21 juni 2015

Heine aan zijn Duitse lezers


Klara brengt de mooie Napoleonreeks opnieuw, telkens op zondag. Hier kunt u als voorsmaakje een fragment horen, en lezen wat Heinrich Heine schreef toen hij in Parijs (waar hij woonde) de lijkstoet voorbij zag trekken, op weg naar het praalgraf in Les Invalides.



Karel Nys las dit fragment heel mooi, en hieronder staat de tekst iets uitgebreider. Heine schreef voor een Duits publiek, en zijn politieke boodschap komt dan beter uit de verf. Die boodschap was namelijk de verzoening tussen Duitsland en Frankrijk want: de toekomst ruikt naar juchtleer, naar bloed, naar goddeloosheid en naar hevig geknuppel. Ik raad onze nakomelingen aan ter wereld te komen met een bijzonder dik rugvel.
De krijgszuchtige neigingen, die al sinds de tijd van de Galliërs bij de Fransen zo wild oplaaiden en opborrelden, zijn nu bepaald uitgedoofd, en hoe weinig militaire furor francese er onder hen vandaag nog heerst, bleek bij de begrafenisplechtigheid van keizer Napoleon Bonaparte. Ik kan het niet eens zijn met de verslaggevers die in het schouwspel van deze wonderbare begrafenis enkel pronk en staatsie zagen. Zij hadden geen oog voor de gevoelens die het Franse volk ten diepste aangrepen. Dat waren immers geen gevoelens van soldateske eerzucht of trots, het was geen pretoriaans gejuich dat de zegevierende imperator begeleidde, of de luidruchtige roem- en roofzucht die men zich in Duitsland nog herinnert van de dagen van het Empire. De oude veroveraars hebben sedertdien het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, en het was een heel nieuwe generatie die de begrafenis gadesloeg en, zo niet brandend van toorn keek zij in piëteitsvolle weemoed naar de gouden katafalk, waarin tegelijk alle vreugde en leed, de glorievolle dwalingen en de gebroken hoop van hun vaders, de waarachtige ziel van hun vaders gekist lag! Er waren meer stomme tranen dan luid geroep. En het hele vertoon was zo fabelachtig, zo sprookjesachtig, dat men nauwelijks zijn ogen geloofde, dat men meende te dromen. Want deze Napoleon Bonaparte, die men zag begraven, was voor het huidige geslacht al lang weggedeemsterd in het rijk der sagen, bij de schaduwen van Alexander van Macedonië en Karel de Grote, en zie nu! op een  koude winterdag verschijnt hij te midden van de levenden, op een gouden zegewagen die spookachtig voorbijgerold komt in de witte ochtendnevelen.
Als bij wonder trokken deze nevelen op, zodra de lijkstoet de Champs-Élysées bereikte. Hier brak plots de zon door de grauwe wolkenmassa, en kuste zij voor de laatste keer haar lieveling en strooide rozige lichtpunten op de keizerlijke adelaar die voorop gedragen werd, en als met een zacht medelijden bestraalde zij de schaarse overblijfselen van die legioenen, die ooit nog in stormpas de wereld hadden veroverd, en nu in verschoten uniformen, met zwakke ledematen en ouderwetse manieren al rouwend achter de lijkwagen voorbij schuifelden.
De keizer is dood. Met hem stierf de laatste held van de oude stempel, en de nieuwe wereld van burgermannetjes herademt, als verlost van een flitsende nachtmerrie. Boven zijn graf verheft zich de industriële burgerwereld, die heel andere helden bewondert, zoals bijvoorbeeld de deugdzame Lafayette, of James Watt, de katoenspinner.

[1840, Lutezia]

16 juni 2015

Hoe zou het constructieve gesprek verder zijn gegaan?


Ik zag dit op mijn pc, en heb niet meer naar de rest geluisterd, want al ben ik altijd vol goede wil, de eerste vraag van die jongen (zekere Tom meende ik te verstaan) aan Peumans was mij meteen te machtig. Was het hier een journalist, of een moralist of een pastoor die de vraag stelde? of een kind dat net van de lagere school komt?
We horen een oproep tot een soort gemanierdheid, afkomstig van iemand die denkt dat het bij politiek om een beroep gaat, die meent dat er signalen moeten gegeven worden, die een (ongetwijfeld onbewuste) corporatische reflex vertoont, en verder enkel zijn kleine geleende morele kompasje op zak heeft, en zich wellicht niet kan voorstellen dat er over politiek al tweeduizend jaar geschreven wordt.

