28 januari 2016

Alweer vonden neurale netwerken een slachtoffer


Schakers kijken vaak wat neerbuigend naar dammers – onze mindere broeders, noemde grootmeester Jan-Hein Donner hen – weliswaar ten onrechte maar het is nu eenmaal zo. Hun bord oogt mooier, met allemaal fraaie en verschillende stukken, Paarden, Torens, voetvolk enzovoort, die elk ook verschillende dingen doen. Een middeleeuwse maatschappij in het klein, waar iedereen de hem toegewezen taak kent. Dammers hebben enkel witte en zwarte, maar voor de rest eendere schijven die elkaar opvreten in een uitroeiingsoorlog. Heel modern. En ze spelen dan wel op een groter bord, van tien maal tien, maar ze mogen enkel de zwarte velden gebruiken, vijftig dus. Schakers beschikken over vierenzestig velden. Verder is schaken een romantische oorlog, waarin materiaal in zekere zin geen rol speelt want er is maar één doel, de vijandelijke Koning mat zetten, en een pion kan dat net zo goed als een Dame. Die koning wordt niet geslagen, dat zou tegen de ridderlijkheid ingaan. De verslagen vijand blijft rechtop op het bord staan, weliswaar onder bedreiging en zonder enige bewegingsvrijheid.

Emanuel Lasker (1868-1941), die zeventwintig jaar wereldkampioen schaken was, van 1894 tot 1921 – toen hij zijn titel verloor aan de Cubaan José Raúl Capablanca y Graupera – kwam ooit een toernooizaal uit, het was al na valavond, en hij wees zijn verslagen tegenstander op de sterrenhemel met de troostende woorden: “Wij spelen nog altijd schaak, maar op al die sterren spelen ze Go.”

Go wordt in Vlaanderen maar weinig gespeeld, in Nederland veel meer. In China, Korea en Japan zijn er miljoenen spelers. Ze spelen op een bord van negentien maal negentien lijnen, die samen driehonderd éénenzestig kruispunten vormen. Het bord is leeg bij het begin van een partij, en elk om beurt mogen de spelers nu een witte of zwarte steen plaatsen, op een kruispunt naar keuze. Ze hebben elk een kommetje in de hand met een voldoend aantal stenen. Dat zijn niet zomaar schijfjes: ze zijn lensvormig geslepen, uit oesterschelpen voor de witte stenen, uit leisteen voor de zwarte. Het gaat erom zoveel mogelijk gebied te veroveren, door delen van het bord geheel te omsingelen, en het bijna egale getik, als een soort regen van al die muntjes en dropjes – zoals de Hollandse spelers soms zeggen – op de strakke houten borden is betoverend voor de argeloze schaakspeler die uit zijn stille tempel even de naburige go-zaal binnenloopt terwijl zijn tegenstander aan zet is.

Nu zou Emanuel Lasker, die wiskundige was, het niet graag horen maar na het dam- en schaakspel is ook het go-spel ten offer gevallen aan de rekenkracht van de machine, die vandaag zelfs sterke professionals aankan met zijn neuraal netwerk, dat eerder ook al het aloude backgammon had bedorven. We leven in droeve tijden.

_______
noot van 12 maart: intussen is ook wereldkampioen Lee Se-dol verslagen...

21 januari 2016

Over de Verruwing van het Debat

Proeve van een historische benadering

De laatste tijd hoor je veel klagen over de verruwing van het debat. Journalisten schrijven daar graag over, want die verruwing komt door de sociale media. Vroeger waren debatten beschaafd, beleefd, hoffelijk. Natuurlijk, en journalisten weten dat ook, het fenomeen der verruwing doet zich niet enkel op de sociale media voor. Bijvoorbeeld de jongste vulgariteiten van Verhofstadt in het ‘EU-parlement’ kunnen ze moeilijk aan de invloed van Facebook of Twitter toeschrijven – nog aangenomen dat ze over die pijnlijke interventie van onze Guy zouden willen schrijven.
En het mag dan waar zijn dat voor de meesten van hen de geschiedenis bij hun eigen geboorte aanvangt, er zijn er toch ook velen die soms naar de ‘donkere jaren dertig’ verwijzen. Dat is goed, maar de geschiedenis is nog ouder en om het geheugen op te frissen zullen we het nu over de jaren twintig hebben. Niet die van de charleston, maar die van de negentiende eeuw. En je zou vanzelfsprekend nog veel verder kunnen teruggaan, maar het voorbeeld schiet mij nu te binnen.

