25 april 2015

Ook het studiopubliek was met zorg uitgekozen


In het programma Ce soir (ou jamais!) van France2 gisteravond, drukte de Senegalees-Franse romancière Fatou Diome zich zeer duidelijk uit toen ze aan Thierry Baudet uitlegde hoe de zaken staan vandaag. Haar bewoordingen deden me denken aan Abou Jahjah.

Fatou Diome: De dag van vandaag zal Europa nooit meer gespaard blijven, zolang er elders in de wereld conflicten zijn. Europa zal nooit nog overvloed kennen zolang er elders in de wereld gebrek bestaat. Wij leven in een gemondialiseerde samenleving, waar een Indiër aan de kost komt in Dakar, iemand van Dakar aan de kost komt in New York, een Gabonees in Parijs aan de kost komt, en of dit u bevalt of niet, het is onomkeerbaar. Laten we dus een collectieve oplossing zoeken, ofwel: verhuis uit Europa, want ik ben van plan te blijven. [applaus]
Thierry Baudet: Maar u bent welkom toch…



Fatou Diome: Au jour d’aujourd’hui, l’Europe ne sera plus jamais épargnée tant qu’il y aura des conflits ailleurs dans le monde. L’Europe ne sera plus jamais opulente, tant qu’il y a des carences ailleurs dans le monde. On est dans une société de la mondialisation où un Indien gagne sa vie à Dakar, un Dakarois gagne sa vie à New York, un Gabonais gagne sa vie à Paris, que ça vous plaise ou non, c’est irréversible. Alors trouvons une solution collective, ou bien, déménagez d’Europe parce que j’ai l’intention de rester. [applaudissements]
Thierry Baudet: Mais vous êtes bienvenue là…

22 april 2015

Duits, Latijn, voetbal, vulgariteit en een woord Grieks


Finkielkraut vindt dat Links onze culturele erfenis verkwanselt

Najat Vallaud-Belkacem leidt, als eerste vrouw in Frankrijk, het departement Nationale Opvoeding, Hoger Onderwijs en Wetenschap, in de regering Manuel Valls II. Kerngedachte van haar politiek programma is de «égalité des chances et pluralité visible». Niet gewoon gelijkheid dus, maar gelijke kansen, waarbij verschillen zichtbaar moeten blijven want de republikeinse gelijkheid-zonder-meer is volgens haar onverenigbaar met diversiteit. Ze publiceerde ook over dat thema.
En vanzelfsprekend plant Vallaud-Belkacem een onderwijshervorming – weinig nieuwe ministers weerstaan aan die verleiding. Deze moet volgend schooljaar van kracht worden. Haar ideeën doen nogal wat stof opwaaien. Zo vindt zij doorgedreven lessen Duits in de colleges «trop élitistes», te elitair. Frankrijk en Duitsland hadden wel afgesproken dat ze elk de kennis van de andere taal zouden stimuleren –een gedachte die Heine al welgevallig was– maar dat plan mag wat haar betreft in het water vallen.

Over Grieks en Latijn zegt ze dat deze oude talen behouden zullen blijven, «elles seront préservées». De lessen worden wel ingebed in een soort interdisciplinaire juliennesoep met naast enig taalonderricht ook geschiedenis, cultuur, instellingen enzovoort. Belangrijk voor haar was de overweging dat vandaag amper vijftien à twintig procent van de leerlingen Latijn en Grieks volgen, wat elitair is. Dat percentage moet naar honderd worden opgetrokken, en dat kan zonder dat het taalonderricht zelf eronder te lijden zal hebben, zegt Belkacem die naast jong en mooi blijkbaar ook grappig is.
Het spreekt dat Alain Finkielkraut, ouder en minder mooi, dit niet helemaal gelooft.
Hij volgt de filosoof Leo Strauss, bij het publiek misschien enigszins bekend van zijn uitspraak: 'als alle culturen evenwaardig zijn, dan is kannibalisme een kwestie van smaak.' Beetje elitair inderdaad.
Volgens Strauss moest een 'liberale' opvoeding de jeugd in contact brengen met de grootste geesten, wat op zich een oefening in de nederigheid is, en tegelijk een bescherming tegen vulgariteit. De klassieke teksten bieden deze kans. Strauss gebruikte het Griekse woord voor vulgariteit: ἀπειροκαλία, apeirokalía, letterlijk 'gebrek aan ervaring met schoonheid'.
Najat Vallaud-Belkacem zal onderstaand gesprek als een vloek in de oren klinken:

