30 mei 2016

Professor doctor Nicolas Baygert analyseert


Wie nog een bijkomend bewijs nodig had voor de stelling dat de wetenschappen der politicologie en der communicatie om te beginnen geen wetenschappen zijn, en hun beoefenaars meestal ridicule dwazen zonder enig schaamtegevoel, die kwam bij Les Décodeurs (RTBf) vanmorgen aan zijn trekken.
Nicolas Baygert, professeur de communication à l’ULB-IHECS, was daar te gast bij Alain Gerlache, en liet meteen horen tot wat voor hoogten de ballon van zijn wetenschap kan opstijgen.
Gerlache had het eerst over serieuze dingen, stakingen enzovoort, maar wilde dan zijn deel van de uitzending met iets luchtigers afsluiten, zoals dat hoort in de amusementswereld, maar hij schoot meteen te kort in zijn omschrijving van Nuit debout. Als we Alain mogen geloven was Nuit debout een soort nachtelijke debatclub, zonder dat er veel gaande was. Gelukkig ging die onachtzaamheid van hem onopgemerkt voorbij want zijn gast – die door Moeder Natuur noch lichamelijk noch geestelijk rijkelijk verwend leek  kwam meteen met een lachwekkende onbeschaamdheid. Hij voelde zich verplicht, en dat hoort zo op  de RTBf, om eerst en vooral de naam Bart De Wever te laten vallen, al paste die in het geheel niet bij de twee andere voorbeelden die in zijn armzalige hersenen opkwamen:

Alain Gerlache : : Alors, plus ludique comme action, vous [vous] souvenez de «Nuit debout» hein ? Ces gens qui se réunissaient de façon nocturne pour discuter. Eh bien, le mouvement a évolué en France, et on en est maintenant à «Nu debout». On regarde cette image …voilà. [we zien de foto van een eenzame man die in zijn bloot gat op straat staat]  Heu, mais il y a un message là-dedans. On est à poil finalement.
Nicolas Baygert : Bien finalement on voit que les, l’argument, la nudité ou le corps parlent davantage finalement que les arguments qui auraient pu être construits, euh établis lors de «Nuit debout». Oui mais c’est une tradition, je veux dire, dans heu, dans, en politique, en communication politique le corps est un objet de communication: on peut mettre en scène son propre corps. On l’a connu avec le régime de Bart De Wever, on l’a connu avec heu, avec d’autres, heu d’autres dirigeants qui heu, qui ont joué sur heu, sur leur physique, justement pour heu, pour se mettre en scène. Euh, le jogging présidentiel de Sarkozy, heu la piscine et finalement le saut...
Alain Gerlache : La piscine d’Elio di Rupo…
Nicolas Baygert : …d’Elio di Rupo, qui saute dans la piscine de Mons pour montrer encore une fois la grande forme du Parti Socialiste…



Ja, en zoiets is prof aan de ULB, in de communicatiewetenschap, die net als de zusterwetenschap der politicologie – en Saint Verhaegen noch God weten waarom– met gemeenschapsgeld betaald wordt.

29 mei 2016

Die dingen zijn helemaal niet nieuw


Over ministers van cultuur gesproken die de miljoenen maar uit te delen hebben aan de Tuymansen en de Fabres: in Lucien Leuwen (1834) van Stendhal, een onafgewerkte, postuum uitgegeven roman van achthonderd bladzijden, komt er zo’n minister ter sprake, zekere de Vaize, en Lucien is zijn secretaris, kabinetchef zeggen wij nu. 
De minister stond bekend als een harde werker –un travailleur infatigable ... un lion pour le travail– maar niet als een briljant verstand. Stendhal laat ons enkele commentaren van tijdgenoten lezen. Hier wat Madame Grandet, de mooiste vrouw van Parijs over hem te vertellen had:

