30 april 2014

Rede, geloof, en een aandoenlijk onnozele koopman



De uitzending van Reyers Laat gisteren, met Vermeersch en Torfs, en de mooie sopraan Noémi Schellens, en de even mooie Kathleen Cools, was prachtig. Ik zag ze juist op mijn pc, en straks zal ik nog eens kijken.
Torfs was een paar keer schitterend, en de hele ambiance daar was zodanig goed, en iedereen voelde zich zo op zijn gemak, dat de gevierde Etienne Vermeersch het zich zelfs permitteerde om de geschiedschrijver Thucydides te citeren. In het Grieks! wat vandaag als een politiek statement mag gelden.

Na de vocalise te zijner ere, en terugdenkend aan zijn tijd als koorknaap zei Vermeersch namelijk: κτῆμα ἐς ἀεί (ktêma es aeí), een bezit, een rijkdom voor altijd, voor de eeuwigheid.
Een parafrase van Keats kennen wij beter: 

A thing of beauty is a joy for ever:
Its loveliness increases; it will never
Pass into nothingness; but still will keep
A bower quiet for us, and a sleep
Full of sweet dreams, and health, and quiet breathing.

En eerder in de uitzending hoorden we mooie dingen over rationaliteit, over de rede en het geloof daarin, want een geloof blijft deze in laatste instantie altijd, zoals Torfs terecht zei. Ook het hedendaagse sentimentalisme bracht Torfs ter sprake, en hij vreesde dat een man op den duur nog ajuinen zou moeten pellen om ernstig genomen te worden, want ook een man moet en zal gevoelens en tranen tonen.
Ik weet niet of hij toen aan Brassens dacht, die hoopte dat zijn weduwe het zonder uien zou kunnen stellen bij zijn begrafenis:
Dieu veuill’ que ma veuve s'alarme
En enterrant son compagnon,
Et qu’ pour lui fair’ verser des larmes
Il n'y ait pas besoin d'oignon... 

Kortom: de uitzending contrasteerde met wat de buis ons vaak voorschotelt.

Maar dat de rede nooit-of-jamais het zal halen van het sentimentalisme, het bijgeloof en de gewone dwaasheid, las ik vandaag in De Tijd.
Hopelijk vindt Jef Colruyt ergens in zijn drukke koopmansbestaan de tijd om deze Reyerslaat eens te bekijken.


27 april 2014

Taal en identiteit. Amateurfilosofie in een debat.


Ik vraag mij af of ergens in de geschiedenis, van de Sumeriërs en de Grieken tot vandaag, er een filosoof te vinden is die met de stelling "Taal heeft niets met identiteit te maken" op de proppen is gekomen. Een filosoof hoeft eigenlijk niet, een astroloog of paragnost is ook goed. Zelfs een politicoloog kan dienen.
De omgekeerde stelling komt wel vaak voor, weten we. Een voorbeeldje uit vele. Wat te denken van deze overweging van Jules Destrée, in 1912?

Een taal is een schat die in de loop der tijden is opgehoopt door een menselijke gemeenschap, die daar de herinneringen en echo's van haar zeden, overtuigingen en smarten in heeft opgeborgen. Bij hen die haar spreken roept zij verwarde impressies op, die verwijzen naar de weifelende onzekerheden van het stamelend kind op de moederschoot, en verder nog naar verwantschappen met verre voorvaderen. Die gehechtheid aan de taal heeft iets geheimzinnigs, want zij hangt minder samen met ons redeneervermogen dan met ons diepe onbewuste. Pas als men het probleem van die kant bekijkt, denkt men aan haar miljoenen subtiele wortels die doordringen in het verste verleden en begrijpt men het sacrale karakter van een taal, en hoe delicaat de kwesties zijn die haar gebruik oproept, hoe onoplosbaar ook met enkel de middelen van het verstand.

Destrée ziet blijkbaar wel een verband tussen taal en identiteit.