Élisabeth Lévy: Voor mensen die er zo over denken, is humanisme, of laten we zeggen het Westerse humanisme, gewoon een keuzemogelijkheid tussen vele andere, en dus in een diverse wereld ...
Alain Finkielkraut: Zeker, en dat is noodzakelijk zo want het humanisme, of de humanistische gedachte is net de herontdekking van de Griekse en Latijnse wereld. De idee daarbij is om via de klassieke werken een omweg te maken, en op die manier onszelf en de wereld te laten begrijpen. Precies hierom, ziet u, wordt uit het onderwijs de idee van het humanisme volkomen verbannen, zelfs uit de opvattingen die wij over literatuur kunnen hebben. Het spreekt dan, dat men aan de leerlingen de studie van de oorsprong van zo'n gedachte niet nog eens oplegt. De idee bestaat nog, maar niet voor lang meer, en ze is zuiver facultatief. Kijk, ik word een beetje plechtig als ik u zeg...
Élisabeth Lévy: U hebt daar een gedichtenboek?
Alain Finkielkraut: Ja, op een dag heeft Élisabeth de Fontenay [prof filosofie, publiceerde over o.m. Diderot, Marx], me deze verzen van Ossip Mandelstam laten ontdekken, een van de vele dingen die ik haar verschuldigd ben:
Zal ik, na alle infame laster,
In tranen de dure eed doen,
De stralende belofte aan de Vierde Stand?

'Vierde Stand', naar het voorbeeld van de Tiers État, de derde stand: het proletariaat dus. Voor mij zijn deze verzen een definitie van wat links is. De belofte namelijk om de erfenis te verdelen onder allen. Maar vandaag wordt deze erfenis verkwanseld door Links zelf, in naam van de gelijkheid, en ook in naam van de strijd tegen het racisme, want deze erfenis is werkelijk te specifiek, te imperiaal ook, allebei, om nog netjes te zijn.
Élisabeth Lévy: En niet enkel specifiek, onderdrukkend ook.
Alain Finkielkraut: En onderdrukkend, en vandaar mijn inderdaad plechtige vraag: Wat voor zin heeft het als vandaag iemand zich links noemt? Want wie in die terminologie volhardt, gedraagt zich niet meer als burger maar als supporter.
Ondanks Qatar, blijf ik in mijn dwaasheid innig verknocht aan PSG [Paris Saint Germain, voetbalploeg door Qatar gesponsord, en vaak «la catin de Qatar», de hoer van Qatar genoemd. Hun bekendste speler is zekere Zlatan Ibrahimović die over Frankrijk onlangs nog wist: «Ce pays de merde ne mérite pas le PSG»], maar om mij met Links verbonden te blijven voelen, zou de PS voor mij al een soort PSG moeten zijn. Ik heb een ander idee over wat politiek is.
Élisabeth Lévy: En ik vraag me af, of u niet een klein restantje hebt bewaard van, laten we zeggen de neiging om Links te idealiseren. Alsof er een ideaal Links bestond, of nog kon bestaan. Maar de gelegenheid om het daarover eens te hebben komt vast nog. Veel dank, Alain Finkielkraut voor deze schitterende berichten...



EL: Dans le fond, pour les gens qui pensent cette chose, l’humanisme, l’humanisme occidental disons, est une option parmi d’autres en quelque sorte, donc, dans un monde divers ...
AF: Bien sûr, il faut que ça le soit car l’humanisme, la pensée humaniste, c’est la redécouverte du monde Grec et Latin. C’est l’idée d’un détour par les œuvres classiques, pour nous comprendre nous-mêmes et comprendre le monde. Dès lors même que cet humanisme si vous voulez est chassé complètement de l’enseignement et de l’idée que nous nous faisons même de la littérature. Alors on ne va pas en plus imposer aux élèves l’étude de la naissance d’une telle pensée. Elle existe encore, mais pour pas longtemps, et à titre purement facultatif. Alors là, je vais être un peu solennel et, pour vous dire ceci…
EL: Vous avez un livre de poésie…
AF: Oui, un jour Élisabeth de Fontenay m’a fait découvrir ces vers d’Ossip Mandelstam, et c’est une de mes nombreuses dettes à son égard.
Vais-je à la médisance infâme
Livrer le serment profond jusqu’aux larmes,
La splendide promesse faite au quatrième état?
Quatrième état, sur le modèle du tiers état, c’est donc le prolétariat. Et pour moi la Gauche se définit à travers ces vers. Elle est précisément la promesse d’un partage de l’héritage par tous. Or aujourd’hui cet héritage est dilapidé, par la Gauche elle-même, au nom de l’égalité, et aussi de la lutte contre le racisme, cet héritage étant vraiment beaucoup trop particulier, impérial aussi, les deux, pour être honnête, alors justement...
EL: Et pas seulement particulier: oppresseur.
AF: ...et oppresseur, et donc d’où ma question, solennelle en effet: Quel sens y a-t-il aujourd’hui à se dire de gauche? Car s’obstiner dans ce sens, ce n’est plus agir en citoyen mais en supporter. Malgré le Qatar, je reste viscéralement, et bêtement attaché au PSG...
EL: Ah, oui (rit)
AF: ...mais pour que je reste attaché à la Gauche, il faudrait que le PS soit pour moi une sorte de PSG. J’ai une autre idée de la politique…
EL: Moi, je me demande si vous ne conservez pas un petit reste, disons de tentation d’idéaliser la Gauche. Comme s’il y avait une Gauche disons idéale, qui pourrait encore exister, mais sans doute aurons-nous l’occasion d’en reparler.
Merci beaucoup Alain Finkielkraut pour ces excellentes nouvelles…

