29 september 2015

Een verwrongen eerbewijs aan victacausa


Ik weet alvast één EU-advocaat aan wie ik geen zaak zou durven toevertrouwen.
Het is een advocaat, zo lees ik op zijn website, die gespecialiseerd is in heel veel dingen. Op zich al niet zo’n goed teken, want het komt meen ik niet vaak voor dat een bijzonder goede voetballer ook nog een geweldige wielrenner of schaker of schrijnwerker is. Niet iedereen heet Leonardo.

Onze man, meester Ian S. Forrester, Q.C., is wellicht zo’n rare vogel want hij advises companies, as well as sovereign states and other governmental authorities, industry associations and private individuals, on European Union law, especially competition law, trade law, customs, internal market rules, intellectual property and constitutional rights in a variety of sectors, including broadcasting, chemicals, information technology, pharmaceuticals, software and sport.
Een indrukwekkend lijstje, maar speciaal één specialisme van hem trok mijn aandacht: intellectual property. Daarin moet hij zich klaarblijkelijk nog wat verder specialiseren.
Ik zag toevallig dat deze Forrester meegewerkt heeft aan een boek, voor een paar jaar, en zijn hoofdstuk daarin heet: Victa Placet Mihi Causa: The Compulsory Licensing Part of the Microsoft Case.
Natuurlijk vond ik het mooi dat een grote advocaat blijkbaar mijn blog las, maar toen zag ik helaas de voetnoot die meester Forrester had verzonnen bij zijn mooie titel: “The remark in the title is found in Lucan’s literary work Pharsalia, adapting a remark made by Marcus Porcius Cato, which may be translated as ‘even though my case was defeated, I found it persuasive’.”

Zijn vrije vertaling is acceptabel, maar meester Jan had beter niet gekoketteerd met een auteur die hij van haar noch pluimen kent. Want die opmerking stáát helemaal niet in het epos van Lucanus! Wel verwijs ik al een jaar of twaalf naar hem in het onderschrift van mijn blogtitel. Marcus Annaeus Lucanus beschreef in de Pharsalia de strijd tussen Caesar en Pompeius en hij zingt daarbij de lof van Cato, die hij beweert te citeren. In elk geval niet te parafraseren.

Aan Forrester zijn uitgever (die na een eerste mail nog had willen tegenpruttelen) schreef ik dus: In the Pharsalia you will find: victrix causa diis placuit, sed victa Catoni. The winning cause did please the gods, but the lost one pleased Cato.
As you will agree this strongly differs from the title of my blog. What’s more: our man did not even bother to change the word order I had chosen, although Latin allows for almost any such order. So even based on word order alone he had 24 possibilities.
No, he did not make up that sentence himself, and he should have mentioned that... And, his footnote is totally wrong: Lucanus never used this phrase, nor did he 'adapt' a remark by Cato. I did.
Helaas kreeg ik daar geen antwoord meer op.

Het enige wat ik kan besluiten, is dat deze advocaat, gespecialiseerd in intellectual propertyenerzijds aan Lucanus zaken toeschrijft die de dichter niet geschreven heeft, wat belachelijk is, en anderzijds schaamteloos een titel neemt van een blog, zonder bronvermelding.
Maar goed, victa placet mihi causa is dus, twee millennia na Lucanus, geaccepteerd Latijn en zelfs een staande uitdrukking geworden, een adagium dat geen bronvermelding meer nodig heeft.
Dat vind ik een hele eer.

22 september 2015

In Duitsland lachen ze daar niet mee


In de Frankfurter Allgemeine van maandag schrijft zekere professor doctor Walter Krämer, een statisticus, een artikel onder de hoofding ‘Dem Willkommensrausch folgt der Kater’, op de welkomstroes zal een kater volgen. Bij een gewone kater slik je een aspirientje en alles is weer in orde, maar deze kater zal zich niet zo eenvoudig laten verdrijven, meent hij, want Duitsland zendt valse signalen uit, op vele frequenties tegelijk.
Wat hem onder meer was opgevallen bij de enthousiaste verwelkomingen van de eerste dagen, waren de spandoeken met daarop ‘Refugees Welcome’. Wat moet een Arabische vluchteling die in München of Frankfurt van de trein stapt daarvan denken? Was hier niet een signaal dat de taal van doorslaggevend belang is meer op zijn plaats geweest? vraagt Krämer. De geringschatting voor de eigen taal, die in Duitsland al een tijd normaal is, zal zich bij de integratie nog wreken.
Nu kun je van zijn opmerking denken wat je wil, maar een soortgelijke verdediging van het Nederlands zul je in Vlaamse kranten niet gauw vinden.