Of Heinrich Heine die in 1830, zoals vele Duitse vrije geesten toen, zichzelf een min of meer vrijwillige ballingschap in Parijs had opgelegd, en de tweede helft van zijn leven in een Frans taalbad doorbracht. In een van zijn reisbeschrijvingen, het ging over Normandië herinner ik me, vertelt hij dat een boerenkar zijn pad kruiste, met daarop gezeten een grote familie, vader, moeder en kinderen met heel hun hebben en houden. Emigranten die in een Noord-Franse haven een boot wilden vinden naar godweet welk land, een ander land waar het beter was.
En Heinrich kreeg de tranen in de ogen toen hij hen een Duits dialect hoorde praten, een taal die hij zo lang al niet meer had gehoord. En hij deed het niet, maar wilde hen in een opwelling zeggen: keer toch naar huis terug, waar je in je eigen taal kunt leven en jezelf kunt zijn.

Hij schreef vaker over zijn exil, en over zijn verbanning uit de taal die hem had gemaakt tot wat hij was. Zo ook in zijn gedenkboek (1840) voor Ludwig Börne.
Deze Börne (Juda Löb Baruch) was samen met Heine de scherpste journalist van zijn tijd, een vriend-vijand van hem, ook uitgeweken naar Parijs en daar jong gestorven:

Glücklich sind die, welche in den Kerkern der Heimat ruhig hinmodern... denn diese Kerker sind eine Heimat mit eisernen Stangen, und deutsche Luft weht hindurch, und der Schlüsselmeister, wenn er nicht ganz stumm ist, spricht er die deutsche Sprache!... [...] Ihr habt vielleicht einen Begriff vom leiblichen Exil, jedoch vom geistigen Exil kann nur ein deutscher Dichter sich eine Vorstellung machen, der sich gezwungen sähe, den ganzen Tag französisch zu sprechen, zu schreiben und sogar des Nachts am Herzen der Geliebten französisch zu seufzen! Auch meine Gedanken sind exiliert, exiliert in eine fremde Sprache.
[Gelukkig zijn zij die in de kerkers van de heimat rustig wegrotten... want die kerkers zijn een heimat met ijzeren stangen, en daar waait Duitse lucht door, en de cipier, als die niet volkomen stom is, spreekt de Duitse taal!... [...] Van lijfelijke ballingschap kunt u zich wellicht een idee vormen, maar van geestelijke ballingschap kan zich enkel een Duitse dichter een voorstelling maken als die zich gedwongen ziet om de hele dag Frans te spreken en te schrijven, en 's nachts aan de boezem van zijn geliefde zelfs in het Frans te zuchten! Ook mijn gedachten zijn in ballingschap, in ballingschap in een vreemde taal.]

Misschien nog duidelijker was Heine in zijn "Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland" (1834), waar hij Luther looft en zegt dat die man het Duitse volk een lijf, een identiteit heeft gegeven:

Dieser Martin Luther gab uns nicht bloß die Freiheit der Bewegung, sondern auch das Mittel der Bewegung, dem Geist gab er nämlich einen Leib. Er gab dem Gedanken auch das Wort. Er schuf die deutsche Sprache. Dieses geschah, indem er die Bibel übersetzte. In der Tat, der göttliche Verfasser dieses Buches scheint es ebensogut wie wir andere gewußt zu haben, daß es gar nicht gleichgültig ist, durch wen man übersetzt wird, und er wählte selber seinen Übersetzer und verlieh ihm die wundersame Kraft, aus einer toten Sprache, die gleichsam schon begraben war, in eine andere Sprache zu übersetzen, die noch gar nicht lebte.
[Deze Maarten Luther schonk ons niet enkel bewegingsvrijheid [het katholicisme is voor Heine een kwelling], maar ook het instrument daartoe. Aan de geest gaf hij een lichaam namelijk. Hij schonk ook het Woord aan de gedachte. Hij schiep de Duitse taal. Dit geschiedde doordat hij de Bijbel vertaalde. Inderdaad, de goddelijke Steller van dit Boek schijnt evengoed als wij allemaal geweten te hebben dat het een heel verschil maakt door wie je vertaald wordt, en hij zocht zich zelf een vertaler uit, en verleende hem de wonderbaarlijke kracht om uit een dode taal, die als het ware al begraven was [het Hebreeuws], te vertalen naar een andere taal, die nog niet in leven was.] 