15 april 2015

Een Frans rapport dat uit zijn as herrezen is


'Wie met vuur speelt, verbrandt zich', meent de Parijse rapper Booba (geboren in Boulogne-Billancourt, 1976) in het blad Le Parisien. 'Ik ben verwonderd dat het niet eerder is gebeurd, want het was niet de eerste keer dat de tekenaars de profeet hadden afgebeeld. In het leven moet je de gevolgen van je keuzes aanvaarden. Wie in Australië aan een kust vol witte haaien woont, en men zegt je dat, en je weet het, en je gaat toch door met zwemmen elke dag, als je dan op een dag door een witte haai gepakt wordt, moet je dat aanvaarden.'
De vergelijking met die haaien is gewaagd en zou niet aan iedereen vergeven worden, maar aangezien Booba zelf moslim is, zal het nog net kunnen.
Toch vermoed ik dat er destijds met de republikeinse opvoeding van die jongen iets is misgegaan. In 2003 al – Booba was dan van school af – moet de Franse president Chirac hebben ingezien dat er problemen waren met sommige leerlingen in sommige scholen in sommige wijken en, heel logisch: hij liet een commissie oprichten. Zijn minister van onderwijs vroeg daarop aan tien inspecteurs-generaal en speciale opdrachthouders om verschillende departementen te bezoeken om er waarnemingen te doen.
Dat deden zij, en in juni 2004 leverden ze een rapport van 18 000 woorden af. In de inleiding zegden ze dat hun conclusies niet veralgemeend mochten worden, want ze hadden vooral des quartiers sensibles, 'kwetsbare buurten' bezocht. Het was in Frankrijk niet overal even erg, maar in sommige wijken was het wellicht zelfs nog erger dan wat zij gezien hadden, omdat er een onwil was om te rapporteren. Hun besluit was dat men krachtig diende in te grijpen.
Zoiets is vervelend voor ministers en, op zich ook weer heel logisch: men verkoos het rapport in een lade op te bergen.
Maar toch dook het weer op. De laatste jaren en vooral maanden wordt er meer en meer naar verwezen. Le Rapport Obin kent een tweede leven. Er zijn kostbare jaren verloren gegaan, lees je nu, en dat komt omdat men verkoos – op alle niveaus, van de onderwijzer tot de minister – de werkelijkheid niet te zien.
Dit rapport zou in zijn geheel vertaald moeten worden, want al gaat het over het Frankrijk van tien jaar geleden, er staan dingen in die misschien toch herkenbaar zijn, en onze politici en journalisten stof tot nadenken zouden leveren. Hieronder enkele passages die de uitgangspunten van het rapport, en de eerste indrukken van de auteurs betreffen:


De tekenen en uitingen van religieuze overtuigingen in de schoolinstellingen
Rapport voor de Minister van Nationale Opvoeding,
Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
Rapport présenté par Jean-Pierre Obin