9 september 2015

Les bons sentiments médiatiques


Nicolas Dupont-Aignan was te gast bij Axel de Tarlé, in "C à dire" (France5). De man is jurist, énarque ook (gestudeerd aan de École nationale d'administration), twintig jaar burgemeester van Yerres (Essonne), en voorzitter van de partij Debout la France. Hij stemde destijds, samen met de meerderheid van de Fransen overigens, tegen het “Verdrag van Maastricht”. Maar nu gaat het gesprek over de migratiegolf:

Dupont-Aignan: Een land dat onbekwaam is om werk te verzekeren voor zijn jongeren, die trouwens vaak voortkomen uit de immigratie, en waarbij de werkloosheidsgraad vijftig procent bedraagt in onze wijken, een land dat politieke verantwoordelijken heeft die zó onverantwoordelijk zijn, want als je je niet met je medeburgers inlaat – en dat geldt evengoed voor rechts, les Républicains (van voorzitter Sarkozy), zie maar mijnheer Fillon, zie maar mijnheer Juppé die…
de Tarlé: Mijnheer Juppé zegt: ik heb er verwelkomd in bepaalde wijken van Bordeaux, we hebben een feestje gebouwd en de migranten hebben er verbroederd met de buurtbewoners.
Dupont-Aignan: Dat is heel sympathiek op televisie, we zitten dan in de goedaardige mediatieke sfeer, maar de realiteit is dat het mijnheer Juppé is die de Franse grenzen heeft opengesteld, samen met mijnheer Fillon en mijnheer Sarkozy. Het is mijnheer Juppé die samen met mijnheer Sarkozy Libië is binnengevallen, en die Khadaffi ten val bracht, in een moment van opwinding. Herinner je Bernard-Henri Lévy in Benghazi, dat was emotie, dat was verschrikkelijk. Zedenles: in Libië hebben we nu de sharia, en er raakten honderdduizenden migranten en wapens verspreid. Dus, hebben we in Frankrijk nood aan televisie-animatoren [d’accord] die staatshoofdje spelen, of aan staatsleiders die op een bepaald moment de zorg voor Frankrijk en Europa behartigen?

Dupont-Aignan: Un pays qui n’est pas capable d’assurer un emploi pour ses jeunes, qui sont d’ailleurs souvent issus d’immigration, et qui sont à cinquante pourcent de taux de chômage dans nos quartiers, un pays qui a des responsables politiques aussi irresponsables, parce que si vous ne vous occupez pas de vos concitoyens – et c’est la droite autant, les Républicains, voyez monsieur Fillon, monsieur Juppé qui…
de Tarlé: Monsieur Juppé dit : moi j’en ai accueilli dans certains quartiers de Bordeaux, on a fait un «pot» et les migrants ont fraternisé avec les habitants du quartier.
Dupont-Aignan: Ça c’est très gentil à la télévision, on est dans les bons sentiments médiatiques, mais la réalité c’est que monsieur Juppé qui a ouvert les frontières françaises avec monsieur Fillon et monsieur Sarkozy. C’est monsieur Juppé avec monsieur Sarkozy qui a envahi la Libye, et qu’a mis à bas Khadaffi, sous l’émotion, vous vous souvenez de Bernard-Henri Lévy à Benghazi, c’était l’émotion, c’était horrible. Moralité : on a la sharia en Libye, et on a des centaines de milliers de migrants et des armes qui sont disséminées. Donc, est-ce qu’on a besoin en France d’animateurs de télévision [d’accord] comme chefs d’États, ou est-ce qu’n a besoin de chefs d’États, de chefs d’États qui à un moment donné prennent soin de la France et de l’Europe?

Nu goed, iedereen (op Verhofstadt na misschien) is het er vandaag over eens dat de actie in Libië een monsterachtige  stupiditeit was, die evenwel ook door onze deputés en journalisten unaniem werd goedgekeurd. Puur kuddegedrag van beide categorieën, een onvermogen tot zelfstandig denken.
Maar wat te denken over dat feestje in Bordeaux? ...dat op de televisie zo’n goede indruk maakte. Over soortgelijke dingen zei wijlen Jean Baudrillard destijds het volgende:

Verdict van stomme verbazing en ongeloof, dat zich vandaag uitstrekt tot alles wat wij via de media- en informatiekanalen geleverd krijgen en, waarom niet, door die van de wetenschap. Van dat alles nota nemen doen we nog wel, er ook geloof aan hechten niet […]. De dag van vandaag zijn er mensen (de peilingen zeggen het!) die niet eens in de space shuttle geloven! Geen sprake hier van een filosofische twijfel over schijn en zijn: de grondige onverschilligheid tegenover het realiteitsprincipe komt voort uit de teloorgang van elke illusie. […]
Zo komt het dat het oude vertrouwde kritische en ironische oordeel niet langer tot de mogelijkheden behoort. Als je vroeger vond dat iets er gemaakt uitzag, kon je zeggen: “Dat is literatuur!” Als je iets bedrieglijk vond en dat aan de kaak wilde stellen, kon je zeggen: “Dat is cinema!” Wat je niet kunt zeggen, om wat dan ook aan de kaak te stellen is: “Dat is TV!” Omdat er geen allesomvattend referentiekader meer is. Omdat de illusie dood is, of omdat zij totaal is. De dag dat wij het doodnormaal zullen vinden om te zeggen: “Dat is TV! Dat is informatie!”, zal alles er anders uitzien.

