het boek van Zemmour formuleerde ik eerder al, met name in dit programma, maar dit neemt niet weg: van deportatie heeft hij niet gesproken en de vraag naar deportatie werd hem niet gesteld, zoals de journalist van de Corriere della Sera die hem had geïnterviewd ook heeft bevestigd. Hij heeft dus ...er is een schandaal gecreëerd op basis van niets. Wat ik vaststel is dat er vanzelfsprekend altijd een strijd is geweest tussen vrijheid van meningsuiting en censuur. Maar de censuur werd door de Staat belichaamd, en de journalisten verdedigden de vrijheid van spreken. Vandaag zijn het de journalisten die als eersten om censuur roepen. Zijzelf zijn het trouwens die hun medeburgers in de gaten houden, zoals je elke dag kunt zien bij Mediapart [een onafhankelijke ...weliswaar gesubsidieerde nieuws- en opiniesite, ongeveer zoals hier DeWereldMorgen]. Wat wij nu zien gebeuren, is dat de Staat altijd maar zwakker wordt, en de journalistiek sterker en sterker. Ik zal niet zeggen totalitair, maar hun macht lijkt mij tegelijk drukkend en verontrustend. En dan...
Élisabeth Lévy: Verbijsterend was het trouwens gisteren te horen dat, ik meen zelfs Edwy Plenel, maar echt heel wat journalisten het ontslag hebben toegejuicht.*
Alain Finkielkraut: Zeg dat wel! Van de antiracistische verenigingen zijn we dat gewend, maar van de kant van journalisten, dat is toch wel eigenaardig, een ommekeer. Daarnaast ook interessant was het de minister te horen, de woordvoerder van de regering, Le Foll, wat is zijn voornaam ook alweer...
Élisabeth Lévy: Stéphane Le Foll.
Alain Finkielkraut: Stéphane Le Foll... van hem te horen dat Zemmour in persoon het probleem was van Frankrijk. En dan zie je pas wat politieke correctheid inhoudt. Niet enkel zegt de politieke correctheid ons wat we moeten denken, zij vertelt ons ook wat we moeten zien. Je hebt niet meer het recht om te zien wat je ziet. Trouwens het is niet wát je ziet dat problematisch, verontrustend en schandalig is, maar het feit zelf dát je ziet. Éric Zemmour neemt men kwalijk dat hij een aantal problemen aankaart waarvan men heeft besloten – ten bewijze de toespraak van François Hollande – dat ze niet bestaan! Nogmaals, wat ik zeg betekent niet dat ik de stellingen van Éric Zemmour aanhang, sommige ervan leken me zelfs schandalig, en dan bedoel ik zeker niet zijn beweringen in de Corriere della Sera, maar bijvoorbeeld zijn bevreemdende verdediging van Soral en Dieudonné. Ik meen dat men stevig met hem in debat moet gaan, maar dat men hem de mond snoert bewijst dat hoe meer zij zich in het nauw gedreven voelt, hoe gemener de politieke correctheid wordt.
Élisabeth Lévy: Is het in die twee gevallen trouwens niet evengoed hetzelfde probleem van de democratie? U hebt een kop uit Le Monde geciteerd daarnet, die zei dat populisme het probleem van Europa was, wat erop neerkomt dat het probleem van Europa de volkeren zijn...
Alain Finkielkraut: Voilà.
Élisabeth Lévy: ...en de lezers van Éric Zemmour, of ze nu al zijn ideeën delen of niet, worden tenslotte behandeld als...
Alain Finkielkraut: Maar natuurlijk!
Élisabeth Lévy: ...behandeld, een beetje zoals een deel van de kiezers, alsof ze er helemaal niet toe doen.
Alain Finkielkraut: Die zin van Bertolt Brecht blijft hé, omdat het volk ons heeft teleurgesteld, hebben wij besloten ...besluiten wij om het op te heffen. Dat opheffen doet men niet, maar de stichting Terra Nova [een think tank] heeft volgend besluit genomen: dat volk schuiven we terzijde, we stigmatiseren het – voor één keer mogen we dat woord in gemoede gebruiken – en we proberen er met een nieuwe meerderheid omheen te trekken. Wat diegenen betreft die in naam ervan spreken, welaan dan, die proberen we monddood te maken. Dat wil nog niet zeggen dat er geen populisme bestaat, en dat men sommige uitlatingen niet moet bekritiseren, maar tussen kritiek en censuur ligt er een drempel. Men hoort die niet te overschrijden.

* Wat Plenel zei was: «Mieux vaut tard que jamais. Après avoir banalisé en opinion son délire raciste, certains médias découvrent l'idéologie meurtrière de Zemmour».
«Beter laat dan nooit. Nadat ze zijn racistisch gebazel eerst hadden gebanaliseerd tot een opinie als een andere, ontdekken sommige media nu de moorddadigheid van Zemmour zijn ideologie».

Hieronder het klankfragment en de transcripte, maar ik voeg hieraan toe dat wie graag iets grappigers wil lezen, over de censuur ten tijde van Poesjkin en Heine bijvoorbeeld, hier terecht kan.


Élisabeth Lévy: Avant de nous quitter, un mot tout de même sur Éric Zemmour et sur son éviction de iTélé, donc à la suite d’une manipulation tout de même éhontée de ses propos dans un quotidien italien, il a donc et de la pression …pardon, je me reprends, il y a eu le ministre de l’intérieur qui en quelque sorte demandait sa tête, deux rédactions, celle de RTL et de iTélé qui se sont désolidarisées, et pour finir, iTélé a décidé de se passer…
Alain Finkielkraut: Son licenciement
Élisabeth Lévy: …de se passer d’une poule aux œufs d’or en quelque sorte, ce qui est presque inquiétant.
Alain Finkielkraut: Alors, c’est inquiétant, pourquoi? J’ai dit toutes les réserves que j’avais vis-à-vis du livre d’Éric Zemmour, notamment dans cette émission, il n’empêche: il n’a pas parlé de déportation, et la question de déportation ne lui a pas été posée, comme l’a confirmé le journaliste du Corriere della Sera, qui l’interrogeait. Donc il a créé… le scandale a été créé à partir de rien. Ce que je constate, c’est qu’il y a toujours eu bien sûr un combat entre la liberté d’expression et la censure. Mais la censure était incarnée par l’État, et les journalistes défendaient la liberté d’expression. Aujourd’hui, ce sont les journalistes qui sont en première ligne pour réclamer la censure. Et ce sont eux d’ailleurs qui surveillent, comme on le voit tous les jours sur Mediapart, leurs concitoyens. Alors nous somment à l’heure d’un État de plus en plus faible et d’un journalisme de plus en plus fort. Je ne dirai pas qu’il est totalitaire, mais son pouvoir m’apparaît à la fois pesant et inquiétant. Alors…
Élisabeth Lévy: Il était d’ailleurs sidérant hier d’entendre, même Edwy Plenel me semble-t-il, et vraiment beaucoup de journalistes se félicitant de l’éviction.
Alain Finkielkraut: Bien sûr! Des associations antiracistes on a l’habitude, mais de la part des journalistes, c’est quand-même assez singulier, c’est un renversement. Alors ce qui est intéressant aussi, c’est d’entendre le ministre, porte-parole du gouvernement, c’est quoi son prénom, Le Foll…
Élisabeth Lévy: Stéphane Le Foll.
Alain Finkielkraut: Stéphane Le Foll… c’est d’entendre dire que le problème de la France c’est Zemmour lui-même. Et là on voit quand-même ce qu’est le politiquement correcte. Non seulement le politiquement correcte nous dit ce qu’il faut penser, il nous dit aussi ce qu’il faut voir. On n’a pas le droit de voir ce qu’on voit, et ce n’est pas ce qu’on voit qui est problématique, inquiétant et scandaleux: c’est le fait même de le voir. Parce que on en veut à Éric Zemmour d’énoncer un certain nombre de problèmes, dont on a décidé – preuve le discours de François Hollande – qu’il n’existait pas. Encore une fois, ce que je dis ne vaut pas allégeance aux propos d’Éric Zemmour, certains m’ont paru véritablement scandaleuses, certainement pas ceux qu’il a tenus au Corriere della Sera, mais par exemple sa défense étrange de Soral et de Dieudonné. Je crois qu’il faut discuter fermement avec lui, mais lui fermer la boucher, c’est la preuve que plus le politiquement correcte est aux abois, plus il devient méchant.
Élisabeth Lévy: Est-ce-que dans les deux cas d’ailleurs ce n’est pas le même problème de la démocratie? Vous avez cité un titre du Monde tout à l’heure, disant que en gros le problème de l’Europe c’est le populisme, ça veut dire que le problème de l’Europe c’est les peuples...
Alain Finkielkraut: Voilà.
Élisabeth Lévy: …et dans le fond, les lecteurs d’Éric Zemmour, qu’ils partagent toutes ses idées ou pas, me semble-t-il sont traités…
Alain Finkielkraut: Mais bien entendu!
Élisabeth Lévy: …sont traités un peu comme une partie des électeurs, comme quantité tout à fait négligeable.
Alain Finkielkraut: Oui, et d’ailleurs c’est toujours la phrase de Bertolt Brecht hein, le peuple nous ayant déçus, nous avons décidé, on décide de le dissoudre. Alors on ne le dissout pas mais la fondation Terra Nova a pris la décision suivante: ce peuple, on le met entre parenthèses, on le stigmatise – pour une fois le mot peut être employé à bon escient – et on essaye de le contourner par une nouvelle majorité. Quant à ceux qui parlent en son nom, et bien en effet, on essaye de les bâillonner. Ce n’est pas pour autant d’ailleurs que le populisme n’existe pas, et qu’il faille critiquer certains propos, mais entre la critique et la censure il y a un pas que l’on ne devrait pas franchir.