11 juni 2015

Zeg het met je eigen woorden


Ik las vanavond vol goede moed een artikel in De Morgen, en dan zie ik daar een journalistieke jongen, Pieter Dumon heet hij, iets schrijven over een andere jongen, zekere Michel Tubbax. Blijkbaar uit de reclamewereld afkomstig. Over deze laatste zegt Dumon:



Dit is een bijzonder complexe mededeling. Tubbax wordt verweten dat hij ergens geen aanleg voor heeft. Op zich heel discriminerend, want dat kan die man zelf toch niet helpen? Hoe kun je een aanleg, een toestand aan iemand verwijten? Dit doet mij denken aan een hijskraan die ik ergens in Brussel ooit zag staan met daarop een grote sticker: verboden zich onder de last te bevinden. Wat als je daar al staat? Vooruitziender lijkt het me om te verbieden dat iemand zich onder die last begeeft.
Als Tubbax bijvoorbeeld ernstige pogingen doet om zich in iets in te leven, en dat lukt hem niet, mag je dan in goed fatsoen over die man zijn aanleg beginnen?
Het probleem zit hem in de moeilijke woorden die Dumon gebruikt, talent en empathie. Dat zijn Griekse woorden die zich slecht laten verbinden, maar een schrijver of journalist wordt vandaag niet meer geacht van die taal iets af te weten.
Talent is een gewichtseenheid, afgeleid ook munteenheid, το τάλαντον, zie de Openbaring van Johannes 16:21 En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen. Later, voor de heilige Hieronymus al, werd het een bepaalde aanleg, een gave.
En dan die empathie, ή εμπάθεια. Dat woordje lees je nu elke dag in elke krant, je hoort het om het uur op de radio, en af en toe begin je het zelfs op de tram te horen. Het lijkt “respect” snel te gaan verdringen.
Ja, we hadden wel “inleving”, “medeleven”, “medelijden”, “aanvoelen”, “begrip tonen” &c., maar die zijn nu verouderd, verlopen en verjaard.
Toch maak ik mij sterk dat ook zo’n Dumon, zelfs als hij deze dingen niet weet, toch niet zou schrijven: “Hij heeft geen aanleg voor inlevingsvermogen, hij heeft geen aanleg voor een gevoel van medelijden”. 
Het is dus beter dat zulke mensen zulke woorden met Griekse stammen, al staan die een tijdlang chic, maar vermijden.

3 juni 2015

Zou het hier ook zo erg zijn?


De Ier Conor Cruise O’Brien (1917-2008), was een briljante geest, essayist, diplomaat, professor, minister (Labour, lid van de Fabian Society), en waar het hier over gaat: in 1968 schreef hij een prachtige en natuurlijk zeer erudiete inleiding bij de Penguin Classics-uitgave van Edmund Burke’s “Reflections on the Revolution in France” (1790), waarvan hij editor was.

O’Brien maakte daar een opmerking die zijn socialistische vrienden maar matig konden smaken:
'De intelligente man van rechts vraagt niet dat men hem redenen geeft waarom hij Marx en de Marxisten zou moeten lezen. Hij leest die omdat ze belangrijk zijn, en aan de andere kant staan. Hij leert van hen, en door hen wordt hij soms ergens opmerkzaam op gemaakt: in de negentiende eeuw kon een Duitse bourgeois uit de geschriften van Marx en Engels bijvoorbeeld leren dat het onverstandig zou zijn al te snel van wal te steken in de kwestie van de opruiming van feodale restanten. De intelligente man van rechts maakt gebruikt van de Marxistische inzichten, maar dan voor eigen doeleinden. […] Bij zijn tegenstanders leert hij over de sterke en zwakke punten van zijn eigen positie – en de hunne. De intellectuele linkerzijde aan de andere kant al zijn er enkele opmerkelijke uitzonderingen heeft sterk de neiging om zijn tegenstanders te veronachtzamen, en zelfs hun meest belangrijke geschriften van tafel te vegen, ongelezen, met een spotlach.'

The intelligent rightist does not ask to be given reasons why he should read Marx and the Marxists. He reads them because they are important, and because they are on the other side. He learns from them and sometimes is warned by them: for example a German bourgeois could learn from the writings of Marx and Engels in the nineteenth century that it would be unwise to proceed too hastily in the matter of the abolition of feudal vestiges. The intelligent rightist makes use of the Marxist insig
hts, but for his own purposes. […] He learns from his adversaries about the strengths and weaknesses of his own position – and of theirs. The intellectual left on the other hand though with some notable exceptions– has a strong tendency to neglect its adversaries and to dismiss even their most influential writings, unread, with a sneer.

Bij O’Brien las ik dat William Hazlitt (1778-1830), de grote essayist en literair criticus, bevriend met bv. Stendhal, een soort proefje klaar had liggen in zulke gevallen:
“It has always been with me a test of the sense and the candour of any one belonging to the opposite party, whether he allowed Burke to be a great man.” (On the Character of Burke, 1807, ook Penguin Classics, in Selected Writings)
“Voor het verstand en de oprechtheid van iemand van de andere partij, is het wat mij betreft altijd een test geweest of die toegaf dat Burke een groot man was.”

Volgens Simon Leys, in zijn portret van George Orwell, “Orwell ou l’horreur de la politique” (1984, hier eerder vermeld) is het zelfs nog erger, en is de genoemde blindheid niet eens selectief. Leys ziet dat nieuwrechts de socialist Orwell graag wil annexeren, en wel op basis van enkele uitspraken die diens partijgenoten toen liever niet lazen, en nu nog minder:
«Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains.» (p.73)
‘Die annexatie van Orwell door nieuwrechts weerspiegelt minder het conservatieve potentieel van diens denkwereld, dan wel de hardnekkige stupiditeit van een soort links dat, in plaats van hem te beginnen lezen en begrijpen, op schandelijke manier zijn krachtigste schrijver in beslag heeft laten nemen.’

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html