Verdict d’incrédulité, de mécréance, qui s’étend aujourd’hui à tout ce qui nous est livré par le canal des média et de l’information, voire par celui de la science. Nous enregistrons tout, mais nous n’y croyons pas [...]. Il y a des gens aujourd’hui (ce sont les sondages qui le disent!) qui ne croient même pas à la navette spatiale! Il ne s’agit plus ici de doute philosophique quant à l’être et aux apparences, il s’agit de l’indifférence profonde au principe de réalité sous le coup de la perte de toute illusion. [...]
C’est ce qui fait que le bon vieux jugement critique et ironique n’est plus possible. On pouvait dire, pour en dénoncer la rhétorique: «Ça, c’est de la littérature!» On pouvait dire, pour en dénoncer l’artifice: «Ça, c’est du théâtre!» On pouvait dire, pour en dénoncer la mystification: «Ça, c’est du cinéma!» On ne peut pas dire, pour en dénoncer quoi que ce soit: «Ça, c’est de la télé!» Parce qu’il n’y a plus d’univers de référence. Parce que l’illusion est morte, ou parce qu’elle est totale. Le jour où nous pourrons dire de la même façon: «Ça, c’est de la télé! Ça, c’est de l’information!» c’est que tout aura changé.

We zijn nu dertig jaar verder, en we kunnen inderdaad zeggen: «Ça, c’est de la télé! Ça, c’est de l’information!»

8 september 2015

Grasduinen in de Cahiers van Cioran


Cioran (1911, Rășinari-1995, Parijs) ligt al een aantal maanden op mijn nachtkastje, met zijn Cahiers, maar eigenlijk is hij slechte bedlectuur. Over de mensheid bijvoorbeeld weet hij keer op keer ongunstige dingen te melden. Vaak zijn dat ook nog zaken die je zelf al eens bedacht had, zij het in rudimentaire vorm. Nu is zelf denken gewoonlijk niet zo erg, zolang je beseft dat je maar halve gedachten hebt, maar als Cioran ze dan komt bevestigen in zijn afgevijlde Frans, verkrijgen die een soort ijzeren waarheid.
Die Cahiers zijn losse dagboekaantekeningen, duizend gedrukte bladzijden met zes-zeven-acht alinea's. Ik meen niet bedoeld voor publicatie maar daarvoor zou ik de inleiding eens moeten herlezen.

Of misschien is hij toch wel goede bedlectuur, want al is hij geen zonnetje in huis, hij is wel dikwijls komiek in zekere zin, en voor mij is dat een teken dat we met een goede schrijver te maken hebben. In het bibliotheekgesprek dat ik met Benno Barnard had, kwam die voorwaarde al ter sprake.

Cioran is in zijn aantekeningen ook een filosoof, en net zoals er schaakspelers zijn die moeten braken bij de gedachte dat ze straks weer een partij moeten spelen (ik ken een meester in dat geval), net zo is Cioran ook geen vriend van de filosofie: «Un des rares avantages que j’ai eus, ce fut d’avoir compris, à vingt ans, que la philosophie n’avait réponse à rien, et que même ses interrogations étaient inessentielles.»
Een grote charme van zijn duizenden aantekeningen, die lopen van 1957 tot 1972, is dat hij zichzelf vaak tegenspreekt, of half tegenspreekt, want wat is dit dan weer: «Il n’y a pas de problème isolé; quel que soit celui que nous abordons, il pose implicitement tous les autres. Ainsi, chaque problème, si infime soit-il en apparence, est infini en réalité. Rien ne borne l’esprit dans son expansion, si ce n’est les limites que nous lui imposons arbitrairement.» Enige dagen later bevestigt hij: «N’importe quel problème devient inextricable dès qu’on l’approfondit.»