21 december 2014

De sfeer is namelijk ook belangrijk


Ter aanvulling op het stukje over Zemmour gisteren, vertaal ik enkele passages uit een artikel op de site van BFMTV. Burgemeester Mayeur, die wel eens rustig tv kijkt ook als er iets belangrijks aan de hand is in zijn stad, zal hier steun vinden bij een aantal Franse kameraden.

"Ça se dispute" werd afgevoerd na verschillende dagen van hevige polemieken rond de uitspraken die Éric Zemmour deed in een Italiaanse krant. Meer bepaald had hij verklaard dat de moslims “onder elkaar leefden, in de voorsteden”, en dat “de Fransen zich verplicht hadden gezien deze te verlaten”. Wat Zemmour integendeel bevestigde was dat het woord “deporteren” (van vijf miljoen Franse moslims), dat voorkomt in het interview met de Corriere della Sera, door hem nooit uitgesproken werd, wat de Italiaanse journalist ook heeft erkend.
Jean-Luc Mélenchon, copresident van “Parti de gauche [PG, partij gesticht in 2009, als afsplitsing van de PS], die de eerste was om de polemist op zijn woorden vast te pinnen, heeft zaterdag verklaard dat “ter bestrijding van zijn ideeën, de beslissing om Zemmour aan de deur te zetten niet dienstig was.”
Van de kant van de PS hebben meerdere verkozenen zich over de beslissing verheugd. Net zoals SOS Racisme en de CRAN, die RTL, Paris Première en Le Figaro aangespoord hebben om “dezelfde beslissing” te nemen.
Antiracistische verenigingen hebben aangekondigd dat ze voornemens zijn zich tot justitie te wenden, na de uitlatingen van de chroniqueur die eerder al veroordeeld werd voor het aanzetten tot rassenhaat.

Nu heb ik de Corriere della Sera niet gelezen. Op zich niet erg, aangezien het blijkbaar een onbetrouwbaar product is, maar als wat hierboven staat – over moslims die onder elkaar leven en over autochtonen die dan maar verkiezen een andere woonplek te zoeken – als dat de grond van hun klacht moet vormen, dan lijkt mij dat dunnetjes. Die twee beweringen zijn waar of onwaar, maar daar houdt het op.
Ik zou SOS Racisme en de CRAN willen aanraden om ineens te gaan voor dat woord “deporteren”, dat weliswaar niet uitgesproken werd, maar misschien zal de rechtbank begrip tonen voor het feit dat de journalist het toch had ménen te horen.
Allicht was de sfeer in dat gesprek van die aard dat het woord net zo goed wel had kunnen vallen, en dan is het bewijs van racisme toch klaar? En dat moslims geen ras zijn, is al lang geen argument meer.

"Éric Zemmour is het slachtoffer van een media-fatwa"


In een onderhoud dat hij toestond aan FigaroVox, neemt Jean-François Kahn* de verdediging op van Éric Zemmour, en hekelt hij de onmogelijkheid om in Frankrijk nog sereen debat te voeren.

Alexandre Devecchio: Bent u geschokt door het feit dat i-Télé aan Éric Zemmour de bons heeft gegeven naar aanleiding van een polemiek die Jean-Luc Mélenchon op gang had getrokken, en die werd opgepikt door de patron van de PS-afgevaardigden, tevens minister van Binnenlandse Zaken?
Kahn: Ja, ten zeerste geschokt, en wel om drie redenen. Vooreerst kan men door het ongehoorde succes van zijn boek zien dat een belangrijk deel van de bevolking zich kan vinden in wat Éric Zemmour schrijft. Men kan dit betreuren, en soms doe ik dat ook. Maar kan men zich in de ontkenning verschuilen? Kan men in ernst een zo sterke stroming in het land op die manier wegcijferen? In zekere zin sluit de zaak Zemmour aan bij de algemene verkiezingen. Kan men in ernst zich erover verheugen dat een partij die 19% van de stemmen haalt, door amper twee verkozenen vertegenwoordigd wordt in de Assemblée nationale? De zaak Zemmour toont het probleem aan van het gebrek aan pluralisme in onze democratie.
Ten tweede vind ik het schokkend dat i-Télé wijkt voor een perscampagne die grenst aan een mediatieke lynchpartij. Éric Zemmour vertelt niets nieuws. Onderhand twintig jaar onderhoudt hij hetzelfde discours. Bij i-Télé wist men wat men deed toen ze hem aanwierven, overigens misschien precies omdat hij die ideeën verdedigde. Waarom hem dan nu wegsturen? Omwille van een ‘woord’ dat hij niet eens heeft uitgesproken. Verachtelijk vind ik het procedé dat erin bestaat een ‘woord’ of een ‘zinsnede’ te gebruiken, vaak uit hun verband gerukt, om zo iemand uit te schakelen. Ik zeg dit des te liever, omdat ikzelf al het slachtoffer werd van die methode.
En tenslotte wens ik eraan te herinneren dat «Ça se dispute», een debatprogramma was waar Éric Zemmour een tegenstem moest trotseren. Het was niet zo dat hij een vrije tribune ter beschikking kreeg. In een debat is het normaal dat er twee invalshoeken zijn. Het gaat niet op te beslissen dat één ervan ongepast is, en eruit moet. Wat mij bij de televisie vandaag choqueert, zijn niet de debatten waar een echte ideologische confrontatie plaatsheeft, maar die waar iedereen met iedereen akkoord gaat. In de media vandaag zien we de liberaal-modernistische houding overheersen, die Alain Minc omschreef als de “club van de redelijkheid”. Die gedachtegang is niet noodzakelijk verkeerd, maar als hij even hegemoniaal blijft, kan dat afschrikkende gevolgen hebben. 

