24 mei 2015

Simon Leys over George Orwell


Als we de oudere Simenon buiten beschouwing laten, dan is Simon Leys (1935-2014) moeiteloos de belangrijkste schrijver die België in ongeveer honderd jaar heeft voortgebracht. Een stilist zonder weerga, essayist, vertaler, romancier, en zeker een belangrijke politieke auteur.
In 1984 maakte hij een scherp portret van George Orwell, dat in 2006 prachtig werd heruitgegeven bij Plon: “Orwell ou l’horreur de la politique”.
Leys bewondert Orwell, en verdedigt hem tegen zowel links als nieuwrechts, die beide hem graag willen inpalmen. Links probeert dat met meer recht, zegt Leys, ook al deed Orwell vaak uitspraken die nieuwrechts nu graag hoort. Orwell namelijk pakte in zijn essays zijn vrienden vaak harder aan dan zijn vijanden, en stoorde zich aan de vaagheid en hersenloosheid die bij journalisten en publicisten blijkbaar ook in zijn tijd samengingen met wat wij nu bobo-linksigheid noemen.
“One sometimes gets the impression that the mere words ‘Socialism’ and ‘Communism’ draw towards them with magnetic force every fruit-juice drinker, nudist, sandal-wearer, sex-maniac, Quaker, ‘Nature Cure’ quack, pacifist, and feminist in England”, schreef hij in “The Road to Wigan Pier” (1937, nu bij Penguin Classics).

Leys vertaalt dit citaat met plezier, al maakt hij van “nature cure quack”, “les charlatans homéopathes”, zeker niet een letterlijke vertaling, maar inhoudelijk correct want die charlatanerie was in Engeland toen al breed verspreid.
Een ander citaat dat Leys graag geeft, is: “To recoil from Socialism because so many individual Socialists are inferior people is as absurd as refusing to travel by train because you dislike the ticket-collector’s face.”
Leys' boekje moet nodig eens vertaald worden, want het vervangt voordelig alle analyses die onze weldenkende journalisten bijeenschrijven over het socialisme, en hij is natuurlijk oneindig veel leesbaarder.
En wat een giftige pen die Leys toch had, kun je ook in zijn voetnoten lezen. Voor mij tenminste zijn het op zich al oases in de intellectuele woestijn waarin wij leven. Hier bijvoorbeeld valt hij de Nobelprijswinnaar Claude Simon aan, die Orwell jaren na zijn dood onwaardig had aangepakt: «Notons qu’un de ses tardifs calomniateurs fut l’illisible Claude Simon. Dans ses Géorgiques (1981), la calomnie bête et basse n’est tempérée que par l’inintelligibilité générale de la prose. Mais, à moins d’être un académicien suédois, qui donc voudrait lire Simon?». 
Noteren we dat een van zijn late lasteraars de onleesbare Claude Simon was. In zijn Géorgiques wordt de domme en lage laster enkel door de totale onbegrijpelijkheid van het proza getemperd. Maar wie zou ook, behalve een Zweedse academicus, Simon willen lezen?”
Ik bedacht dit alles deze namiddag, toen ik vanaf het terras van de Oude Vismijn een sloepje de Lieve zag opvaren:


P.S. Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains. (p.73)

19 mei 2015

Voor en na Charlie


Aan het woord is hier de Franse filosofe en essayiste Alexandra Laignel-Lavastine* in het programma "Ce Soir ou jamais" van FR2. Het fragment begint na 11'30". In het programma werd het recente boek van de historicus en antropoloog Emmanuel Todd besproken: Qui est Charlie? Sociologie d'une crise religieuse (Seuil, 252 p.).