Sommige filosofen bevallen hem trouwens wel: «Plus je vais, plus je me trouve en tout point à l’opposé des idées de Nietzsche. J’aime de moins en moins les penseurs délirants. Je leur préfère les sages et les sceptiques, les «non-inspirés» par excellence, ceux qu’aucune douleur n’excite ni ne bouleverse. J’aime les penseurs qui évoquent des volcans refroidis.» De toevoeging over die vulkanen volstaat voor mij. Daarna mag Cioran mij weer enige tijd lastigvallen met dingen die me niet aangaan.
Over muziek zegt hij dit: «Si Bach peut me tenir lieu du reste de la musique, je ne vois pas l’écrivain qui puisse à lui seul remplacer tous les autres – même pas Shakespeare. On se lasse des mots, fussent-ils ceux de Macbeth ou Lear; on ne se lasse jamais des sons, quand ils composent certains motets, certaines cantates.»
Een onderwerp waarover ik het grondig met hem eens ben, is dat geluidsversterking geen zegen is voor de mens. Mensen mogen lachen en spelen en zingen op straat of thuis, maar de versterker mag enkel in goed afgesloten ruimtes gebruikt worden, voor een publiek dat dan oordopjes draagt. «Le bruit me rend fou, particulièrement celui de la radio qui me jette dans des convulsions d’épileptique. La civilisation, qu’on ne s’y trompe pas, c’est la production du bruit, l’organisation du vacarme. Qu’une vieille immonde ait la faculté de vous rendre la vie intolérable rien qu’en tournant un bouton, cela dépasse l’entendement. La technique confère à n’importe qui des pouvoirs de monstre.
Tout compte fait, la nature valait mieux. Et puisque l’homme n’est plus maître de ses créations et que son œuvre se révèle de plus en plus néfaste, vivement la guerre atomique!»
En hiermee zal Benno het ook weer eens zijn, al zit die meer tussen de Engelsen dan tussen de Fransen: «Essayé de relire Faust, après plus de trente années. C’est toujours la même impossibilité: je n’entre pas dans le monde de Goethe. Je n’aime que les écrivains malades, atteints d’une façon ou d’une autre. Goethe demeure pour moi froid et compassé, quelqu’un à qui on ne pense pas à faire appel dans un moment de détresse. Ce n’est pas lui, c’est d’un Kleist que nous nous sentons plus près. Une vie sans échecs majeurs, mystérieux ou suspects ne nous séduit guère.»
In zijn jeugd las hij filosofen vertelt hij, daarna dichters, en nu historici. Dat blijkt in 1964: «25 décembre – Hier soir, me trouvant par hasard à minuit dans les parages de l’église Saint-Sévérin, j’y entrai avec la foule. Au moment où les curés se mirent à faire le tour de l’église, précédés d’un diacre (?) qui agitait l’encensoir, je faillis éclater de rire. C’est que j’avais lu le même jour que, sous les premiers empereurs chrétiens, brûler de l’encens c’était sacrifier aux anciens dieux et que celui qui le faisait risquait la peine capitale s’il était découvert. Ainsi on allait à l’improviste dans les maisons des païens, et malheur à ceux chez qui on sentait l’odeur d’encens!»
En soms zegt hij ook iets over zijn eigen schrijverschap: «Être un esprit combattif – et ne pouvoir se réclamer d’aucune certitude! Quel dommage que le scepticisme ne puisse être une religion.»
En tot slot, dit moet iedereen, Gutmenschen allicht uitgezonderd, toch mooi vinden: «Pour moi, écrire, c’est me venger. Me venger contre le monde, contre moi. À peu près tout ce que j’ai écrit fut le produit d’une vengeance. Donc, un soulagement. La santé pour moi consiste dans l’agression. Je ne redoute rien tant que l’effondrement dans le calme. L’attaque fait partie des conditions de mon équilibre.»
Bon, wie nu nog niet overtuigd is, kan beter een Hertmans of een Lanoye of nog iets anders lezen.
__________________
Op Facebook kreeg ik meteen deze heel mooie commentaar:
Ai ai ai, Marc toch, Cioran op je nachtkastje. https://youtu.be/LZzR7-apnKA

7 september 2015

Michael Ignatieff in The New York Times


Michael Ignatieff, prof in de politicologie, die in 2007 na een lange Harvardcarrière erkende dat zijn vak geen wetenschap is, heeft in The New York Times een artikel waarin hij zijn politicologische inzichten toch nog eens uiteenzet. Ik vermoed om zijn eerdere bekentenis te illustreren.

Zo denkt hij dat de Golfstaten, met hun “wretched autocrats” (dit soort termen is het summum waartoe zijn vak in staat is), uit schaamte hun deel van de vluchtelingen misschien zullen opnemen, eens zij het goede voorbeeld hebben gezien van de Westerse landen. Once these states take a lead, other countries — including those wretched autocrats in the Gulf States — could be shamed into doing their part. Mooi dat zo'n geleerde man nog het vertrouwen van een kind in zijn gemoed wist te bewaren. 
En dat het onze plicht is die vluchtelingen op te nemen mag duidelijk zijn: veertig jaar geleden namen bijvoorbeeld de Verenigde Staten en andere landen honderdduizenden Vietnamese bootvluchtelingen op. Dat de V.S. zelf (d.i. Kennedy en wat daarna kwam) daar een misdadige oorlog hadden gevoerd, met gebruik van chemische wapens, vertelt hij er niet bij. Waarschijnlijk omdat ook vele politicologen dat al zullen weten, maar de vergelijking blijft mank. In the late 1970s and early 1980s, Canada, Australia, New Zealand and the United States received hundreds of thousands of Vietnamese boat people.
Ook werden vele Hongaren als vluchteling verwelkomd na 1956. En zowel de Hongaren als later de Vietnamezen zijn voorbeeldige medeburgers geworden. The Vietnamese and Hungarians were fleeing Communism. What’s holding back sympathy for the Syrians?
Ja, wat zou dat toch kunnen zijn?
Ignatieff noemt één keer “the Islamic State” maar verder komt in zijn geleerde analyse het woord islam niet voor. Het zal wetenschappelijk gesproken een onbelangrijk detail zijn.
Wat moeten die Syriërs in het station in Budapest toch denken van onze mooie praatjes over mensenrechten? vraagt de professor. Ik denk niet veel, professor, want dat begrip is in de islam onbestaand en zij denken, net als u, binnen een bepaald kader.
What must Syrians, camped on the street outside the Budapest railway station, be thinking of all that fine rhetoric of ours about human rights and refugee protection? If we fail, once again, to show that we mean what we say, we will be creating a generation with abiding hatred in its heart.
Hier komt Ignatieff dicht bij een verklaring voor de terughoudendheid van de volkeren van de Westerse wereld, maar dat onze eventuele compassie helemaal niet ter zake doet, kan hij natuurlijk niet over zijn lippen krijgen. Want die haat in de harten heeft een naam die hij niet wil noemen: jihad.
Toch blijft onze wetenschapper niet volkomen blind voor de dreiging die er uitgaat van de massa-immigratie van mohammedanen, want aan het eind van zijn artikel roept hij de hulp van God in: So if compassion won’t do it, maybe prudence and fear might. God help us if these Syrians do not forgive us our indifference.
Tot zover deze lezing  over de wetenschap der kardinale deugden, volgens het evangelie van Ignatieff.