Devecchio: Zou u zeggen dat Marine Le Pen dankjewel mag zeggen aan al diegenen die liever verbieden dan weerwerk te bieden?
Kahn: Door Zemmour aan de deur te zetten doet men niets anders dan voedsel geven aan de wrok bij een deel van de bevolking, dat terecht zich niet meer vertegenwoordigd voelt. Dat is inderdaad een geweldig cadeau voor Marine Le Pen. Vanzelfsprekend geeft dit legitimiteit aan haar discours tegen het systeem. Mag ik eraan toevoegen dat ook voor Éric Zemmour dit een formidabel cadeau is, want nu heeft hij makkelijk spel als hij zich voor martelaar van de politieke correctheid wil uitgeven. Wees maar zeker dat hij nu nog 40 000 boeken meer zal verkopen, en dat het hem in zijn statuut van rebel tegen het establishment zal sterken, en daar is hij dol op.

Devecchio: Hebt u er begrip voor als organisaties vragen dat een journalist geen tribune meer krijgt?
Kahn: Daar alweer verwijderen we ons verder en verder van de grondbeginselen van de democratie. Wie benoemt en verkiest die organisaties? Hun politiek gewicht lijkt me niet in verhouding te staan tot hun representativiteit. Volstaat het om twaalf man bijeen te brengen en communiqués te schrijven, om voor legitiem door te gaan? Die organisaties, dat zijn onbenoemde imams, overigens niet altijd onbenoemd, die dan fatwa’s lanceren.

Devecchio: Zijn er niet toch grenzen aan de vrijheid van meningsuiting? Heeft Éric Zemmour die overschreden?
Kahn: Er bestaan wetten, met name wat betreft racisme en het vergoelijken van oorlogsmisdaden. Maar zodra iemand, zonder de wet te schenden een sterke stroming vertegenwoordigt, moet hij mogelijkheid krijgen om zich uit te drukken. Vandaag is dat niet het geval, zeker wat economische en sociale thema’s betreft, als iemand zich voorneemt om af te wijken van de liberaal-modernistische consensus. Zo bijvoorbeeld is de vraag rond de exit uit de Euro taboe. Men zal zich ook herinneren dat 90% van de media zich in 2005 uitspraken voor een ‘Ja’ bij het referendum over het grondwettelijk verdrag, waarbij ze in het voorbijgaan ook elke vorm van tegenstand diaboliseerden. Nochtans heeft het ‘nee’-kamp het gehaald, al was het slecht vertegenwoordigd.

Devecchio: Is debatteren vandaag nog mogelijk?
Kahn: Om te beginnen wil ik opmerken dat het boek van Zemmour nogal moeilijk leest. Voor wie nog andere bezigheden heeft, neemt het een week in beslag. Maar de dag dat het verscheen waren er in de linkse pers al lange bladzijden te lezen over Le Suicide français. Duidelijk was dat de meeste journalisten maar een paar uittreksels gelezen hadden. Wat we dus bijwoonden, was een aanzwellende polemiek, uitgaande van een boek dat niemand gelezen had. Men raakte gepolariseerd rond een oninteressant hoofdstuk gewijd aan Vichy, terwijl heel wat passages veel interessanter waren. Ik denk dan speciaal aan het hoofdstuk over de Crif, dat de communautaristische wending van veel Franse joden op de korrel neemt. Over die kwestie ging evenwel niet één artikel. Als reactie op de ontketende linkse pers, heeft de rechtse pers eerder de lof gezongen van het boek. Nochtans is het zonneklaar dat zij het evenmin gelezen hadden. Want inderdaad, laat Le Suicide français het meest reactionaire boek zijn sinds lang, het is tegelijk ook een antiliberaal pamflet. Op sociaaleconomisch gebied is het een waar neomarxistisch manifest, waarin Zemmour tekeergaat tegen het financieel kapitalisme, dat volgens hem verantwoordelijk is voor alles wat misgaat. Wat men moet lezen zijn de tien pagina’s gewijd aan een lofzang op Georges Marchais, of het dithyrambische hoofdstuk waarin hij zijn steun betuigt aan de sociale strijd tegen de wetten Juppé van 1996.
Dit alles zegt veel over het ideologische debat vandaag: lezen doet men niet meer, men redeneert afgaand op etiketten, en banvloeken lanceert men al na een paar slagzinnetjes.

Frans journalist en auteur, historicus van opleiding. In 1984 stichtte hij L'Événement du jeudi, en in 1997 het weekblad Marianne, waarvan hij directeur was tot 2007. Zijn jongste boek, Marine Le Pen vous dit merci! verscheen bij Plon.

14 december 2014

Journalistiek zoals het hoort


Niets is de dag van vandaag banaler dan kwaadspreken van de traditionele pers. Iedereen doet het, het is een mode. Eigenaardig genoeg doen ze het soms zelf ook, en betalen er speciaal een ombudsman voor. 
Maar neem nu het hoongelach dat Yves Desmet, toch een man van aanzien in vele kringen, te beurt viel toen hij onthulde dat Fabiola, die ergens vorige week haar kaars had uitgeblazen, katholiek was en royalistisch en ook nog eens belgicistisch. Plots was iedereen zogezegd al lang op de hoogte van die dingen.
Yves zijn scherpe analyse stak, vond ik, juist gunstig af bij de rest van wat we te horen en te lezen kregen. Vaak was dat sentimentele flauwekul als “Fabiola is weer bij Boudewijn” &c.

Ik zag niet de uitvaartdienst die georganiseerd werd, en waar naar het schijnt mooi gezongen werd en met castagnetten geklepperd. Speciaal daarvoor naar Brussel afzakken had ik niet gedaan, en de tv ervoor opendraaien ook niet.
Toch ben ik sinds vanochtend voldoende op de hoogte van wat er gisteren allemaal is omgegaan in Brussel.
Dat komt door een krant, het traditionele medium bij uitstek. In De Tijd, op hun pagina zeven, in een rechthoekje bovenaan, las ik alles wat ik moest weten, en er was zelfs een kleurenfoto bij.
Dat noem ik nu goede journalistiek: droge verslaggeving zonder duiding.

5 december 2014

Simenon brengt de psychoanalyse te berde


Gewoonlijk stopt Maigret zijn pijp, stapt een café of brasserie binnen en bestelt een demi of een calvados, soms een vin blanc. Meestal een demi, maar wat het wordt, hangt van het uur af, van de buitentemperatuur ook en dus van het seizoen van het jaar. Ook is hij door de ingewikkeldheid van een zaak soms genoopt tot het drinken van meer dan een calvados.
Voor een gewone lezer volstaat dit, en hij begrijpt de commissaris.
In «Maigret et le corps sans tête» (1955) moet Simenon evenwel gedacht hebben, misschien in een moment van hypergevoeligheid, dat ook de lezer die wat meer uitleg en inzicht en diepgang wenste, iets gegund mocht worden.
Hij vertelt hem daarom over het zielenleven van de jonge Maigret, en ook wie daar niet om vroeg, leest mee:

Lorsqu’il était jeune et qu’il rêvait de l’avenir, n’avait-il pas imaginé une profession idéale qui, malheureusement, n’existe pas dans la vie réelle? Il ne l’avait dit à personne, n’avait jamais prononcé les deux mots à voix haute, fût-ce pour lui-même: il aurait voulu être un «raccommodeur de destinées».
Curieusement, d’ailleurs, dans sa carrière de policier, il lui était arrivé assez souvent de remettre à leur vraie place des gens que les hasards de la vraie vie avaient aiguillés dans une mauvaise direction. Plus curieusement, au cours des dernières années, une profession était née, qui ressemblait quelque peu à celle qu’il avait imaginée: le psychanalyste, qui s’efforce de révéler à un homme sa vraie personnalité.