"Taal heeft enorm veel, en bijna alles met identiteit te maken", lijkt mij een redelijke, misschien zelfs verstandigere stelling dan de ontkenning ervan.



Siegfried Bracke: Het idee om taal gelijk te stellen met identiteit, of zelfs taal te verheffen tot een van de belangrijke factoren van identiteit, dat is één achterhaald, en twee fout. Dat is nooit zo geweest. Voor alle duidelijkheid: Maeterlinck dat is een element –die schreef in het Frans zoals u weet– dat is een element van de Vlaamse cultuur, en dus taal heeft met identiteit niets te maken. Het is best denkbaar dat ge Franstalig zijt en tegelijk flamingant. Ja?
De Standaard: Hoe definieert u die…
Siegfried Bracke: Dus identiteit heeft niets te maken met taal, niets te maken met godsdienst, niets te maken met geschiedenis. Dat is het dus niet.
De Standaard: Hoe bepaalt u dat dan wel?
Bert Anciaux: Dat heeft daar allemaal mee te maken denk ik. Identiteit heeft te maken met taal, heeft te maken met godsdienst, heeft te maken met je afkomst.
Siegfried Bracke: Nee, nee, sorry.
Bert Anciaux: Natuurlijk wel.
Siegfried Bracke: Dat is niet mijn identiteit. Nee, absoluut niet.
Bert Anciaux: Jij hebt je identiteit uit de kast gekozen of zo? (applaus)
Siegfried Bracke: Nee, ah nee nee nee (applaus) nee nee. Je zit, je zit op een traditie, en op een cultuur en op een geschiedenis, en die is wat ze is… ja
Bert Anciaux: hm hm
Siegfried Bracke: ...maar op dit moment is met permissie gezegd een blad als De Standaard véél meer identiteitsbepalend dan de taal, het Nederlands. En het Nederlands is het enige wat we, wat we daar mee doen is een nuttig middel om aan die verbinding een communicatieve uitweg te geven.

  Stukje eerst verschenen in Doorbraak

21 april 2014

Le Monde Diplomatique maalt BHL heel fijn


Dezer dagen willen enkele heetgebakerde Russische parlementsleden Michail Gorbatsjov laten vervolgen omdat hij de Sovjet-Unie heeft laten uiteenvallen. Dit mag ons verwonderen want voor doorgewinterde historisch-materialisten als zij is het moeilijk vol te houden dat één man de loop van de geschiedenis zou hebben bepaald. Materiële ontwikkelingen in hun dialectische verbanden bepalen deze loop namelijk.
Laten we gevoeglijk aannemen dat de rechtszaak zal doodlopen, zelfs in het geval dat Gorbatsjov zich een volslagen idioot als advocaat zou uitkiezen.

Ernstiger is wat Gorbatsjov zelf de zeventiende maart aan het persbureau Interfax liet weten, na het referendum in de Krim:
De Krim mag destijds onder de Sovjetwetgeving aan Oekraïne zijn toegevoegd [...], zonder dat de bevolking om haar mening werd gevraagd, vandaag heeft dit volk besloten om deze dwaling recht te zetten. Men moet dit feit erkennen, in plaats van sancties aan te kondigen.