6 september 2015

Michel Onfray zegt het rechtaf


Michel Onfray werd voor de zender BFM-TV ondervraagd door Nathalie Levy, en hij zei wat de lezers hier al lang weten: Bernard-Henri Lévy is een verachtelijke schurk en oplichter.
Zou uit dié, uit dé foto ook iets goed kunnen voorkomen? vroeg men aan Bernard-Henri Lévy. Waarom journalisten voortdurend zulke dingen vragen aan een BHL is mij een raadsel, maar zij doen dat nu eenmaal graag. Uit zijn geparfumeerde bek komt inderdaad altijd wel een stroom van woorden, en hem veel vragen is niet nodig. Misschien is dat de reden, want verder kan ik me maar slecht iets voorstellen. Akkoord, hij heeft een privéjet en soms kun je dan misschien meevliegen, maar dan vlieg je wel heel de tijd naast een morele en intellectuele afgrond. Nog een andere reden kan zijn dat BHL altijd de zonzij ziet, hij zit altijd aan het goede raampje ook bij het somberste conflict. The Independent merkte dat zeven jaar geleden al op, en dat stond hier toen vertaald te lezen.
Maar goed, wat dacht het heerschap van dé foto? Zou ze de wereld wakker schudden?

BHL (telefoonfragment): Moeilijk te zeggen, want een kind dat sterft, sterft eerst en vooral voor niets, sterft op een wrede manier, maar mogelijk heeft ze die, die ja die kleine verdienste, dat is meen ik wel mogelijk.


Nathalie Levy: Voor één keer kunt u met hem akkoord gaan?
Michel Onfray: Nee, kom nu, die kent geen schaamte. Die kent geen schaamte. Hij had zich toch gedeisd kunnen houden, niet? Weet u, ik zal Audiard citeren: stommekloten durven alles, dat is zelfs waar je ze meteen aan herkent. Want rechtuit gezegd, met wat er vandaag gebeurt, zou hij er goed aan doen thuis te blijven.
Nathalie Levy: Er is waarachtig niets waarbij u hem zou kunnen vinden?
Michel Onfray: Kijk, ja, er zullen allicht dingen zijn, maar niet op dit punt! Ik zeg, ziedaar iemand die aanmaande tot bombardementen op Libië, die aanmaande tot het doden van Libiërs, want door Libiërs te doden zou men zogezegd democratie mogelijk maken. Men heeft een staat vernietigd die waard was wat hij was, maar waarmee te praten viel. Er was een gesprekspartner om mee te praten, en daar was dat Khadaffi. Nu valt er niets meer te beginnen met Libië, het is vandaag een formidabele basis voor het terrorisme. Nergens verantwoordelijk voor? Nergens schuldig aan? Dan komt zo’n Bernard-Henri Lévy ons uitleggen dat dit zou moeten gebeuren, en dat dat moet gebeuren. Laatst hebben we trouwens foto’s van hem gezien waar hij raad geeft aan mensen die echt vechten enzovoort. En dat terwijl het nog maar een moment geleden is dat – enige schroom toch graag – al die lui de dood van dat kind mogelijk hebben gemaakt, en ja, Bernard-Henri Lévy hoort daarbij.
Nathalie Levy: Hij is medeplichtig?
Michel Onfray: Ja, vanzelfsprekend. Vanzelfsprekend is hij medeplichtig! Zoals anderen medeplichtig zijn, de presidenten van de Republiek van gisteren en vandaag, die exact op dezelfde lijn zitten, en vandaag zeggen: oh, wat verschrikkelijk die foto! Het is beangstigend, maar dat zijn criminelen die kerels. Hun politiek is crimineel, en waar men mee moet beginnen is die politiek stoppen.