Hypergevoeligheid zei ik, maar dat kan het niet geweest zijn. De psychoanalyse, een nieuwe broodwinning in Parijs in die tijd, te berde brengen in een zaak waar de kop van het in mootjes gehakte slachtoffer maar niet gevonden wordt, is niet echt een eerbewijs aan Freud.

2 december 2014

Heinrich Heine geeft raad aan Francesca Vanthielen


"Schuldig klimaatverzuim": 11 BV's stellen overheid in gebreke, zo las ik in de krant. Een van die bekenden is de tv-omroepster Francesca Vanthielen.
Als we op haar verklaringen mogen afgaan (ik las die in De Morgen) dan heeft Francesca heel persoonlijke opvattingen over de werking van de rechtsstaat. Scheiding der machten en het primaat van de wetgever spelen geen rol in dat stuk. In haar stelsel moet de rechter aan de wetgever duidelijk maken wat voor wetten hij moet 'stemmen' – ze bedoelt natuurlijk 'aannemen' of 'goedkeuren', en pleit onbevangen voor een démocratie des juges:
"Via de rechter willen we hen verplichten om een klimaatwet te stemmen en eindelijk woorden in daden om te zetten", zegt Francesca Vanthielen, een van de initiatiefnemers. "De bedoeling is dat zoveel mogelijk burgers mede-eisers worden."
In dat laatste zinnetje meen ik nog een late echo te horen van de jammerlijk ter ziele gegane G708.
Francesca gaat verder:
"Ludieke acties helpen niet meer. Dan maar de juridische weg. We hebben een topteam van advocaten die het helemaal zien zitten."

Dat van die advocaten die het 'zien zitten' geloof ik best. Advocaten zien het vaak zitten. Toch zou ik Francesca en haar medestanders willen waarschuwen. Of liever, ik laat die taak aan Heinrich Heine over, zelf jurist – hij had ooit nog een doctoraat geschreven, in het Latijn, over de bruidsschat, de DOS. Nu echter zijn we tien jaar verder en in 1833, en advocaat is hij nooit geworden: 'Es ist nichts aus mir geworden, nur ein Dichter'.

Maar hij blijkt toch nog goed te weten hoe de zaken werken, en Francesca kan zijn woorden maar beter ter harte nemen. Dat zal haar zuurverdiende spaarcentjes ongetwijfeld ten goede komen, want dit consult is gratis:

Die Advokaten, die Bratenwender der Gesetze, die so lange die Gesetze wenden und anwenden, bis ein Braten für sie dabei abfällt, diese mögen noch so sehr streiten, ob die Gerichte öffentlich sein sollen oder nicht; darüber sind sie einig, daß alle Gerichte gut sein müssen, und jeder von ihnen hat sein Leibgericht.

[Aus den Memoiren des Herren von Schnabelewopski]

In mijn vertaling gaat veel verloren, en ik nodig de lezer uit om liever het Duits nog eens te lezen:

De advocaten, de braadspitten van de wetten, die de wetten net zo lang draaien en omdraaien tot er daarbij een stuk braadvlees voor hen afvalt, zij kunnen er nog zo fel over discussiëren of de gerechten openbaar moeten zijn of niet, hierover zijn zij het eens: dat alle gerechten goed moeten zijn, en elk van hen heeft zijn lijfgerecht.


Stukje ook op Doorbraak

30 november 2014

Gecorrigeerd weerbericht bij Simenon


Een gevoelige afzwakking van het sombere beeld dat ik onder invloed van Simenon in een vorig blog schetste van de weersomstandigheden in Parijs, vond ik in “Maigret et l’homme du banc” (1953). Mijn lezer kan de indruk hebben opgedaan van wel, maar het is zeker niet zo dat het in Parijs al-tijd regent:


Il ne plut pas de la journée. Tout au moins n’y eut-il pas de pluie visible, mais les pavés restaient mouillés, plus gras à mesure que la foule les piétinait. Puis, vers quatre heures de l’après-midi, un peu avant que la nuit tombe [dit mag vroeg lijken, maar het is 19 oktober], la même brume jaunâtre que le matin était descendue sur Paris, brouillant la lumière des lampadaires et des étalages.


24 november 2014

Ook politicologen mogen niet voortdurend schertsen


«Il faut s'appliquer avec soin dans les grandes affaires, encore plus que dans les autres, à se défendre du goût que l'on trouve à la plaisanterie.» In belangrijke zaken, meer nog dan bij andere, dien je zorgvuldig erover te waken niet toe te geven aan je neiging tot scherts, schreef in de zeventiende eeuw Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz.
Deze wijsheid lijkt me nog niet doorgedrongen tot bij alle beoefenaren van de wetenschap der politicologie. Ik las via Blendle een interview in de NRC, en hun correspondent Tijn Sadée probeerde daar een ernstig woord uit prof.dr.Marc Hooghe te krijgen. Hij antwoordde met de ene kwinkslag op de andere:

“Veranderen en het invoeren van strenge regels, daar houdt de Belg niet van. Een land als Nederland is rigide als het op begrotingsregels aankomt. België is rigide als het om tradities gaat. En één van onze Latijnse tradities is: laat-maar-waaien. Daar voelen Walen én Vlamingen zich goed bij.”
Belgen bestaan dus wel degelijk volgens onze wetenschapper, en ze voelen zich goed bovendien, al spreekt hij daar een honderd jaar oude zin van Jules Destrée tegen. Ook lijkt prof.dr.Hooghe de gedachte toegedaan dat "la Belgique sera Latine ou elle ne sera pas".
Een geletterde mens denkt hier aan de honderd jaar oude uitspraak van de wallingant Raymond Colleye. En laat die uitspraak onze schertsende politicoloog zelfs onbekend zijn, niets belet dat hij een eeuw later, en nu op basis van wetenschappelijk onderzoek tot eenzelfde inzicht kan zijn gekomen.
Ik neig tot deze laatste veronderstelling want zijn “rigide op gebied van tradities” is onbetwistbaar een eigen wetenschappelijke vondst.
Tijn Sadée blijft er ernstig bij:

De fout die de nieuwe regering volgens Marc Hooghe maakt, is „dat ze te dicht bij de burger komt”. „Belgen zijn anarchistisch van aard”, zegt de hoogleraar. „Ze houden de overheid graag op afstand. De Belg zegt: ‘Regering, blijf van ons imperfecte land af!’ ”
Ik vraag mij af waar onze wetenschapsman dat protest mag opgevangen hebben, en waar hij die waarschuwing van “de Belg” heeft opgetekend.
De NRC-journalist probeert nu nog een laatste keer Marc een soort sérieux op te dringen:

“Maar kapotte wegen, stroomuitval, dreigend bankroet bij Justitie – dat zijn toch ‘dingen’ die je als politicus wil aanpakken?”
Hooghe: „In België is het belangrijk dat je eigen huis en tuin er goed uitzien, maar níét de ruimte die van iedereen is. Belgen kunnen goed leven met verwaarlozing. Daar schuilt een zekere schoonheid in.” 
Dit is geen eigen vondst. Bij politicologen, columnisten en journalisten duikt die Belgische schoonheid wel vaker op, soms vergezeld van het adjectief “surrealistisch”. Ook bij intellectuelen als Hertmans of Arno tref je ze aan. Elders nooit, tenminste ik ken niemand die het daar ooit over heeft.