De fijnbesnaarde maar antisemitische Duitse dichter Platen (August Graf von Platen Hallermünde, 1796-1835) had de onvoorzichtigheid begaan te spotten met de jood Heinrich Heine. Hij had daarbij grove termen gebruikt en ook diens voorhuid ter sprake gebracht.
Heine heeft hem daarop geantwoord in een reisverslag – Die Bäder von Lucca – en het kwam tot een zware strijd, we mogen zelfs zeggen tot een verruwing van het debat.

Platen, die homoseksueel was en in Italië leefde, en daar zocht wat sommigen nu in Thailand zoeken, schreef gedichten als:

Ich bin wie Leib dem Geist, wie Geist dem Leibe dir!
Ich bin wie Weib dem Mann, wie Mann dem Weibe dir!
Wen darfst du lieben sonst, da von der Lippe weg
Mit ew’gen Küssen ich den Tod vertreibe dir?
Ich bin dir Rosenduft, dir Nachtigallgesang,
Ich bin der Sonne Pfeil, des Mondes Scheibe dir;
Was willst du noch? was blickt die Sehnsucht noch umher?
Wirf Alles, Alles hin: du weißt, ich bleibe dir!

Over die pijl en die maanschijf had Heine het al eens gehad, en ook over warme vriendschappen, maar hier in Lucca bespreekt hij het boek als geheel, of liever, hij laat het bespreken door een markies die hij daar heeft ontmoet. Die man is heel enthousiast over zijn lectuur en toont zijn exemplaar aan onze dichter:

Auf dem Hinterblatte stand zierlich geschrieben: »Geschenk warmer brüderlicher Freundschaft.« Dabei roch das Buch nach jenem seltsamen Parfüm, der mit Eau de Cologne nicht die mindeste Verwandtschaft hat und vielleicht auch dem Umstande beizumessen war, daß der Marchese die ganze Nacht darin gelesen hatte.
»Ich habe die ganze Nacht kein Auge zuthun können« – klagte er mir – »ich war so sehr bewegt, ich mußte elfmal aus dem Bette steigen, und zum Glück hatte ich dabei diese vortreffliche Lektüre, woraus ich nicht bloß Belehrung für die Poesie, sondern auch Trost für das Leben geschöpft habe. Sie sehen, wie sehr ich das Buch geehrt, es fehlt kein einziges Blatt, und doch, wenn ich so saß, wie ich saß, kam ich manchmal in Versuchung –«
»Das wird mehreren passiert sein, Herr Marchese.«

Op het laatste blad stond sierlijk geschreven: “Geschenk van warme broederlijke vriendschap”. Daarbij rook het boek wat en gaf het een vreemd parfum af, dat met Eau de Cologne niet de minste verwantschap heeft, wat misschien toegeschreven kan worden aan de omstandigheid dat de markies er de hele nacht in had gelezen.
“Van de hele nacht heb ik geen oog dicht kunnen doen,” — klaagde hij tegen mij — “zozeer was ik aangedaan, ik moest elf keer het bed uit, en gelukkig had ik daarbij deze voortreffelijke lectuur, waaruit ik niet alleen iets kon opsteken over poëzie, maar ook vertroosting voor het leven heb geput. U merkt hoezeer ik dat boek in ere heb gehouden, er ontbreekt niet één enkel blad, en nochtans, toen ik daar zat zoals ik daar zat, kwam ik vaak in de verleiding —”
“Dat zal er meer overkomen zijn, heer Markies.”

Dat is gelukkig allemaal voorbij nu.

19 januari 2016

Een kleine verspreking met grote gevolgen


Wordt hier een journalistieke bloem in de knop gebroken?
Ik heb wat compassie met Claudia.

Jaren geleden kocht ik een boek – om precies te zijn de zevende mei van 2001, want dat is de datum die ik op de laatste pagina schreef – een boek dat ik toen heel interessant vond: Die Macht der Zensur – Heinrich Heine auf dem Index, van Hubert Wolf en Wolfgang Schopf (Patmos, Düsseldorf 1998). Een bevriende journalist vroeg mij toen wat voor interessants er in mijn boek wel stond, en ik verklaarde hem dat het een zeer actueel thema behandelde. Hij vond dat ik doordraafde. Vandaag, vijftien jaar later, denk ik dat vele mensen instemmend zouden knikken.

Alleen, wat is censuur? Is er een formeel instituut voor nodig, zoals de Heilige Congregatie van de Index van 1571? Of heb je er, zoals ten tijde van Heine en Poesjkin, een Metternich voor nodig, of een tsaar? En moet die censuur dan openlijk te werk gaan, met een eigen ambtenarenapparaat? Alvast Metternich vond van niet. Onzichtbare censuur werkte volgens hem beter. Een censorenkorps was weliswaar nodig, maar: sogar seine Existenz sollte aus Effektivitätsgründen völlig verborgen bleiben (p. 44).