Mais, en vérité, M. de Vaize à la tête des Arts, cela était trop plaisant. On lui propose un tableau de Rembrandt à acheter pour le Musée, il écrit en marge du rapport : «Me dire ce que M. Rembrandt a exposé au dernier salon.» 
(Gallimard, Folio Classique, 2002, p.718)

Stendhal heeft zijn roman nooit afgewerkt, misschien uit voorzichtigheid, want het was een brandend politiek pamflet met vele, al te herkenbare figuren. Zo ging achter zijn de Vaize minstens deels le comte d'Argout schuil, die toen op Binnenlandse Zaken zat –Kunsten viel daar blijkbaar onder en die als secretaris Prosper Mérimée had. Mérimée was een goede vriend van Stendhal, en zo was hij net iets te goed op de hoogte van wat er allemaal omging in dat ministerie, en besloot hij wijselijk om zijn roman onafgewerkt te laten.

Ja, zonder voetnoten weet een moderne lezer dat allemaal niet.


24 mei 2016

De Grauwe werkelijkheid


Paul De Grauwe is columnist bij De Morgen. Het begin van zijn column vandaag was ontroerend, om de tranen in de ogen te krijgen, en wij hebben dus doorgelezen. 
Ter vertroosting van de gehaaste lezer nochtans knipten wij vervolgens 198 millimeter weg uit zijn schriftstuk, met pijn in het hart, maar dan trof ons oog plots de mooie wending: 
“Die visie staat haaks op de werkelijkheid van de dynamiek van het kapitalisme.”
Akkoord, er zullen altijd mensen bestaan die deze gedachte eenvoudiger weten te formuleren, maar toch mag ze er zijn. Nee, je hoort vaak anders, en in Engeland, Frankrijk, Nederland of Duitsland zou dit inderdaad niet passeren, maar ook wij Vlamingen hebben rasschrijvers in huis.

23 mei 2016

Zoiets willen ze in Laken, en bijgevolg ook in de krant


Heel die Daan is een leugenachtig ventje, met bovendien te weinig verstand om geloofwaardig te liegen. Toen het eerste vliegtuig insloeg (en gesteld dat hij daarvan meteen al weet had...) kon niemand zomaar tot terrorisme besluiten. En bij die tweede inslag was Daan zijn bak bier gaan halen, dus daarvan hoorde hij vermoedelijk pas toen hij weer thuiskwam. Sukkeltje toch!  Anderzijds: als je zo weinig verstand hebt meegekregen is het normaal dat je ooit in Laken terechtkomt.


Pech is dat: net iéts te dom zijn om geloofwaardig te liegen.

22 mei 2016

Elk op zijn beurt: na De Morgen nu De Standaard


Aljechin was wereldkampioen schaken nadat hij in 1927 de onverslaanbare Capablanca had verslagen. Hij gunde Capa geen revanchematch, en om de titel speelde hij enkel nog tegen spelers waarvan hij dacht makkelijk te zullen winnen. Zo bijvoorbeeld tegen de nochtans gevaarlijke Bogoljubov, en nu vroeg men aan Capablanca of die een kans maakte tegen Aljechin. Nee, zei hij. Waarom bent u daar zo zeker van? vroeg de journalist. “Not strong enough”, zei Capablanca.

Dat is meen ik een afdoende analyse, en ik moest eraan denken toen ik de hoofdredacteur van De Standaard, Karel Verhoeven bij De Vadder een partijtje zag spelen tegen De Wever, waarin die arme Karel werd afgeslacht.
Vandaag pas zag ik dat, want gewoon tv kijken – lineair kijken moet je tegenwoordig zeggen – doe ik al lang niet meer. Je verliest geen tijd met begin- en aftitelingen, gemonteerde fragmentjes, muziekjes en dode momenten in gesprekken, als je een dag of twee later op je pc naar een fragment of twee kijkt.