Onze benadering van de schoolinstellingen was eerder etnologisch (observeren, vervolgens beschrijven) dan normatief. Temeer omdat bij veel personeelsleden en verantwoordelijken de uitingen van religieuze overtuigingen onder een soort verdringing of algehele ontkenning lijken te vallen, en dit op elk niveau, dat van de klas, de inrichting, de academie: over het algemeen begon iedereen met te verklaren dat we niet de moeite van de verplaatsing hadden moeten nemen, want er viel niets waar te nemen: in niemand zijn klas, zijn school, of in de sector die onder zijn verantwoordelijkheid stond, was er iets aan de hand.
Onze bevindingen spraken deze verklaringen vooraf heel vaak tegen. Na afloop van onze werkzaamheden lijkt het ons duidelijk dat wat deze materie betreft de informatie heel slecht circuleert binnen de nationale onderwijswereld, en dat we met de grootste waarschijnlijkheid mogen vermoeden dat de waarnemingen, zoals in dit rapport opgetekend, allicht onder de werkelijkheid blijven zoals die zich in de instellingen in kwestie voordoet. Zozeer is bij veel leraars, pedagogische adviseurs en directies de neiging aanwezig om, wat dit onderwerp betreft, een deel van hun professionele werkelijkheid te verbergen. [...]
Het komt hierop neer dat de houding van de academische autoriteiten, al naar de periodes en de verantwoordelijken, fluctueert tussen enerzijds de bezorgdheid om elk conflict te vermijden, en zeker elke media-aandacht, en anderzijds de wil om zich tegen de schendingen van de neutraliteit te verzetten [van het staatsonderwijs: laïcité]. [...]
In het ergste geval constateert men dat instellingen er echt als versterkte burchten uitzien, zoals ze in de achtergestelde buurten van de grote Latijns-Amerikaanse steden voorkomen, afgerasterd, met prikkeldraad bovenaan, ingangssluizen en videobewaking. Deze instellingen besteden veel tijd en energie om zich af te schermen van een omgeving die als extreem agressief wordt gezien, en dat allicht soms ook is. De grootste preoccupatie van de schoolhoofden is het controleren van de leerlingen, en de ordehandhaving. De preoccupatie van de leraars is hun veiligheid, en hun overplaatsing: in een van de bezochte instellingen was de gemiddelde anciënniteit van de leraren minder dan drie jaar. In dergelijke situaties voelt men zich machteloos. [...] Meerderen onder hen hebben ons gezegd dat ze een les moesten afbreken, of zelfs dat ze ervan afzagen om aan een programmadeel te beginnen, waarmee ze, niet altijd bewust, aan preventieve autocensuur deden. Nog verontrustender is het dat andere leraars, en meer dan je zou denken, omdat ze menen dat de leerlingen 'hun eigen religie niet kennen', het als hun taak beschouwen om hun religieuze opvoeding bij te werken, vaak zonder te beseffen wat voor draagwijdte dit heeft. Zonder aarzelen doen zij dan uitspraken over een orthodoxie, en moedigen ze een theologie aan die zijzelf compatibel achten met de moderniteit en de democratie, en gaan ze in tegen opvattingen die ze als bijgelovig beschouwen of die een 'integristische' lezing van de heilige teksten inhouden. Zo raakt men op drift en men mag dit als een 'theologisering' van de leerinhoud definiëren. [...] Maar vele leraars voelen in de eerste plaats ontreddering en verwarring. Om hun taak aan te kunnen of gewoon om verder les te kunnen geven, en slecht voorbereid als ze vaak zijn om deze situaties het hoofd te bieden, aan hun lot overgelaten zonder richtlijn of steun, schipperen deze leraars met de principes, de jongsten in het bijzonder, of ze verzinken in relativisme. [...] Anderen weer, murw geworden, houden zich gedeisd en wachten op hun overplaatsing.

13 april 2015

Filosofen geven elkaar soms, niet altijd gelijk


Finkielkraut, Sloterdijk en Serres

Levert onderricht in klassieke cultuur autochtonen voorkennis op?
Op de beurs mag dat niet, maar cultuur is toch geen commerce?

'Pessimisten geloven dat er een catastrofe op komst is. Ik deel hun optimisme niet. De catastrofe is er al. Voor de rest ben ik heel gelukkig.'
Zo eindigt het gesprek dat Alain Finkielkraut had met enkele redacteurs van het Franse weekblad Le Point, en waaruit ik een paar fragmentjes haal en vertaal. Hij heeft het over onderwijs, elitevorming, de teloorgang van de klassieke cultuur, de bijhorende gelijkschakeling van alle mogelijke culturen, en aan het eind ook even over 'diversiteit'. Het zijn misschien niet de belangwekkendste fragmenten, maar dat leg ik nu uit.
Eerst was ik namelijk niet van plan om uit dit zeer recente interview te vertalen, maar wel uit het destijds in 2003 door Chirac nog bestelde onderwijsrapport, bekend als het "Rapport Obin". In Frankrijk is het nu heel actueel geworden, nadat het jarenlang in het Ministerie van Nationale Opvoeding te rijpen heeft gelegen, allicht in een stille en koele wijnkelder.
Wat Finkielkraut hieronder zegt, staat niet los van wat Obin tien jaar geleden al schreef, maar dat stuk is voor morgen:


Alain Finkielkraut: Vandaag wil links de erfgenamen [van de klassieke cultuur en van de republikeinse gedachte] laten oppakken wegens voorkennis. En, in hun ijver om komaf te maken met het elitarisme, willen ze het Latijn en Grieks, te weten de klassieke cultuur uit de middelbare school laten verdwijnen. Anders gezegd, links beweert net het tegenovergestelde van Marc Bloch, die aan de vooravond van de bevrijding schreef: 'Wij vragen een zeer breed openstaande middelbare school. Haar rol is de vorming van de elites, ongeacht afkomst of financiële middelen. Aangezien dit onderwijs niet langer (of niet opnieuw) een klasse-onderwijs mag zijn, zal selectie geboden zijn.' Voor de democratische gevoeligheden is dit republikeinse taalgebruik inmiddels kwetsend geworden. In dit tijdperk van strijd tegen de discriminaties overheerst een totaal verschillende opvatting over openheid. Nu geldt: voor iedereen een diploma, en de aanwezigheidspolitiek triomfeert.
Le Point: Wat is voor u de grootste fout van de socialisten? Hun bekering tot het liberalisme, zoals Régis Debray denkt? Of hun cultureel gauchisme?
Alain Finkielkraut: Voor mij zit de grootste fout in hun schoolpolitiek. Het anti-elitarisme wat onderwijs betreft, richt onherstelbare schade aan.
Le Point: Bent u niet een ongeneeslijke conservatief?
Alain Finkielkraut: Ik leg me niet neer bij de gevestigde orde, te weten dat het lot van elkeen al vastligt door zijn afkomst, en dus zou ik me eerder als progressief willen omschrijven.* Maar betekent de oorverdovende intrede van een post-nationale en post-literaire samenleving dan een vooruitgang? Als de kunst van het lesgeven omgevormd wordt tot een receptenboekje "hoe je klas in toom te houden", is dat vooruitgang? Is algemene argwaan vooruitgang? Moeten we blij zijn als we de Petites Poucettes** van het derde millennium de klassieke teksten achter zich zien laten, terwijl ze frenetiek op hun tablets kijken? Is het Frankrijk van "daarna" echt geciviliseerder dan het Frankrijk van daarvoor? Die cruciale vragen mogen niet meer gesteld worden, want "daarvoor", dat was vóór de diversiteit. Elke nostalgie is bijgevolg racistisch en valt onder de rechter.
____________

* Peter Sloterdijk treedt hem in de Wiener Zeitung bij: [...] ik denk dat vandaag de conservatieven de progressieven zijn. In de optiek van vandaag is bewaren een bijna revolutionaire houding geworden. Zo zonderling staan de zaken nu, omdat diegenen die snelheid willen maken overal aan het stuur zitten.
** Hij verwijst naar een pamflet van de filosoof Michel Serres, académicien net als Finkielkraut zelf. Serres is een optimist en zegt dat er «een nieuwe mens» geboren is. Hij noemt die Petite Poucette (een gefeminiseerd Klein Duimpje), omdat deze mens ertoe in staat is met zijn/haar duimpje sms'jes te versturen. De leerlingen zijn tegenwoordig ondergedompeld «in een tsunami van veranderingen. We zien vandaag een immense ommekeer, vergelijkbaar met het einde van het Romeinse Rijk, of met de Renaissance.»

8 april 2015

Lof der onvolledigheid


Al na anderhalve bladzijde legt een lezer een roman soms weg. Ik bezit een aantal van die romans. Maar er zijn ook schrijvers die na anderhalve bladzijde zelf ermee ophouden. Heine deed dat, vele anderen ook, en Stendhal deed het vaak.

