3 juni 2015

Zou het hier ook zo erg zijn?


De Ier Conor Cruise O’Brien (1917-2008), was een briljante geest, essayist, diplomaat, professor, minister (Labour, lid van de Fabian Society), en waar het hier over gaat: in 1968 schreef hij een prachtige en natuurlijk zeer erudiete inleiding bij de Penguin Classics-uitgave van Edmund Burke’s “Reflections on the Revolution in France” (1790), waarvan hij editor was.

O’Brien maakte daar een opmerking die zijn socialistische vrienden maar matig konden smaken:
'De intelligente man van rechts vraagt niet dat men hem redenen geeft waarom hij Marx en de Marxisten zou moeten lezen. Hij leest die omdat ze belangrijk zijn, en aan de andere kant staan. Hij leert van hen, en door hen wordt hij soms ergens opmerkzaam op gemaakt: in de negentiende eeuw kon een Duitse bourgeois uit de geschriften van Marx en Engels bijvoorbeeld leren dat het onverstandig zou zijn al te snel van wal te steken in de kwestie van de opruiming van feodale restanten. De intelligente man van rechts maakt gebruikt van de Marxistische inzichten, maar dan voor eigen doeleinden. […] Bij zijn tegenstanders leert hij over de sterke en zwakke punten van zijn eigen positie – en de hunne. De intellectuele linkerzijde aan de andere kant al zijn er enkele opmerkelijke uitzonderingen heeft sterk de neiging om zijn tegenstanders te veronachtzamen, en zelfs hun meest belangrijke geschriften van tafel te vegen, ongelezen, met een spotlach.'

The intelligent rightist does not ask to be given reasons why he should read Marx and the Marxists. He reads them because they are important, and because they are on the other side. He learns from them and sometimes is warned by them: for example a German bourgeois could learn from the writings of Marx and Engels in the nineteenth century that it would be unwise to proceed too hastily in the matter of the abolition of feudal vestiges. The intelligent rightist makes use of the Marxist insig
hts, but for his own purposes. […] He learns from his adversaries about the strengths and weaknesses of his own position – and of theirs. The intellectual left on the other hand though with some notable exceptions– has a strong tendency to neglect its adversaries and to dismiss even their most influential writings, unread, with a sneer.

Bij O’Brien las ik dat William Hazlitt (1778-1830), de grote essayist en literair criticus, bevriend met bv. Stendhal, een soort proefje klaar had liggen in zulke gevallen:
“It has always been with me a test of the sense and the candour of any one belonging to the opposite party, whether he allowed Burke to be a great man.” (On the Character of Burke, 1807, ook Penguin Classics, in Selected Writings)
“Voor het verstand en de oprechtheid van iemand van de andere partij, is het wat mij betreft altijd een test geweest of die toegaf dat Burke een groot man was.”

Volgens Simon Leys, in zijn portret van George Orwell, “Orwell ou l’horreur de la politique” (1984, hier eerder vermeld) is het zelfs nog erger, en is de genoemde blindheid niet eens selectief. Leys ziet dat nieuwrechts de socialist Orwell graag wil annexeren, en wel op basis van enkele uitspraken die diens partijgenoten toen liever niet lazen, en nu nog minder:
«Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains.» (p.73)
‘Die annexatie van Orwell door nieuwrechts weerspiegelt minder het conservatieve potentieel van diens denkwereld, dan wel de hardnekkige stupiditeit van een soort links dat, in plaats van hem te beginnen lezen en begrijpen, op schandelijke manier zijn krachtigste schrijver in beslag heeft laten nemen.’

Geen opmerkingen:

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html