In het korte stukje hieronder leren we dat Verhoeven graag het woord “discours” gebruikt, al heeft hij zelf geen discours die naam waardig – not strong enough – en dat hij vindt dat consequent over iets doordenken onwenselijk is. En van De Wever vernemen we dat hij geen analyse van dé islam wil maken. Je vraagt je af waarom dat weer niet zou mogen, maar zulke vragen komen in een deftig programma niet aan bod.



De Vadder: Dat is de samenvatting van die peiling…
Verhoeven: Die vraag kun je inderdaad stellen, over euh, de verflinking op vlak van islam en op vlak van euh, migratie en asiel die de N-VA ge…gedaan heeft, hé?
De Vadder: Verflinking van wie?
Verhoeven: Van het discours, ook mijnheer De Wever is…
De Vadder: Ook N-VA, de partij?
Verhoeven: De partij is, is flink gegaan op heu, op heu migratie, kritisch op heu, islam…
De Wever: Kunt u daar eens een voorbeeld van geven, van waar ik kritisch ben over dé islam? Ik ken er namelijk geen.
Verhoeven: Wel u bent …euh als we de standpunten uiteenzetten van, van euh wat mevrouw Homans zegt, wat de staatssecretaris voor asiel en migratie… hoe…
De Wever: Over dé islam?
Verhoeven: Nee.
De Wever: Ik hoor het graag.
Verhoeven: Het gaat over een heu, het gaat over een hele euh, een, een, een heel sfeer die geschapen wordt, een discours, de manier waarop tegen politieke correctheid wordt ingebeukt. We moeten dingen kunnen, kunnen open vertellen.
De Wever: Dat is iets anders.
Verhoeven: Er moet een, ja van…
De Wever: Dat is iets anders.
Verhoeven: Het is heu …u… de manier bijvoorbeeld waarover u de Conventie van Genève, waarop u dan inbeukt, waarop u daar voorop liep hé? Euh…
De Wever: Waar zelfs Mark Elchardus zegt: hij heeft gelijk! En zelfs Luc Huyse zegt: hij heeft gelijk! Dat is niet direct Filip Dewinter dacht ik.
Verhoeven: Nee, nee, absoluut der is op dat vlak een wel een nieuwe lijn van heu, van gesprek en van discours geopend. En je kunt daar twee dingen over denken. Ofwel denk je: de schade is beperkt, ofwel denk je ja, maar dan, als we toch verder mogen denken, dan gaan we naar het radicalere, naar partijen die radicaal erover praten, die radicaler de, de conclusies ook trekt.

21 mei 2016

Schaamteloze praatjes van een journalist


Bart Eeckhout van De Morgen komt met een triestige, hypocriete en op de koop toe nog doorzichtige en domme redenering. Hij kan niet anders meer dan impliciet erkennen dat het cordon médiatique een zware en antidemocratische methode is geweest, maar nu probeert hij zijn gezicht te redden en fluit hij een nieuw deuntje:

“Filip Dewinter mag graag claimen dat dankzij hem en zijn partij het falend integratiebeleid eindelijk bespreekbaar is geraakt. Het tegendeel is waar. Het is juist het harde antimigrantendiscours van extreemrechts dat een nuchtere, kritische blik op tekortkomingen in het beleid langdurig taboe heeft gemaakt. Je was ofwel voor ofwel tegen. Op de tussenweg van de nuance was enkel stilte. Zo is veel tijd verloren gegaan.”

Hoe één partij, met wat voor standpunt ook, andere partijen en tegelijk alle journalisten jarenlang kan beletten om hun verstand (of minstens hun tong) te gebruiken ...dat vertelt onze brave Eeckhout niet.
Proberen min of meer slim te kijken op een foto is goed, maar het helpt niet als je vervolgens niets uit je doffe geest weet te putten dat ook voor een normaal begaafde lezer acceptabel is.