Maar aangezien je nooit duidelijk genoeg kunt zijn, en de katholieke universiteit Leuven Hooghe in dienst wenst te houden (weliswaar met gemeenschapsgeld), is het misschien goed om hier de woorden van de Retz eens extra te laten onderstrepen door een andere geestelijke: Baltasar Gracián s.j. in zijn “Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid”, zoals vertaald door Theo Kars.

76. Niet voortdurend schertsen. Het verstand kenmerkt zich door ernst, die hoger wordt aangeslagen dan geestigheid. Wie altijd grapjes maakt, wordt niet ernstig genomen. Men behandelt hem hetzelfde als iemand die liegt: men gelooft hem niet op zijn woord. De een wordt gewantrouwd om zijn leugens, de ander om zijn grappen. Men weet bij hen nooit wanneer hun verstand spreekt, wat erop neerkomt dat men hun dit niet toekent. Niets is zo storend als voortdurende geestigheid. Het komt vaak voor dat iemand de naam verwerft een vlot prater te zijn, maar zijn reputatie van zinnigheid verliest. Er is niets tegen een grapje op zijn tijd, als men voor de rest maar ernstig is.

22 november 2014

Hoe herken je een echte schrijver?


Er zijn schrijvers die bijzonder diepzinnige dingen opschrijven, maar er bestaan er ook die hun lezer niet lastigvallen met hun roerselen en hem integendeel graag te hulp komen, voor het geval zij zich in een bepaalde passage onbedoeld toch onduidelijk uitgedrukt zouden hebben.
Ik verkies de tweede soort schrijvers.
In het verhaal “L’Escale de Buonaventura” –1946, en geen Maigret– beschrijft Simenon de grote, lege eetzaal/bar van een havenhotel ergens. Groot genoeg «pour servir à manger à cent personnes au moins, à cent personnes qui ne viendraient jamais.»
Er zijn wel twee klanten in de zaak. De ene speelt de hele tijd op een eenarmige bandiet en drinkt daarbij groene munt. De andere, “le Français”, staat aan de bar en drinkt whisky. Als lezer denk je aan Hopper, die zulke mooie postkaarten kon schilderen.
De whisky’s worden door barman Joe, «un nègre», eerst afgemeten in een metalen bekertje. Over de muntdrank vernemen we verder niets, maar de whisky is van matige kwaliteit. Le Français zegt dat zo: «La même chose, Joe, si infect soit-il !»
De jetons van de speler raken op, «sa lutte solitaire contre la machine à sous», en hij bestelt er nieuwe, samen met een vers drankje.
Veel meer valt er op dit moment niet te melden, en daarom acht Simenon het ogenblik geschikt om zijn lezer, die het spoor misschien bijster is geraakt, te hulp te komen:
«L’un buvait des whiskies, l’autre des menthes vertes.»
Eén zin, en je weet dat hier een schrijver aan het woord is die iets te vertellen heeft.

Groei, ongelijkheid en sociaal welzijn: een vertaling


onderzoeksgegevens uit verschillende landen
David Dollar, Tatjana Kleineberg, Aart Kraay
19 november 2014

Bezorgdheid over ongelijkheid staat in vele beleidsdebatten vooraan. In vele landen groeide de ongelijkheid de laatste decennia, terwijl ze in andere juist afnam. De tekst hieronder gebruikt gegevens uit 117 landen, afkomstig van de laatste vier decennia, om na te gaan wat het belang is van enerzijds zulke schommelingen in ongelijkheid, en anderzijds de economische groei als geheel. In de meeste landen varieerde de ongelijkheid weinig, maar de groeiprestaties als
geheel verschilden sterk. Beleidsverantwoordelijken moeten daarom uitkijken dat ze bij een zoektocht naar grotere gelijkheid de groei niet ondermijnen.

Bezorgdheid over ongelijkheid staat in vele beleidsdebatten vooraan. Gaande van toespraken van president Obama tot het succesboek ‘Capital in the Twenty-First Century’ [Le Capital au XXIe siècle, Éditions du Seuil, 2013; Harvard University Press, 2014; De Bezige Bij, 2014; noot van de vertaler] van Thomas Piketty, is het moeilijk om te ontkomen aan de zienswijze dat geavanceerde economieën sterk op de proef worden gesteld door de toenemende ongelijkheid. Ook in de groeilanden is er heel wat geschreven over de nadelige effecten die hoge en toenemende ongelijkheid heeft op het tempo waarin armoede bestreden wordt. Opiniepeilingen suggereren dat in geavanceerde economieën grote meerderheden van de ondervraagden de indruk hebben dat de kloof tussen arm en rijk de laatste jaren is toegenomen (Pew Research Center 2013).
Wereldwijde veranderingen in ongelijkheid
Ongetwijfeld getuigen deze opvattingen deels van het feit dat de ongelijkheid in vele landen inderdaad is toegenomen. Tijdens de laatste vier decennia is in de Verenigde Staten de Gini-inkomenscoëfficiënt van ongeveer 0.3 tot rond 0.4 gestegen. Ongeveer hetzelfde gebeurde in China, alleen sneller: tussen 1990 en 2009 steeg de Gini-coëfficiënt er van 0.32 naar 0.42. Volgens de data van Atkinson et al. (2011) is veel van die toename te vinden aan de bovenkant van de inkomensverdeling.
Nochtans is het ook belangrijk om niet uit het oog te verliezen dat in andere landen de ongelijkheid niet is toegenomen, en merkbaar is geslonken in weer andere. In de data van Atkinson et al. is het aandeel van de inkomens in het top-deciel stabiel gebleven, of zelfs licht afgenomen in de tweede helft van de vorige eeuw, in landen als Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Nederland en Japan. In Brazilië is de Gini-coëfficiënt gedaald van rond de 0.6 in de late negentiger jaren, tot ongeveer 0.55 in de eerste tien jaar van deze eeuw. Meer systematisch: in een groot gegevensbestand met de variaties in ongelijkheid over een periode van telkens minstens vijf jaar, stijgt de Gini-coëfficiënt in bijna de helft van de gevallen, terwijl hij daalt in de andere helft.
Nieuw onderzoek naar veranderende ongelijkheid
In onze recente bijdrage, (Dollar et al. 2014), proberen wij licht te werpen op een zeer eenvoudige vraag, namelijk in hoeverre deze ongelijkheidsschommelingen in de een of andere richting ertoe doen. Om hierop te antwoorden moeten we precies aangeven wat we verstaan onder “ertoe doen”. Onze insteek is hier heel bescheiden: we gebruiken de aanvaarde instrumenten waar sociale welvaart mee wordt geanalyseerd, en berekenen hoeveel meer of minder groei van het gemiddelde inkomen een land in een bepaald tijdsbestek nodig zou hebben, om – wat betreft groei van de sociale welvaart – compensatie te bieden voor de gemeten ongelijkheidsvariaties in diezelfde periode. Puttend uit een groot gegevensbestand dat periodes van ongelijkheidsgroei en -verandering beslaat in 117 landen tussen 1970 en 2012, documenteren we vervolgens de grootte van deze compensatie, en de relatie tot de gemiddelde inkomenstoename.
Een eenvoudig voorbeeld zal onze aanpak illustreren. De Wereldbank heeft recent een belangrijke publieke toezegging gedaan wat betreft het nastreven van ‘gedeelde voorspoed’, gedefinieerd als groei van het gemiddelde inkomen van diegenen die in elk van de ontwikkelingslanden bij laagste 40% zitten in de inkomensdistributiecurve (World Bank 2013). De wiskunde is eenvoudig: de gemiddelde inkomensgroei in de laagste 40% is de som van de groei van het gemiddelde inkomen, en de groei van het inkomensaandeel dat aan de laagste 40% toekomt. In China bijvoorbeeld groeide tussen 1990 en 2009 het gemiddelde inkomen jaarlijks met 6.7%. Tezelfdertijd steeg de ongelijkheid, in die zin dat het deel inkomens in de laagste 40% afnam van 20.2% tot 14.4%, hetgeen overeenkomt met een verandering van -1.7% per jaar. Deze twee waarnemingen samengenomen, steeg voor de laagste 40% het gemiddelde inkomen jaarlijks 5% minder snel dan het nationale gemiddelde. Uit het oogpunt van de bevordering van gedeelde voorspoed is de prijs van de groei, in deze periode in China, een toename van de ongelijkheid met jaarlijks ongeveer 1.7%.
Om nu systematischer bewijsmateriaal aan te dragen, werken we met een groot gegevensbestand dat de inkomensdistributie in 117 landen beslaat gedurende de laatste vier decennia. We concentreren ons op variaties in gemiddeld inkomen en inkomensongelijkheid binnen afzonderlijke landen, waargenomen in tijdspannes van minstens vijf jaar. Bij een steekproef van 285 zulke niet-overlappende periodes berekenen we de bijdrage aan de maatschappelijke welvaart van enerzijds de groei der gemiddelde inkomens, en anderzijds de variatie in de ongelijkheid. We doen dit voor een brede waaier van sociale welvaartsfactoren, wat ruimte laat voor een groot gamma van voorkeuren bij de herverdeling van inkomens onder individuen.
Voor alle factoren van sociaal welzijn die wij in aanmerking nemen, is sociaal welzijn gemiddeld genomen recht evenredig met de toename van het gemiddelde inkomen. Dit geeft weer dat variaties in de ter zake doende maatstaven voor ongelijkheid niet systematisch samenhangen met variaties in het gemiddelde inkomen. Voor alle welvaartsindicatoren, de meest bodemgevoelige daargelaten, is de relatie tussen toenemende sociale welvaart en groei van het gemiddelde inkomen ook zeer hecht, aangezien de datapunten dicht bij de 45 gradenlijn samenklonteren. Dit geeft weer dat de variaties in ongelijkheid klein zijn, in die zin dat genomen door verschillende periodes heen, ongelijkheidsvariaties maar voor een kleine fractie tussenkomen in de variatie van de sociale welvaart tussen deze periodes. En dit op zijn beurt impliceert dat de vereiste bijkomende groei van het gemiddelde inkomen – vereist op het punt van sociale welvaart, om compensatie te bieden voor de typische toename van de ongelijkheid – gemiddeld genomen best klein is.