BHL: C’est difficile de dire ça parce qu'un enfant qui meurt il meurt d’abord pour rien, il meurt de manière atroce, mais elle peut avoir cette, cette, cette petite vertu-là, c’est, je le crois oui, c’est possible.
Nathalie Levy: Pour une fois vous êtes d’accord ?
Michel Onfray: Non, il n’a pas honte lui, franchement. Il n’a pas honte, il pouvait tout de même rester caché, hein ! Vous savez, je vais citer Audiard : les cons, ça ose tout, c'est même à ça qu'on les reconnaît. Parce que franchement avec ce qui advient aujourd’hui, il ferait bien de rester chez lui.
Nathalie Levy: Décidemment vous ne trouvez rien pour vous mettre d’accord ?
Michel Onfray: Mais enfin, mais si, sûrement peut-être des choses mais pas ça ! Je dis voilà quelqu’un qui a invité à bombarder la Libye, qui a invité à tuer des Libyens sous prétexte qu’en tuant des Libyens on rendrait possible la démocratie. On a détruit un état qui valait ce qu’il valait, mais avec lequel on pouvait discuter. On pouvait discuter avec un interlocuteur, l’interlocuteur qu'était Kadhafi là. On ne peut plus rien faire avec la Libye, c’est une base extraordinaire pour le terrorisme aujourd’hui. Responsable de rien ? Coupable de rien ? Bernard-Henri Lévy, ça vient nous expliquer qu’il faudrait ceci qu’il faudrait cela ...on a vu d’ailleurs des photos de lui récemment où il donne des conseils aux gens qui combattent etcetera. Donc il y a juste un moment donné où – enfin un peu de pudeur! – tous ces gens qui ont rendu possible cet enfant mort, et bien Bernard-Henri Lévy en fait partie.
Nathalie Levy: Il est complice ?
Michel Onfray: Oui, évidemment. Évidemment il est complice ! Comme d’autres sont complices, les présidents de le République d’hier et d’aujourd’hui, qui défendent exactement la même ligne et qui disent aujourd’hui : alors-là c’est effrayant cette photographie. C’est effrayant, mais ce sont des criminels ces gens-là. Leur politique est criminelle, on devrait commencer par arrêter cette politique.

4 september 2015

Ze hebben hem verkeerde dingen geleerd


Ik zie hier nu wat Wouter Beke gisteravond allemaal verteld heeft aan Annelies Beck, toen die even wilde nagaan wat Wouter nog wist van de leerstof van vorig schooljaar. De vakantie is lang geweest, besefte zij, en het waren dus geen al te moeilijke vragen die de juffrouw stelde.

Toch was dat voldoende om Wouter wat zenuwachtig te maken, en misschien daardoor deed hij het wat aardrijkskunde en geschiedenis betreft niet zo goed. Zo dacht hij dat Assad een stuk van Irak had ingepalmd, maar op de landkaart ligt dat gebied wat verderop, en Assad had al voor de vakantie de controle verloren over een flink stuk van zijn éigen land.
Ook herinnerde Wouter zich een militair succesje in Libië (al wilde de naam van dat land niet op zijn tong komen). Veel van de slechte herinneringen in Afghanistan waren daardoor wat vervaagd, zei hij. Wouter noemde nog Irak in dit verband, maar we zagen al dat hij niet goed weet waar dat land ligt. Maar destijds, en dat wist hij wel nog, was er voor onze militaire actie in Libië een ruime consensus gevonden in het parlement. Inderdaad zeer ruim, want de onwetende en ongeïnteresseerde parlementsleden waren toen zelfs unaniem, op één halve gare na. Nu was die actie in Libië wel een catastrofe, en zelfs misdadig want de bombardementen op burgers waren toen de eerste doodsoorzaak daar, maar toch wil ik dit antwoord goed rekenen.
Hij zei verder nog iets over het vernietigen van cultuurschatten en over een 'regime met inwoners', maar op de naam 'Islamitische Staat' kon hij alweer niet komen.  
Kortom, we hoorden veel vage en onsamenhangende praat. Maar enkel Wouter daarvan de schuld geven doe ik niet. Die jongen meent het goed, en hij lijkt niet dommer dan een ander. Nee, het zijn de meesters en juffrouwen van vorig schooljaar die we met de vinger moeten wijzen. Daar zaten blijkbaar te veel mediatrainers tussen, die hem verkeerde dingen hebben geleerd, die inhoudelijke antwoorden afkeuren bij hun leerlingetjes, en hen wijsmaken dat ze zo weinig mogelijk concrete woorden moeten gebruiken.