19 mei 2016

Ian Buruma over Brussel, over België en over de EU


Wim de Bie en Kees van Kooten  de Clichémannetjes destijds; later hebben ze het Simplisties Verbond opgericht – hadden vaak opmerkingen die een mens lang bijblijven. Zo zegden ze eens, maar ik moet uit mijn hoofd citeren: “De gemiddelde lezer van Vrij Nederland staat met zijn lectuur gemiddeld drie nummers achter.” Dat was de volle waarheid. Er stond veel in dat blad.
Nu heb ik al jaren hetzelfde met The New York Review of Books. Vandaag pas las ik in Volume LXIII, number 6, April 7, 2016 een artikel van Ian Buruma, terwijl de nummers zeven en acht hier naast mij liggen.

Buruma heeft het over Brussel en over de Europese Unie: In the Capital of Europe.
Die Review is een geweldig blad met ongeveer evenveel lezers in Europa als in de VS en iemand zei eens: alles wat erin staat moet je weten, en wat er niet in staat hoef je niet te weten. Maar Buruma is niet hun beste auteur, en wat hij hier vertelt kun je evengoed en misschien beter overslaan.

Brussel is hoofdzakelijk Franssprekend weet hij, en minstens voorlopig is dat nog waar ook, maar van een linguïst – Buruma is japanoloog – die schrijft voor een Engelstalig publiek verwacht je dan een kleine toelichting over de taalkundige geschiedenis van de hoofdstad van de Nederlanden.
Verder heeft Buruma het over de zaken die alle Belgen volgens hem gemeen hebben: een koningshuis en een voetbalploeg. Banaliteiten waar deze man belang aan hecht. Want in tegenstelling met Jules Destrée in 1912, denkt Buruma dat echte Belgen echt bestaan: “Common enemies can help to forge political cohesion: that is how Belgians became Belgians, after all—their common opposition to Dutch rule.” [Gemeenschappelijke vijanden kunnen een politieke samenhang helpen smeden: zo zijn de Belgen tenslotte Belg geworden – door hun gezamenlijke tegenstand tegen het Nederlands gezag.] Misschien weet Buruma zelf niet beter, maar over de orangisten in Gent, Antwerpen, Brussel of Luik zullen zijn lezers in elk geval niet veel vernemen.

More and more well-educated Flemish cannot or will not speak French. Nationalists in the N–VA openly support the ideal of Flemish independence”, weet Buruma nog. [Steeds meer goed opgeleide Vlamingen kunnen of willen geen Frans spreken. Nationalisten in de N-VA steunen openlijk het ideaal van Vlaamse onafhankelijkheid] Over de taalkennis van de Franstaligen heeft hij het niet. De onwil komt blijkbaar maar uit één richting en wat hem betreft geldt kennelijk nog onverkort ‘la Belgique sera latine ou ne sera pas’.

We zegden al dat Buruma niet al te veel weet van Brussel, en we zullen hem ook niet lastigvallen met weetjes over de toepassing van de taalwetten in die stad. Maar over de talenkennis in België als geheel weet hij blijkbaar nog minder. Nog even Destrée in 1912: «Le premier fait qu'on peut déplorer, mais qu'on doit constater, c'est la répugnance marquée que le Wallon a pour l'étude de la langue flamande.» [Het eerste feit, en men kan het betreuren maar moet het toch vaststellen, is de uitgesproken weerzin die een Waal voelt tegen de studie van de Vlaamse taal.] Onze auteur moet dringend eens statistieken onder ogen nemen over de kennis van het Frans in Vlaanderen vandaag (kennis die gaandeweg inderdaad wijkt voor het Engels), en over de kennis van vreemde talen bij de francofone Belgen, Nederlands, Engels of wat voor taal ook. Zijn opmerking over de “nationalisten in de N-VA” is te zot om dood te doen. Hij moet de statuten van die partij eens lezen (te zijner verontschuldiging: daarin verschilt hij niet van de meeste partijbonzen zelf).