Ik meen niet dat de volkstribuun van het Maidanplein, onze flapuit Verhofstadt dit standpunt graag gelezen zal hebben, waarbij ik voor het gemak even ervan uitga dat hij het gelezen heeft.
Maar in Frankrijk hebben ze een flapuit die nog veel beroemder is, namelijk de zondagsfilosoof Bernard-Henri Lévy. Die man is zoals iedereen weet een pathologische leugenaar, een fantast die graag verslag uitbrengt van gebeurtenissen die hij niet gezien heeft en erger nog, filosofen citeert die nooit hebben bestaan, zoals Jean-Baptiste Botul (1896-1947).
Je vraagt je af hoe mensen een dergelijke kwast nog ernstig kunnen nemen. Nochtans is dit wel het geval. Onder meer bij Libération plaatst men zonder morren geregeld zijn stukken. Nu hebben zij daar ook een goede reden voor: vader Lévy dreef een handeltje in tropische houtsoorten en zodoende erfde zoon Bernard-Henri een paar honderd miljoen, zodat hij met wat zakcentjes zich kon inkopen bij die noodlijdende krant.
Minder begrijpelijk is het echter dat bijvoorbeeld ook Guy Verhofstadt en Yves Desmet hem blijven achternalopen, denk aan Syrië, Libië en daarvoor nog aan Kosovo.

Bij Le Monde Diplomatique weten ze alleszins beter, en in hun jongste nummer werd BHL lelijk gemaltraiteerd door de auteur Olivier Zajec, onderzoeker aan het Institut de stratégie comparée (ISC) in Parijs. Zajec brengt onder de titel 'L'obsession antirusse' een stuk waarin hij uitlegt wat de beweegredenen van Poetin zouden kunnen zijn en waarom die zich terecht of onterecht gebruuskeerd voelt.

Ik geef eerst een paar alinea's van de Franse tekst, en dan vertaal ik die, in het besef dat Zajec het stiletto zwieriger hanteert, vooral met zijn kleine zinnetje over de arme BHL. La petite phrase qui tue, waar de Fransen zo goed in zijn. Eerst geeft Zajec aan dat, als het wat moeilijker zaken betreft, vele Westerse politici en journalisten enkel nog in theologische, manicheïstische schema's kunnen denken:

Ces dernières semaines, le traitement médiatique des événements en Ukraine en a apporté la confirmation : pour une partie de la diplomatie occidentale, les crises ne trahissent plus une asymétrie entre les intérêts et les perceptions d'acteurs doués de raison, mais constituent autant d'affrontements ultimes entre le Bien et le Mal où se joue le sens de l'histoire.
La Russie se prête à merveille à cette scénarisation, qui a le mérite de la simplicité.'
[De manier waarop de media de gebeurtenissen in Oekraïne de jongste weken hebben behandeld, bevestigt dit: voor een deel van de Westerse diplomatie zijn crisissen niet langer uitingen van uiteenlopende belangen en zienswijzen van partijen die met rede begiftigd zijn, maar telkens weer finale botsingen van Goed en Kwaad waarbij de loop van de geschiedenis op het spel staat.
Rusland past wonderwel in dit scenario, dat de verdienste heeft van de eenvoud.]