Wouter Beke: Maar ik vind dat er ook aan de wortel moet gewerkt worden van dit probleem en dat is dat er natuurlijk een, heu, een regime is in Syrië en een stuk van Irak, ja, waar de hele internationale gemeenschap wat mij betreft veel te passief en veel te laks naartoe kijkt hé. Dat zet zijn eigen onderdanen onder druk, dat moordt zijn eigen onderdanen uit, dat zet heu, heu dat vernielt de hele culturele en historische traditie die dat daar in die landen bestaat, en dat drukt ook het hele vluchtelingenprobleem richting, heu Europa, en ik vind dat de internationale gemeenschap daar niet zomaar passief naar mag kijken, zoals dat op dit ogenblik toch gebeurt.
Annelies Beck: Dus u hebt het nu over president Assad bijvoorbeeld, in Syrië, die… wat moet daar dan precies gebeuren, ja?
Beke: Wel ik vind dat heu, als, als het heu moet, dat ook militair ingrijpen daar moet overwogen worden, en dat, natuurlijk binnen VN-context en zo moet gekeken worden welk mandaat dat daarvoor kan gegeven worden. Op dit ogenblik is omwille van slechte ervaringen in Irak, in Afghanistan, is men daar zeer terughoudend in, maar zolang dat men aan de grond van het probleem geen antwoord zal geven, zullen we dit soort van beelden dat we net gezien hebben, zullen we dat blijven zien.
Beck: Denkt u dat daar een draagvlak voor is in de regering? Zijn de andere partijen, heum, coalitiepartners, zien die dat ook zo?
Beke: Dat weet ik niet maar ik weet wel dat we in het verleden ook in het parlement ruime consensus hebben gehad om in andere internationale conflicten op te treden. Euh, dus ik denk dat iedereen wel, euh, voeling heeft met datgene wat daar op dit ogenblik gebeurt, euh, de gevolgen daarvoor in ons land, in heel Europa, maar in eerste instantie toch de gevolgen voor al die inwoners van dat regime zelf.

2 september 2015

Léa Salamé praat met Michel Houellebecq


In de plezierige uitzending van France2, On n'est pas couché (programma dat je vanzelfsprekend niet helemaal hoeft uit te zitten: de interessante stukken zijn al snel op het web gevonden), zagen we de mooie Léa Salamé die de lelijke Michel Houellebecq aan de tand voelde. Het ging over de politieke correctheid van de media. Mij viel op dat Léa vaak de term "weldenkend", of "weldenkendheid" in de mond nam. De bij ons beter bekende term "constructief" lijkt in Frankrijk nog niet te zijn ingeburgerd.