Maar al zijn Buruma’s banaliteit en vooringenomenheid nog zo storend voor mensen die het onderwerp kennen: voor zijn Engelstalig publiek had hij toch iets klaarliggen dat ook hier in Belgenland opzien zal baren.

Over de Europese Unie en haar voorlopers meldt Ian Buruma namelijk het volgende: “…most of the leading figures in the unification of Europe—Konrad Adenauer, Schuman, Alcide De Gaspari, Paul-Henri Spaak—were Roman Catholics. The French intellectual Julien Benda was not.” [De meeste leidende figuren van de unificatie van Europa – Konrad Adenauer, Schuman, Alcide De Gaspari, Paul-Henri Spaak – waren rooms-katholieken. De Franse intellectueel Julien Benda was dat niet.]

Julien Benda, geen politicus maar een politiek filosoof (La Trahison des Clercs, 1927), is er voor het contrast bijgehaald, maar dat Spaak katholiek was …wie behalve Buruma was daarvan op de hoogte? Voor de zekerheid moeten we dit eens navragen bij zijn dochter Antoinette.

17 mei 2016

Economie en stijlontleding


Paul De Grauwe is een gepensioneerde economist die in zijn leven al meer dan één stelling heeft verdedigd. Binnen zijn discipline mag dit overigens niet als een verwijt klinken, ook al zou het om tegenstrijdige stellingen gaan. Evenmin echter kan het als een bewijs van groeiend inzicht gelden als iemand het geweer van schouder verandert – eigenlijk doet het er niet zo toe welke ‘theorie’ een economist aanhangt, het gaat bij hen zo goed als altijd om politieke voorkeuren of tijdelijke aanhankelijkheden en vriendschappen.

En deze man heeft ook een column in De Morgen. Ja, maar daar heeft ook Camps een column zult u zeggen, dat stelt weinig voor. Akkoord, maar bij De Grauwe spreekt de stem van de wetenschap. Vandaag bijvoorbeeld laat hij ons vanuit Londen zijn scientifieke wijsheden horen over de Brexit.
Met de inhoud van zijn stukje zal ik u niet vervelen, lezer, maar het bevatte wel een zin die mij verdacht voorkwam:

‘De populaire media doen gretig mee aan deze massale desinformatie. Ik heb nog maar weinig referenda meegemaakt waar op zo’n grootscheepse wijze door voor- en tegenstanders informatie wordt gemanipuleerd om angst in te boezemen bij burgers die van plan zijn ‘verkeerd’ te stemmen.

Dat rood is niet van mij, het staat zo gedrukt in De Morgen. Wat ik me afvroeg toen ik dit las: hoeveel referenda mogen dat wel zijn, die de professor al heeft meegemaakt en waar blijkbaar ook desinformatie mee gemoeid was? Voor de Koningskwestie is hij te jong. Misschien denkt hij aan de referenda in Frankrijk en Nederland over de ‘EU-grondwet’? Of aan het referendum in Schotland, of dat over Oekraïne? Misschien volgt Paul getrouw alle referenda in Zwitserland – waar dan weer weinig over desinformatie geklaagd wordt?

Het moet in elk geval over een aanzienlijk aantal referenda gaan, en bij sommige was er veel desinformatie in het spel, bij andere minder of misschien zelfs geen.
Ik denk dat Paul hier een beetje bluft – het kan ook een stilistische zwakte zijn, een gebrek aan taalgevoel – maar na zo’n zinnetje heb ik het altijd lastig om een auteur ernstig te nemen bij wat hij verder nog allemaal beweert.

11 mei 2016

Literatuur is nutteloos


En dat is juist haar onschatbare verdienste, zegt Simon Leys. Ik volg hem daarin.
Maar laatst kocht ik een dominospel op een oude markt in Barcelona. Ivoor en ebbenhout met koperen klinknageltjes aaneengezet, en meer dan honderd jaar oud. En ik speel wel niet met dominostenen – mijn voorkeur gaat naar schaakstukken, backgammonschijven en speelkaarten – maar ik vond het onweerstaanbaar mooi. Waarschijnlijk ook omdat die stenen nu niet meer van ivoor gemaakt mogen worden vond ik dat ...en dat is vandaag een grote zonde.