Ja, ik ben toch wat verbluft dat het al zo ver is dat de elfde januari als huichelarij wordt bestempeld. Mij komt het voor dat we die dag eenvoudigweg de ontstelde reactie meemaakten van –gelukkig– miljoenen Fransen die geconfronteerd waren met de verwerpelijke slachtingen die net hadden plaatsgehad, en wel in een radicaal nieuwe wereldwijde context, waarin de plaag van het jihadisme overal uitbreiding neemt, in Europa zowel als in de mohammedaanse wereld.
En mij lijkt het dat die avond van de zevende januari het meest gepaste woord misschien van Philippe Val
** kwam, toen die zei: ‘We zijn niet in staat geweest om over deze dingen te praten zoals het betaamt.’ En daar, lijkt me, zijn velen onder ons om zo te zeggen op heterdaad betrapt. En dus zou ik niet zoals Emmanuel Todd spreken van een ‘vals bewustzijn’, maar van misschien het begin van een gewetenscrisis: dat we in elk geval met spoed die binaire catechismus moeten verlaten –hoe valt nog te bezien, maar met spoed– ranzig als hij is, want tenslotte teruggaand op het derdewereld-denken van de zestiger jaren, catechismus die er gemakzuchtig in bestaat gemene verdrukkers tegenover aardige verdrukten te plaatsen.
En dan nog, wat hadden we moeten denken, mochten we die dag niét allemaal hebben aangevoeld dat deze barbaren zich aan zelfs het minimum van een gedeelde beschaving hadden vergrepen? Dan, meen ik, hadden we ons zorgen mogen maken over de morele verwording van het land.
Daarbij, wat ik nogal opmerkenswaardig vind bij deze mobilisatie, is dat zij twee voorwaarden stelde, te weten dat men niet mocht aanzetten tot een pogromstemming tegen de muzelman om de hoek, maar ook dat men een kat een kat moest noemen, en met name een islamistische moordenaar een islamistische moordenaar, en dat is toch wel het minste.
En in tegenstelling tot wat u zegt, ik woon in het 93ste [Seine-Saint-Denis, 'gevoelig' departement], en in mijn buurt waren veel moslims bijzonder opgelucht dat men de vijand eindelijk een naam had gegeven. ‘Eindelijk’, zei een van hen me ‘zullen we niet meer verplicht zijn om vlak langs de muren te lopen.’ ‘En ze niet benoemen’, zei hij nog, met veel verstand vind ik ‘zou min of meer zijn alsof onze ouders of grootouders ervan hadden afgezien om over het nazisme of het stalinisme te spreken, uit schrik om de Russen of Duitsers te krenken. Bon, dat is absurd, de waarheid heeft nog nooit iemand gestigmatiseerd.’
Ik meen ook dat men toen al kon denken –vandaag is dat overduidelijk– dat er een vóór, en een ná Charlie zou zijn. Wat hadden we daarvoor? We bezaten de kunst, niet eens om blind te blijven: de kunst om mentaal onze ogen uit te rukken terwijl de verbreiding van het fundamentalisme zich voor ons voltrok. Ook hadden we de grootste moeite om toe te geven dat het Kwade soms ook kon voortkomen uit het kamp van het Goede, te weten bij de voormalige verworpenen der aarde.
En wat we al heel snel zagen de slachting heeft plaats en al heel snel, een paar uur, een paar dagen later hoorden we de ene of de andere aan ons uitleggen, in dat verwrongen taaltje van hen, dat de echte daders van de slachting niet de moordenaars waren die we kennen, maar de alomtegenwoordige islamofoben [‘alomtegenwoordig’: na Hendrik de Vierde heetten alle Franse koningen «roi de France et de Navarre», maar deze mooie uitdrukking is helaas niet te behouden]. Zelfs hoorden we er een aantal roepen over de triomf van de ‘Partij van de Orde’ [Le parti de l'Ordre, 1848, stond onder de Tweede Republiek voor openbare veiligheid, conservatisme, goede zeden, en orde natuurlijk]. Enfin, je wreef je de ogen uit.
Daarna dan, zagen we een begin van bewustwording, dat lijkt me belangrijk, zelfs al was de geest van elf januari vooral emotioneel, en verdampte hij wat mij betreft al te snel – daarbij, het was niet eens een geest, het was een reactie, een behoefte aan samenzijn.
___________________
* grappig is dat haar familie oorspronkelijk Löwenstein heette, een onmogelijke naam in Frankrijk.
** van 1992 tot 2009 directeur bij Charlie Hebdo, daarna en tot vorig jaar hoofd van France Inter. Van hem las ik ergens de mooie zin: ‘Le sociologisme sert de prêt-à-penser’, sociologiseren is gemakkelijkheidsdenken.