Léa Salamé: In uw gesprekken met Le Figaro deze week, of toch deze maand augustus, verklaarde u: “Ik ben nooit bang geweest voor de heersende ideologie.” Wat is dat vandaag, de heersende ideologie?
Michel Houellebecq: Dat is dezelfde gebleven.
Salamé: Welke is dat dan? Hoe kenschetst u die dominante ideologie?
Houellebecq: Oh, dat is centrum-links toch.
Salamé: Maar hebt u de indruk dat dit nog altijd overheerst?
Houellebecq: Ja.
Salamé: Omdat ik, als ik u nu hoor, Michel Houellebecq, als ik uw verkoopcijfers zie, als ik de verkoopcijfers zie van Alain Finkielkraut met L’identité malheureuse, of die van Éric Zemmour met Le suicide français, dan denk ik van niet. Dan denk ik dat de overheersende ideologie is ingewisseld, en dat het vandaag de antimodernen zijn die de strijd om de gemoederen hebben gewonnen.
Houellebecq: Ik denk dat de strijd… nee, nee het zit zo dat de meerderheid dezelfde is gebleven. En dat is trouwens is een probleem, hé, want mensen die vijandig staan tegenover de heersende ideologie hebben ook nog wat anders te vertellen, maar toch moeten zij steeds weer hun tijd besteden aan het bestrijden ervan. Wat ik wil zeggen, je leest Onfray, Finkielkraut of Taguieff, weet ik veel: altijd zijn zij genoodzaakt rondjes te draaien en hetzelfde te herhalen. Ze hebben niet de tijd om iets anders te zeggen, want de heersende ideologie is nog altijd dezelfde.
Salamé: Maar dat is niet helemaal waar, want ze worden overal uitgenodigd, ze mogen overal aanschuiven.
Houellebecq: Toch blijven zij zeer minoritair.
Salamé: Maar waar minoritair dan?
Houellebecq: Minoritair in het totale volume van wat er verteld wordt.
Salamé: Hebt u niet de indruk dat de vooruitstrevendheid vandaag geen enkele stem nog heeft om haar te vertegenwoordigen? Dat alle progressieve stemmen zodanig zwak, lauw en bleekjes uitvallen, vergeleken bij…
Houellebecq: Ja, het klopt dat zij mediocre zijn, maar dominant blijven ze, het spijt me.
Salamé: U blijft volhouden dat zij dominant zijn.
Houellebecq: Wel ja, heel duidelijk. Als je kranten leest of koopt en een statistische telling doet, ja.
Salamé: En als je de verkoopcijfers van boeken ziet, van uw en van andere boeken?
Houellebecq: Goed, die verkoopcijfers dat is iets anders, ja.
Salamé: En vooral als je kijkt naar de stembusuitslagen. Als je de scores ziet van het Front National bij de laatste verkiezingen…
Houellebecq: Ja, maar ik had het over wat overheersend is in de media.
Salamé: Zeker, maar wat overheerst in de media is ook een kwestie van politiek, Michel. Wat ik bedoel is ook wat er zich in de stemhokjes afspeelt. Vandaag hebben we een land, en een continent, Europa, dat de weg van de verrechtsing opgaat. Bent u het daar niet mee eens?
Houellebecq: Natuurlijk wel, dat is overduidelijk.
Salamé: Maar toch… maar toch blijft weldenkend links overheersend. Is dat wat u zegt?
Houellebecq: Maar de media blijven in meerderheid links, terwijl het land naar rechts opschuift.
Salamé: En dat steekt je?
Houellebecq: Non, je m’en fous.
Salamé: Goed, maar het laat u toch niet helemaal koud, want nu bent u wat geïrriteerd…
Houellebecq: Nee, nee maar men…
Salamé: …met wat Le Monde doet, zit u een beetje verveeld? Want voor u zal dat misschien dé spreekbuis van zijn, of niet? Zit er niet ook iets in van... van Michel Houellebecq tegen Le Monde? Le Monde als vertegenwoordiger van de linkse weldenkendheid?
Houellebecq: Oh, bah, nee. Nee, het hangt ervan af. Bij Le Monde zitten er ook die niet kwaad zijn.
Léa Salamé: Vous avez déclaré dans vos entretiens au Figaro cette semaine, enfin ce, le mois d’août : «Je n’ai jamais eu peur de l’idéologie dominante.» Aujourd’hui c’est quoi l’idéologie dominante?
Michel Houellebecq: C’est la même.
Salamé: C’est laquelle? Comment vous la qualifiez, l’idéologie dominante?
Houellebecq: Oh, c’est centre-gauche quoi.
Salamé: Mais est-ce que vous avez l’impression qu’elle est toujours dominante?
Houellebecq: Oui.
Salamé: Parce que moi, quand je vous écoute aujourd’hui, Michel Houellebecq, quand je vois vos chiffres de vente, quand je vois les chiffres de vente d’Alain Finkielkraut avec L’identité malheureuse, ou d’Éric Zemmour avec le Suicide français, je me dis que non, que l’idéologie dominante a changé, et qu’aujourd’hui ce sont les antimodernes qui ont gagné la bataille des esprits.
Houellebecq: Je pense que la bataille… non, non c’est, la majorité reste la même. Eux, c’est… ce qui est un problème d’ailleurs, hein. Parce que les gens hostiles à l’idéologie dominante ont autre chose à dire mais ils sont quand-même obligé de passer leur temps à la combattre. Je veux dire, on lit, je ne sais pas, Onfray, Finkielkraut ou Taguieff: ils sont toujours obligés de répéter en boucle la même chose, ils n’ont pas le temps de dire autre chose, parce que l’idéologie dominante, c’est toujours la même.
Salamé: Mais c’est pas tout à fait vrai ça, parce que ils sont invités partout, ils ont table ouverte partout.
Houellebecq: Ils restent quand même très minoritaires.
Salamé: Mais minoritaires où?
Houellebecq: Minoritaires dans le volume de discours produits.
Salamé: Vous n’avez pas le sentiment que le, que le progressisme n’a plus aucune voix pour le représenter aujourd’hui? Que toutes les voix progressistes sont tellement faibles, tièdes, pâlottes par rapport à la…
Houellebecq: C'est vrai qu’ils sont médiocres, mais ils restent dominants. Je suis désolé.
Salamé: Vous continuez à penser que c’est dominant.
Houellebecq: Ah bien oui, ça clairement. Quand on lit ou on achète des journaux, on fait un décompte statistique, oui.
Salamé: Et quand on voit les chiffres de vente des livres heu… de vos livres et des autres livres?
Houellebecq: Bien, les chiffres de vente c’est autre chose, oui.
Salamé: Et quand on voit surtout les résultats dans les urnes. Quand on voit les scores du Front National aux dernières élections…
Houellebecq: Oui, mais là je parle de ce qui domine dans les médias.
Salamé: Oui mais oui, mais ce qui domine dans les média c’est aussi politique, Michel. Ce que je veux dire c’est aussi ce qui se passe dans les urnes. Il y a aujourd’hui un pays, et un continent, l’Europe, qui est en train de se droitiser. Vous n’êtes pas d’accord avec ça?
Houellebecq: Mais si, c’est évident.
Salamé: Mais la… mais ça reste majoritairement de gauche, bien-pensant. C’est ce que vous dites ?
Houellebecq: Mais les médias restent majoritairement de gauche, alors que le pays se droitise.
Salamé: Et ça vous chiffonne?
Houellebecq: Non, je m’en fous.
Salamé: Bien vous ne vous en foutez pas complètement, puisque là vous êtes taquiné…
Houellebecq: Non, non mais on…
Salamé: … ce que fait Le Monde, vous ennuie un peu? Qui est peut-être, dans votre esprit le représentant de cela, non? Est-ce qu’il n’y a pas aussi quelque chose de, de Michel Houellebecq contre Le Monde, Le Monde comme représentant de la bien-pensance de gauche?
Houellebecq: Oh, bof. Non, non, ça dépend. Il y a des gens pas mal au Monde.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html