De grote kenner van Stendhal, wijlen Victor Del Litto verzamelde alle aanzetten tot romans die ons hebben bereikt, en bij elkaar is dat nog een flink boek geworden. Natuurlijk voorzag Del Litto die stompjes van commentaren en toelichtingen. Bij de roman die hieronder in zijn volledigheid te lezen is, horen bijvoorbeeld zes bladzijden schitterende commentaar.
Maar in zekere zin zijn zulke aanzetten soms toch volledig. Dat hangt van de grootte van de auteur af.
Wat moet de lezer na de drie hoofdstukken die we hebben, nog vernemen van bijvoorbeeld de “Rabbi van Bacharach” van Heine? »Der Schluß und die folgenden Kapitel sind, ohne Verschulden des Autors, verloren gegangen«, zegt hij, maar niemand is verplicht alles te geloven wat Heine vertelt.
En wat moeten we van Mme Tarin tenslotte nog vernemen, als we weten dat ze als lijk “mooier was dan ze ooit was geweest”?


Histoire de Madame Tarin
Le 21 de décembre 1836, Mme *** accourut rue Caumartin au n° 13 et demanda d’un air fort troublé à voir sur-le-champ Mme Tarin son amie intime. La portière dit à Mme *** que la femme de chambre et la cuisinière de Mme Tarin étaient en commission et avaient dit en sortant que leur maîtresse ne voulait recevoir personne.
Mme *** insiste.
– Savez-vous bien, dit-elle à la portière, que Mme Tarin est peut-être morte au moment où je vous parle? J’ai des raisons pour vous parler ainsi.
Enfin la portière se laisse persuader. On frappe à la porte de Mme Tarin. Pas de réponse. Après un quart d’heure on se détermine à enfoncer la porte. Tout l’appartement était dans l’ordre ordinaire, on arrive à la chambre à coucher: les châles, les robes étaient distribués sur les meubles.
On approche du lit, Mme Tarin y était couchée. Elle était morte, pale comme à l’ordinaire et plus belle qu’elle ne l’avait jamais été. Mme *** se jeta sur le corps inanimé de son amie. Une heure auparavant elle avait reçu par la poste une lettre dans laquelle Mme Tarin avouait les choses que nous allons raconter. Par cette lettre Mme Tarin disait à son amie qu’elle lui faisait don de son grand châle noir, de telle robe, etc.
Mme Tarin était mariée à un notaire de Périgueux nommé M. Pigeon, honnête bourgeois de qui elle avait eu deux enfants. La fortune de ce ménage pouvait s’élever à 160 000 francs.
En 1835, Mme Pigeon qui avait au suprême degré l’art de persuader et de séduire engagea son mari à venir à Paris. Elle lui avait fait entrevoir plusieurs moyens fort probables d’augmenter leur fortune et de donner une belle éducation à leurs enfants. Elle pensa que le nom ridicule de Pigeon serait un obstacle, et se fit appeler Mme Tarin du nom de sa mère.


3 april 2015

Een lijfgeur doet niet altijd, of iedereen braken


Aan de VUB hebben ze een prof die, in biologische termen gesproken onder de menselijke soort dient ingedeeld te worden. Niet vér eronder, met wat we de laatste twee dagen allemaal te lezen kregen op Twitter &c., maar toch eronder. Of beter nog misschien: ernaast, in een zijtak. De taxonomie houdt immers geen waardeoordeel in: een zwijn, een hond, een aap, een stinkdier, een mestkever, voor biologen zijn het allemaal beestjes.
“Elias” heet het wezen waar we het hier over hebben. “Willem Elias”, in de mooie binominale nomenclatuur die we aan Linnaeus mogen danken.

Deze man –laten we hem gemakshalve zo noemen, al zullen scherpslijpers misschien liever hominide of iets dergelijks gebruiken– deze man waar geen normale mens aan tafel naast zou willen zitten als er nog gegeten moet worden, vanwege zijn zurige lijfgeur misschien, is zo te zien volkomen aanvaardbaar in het VUB-milieu, en trouwens in nog een paar andere.

Blijkbaar zijn de wasems die hij afgeeft niet voor elke mens ondraaglijk. Sommigen houden er zelfs van. Zo zie je maar hoe verschillend ons reukorgaan op prikkels kan reageren. Allerlei omstandigheden kunnen een invloed hebben, gewoontes, affiliaties misschien, verwantschappen en dergelijke. Stercus cuique suum bene olet, elk riekt graag zijn eigen stront, merkte Erasmus al op.
In ieder geval, de tweet die ons onderzoeksobject heeft geschreven vandaag, kreeg direct zestig “likes”. U leest hem zelf maar, maar mocht u tot het menselijk ras behoren, the human race, to which so many of my readers belong, om met Chesterton te spreken, dan kunt u beter eerst een anti-emeticum slikken.


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html