En dan bespreekt hij de stommiteit van de nieuwe Oekraïense regering, die meteen het Russisch wilde verbieden:
M. Poutine ne pouvait rêver mieux que cette ineptie pour enclencher sa manœuvre criméenne. L'insurrection qui a mené à la chute de M. Ianoukovitch (élu en 2010), puis la sortie de la Crimée russophone du giron de Kiev n'est donc que la dernière manifestation en date de la tragédie culturelle consubstantielle à cette Belgique orientale qu'est l'Ukraine. Á Donetsk comme à Simferopol, les Ukrainiens russophones sont en général moins sensibles qu'on ne le dit à la propagande du grand frère russe : la décrypter avec une ironie fataliste est devenu une seconde nature. Leur aspiration à un véritable État de droit et à la fin de la corruption est la même que celle de leurs concitoyens de Galicie. M. Poutine sait tout cela. Mais il sait aussi que ses populations, qui tiennent à leur langue, n'échangeront pas Alexandre Pouchkine et les souvenirs de la «grande guerre patriotique» –nom soviétique de la seconde guerre mondiale– contre un abonnement à La Règle du jeu, la revue de Bernard-Henri Lévy. En 2011, 38% des Ukrainiens parlaient russe à la maison. Or la décision aventureuse et revancharde du 23 février a soudainement rendu le discours de Moscou véridique : pour l'Est ukrainien, le problème n'est pas que le nouveau gouvernement du pays soit parvenu au pouvoir en renversant le président élu, mais bien que sa première décision ait été de faire courber la tête à la moitié de ses concitoyens.
[Om zijn manoeuvre in de Krim op gang te brengen, kon dhr. Poetin zich niets beters dromen dan deze stommiteit. De opstand die heeft geleid tot de val van dhr. Janoekovitsj (verkozen in 2010), met daarop de uittreding van de Krim uit de schoot van Kiev, is dus niets meer dan de jongste uiting van de culturele tragedie, die eigen is aan dit België van het Oosten dat Oekraïne heet. In Donetsk, zowel als in Simferopol zijn de Russischsprekende Oekraïners meestal minder gevoelig dan men wel zegt voor de propaganda van de grote Russische broer: deze met een berustende ironie ontcijferen is een tweede natuur geworden. Hun verlangen naar een waarachtige Rechtsstaat, en naar het verdwijnen van de corruptie, verschilt niet van dit van hun Galicische medeburgers. Dhr. Poetin weet dit allemaal. Maar hij weet ook dat die volken, die aan hun taal gehecht zijn, Alexander Poesjkin en de herinneringen aan de «grote vaderlandse oorlog» –de sovjetbenaming voor de Tweede Wereldoorlog– niet zullen inruilen voor een abonnement op La Règle du Jeu, het blad van Bernard-Henri Lévy. In 2011 spraken 38% van de Oekraïners thuis Russisch. Maar nu heeft de riskante en revanchistische beslissing van 23 februari het Russische discours plots geloofwaardig gemaakt: voor Oost-Oekraïne is het probleem niet zozeer dat de nieuwe regering aan de macht is gekomen door de gekozen president af te zetten, maar wel dat het haar eerste beslissing was om de helft van hun medeburgers het hoofd te doen buigen.]

En laat me besluiten: nu het Journaal van Mark Grammens niet meer bestaat, waarin hij zo vaak de lof zong van Le Monde Diplomatique, wil ik graag vermelden dat behalve het bovengenoemde artikel er nog veel meer lezenswaardigs te vinden is in hun aprilnummer. Twee titels maar: Bonapartisme ou Constituante, met als verduidelijking 'Un cadre politique légal mais illégitime', een scherpe bespreking van het Verdrag van Lissabon en het EU-parlement, dat er geen is (van André Bellon, oud-voorzitter van de Franse Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken).
En verderop (van Frédéric Lordon, auteur en econoom) nog een artikel over de EU: Un peuple européen est-il possible? met ter verduidelijking 'La machine Bruxelloise s'emballe' (slaat op hol).
Hopelijk vindt onze bevlogen ex-premier tijdens zijn kiescampagne nog een rustig moment om ook deze beide auteurs van antwoord te dienen.


19 april 2014

Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Jean-Luc of Nigel? (Matthéus 27,21)


In The Times van 9 april liet Nigel Lawson een ander geluid horen dan Jean-Luc Dehaene in De Tijd van vandaag. Hij maakte om te beginnen niet de ergerlijke, leugenachtige en intellectueel onwaardige fout die Dehaene en velen met hem wél maken, namelijk om systematisch "Europa" te zeggen als enkel de "EU-constructie" bedoeld wordt.
Vooral deze zin kan Dehaene in zijn zak steken: 

Perhaps the most important reason why it is necessary to discuss the best trading and other arrangements for Britain in the event of our leaving the EU is that it is clear that the principal tactic of those who do not wish us to leave will be to exploit an understandable fear of the unknown: as Belloc put it: “Always keep a-hold of nurse, for fear of finding something worse.




(klik om te vergroten)

En vergelijk dan met de bakerpraatjes van Dehaene:



http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html