Dat verborgen blijven lukt niet meer in deze tijd van bloggers en twitteraars en facebookers, maar nu staat er gelukkig een veel beter mechanisme ter beschikking. Een jaar of tien geleden meen ik, legde Élisabeth Lévy – toen nog journaliste voor France Culture – de werking ervan uit: «Pas besoin d’aucune censure formelle: il suffit que tout le monde pense la même chose au même moment.» Er is geen nood aan een formele censuur: het volstaat dat iedereen hetzelfde denkt op hetzelfde moment. Ideaal is inderdaad als journalisten gewoon uit zichzelf weten wat ze horen te zeggen en te zwijgen. En dat gaat zelden mis, volgens het lees- kijk- en luisterpubliek, tenminste als we de schrikbarende cijfers zien over het publieke vertrouwen in journalistieke mededelingen en beweringen.

Maar soms gaat het toch mis. Voor een Nederlandse regionale zender verklaarde de Duitse Claudia Zimmermann, die als vrije correspondente voor de WDR werkt – en nu wellicht werkte – dat haar ‘vanzelfsprekend opgedragen werd pro-regering te berichten’.

Die naïeve uitlating viel niet goed bij Gabi Ludwig, chefredactrice bij de nationale WDR-televisie, en Zimmermann haastte zich met deze verklaring: „Ich habe an dieser Stelle Unsinn geredet. Unter dem Druck der Live-Situation in der Talkrunde habe ich totalen Quatsch verzapft. Mir ist das ungeheurer peinlich. Denn ich bin niemals als freie Journalistin aufgefordert worden, tendenziös zu berichten oder einen Bericht in eine bestimmte Richtung zuzuspitzen.“ Ik heb daar onzin verteld. Onder druk van de live-omstandigheden bij de vragenronde, heb ik volslagen quatsch uitgekraamd. Voor mij is dat bijzonder pijnlijk, want als vrije journaliste is mij nooit opgedragen om tendentieus te berichten, of om een bericht in een bepaalde richting aan te spitsen.

De vraag is nu of het Duitse publiek haar tweede verklaring beter zal vinden dan de eerste.
__________________

De uitzending kunt u hier zien, en het fragment dat ik aanhaalde begint na negentien minuten.

P.S. Op Facebook kreeg ik meteen een repliek van een journalist:



6 januari 2016

Stendhal geeft raad aan een jonge auteur


Henri Beyle, Stendhal zeggen we, kreeg in 1833 in Parijs een manuscript overhandigd van een vriendin, madame Gaulthier. Het was een roman van haar hand, getiteld Le Lieutenant, en zij wilde graag het oordeel kennen van de auteur van Le Rouge et le Noir. Stendhal moest toen meteen weer naar Italië vertrekken in diplomatieke dienst, hij was consul. Zijn Parijse vakantie zat erop. In Italië las hij het manuscript op zijn gemak.
En al was hij onder de indruk van de vrouw, en misschien wat verliefd, voor de criticus in hem vond haar schrijftalent toch geen genade. Vanuit zijn standplaats schreef hij een brief. De twee zijn na deze brief goede vrienden gebleven – mevrouw Gaulthier was blijkbaar niet rancuneus – maar romans heeft ze tot aan haar dood in 1853 niet meer geschreven. Zelfs moet zij het manuscript vernietigd hebben, want het is helaas nooit teruggevonden.

Civita-Vecchia le 4 mai 1834

Ik heb De Luitenant gelezen, chère et aimable amie. Hij zal helemaal herschreven moeten worden, en u moet zich daarbij voorstellen dat u een Duits boek aan het vertalen bent. De taal is wat mij betreft vreselijk nobel en nadrukkelijk; ik heb wreedaardig met inkt geklad. Geef niet toe aan luiheid; want tenslotte schrijft u enkel om te schrijven, voor u is dat een verzetje. Dus, alles in dialoogvorm zetten, het hele slot van het tweede cahier: Versailles, Hélène, Sophie, de aanstellerijen in het wereldje. – In verhalende vorm valt dat allemaal zwaar. De ontknoping is alledaags. Olivier lijkt op het grote geld te jagen; prachtig in het echte leven, want bij zichzelf denkt de toeschouwer dan: «Bij die man wil ik wel eens dineren»; als lectuur is het minderwaardig. – Ik heb een andere ontknoping voorgesteld. – Zoals u merkt ben ik trouw gebleven aan onze afspraken; geen enkele consideratie voor de eigenliefde. – In uw familienamen moet minder “de” staan, en duid uw personages ook niet aan met hun doopnaam. Zegt u Louis, als u over Crozet spreekt? – U zegt Crozet waar u dat hoort te zeggen. In elk hoofdstuk moeten minstens vijftig superlatieven geschrapt worden. Zeg nooit: «De brandende passie van Olivier voor Hélène». De arme romancier moet proberen om in die brandende passie te laten geloven, maar hij mag haar nooit benoemen: dat gaat in tegen de kiesheid.
Bedenk dat er onder rijke lui geen passies meer voorkomen, tenzij die voor de gekwetste trots. Als u zegt: «De passie die hem verslond», vervalt u in de kamermeidenroman zoals M. Pigoreau die in duodecimo drukt. Maar voor kamermeiden bevat de Luitenant dan weer te weinig lijken, ontvoeringen en andere dingen die in de romans van vader Pigoreau vanzelfsprekend zijn.