Oui, moi je suis un peu sidérée qu’on en soit à qualifier d’imposture le onze janvier. Il me semble qu’on a assisté ce jour-là à la réaction horrifiée tout simplement de millions de Français, et heureusement, face au massacres abjectes qui venaient d’avoir lieu, et ce aussi dans un contexte planétaire radicalement nouveau, où le fléau djihadiste se répand partout, en Europe comme dans le monde musulman.
Et il me semble que peut-être le mot le plus juste au soir du sept janvier était celui de Philippe Val, qui a dit: on n’a pas su en parler comme il l’aurait fallu. Et là, beaucoup d’entre nous, me semble-t-il, ont été pris comme en flagrant délit en quelque sorte. Et donc je dirais non pas «fausse conscience», comme Emmanuel Todd, mais le début peut-être d’une crise de conscience, que en tout cas il y aurait urgence –après il faut savoir comment, mais urgence– à sortir de ce catéchisme binaire, et rance pour le coup puisqu’il remonte quand-même au tiers-mondisme des années soixante, qui consiste à opposer paresseusement les méchants dominants et les gentils dominés.
Et puis, qu’aurait-on pensé si on n’avait pas tous ressenti ce jour-là que ces barbares venaient de s’en prendre à une sorte de minimum civilisationnel commun? Je crois que c’est là qu’il faudrait s’inquiéter sur l’état de déliquescence moral du pays.
En plus, ce que je trouve assez remarquable dans cette mobilisation, c’est que elle a tenu deux exigences, c’est-à-dire ne pas encourager l’esprit pogrom contre le musulman du coin de la rue, mais aussi appeler un chat un chat, c’est-à-dire un tueur islamiste un tueur islamiste, ce qui est quand même la moindre des choses.
Et contrairement à ce que vous dites, dans mon quartier, j’habite dans le 93, beaucoup de musulmans étaient très soulagés qu’on ait enfin désigné l’ennemi. Enfin, me disait l’un d’eux, on ne va plus être obligé de raser les murs. Et disait, me semble-t-il avec beaucoup d’intelligence, que ne pas le faire, c’eût été un peu comme si nos parents ou nos grands-parents s’étaient refusés à parler du nazisme ou du stalinisme, par peur de froisser les Russes ou les Allemands.
Bon, c’est absurde et me disait-il: la vérité n’a jamais stigmatisé personne.
Je crois aussi qu’on aurait pu penser qu’il y aurait eu –ça semble évident aujourd’hui– un avant et un après Charlie.
Avant on avait quoi? On avait l’art, même pas de s’aveugler: l’art de se crever mentalement les yeux face à l’expansion du fondamentalisme. On avait aussi une extravagante difficulté à admettre que le Mal puisse parfois surgir du camp du Bien, c’est-à-dire celui des anciens damnés de la terre. Et puis on a vu très vite, le carnage survient, et très vite, quelques heures quelques jours après, on a entendu les uns et les autres nous expliquer dans leur rhétorique tordue, que les vrais auteurs du carnage ce n’étaient pas les tueurs que l’on sait, mais les islamophobes de France et de Navarre, et que… et on a même vu certains hurler au triomphe du Parti de l’Ordre. Enfin, c’était à se frotter les yeux.
Alors après, on a un début de prise de conscience, ça me paraît important, même si l’esprit du onze janvier, c’est vrai –d’ailleurs ce n’était pas un esprit, c’était une réaction, le besoin d’être ensemble– s’est trop vite, à mon avis dissipé, était surtout émotionnel.


15 mei 2015

Vrijdagnamiddag


ik ben alweer thuis: naar de dokter woensdagnamiddag met buikpijn, direct naar spoed, geopereerd die avond laat, en nu dus gewoon thuis achter de PC, zonder appendix weliswaar.
Ja, die dokters tegenwoordig kunnen wel wat.
Ik moest bijna twee uur wachten in de gang voor de deur van de operatiezaal, volledig klaar voor het mes, onder een lakentje, maar ze hadden me wel mijn bril en mijn Stendhal niet afgepakt, en mijn gsm ook niet, dus dat was perfect voor mij. Ik las iets van twintig bladzijden in de Chartreuse.
De chirurg ging nu tussen de bedrijven door eerst nog gauw een koffie drinken. Straffe kerels daar want het was al tegen twaalven.
Mijn dochter (zelf nierarts) vroeg me al lachend of ik dat wel vertrouwde, zo'n chirurg die al de hele dag had staan opereren, maar ik vond het een leerzaam avontuur om te zien hoe dit Sint-Lucasziekenhuis als een Zwitsers horloge verder tikt, dag of nacht, uur of geen uur.
Mijn andere dochter vroeg me ook of ik niet ongerust was, maar ik verzekerde haar dat ik in de handen van wakkere dokters was, en niet in bijvoorbeeld die van advocaten zou vallen... en de verpleegster die me zuurstof gaf vlak voor ik in slaap ging, was wonderbaarlijk mooi, met een licht exotisch streepje erdoor... miljaar.

10 mei 2015

Waar moesten al die hervormingen dan voor dienen?