De figuur hiernaast illustreert onze resultaten voor één bepaalde factor van de sociale welvaart, gebaseerd op de Gini-index – de Sen-eenheid (1976) voor ‘reëel nationaal inkomen’, zijnde het gemiddelde inkomen, genormaliseerd met een factor één, min de Gini-coëfficiënt. Op de horizontale as zetten we de gemiddelde inkomensgroei uit voor de 285 punten in onze steekproef, en op de verticale as de overeenkomstige groei van de sociale welvaart. Aangezien de groei van de sociale welvaart de som is van de gemiddelde groei der inkomens plus de bijdrage van de variaties in ongelijkheid, geeft de verticale afstand tussen de 45 gradenlijn en elk datapunt aan wat ongelijkheidsvariaties bijdragen tot de groei van de sociale welvaart. Voor punten boven de 45 gradenlijn, ging de Gini-coëfficiënt naar beneden en groeide het sociale welzijn sterker dan het gemiddelde inkomen, terwijl bij punten onder die lijn de ongelijkheid steeg en het sociale welzijn achterbleef bij het gemiddelde inkomen. Groei en sociale welvaart gemeten met de Sen-index voor het ‘reëel nationaal inkomen’

Het belangrijkste punt in onze bijdrage is dat verschillen in de ervaring dat een land groeit (d.i. variatie tussen episodes volgens de horizontale as) veel groter zijn dan de variatie in de bijdrage van ongelijkheid tot de veranderende sociale welvaart (d.i. de variatie rond de 45 gradenlijn). Als wij de formele variantie-ontleding verder doorzetten, zien we dat meer dan 90% van de variatie in sociale welvaartsgroei toe te schrijven is aan het gemiddeld inkomen, en minder dan 10% aan veranderingen in de ongelijkheid.
Slotbeschouwingen
Wat betreft het beleid, is de hoofdboodschap van ons werk dat ter verbetering van de sociale welvaart het belang van de algemene economische groei onderstreept dient te worden. Ongelijkheid mag dan een populair thema zijn vandaag, maar in de meeste landen waren de variaties in ongelijkheid de laatste dertig jaar klein, terwijl verschillen tussen de gemiddelde groeiprestaties groot waren. In ons werk keken wij ook systematisch naar een waaier van beleids- en institutionele variabelen, en naar veranderingen in de ongelijkheid, daarbij hun onderscheiden effecten op de gemiddelde inkomensgroei en op veranderingen in ongelijkheid goed gescheiden houdend. Onze bevindingen suggereren dat het moeilijk is om stevige correlaties te vinden tussen enerzijds beleids- en institutionele variabelen, en anderzijds veranderingen in ongelijkheid. Dit geeft aan dat er geen simpel recept bestaat om de gelijkheid te bevorderen. Voorts geeft het ontbreken van een correlatie tussen gelijkheidsverschillen en economische groei aan dat er wellicht enkele gelijkheidsbevorderende maatregelen bestaan die tegelijk de groei steunen, waar andere de groei juist afremmen. Nu de druk toeneemt om ‘iets te doen’ aan de ongelijkheid, is het van belang dat beleidsverantwoordelijken voorzichtigheid in acht nemen om te vermijden dat zij in hun zoektocht naar grotere gelijkheid de groei afremmen, want een politiek die de gelijkheid wil vergroten ten koste van de groei, kon zijn doel wel eens voorbijschieten en het sociale welzijn niet vooruit helpen.

Noot van de auteurs: de opinies hier uitgedrukt zijn de hunne, niet die van de Wereldbank, noch die van haar Directeurs of de landen die zij vertegenwoordigen.

Verwijzingen:
Atkinson, A, T Piketty, and E Saez (2011), “Top Incomes in the Long Run of History”, Journal of Economic Literature, 49(1):3-71.
Dollar, D, and A Kraay (2002), “Growth is Good for the Poor,” Journal of Economic Growth, 7, 195-225.
Dollar, D, T Kleineberg, and A Kraay (2013), “Growth Still Is Good for the Poor”, World Bank Policy Research Department Working Paper No. 6568.
Dollar, D, T Kleineberg, and A Kraay (2014), “Growth, Inequality and Social Welfare: Cross Country Evidence”, World Bank Policy Research Department Working Paper No. 6842.
Pew Research Center (2013), “Economies of Emerging Markets Better Rated During Difficult Times”.
Sen, A (1976), “Real National Income”, Review of Economic Studies.
World Bank (2013), “The World Bank Goals: End Extreme Poverty and Promote Shared Prosperity”.