LEUWEN
of
De leerling weggestuurd van de École Polytechnique*

Ik zou die titel nemen. Hij verklaart de vriendschap of de band van Olivier met Edmond. De figuur van Edmond, de toekomstige academicus, is het meest oorspronkelijke in de Luitenant. De kern van de hoofdstukken is waarachtig; maar de superlatieven van wijlen M. Desmazures bederven alles. Vertel me dat alsof u mij een brief schreef. Lees de Marianne van Marivaux, en Quinze-cent-soixante-douze van M. Mérimée, zoals je een tovermedicijn inneemt, om u te genezen van die provinciale gekunsteldheid.**  Om een man, een vrouw, een plek te beschrijven, denk altijd aan iemand, aan iets dat echt bestaat. Ik ben helemaal vol van de Luitenant die ik net uit heb. Maar hoe bezorg ik u dit manuscript terug? Er moet een gelegenheid zijn. Waar die gevonden? Ik zoek het uit.
Schrijf mij een brief vol eigennamen.***  – De terugkeer uit vakantie is een nogal triest moment; ik zou drie niet al te slechte bladzijden kunnen schrijven over dit thema. Je bedenkt dan: zal ik leven, zal ik oud worden ver van mijn vaderland, of van het vaderland? dat is meer naar de mode. Ik breng al mijn avonden door bij een markiezin van negentien lentes, die meent dat ze vriendschap voelt voor uw dienaar. Wat mij betreft is zij als een goede canapé, heel comfortabel. Helaas! verder niets, meer is mij niet gegund; en wat veel erger is, meer verlang ik ook niet.



Ik las deze prachtige brief in het voorwoord dat Henri Martineau, een van de grote Stendhaliens, schreef bij zijn tweedelige uitgave van Lucien Leuwen (Monaco, 1945, Éditions du Rocher), die ik voor vijftien euro kocht bij het Profijtelijk Boekske in Antwerpen, een genummerde editie die ik nog helemaal moest opensnijden want het exemplaar was nooit aangeraakt.



______________

* De eerste zin van de postuum uitgegeven Lucien Leuwen luidt: «Lucien Leuwen avait été chassé de l’École Polytechnique pour s’être allé promener mal à propos, un jour qu’il était consigné, ainsi que tous ses camarades: c’était à l’époque d’une des célèbres journées de juin, avril ou février 1832 ou 1834.»
** Stendhal zelf las af en toe enkele artikelen in de Code Civil voor hij zich aan het schrijven zette: pour prendre le ton, als medicijn.
Hier schrijft hij : «…pour vous guérir du Phébus de province.»
PHÉBUS, subst. masc. Littér., vieilli. Style obscur, ampoulé et alambiqué. Donner dans le phébus; Diseur de phébus. Écrivain ou orateur au langage obscur et alambiqué.
*** Simenon later las graag in telefoonboeken en vond daar zijn eigennamen, en veel inspiratie.

4 januari 2016

We zijn het nu gelukkig allemáál eens


“Ik bewonder de moed en de gedrevenheid die Geert Hoste heeft gehad om aan de weg te timmeren”, lees ik bij Siegfried Bracke. Dat is heel mooi van Geert, dat hij zo ijverig timmert en zich daar goed bij voelt, en ik wens hem proficiat met zijn betrekkelijk nieuwe inzichten, maar vijftig jaar geleden had Tom Lehrer het in zijn album That Was The Year That Was al over dit soort engagement: “It takes a certain amount of courage to get up in a coffeehouse or a college auditorium and come out in favor of the things that everybody else in the audience is against, like peace and justice and brotherhood and so on.” (Is dat niet buitengewoon merkwaardig? Dat een ‘komiek’ vindt dat hij dat openbaar moet zeggen? verklaart Hoste over zijn eigen woorden, maar ik weet niet of hij bij dat 'komiek' met zijn wijs- en middelvingers naast zijn oren heeft staan krullen). Het grote verschil tussen Hoste en Lehrer is – het zal hier meteen zijn opgevallen – dat Lehrer grappig is: “We are the folk song army / Everyone of us cares / We all hate poverty, war, and injustice / Unlike the rest of you squares.”:






http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html