Het onderwijs was in Vlaanderen nog niet zo slecht destijds, zelfs niet in la Flandre profonde. Kleine jongens, de Lagere School nauwelijks ontgroeid, kenden in 1968 soms al genoeg Engels om louter op het gehoor een tekst van bijvoorbeeld Louis Armstrong te begrijpen.
Voor u zegt, achterdochtige lezer, dat ik uit mijn nek klets, kunt u beter even doorlezen want het is waar wat ik u vertel.
In die pre-internettijd hoorde je minder Engels en Amerikaans dan nu, dat weten we allemaal, en tekstboekjes waren er niet, zeker niet in een klein dorp ergens in West-Vlaanderen. “Lyrics” moest je zelf zien te begrijpen. 

Sommige jongens waren daar blijkbaar goed in, al riepen zij op straat toen nog niet gedurig ‘fuck’, net zomin als je op de tram meisjes ‘oh my god’ hoorde uitstoten.
En sommigen waren zelfs verbluffend goed, aldus getuigt in De Tijd Frank Van Massenhove, in alweer een tranche de vie waarvan hij het geheim bezit, en waarin natuurlijk Frank zelf het onderwerp is.
“What a Wonderful World” was een hit in 1968, en onze veertienjarige knaap is er niets van ontgaan.


5 mei 2015

Tweeten en liken


Als u, lezer, mobiel naar Luxemburg belt, of een Luxemburgse belt u, dan valt dat in de toekomst goedkoper uit. Dat komt door de overeenkomst die de Luxemburgse en Belgische telecomoperatoren bereikten over hun geheimzinnige roamingkosten.
Hier zien we dat het met de eenwording van de EU niet altijd even traag hoeft te gaan. Na een periode van gestage kwantitatieve ontwikkelingen treedt soms een plotse kwalitatieve sprong op, en dit lijkt hier het geval te zijn geweest. Deze Grote Sprong Voorwaarts is Guy Verhofstadt vanzelfsprekend niet ontgaan – Guy ziet veel en ver – en op Twitter gaf hij uiting aan zijn enthousiasme. Hij had het over de EU-zegeningen “for our citizens”. Vrijwel onmiddellijk kwam er een zure reactie van een burger die zich liever niet bij de onderdanen van de EU-mannetjes gerekend wilde zien.

Ik meende dat het jeugdige voluntarisme van Guy wel beter verdiende, en schreef direct daarop een lovend commentaartje. Vier korte zinnetjes maar, acht woorden in totaal. Te weinig natuurlijk, maar Twitter dwingt ook tot beknoptheid, tot bondigheid, gedrongenheid, kortom tot concisie, tot brachylogie zelfs. Veel plaats voor verklaringen, toelichtingen, preciseringen, uitweidingen of explicaties heb je daar niet. Zo kunnen nuances verloren gaan.
En natuurlijk was ik zeer verheugd toen ik zag dat Guy mijn tweet likete, maar ik blijf met de vrees zitten dat hijzelf, of een van zijn medewerkers, als gevolg van de stilistische zwakten in mijn korte betoog niet over de muur van de ironie heen heeft kunnen kijken.

2 mei 2015

Over het woordje site, en over bestuurlijke belachelijkheid


Gent is niet een stad die enkel woorden afschaft. Je hoort dat hier en daar, maar het slaat nergens op. Akkoord, het Bestuur schaft al eens een woord af, maar dat is uitzonderlijk.
Nee, eerder het omgekeerde is waar: in Gent worden veel woorden bijgemaakt – helaas voornamelijk door ambtenaren, want de gewone Gentenaar blijft de dingen bij hun oude naam noemen.
Zo moet er een stadsambtenaar bestaan, misschien zelfs een hele dienst, die zich inzet voor het populariseren van het Engelse woord “site”, uitgesproken als “siete”, ofwel als “saait”, dat hangt ervanaf.
En nu wel, maar tot voor enkele jaren kwam het lemma “site” in de Dikke van Dale niet eens voor, ook niet als “archeologische vindplaats”, laat staan in de betekenis van goksaait, pornosaait en dergelijke.
Over de logorroe van het Gentse Bestuur heb ik het hier eerder al gehad, aber es war alles umsonst, er hielp geen lievemoederen aan.
Als leek troost ik mij in de wetenschap dat logorroe slecht behandelbaar is, ook voor de beste specialisten. De patiënt begrijpt anderen noch zichzelf, en is zodoende samen met zijn toehoorders veroordeeld tot een niet te stelpen woordschijterij.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html