5 november 2014

Baudrillard in New York


Wellicht lezer, hebt u ook die wandeling door New York gezien, de remake van de wandeling door Brussel een tijd geleden, “Femme de la rue”. De oogst na tien uur flink stappen leek me mager.
Dan was de pastiche met die kerel die ook tien uur had gestapt veel beter, zij het soms op het grove af. Zo moest de brave man zich van omstaanders laten welgevallen dat hij eruitzag als iemand die wel een Starbucks-koffie zou lusten.
Het is nu wachten op wandelingen door nog andere steden, en dan kunnen er doctorale proefschriften geschreven worden.

Iemand die al veel vroeger door New York en andere Amerikaanse steden stapte, was Jean Baudrillard, en onder meer in “Amérique” (Grasset et Fasquelle, 1986) en “Cool Memories” (Éditions Galilée, 1987) deed hij daar verslag van.
Sommigen vonden Baudrillard slecht verteerbaar. Bijvoorbeeld Leo Apostel sprak in zijn laatste boek (Gebroken Orde. De vergeten toekomst van de filosofie, 1992) over “intellectueel terrorisme”, dat helaas “gezag van spreken had verworven”. Dat oordeel betrof, dient gezegd, niet de twee boeken die ik net noemde, wel zijn filosofische geschriften en die van zijn geestesgenoten.

Maar ik vind Baudrillard grappig, en achteraf gezien soms visionair.
In Amerikaanse steden viel zijn scherpe oog op fenomenen die wij toen nauwelijks kenden, onder meer "joggers":

«Les primitifs désespérés se suicidaient en nageant au large jusqu’au bout de leurs forces, le jogger se suicide en faisant des aller et retour sur le rivage. Ses yeux sont hagards, la salive lui coule de la bouche, ne l’arrêtez pas, il vous frapperait, ou il continuerait de danser devant vous comme un possédé.
La seule détresse comparable est celle de l’homme qui mange seul debout en pleine ville.»
Wanhopige primitieven pleegden zelfmoord door in open zee weg te zwemmen tot hun krachten ten einde liepen, de jogger pleegt zelfmoord door aan de oever heen en weer te lopen. Zijn ogen staan wild, speeksel loopt hem uit de mond, hou hem niet staande want hij zou u slaan, of als een bezetene voor u blijven dansen.
De enige vergelijkbare ellende, is die van de man die in volle stad alleen en al rechtstaande eet.

En Baudrillard merkte er ook de aanzet tot een soort feminisme dat wij vandaag overal zien, en dat hij als overgevoelig beschrijft:

«Un clin d’œil, un geste, une mise en scène — tout est viol puisque tout est signe. Le moindre signe est une prémisse de détournement. Tel est aussi l’imaginaire féministe: pas de différence entre viol et séduction, toute avance de l’autre est une promiscuité inacceptable.»
Een knipoog, een gebaar, een toneeltje – alles is verkrachting want alles is een teken. [van huis uit is Baudrillard germanist en vertaler, en hier denkt hij misschien aan Hegel: Das Wort ist der Mord am Ding.] Het minste teken is een aanzet tot verdraaiing. Zo werkt de feministische verbeelding ook: geen onderscheid tussen verkrachting en verleiding, elke avance van de ander is een onaanvaardbare promiscuïteit.


Stukje voor Doorbraak


4 november 2014

De Tijd analyseert


“Brussel en Vlaanderen hebben elkaar nodig”, schrijft De Tijd, en er volgen een paar illustraties bij die stelling. Het zijn allemaal bouwprojecten: een voetbalstadion, een congrescentrum, een shoppingcenter &c.
Bij elk voorbeeld somt De Tijd afzonderlijk de voordelen voor Brussel op, en die voor Vlaanderen. Over eventuele nadelen spreken ze niet, misschien omdat de kersttijd stilaan nadert.
Het grappigst vond ik hun commentaar bij het voetbalstadion:


Belang voor Brussel: Brussel wil zich op de kaart zetten met Euro 2020. Daarvoor heeft het dat nieuwe stadion nodig tegen 2018.

Belang voor Vlaanderen: Ook in Vlaanderen is de sympathie voor de Rode Duivels groot. De verbreding van de Ring kan moeilijk zonder akkoord over dat stadion.

Moet er voor die verbreding dan iets betaald worden? Of gaat De Tijd ervan uit dat de sympathie voor die voetballers in Vlaanderen veel groter is dan in de rest van het vaderland?
Want waar anders mag het Vlaamse relatieve voordeel zitten?

3 november 2014

Die bekrompen Vlamingen altijd


Wat ik telkens weer graag lees in de welmenende kranten, Vlaamse zowel als Franstalige, zijn de berichten over de Vlamingen die zich meer en meer opsluiten in hun eigen bekrompen wereldje, en over de Francofonen die integendeel openstaan voor de wereld, en dankzij hun fameuze immersieklassen ook altijd maar beter en beter Nederlands kennen. Vlamingen zijn, zoals we op de foto kunnen zien, “de plus en plus repliés sur eux-mêmes”.

Wat een verschil met honderd jaar geleden, toen Destrée in zijn brief aan Albert I nog moest schrijven: «Le premier fait qu'on peut déplorer, mais qu'on doit constater, c'est la répugnance marquée que le Wallon a pour l'étude de la langue flamande.»
[Het eerste feit, dat men kan betreuren maar toch moet vaststellen, is de uitgesproken weerzin die een Waal voelt tegen de studie van de Vlaamse taal.]

Maar in een eeuw kan veel veranderen, en blijkbaar is de vaderlandse goede wil nu in het andere kamp te vinden.
Wat een koude douche was het dan niet, dat ik in een pas verschenen boekje van de historicus Hervé Hasquin, oud-rector van de ULB, op bladzijde 117 moest lezen over:

«La méconnaissance quasi généralisée du néerlandais en Wallonie, le recul considérable du français en Flandre, alors que l’anglais gagne de plus en plus de terrain à Bruxelles…»
[Het zo goed als algemeen ontbreken van kennis van het Nederlands in Wallonië, de aanzienlijke achteruitgang van het Frans in Vlaanderen, terwijl in Brussel het Engels meer en meer terrein wint…]

In tegenstelling met de goede journalisten, is de mentaliteitsverandering bij de Francofonen aan professor Hasquin blijkbaar ontgaan.

(in: Déconstruire la Belgique? Pour lui assurer un avenir?)

2 november 2014

Over laarsjes, zwammen en een kastanjelaar


Laurette met haar laarsjes moet hier nog eens ter sprake komen, niet speciaal omwille van die laarsjes maar meer in het algemeen. En ik weet wel, ze heeft al een advocaat, maar een tweede kan nooit kwaad. Ik zou namelijk graag haar recente uitlatingen enigszins willen relativeren, en bijvoorbeeld ook die over «les mérules flamandes» destijds, de Vlaamse zwammen.
Je zult zeggen: haar beeldspraak is wat gezwollen. Ja, dat is zo, maar als het over de Vlamingen gaat, dan past die beeldspraak in een wijdverbreide francofone retorische conventie, een topos dus. En deze topos overstijgt de partijgrenzen wil ik aantonen. Het zou verkeerd zijn om bepaalde wendingen uitsluitend op haar rekening of die van de PS te schrijven.

Ik las net een boekje, pas uitgegeven door de Académie royale de Belgique, en geschreven door de gezaghebbende historicus van de ULB, Hervé Hasquin, oud-politicus ook van de MR.
«Déconstruire la Belgique?», heet het en het kreeg als ondertitel: «Pour lui donner un avenir?». Zeer lezenswaardig werkje, 135 bladzijden, vijf euro.