Gelukkig nu, las ik net bij Balzac de omschrijving van een werkelijk doorslechte mens: “…un usurier connu, nommé Gobseck, un fier drôle, capable de faire des dominos avec les os de son père.”

Zo is elk probleem van de baan: ook met ivoren stenen in mijn bezit kan niemand mij een Gobseck noemen. Literatuur is toch nog nuttig.

9 mei 2016

Een interpretatie van Nuit debout


Deze analyse van Finkielkraut vond ik verrassend:

Alain Finkielkraut: Meteen een eerste vaststelling. Het is niet de gevestigde macht in Frankrijk, maar de rebellie die ons doet leven in het land van de verbijsterende leugen.* Maar er is meer. In de verbetenheid tegen de politie zit iets dat nog niet eerder werd vertoond: er is die uitgesproken, vurige wil om voorgoed een eind te maken aan het schandaal van de elfde januari.** Die dag is de natie, niet enkel het volk maar de natie op straat gekomen en hebben de Fransen hun vaderlands gevoel teruggevonden, en horresco referens hebben ze verbroederd met de CRS.***
Élisabeth Lévy: En de Marseillaise gezongen.
Alain Finkielkraut: Het is die smet die de stenengooiers en de deelnemers aan Nuit debout willen uitwissen. Voor hen zijn het niet de aanslagen van zeven, acht en negen januari die ondraaglijk zijn: het is de gigantische manifestatie die erop volgde. Ze staan daar om de Place de la République te zuiveren van die geest van elf januari, en om van de klassenstrijd de enige motor van de geschiedenis te maken. Dat is wat deze beweging verfoeilijk maakt, al zou men op het eerste gezicht nog geneigd zijn om haar als aandoenlijk dom te beschouwen.
_________
* “Dix ans au pays du mensonge déconcertant” (eerst verschenen bij Gallimard in 1938 als “Au pays du grand mensonge”) is het boek waarin Ante Ciliga (1898-1992), een der stichters van de Communistische Partij van Joegoslavië en tegenstander van Stalin, zijn ervaringen in de gevangenkampen in de USSR beschreef.
** De dag van de grote herdenking na de aanslagen op Charlie Hebdo en de Hyper Cacher bij de Porte de Vincennes.
*** Compagnies Républicaines de Sécurité, de oproerpolitie.


Alain Finkielkraut: D’abord, premier constat: ce n’est pas le pouvoir en France, c’est la rébellion qui nous fait vivre au pays du mensonge déconcertant. Mais il y a autre chose. Il y a quelque chose d’inédit dans l’acharnement contre la police: il y a la volonté explicite, éperdue, d’en finir avec le scandale du onze janvier. Ce jour-là la nation, pas seulement le peuple, la nation est descendue dans la rue et les Français ont redécouvert le sentiment patriotique, et horresco referens ils ont fraternisé avec les CRS.
Élisabeth Lévy: Et chanté la Marseillaise.
Alain Finkielkraut: C’est cette tache que veulent laver les jeteurs de pierres, et les participants de Nuit debout. Pour eux, l’insupportable, ce ne sont pas les attentats du sept, du huit et du neuf janvier: c’est la gigantesque manifestation qui a suivi. Ils sont là pour purifier la place de la République de l’esprit du onze janvier, et pour faire de la lutte de classe le seul moteur de l’histoire. C’est ce qui rend odieux ce mouvement, que l’on est tenté à première vue de juger sympathiquement bête.
Élisabeth Lévy: Non mais pardonnez-moi, mais quand vous dites que ça…

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html