Hasquin geeft daarin een voorbeeld uit weer een ander boekje, «Belgique. La descente au tombeau» (2008), van de hand van Pol Vandromme (1927-2009). Vandromme was onder meer nog hoofdredacteur van het christendemocratische blad Le Rappel uit Charleroi. Hij droeg zijn blijkbaar somber gestemde boekje op «Aux anciens Belges», en besloot met wat Hasquin noemt «une envolée dont l’auteur avait le secret», een gloed, een vervoering waarvan de auteur het geheim bezat.
Eerst de vertaling van die envolée

De verbrokkelde en in stukken gehakte Staat zal enkel nog een lege schelp zijn; het flamingantisme zal hem eens en voorgoed ontbonden hebben. Wat er zal overblijven is de fictie van een Staat, die men uit gewoonte België zal blijven noemen, nostalgisch-beleefd en uit dankbaarheid ook jegens enkele oude Belgen – Simenon, Michaux, Hergé, Verhaeren, Ensor, Memling – van wie de herinnering niet zal zijn uitgewist door de nieuwe chaotische tijden en de nieuwe heren zonder geheugen.
Onze buren zullen medelijden met ons hebben, net zoals ze dat hadden met de kastanjelaar van Anne Frank, aangevreten door ongedierte, van binnenuit verrot, maar die men bewaart als een zielige herinnering, als het laatste dat het arme meisje, ondergedoken in haar schuilplaats nog aan het leven bond in die tijd van bestiale vervolging.

L’État démembré et dépecé ne sera plus qu’une coquille vide; le flamingantisme l’aura dissous pour de bon. Restera une fiction d’État, que l’on continuera d’appeler Belgique, par habitude, par politesse-retro, par gratitude aussi envers d’anciens Belges – Simenon, Michaux, Hergé, Verhaeren, Ensor, Memling – dont la mémoire n’aura pas été effacée par les nouveaux temps chaotiques et les nouveaux messieurs amnésiques.
Nos voisins auront pitié de nous, ainsi qu’ils l’eurent du marronnier d’Anne Frank, rongé par la vermine, pourri de l’intérieur, mais que l’on conserve artificiellement comme un souvenir piteux, le dernier qui rattacha à la vie la pauvre enfant terrée dans sa cache à l’époque de la persécution bestiale.

Vlamingen die niet enthousiast zijn over de staat België in een adem noemen met de nazi’s is dus allerminst een prerogatief van Laurette. De schaamteloze manier waarop wijlen Vandromme tot zelfs Anne Frank inriep om zijn Belgique te verdedigen, getuigde behalve van intellectuele onmacht ook van Vlamingenhaat tout court.

Nee, «le bruit des bottes» was geen toevallige uitschuiver en die zwammen waren ook geen ingeving van het moment: Laurette haar uitspraken getuigen van een gezonde zin voor traditie.

Stukje op Doorbraak

28 oktober 2014

Imaginaire laarsjes staan je niet, Laurette !


Met het geluid van die laarzen nog in haar oren, zal Laurette Onkelinx misschien moeite hebben om te verstaan wat haar Franse partijgenoot Lionel Jospin hieronder vertelt over het spook van het fascisme.

Jospin was in 2002 socialistisch presidentskandidaat, maar werd toen uit de tweede ronde gehouden door Jean-Marie Le Pen, en Chirac werd president. Een bittere kiesuitslag, die hem blijkbaar toch niet van zijn verstand had beroofd want vijf jaar later, bij Finkielkraut in de uitzending Répliques, hoorde Jospin nog altijd geen laarzen, en noemde hij diegenen die ze wel hoorden “absurd en schandalig”. Het Front National is niet eens een fascistische partij vond hij.
Ook over “l’identité nationale” vertelde hij dingen die Laurette eens moet beluisteren, in het Frans vanzelfsprekend, want mijn vertaling is voor haar een overbodige luxe.

Lionel Jospin: In al de jaren van het Mitterrandisme hebben wij nooit tegenover een fascistische dreiging gestaan, en dus was alle antifascisme louter theater. Wij stonden tegenover een partij, het Front National, die een extreemrechtse partij was, op haar manier ook een populistische partij, maar nooit is het zo geweest dat er fascisme dreigde, we hadden zelfs niet met een fascistische partij te maken. Van begin af aan was de aantijging van fascisme ten aanzien van Nicolas Sarkozy zowel absurd als schandalig. […]
Ik ben diep gehecht aan de nationale identiteit en meen zelfs aan te voelen en te weten wat deze is, voor mijzelf dan toch. Nationale identiteit is wat we gemeen hebben, het is een taal, een geschiedenis, een geheugen –wat niet helemaal hetzelfde is– het is een cultuur, dat wil zeggen een literatuur, kunsten, filosofische stelsels, en daarbij is het een politiek bestel met zijn principes en wetten. Voor wie in Frankrijk leeft zou ik daaraan toevoegen dat die nationale identiteit ook een manier van leven inhoudt.
Alain Finkielkraut: Zeker.
Lionel Jospin: En dus die identiteit, die natie – ik ben er diep van overtuigd dat naties bestaan, en nog altijd bestaan. En in Frankrijk is het opvallend dat wij tegelijk gehecht zijn aan de veelheid van uitingen die onze natie vorm geven, en aan de bijzonderheid van onze eigen natie. En dus zou ik zeggen, dat als er vandaag een identiteitscrisis bestaat, identiteitscrisis die met name dwars door de instellingen gaat die de uitdrukking ervan waren en deze vertegenwoordigden, dat dit misschien komt omdat de tradities, en het doorgeven ervan door een crisis gaan.
Er is een noodzaak om de essentiële elementen van onze nationale identiteit in herinnering brengen, want als wij weifelachtig staan tegenover onze eigen nationale identiteit, zullen wij vanzelfsprekend des te meer moeite hebben om [anderen] te integreren.

Lionel Jospin: Pendant toutes les années du Mitterrandisme nous n’avons jamais été face à une menace fasciste, et donc tout antifascisme n’était que du théâtre. Nous avons été face à un parti, le Front National, qui était un parti d’extrême-droite, un parti populiste aussi à sa façon, mais nous n’avons jamais été dans un situation de menace fasciste, et même pas face à un parti fasciste. D’abord le procès en fascisme à l’égard de Nicolas Sarkozy est à la fois absurde et scandaleux. […]
Je suis profondément attaché à l’identité nationale et je crois même ressentir et savoir ce qu’elle est, en tout cas pour moi. L’identité nationale c’est notre bien commun, c’est une langue, c’est une histoire, c’est une mémoire –ce qui n’est pas exactement la même chose– c’est une culture, c’est-à-dire une littérature, des arts, une, la philo… ou les philosophies, et puis c’est une organisation politique avec ses principes et ses lois. Quand on vit en France, j’ajouterais à l’identité nationale que c’est aussi un art de vivre peut-être que cette identité nationale.
Alain Finkielkraut: Ah oui.
Lionel Jospin: Et donc, cette identité, cette nation – je crois profondément que les nations existent, et existent encore. Et en France, ce qui est frappant c’est que nous sommes à la fois attachés à la multiplicité des expressions qui font notre nation, et à la singularité de notre propre nation. Et donc ce que je me dis, c'est que, s’il y a aujourd’hui une crise de l’identité, crise de l’identité à travers notamment des institutions qui l’exprimaient, la représentaient, c’est peut-être parce qu’il y a une crise de la tradition, qu’il y a une crise de la transmission.
Il faut que nous rappelions les éléments essentiels de notre identité nationale parce que si nous doutons de notre identité nationale nous aurons évidemment beaucoup plus de mal à intégrer.

Stukje voor Doorbraak

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html