23 juni 2016

Vandaag op Boulevard Voltaire


Ik vertaal een klein stukje uit een gesprek dat de journalist Nicolas Gauthier voor Boulevard Voltaire had met Alain de Benoist. Gelukkig voor ons heeft de Benoist het over toestanden die enkel in Frankrijk voorkomen. 

Het publiek wordt zich meer en meer bewust van de desinformatie. Maar het interpreteert die slecht. Op een paar professionele desinformanten na, die meestal tegen betaling nieuws verspreiden waarvan ze weten dat het vals is, is de grote meerderheid van de journalisten volkomen eerlijk. Die meerderheid meent wat ze zegt, want ze zit gevangen in wat ze zelf verspreidt. Journalisten zijn ervan overtuigd dat ze aan de kant van de waarheid staan, want zijzelf zijn slachtoffers van de overredingsstrategie die ze overnemen.
Enkel de meest oubollige rechterzijde gelooft nog dat journalisten gauchisten, communisten of vreselijke trotskisten zijn. De overgrote meerderheid van hen hangen de liberaal-libertaire Vulgaat aan, en dat is een mengsel van mensenrechtenideologie, op maat gemaakt antiracisme, simplistische progressiviteit, eerbied voor de markt en politieke correctheid. Alle mantra’s ervan nemen zij over, en unaniem veroordelen zij populisme, protectionisme, identiteit, soevereiniteit, overtuigd als ze allemaal zijn dat mensen overal gelijk zijn en dat hun toekomst erin bestaat zich te bekeren tot de grote wereldmarkt. Resultaat: terwijl in de meeste landen journalisten de eerste slachtoffers van de censuur zijn, zijn zij in Frankrijk de werktuigen ervan.

21 juni 2016

Een halve bekering


Joël De Ceulaer en Filip Dewinter hadden daarnet een debat op VTM, onder leiding van Jan De Meulemeester, en daaruit dit fragmentje:



Joël De Ceulaer: En wat nu gebeurt in de rest van Europa en in de Verenigde Staten, met Trump enzovoort, als je daarover leest nu, dan spreekt men inderdaad over Frankrijk en over Wilders en over Oostenrijk enzoverder, maar, ere wie ere toekomt – enfin, hoe akelig dat ook klinkt want ik vond dat bijzonder ongunstig natuurlijk, dat mag wel duidelijk zijn – maar Vlaams Blok was eerst hé, Vlaams Blok was vóór Pim Fortuyn en vóór Geert Wilders, en vóór Oostenrijk en FN…
Filip Dewinter: Dat is juist.
Joël De Ceulaer: …in Frankrijk. Dat is zo. Dus in feite, wat nu gebeurt in Europa, dat hebben wij in Vlaanderen al eens meegemaakt, en de partij zal opnieuw stijgen, dat maakt me niet bang. Waarom niet? Omdat ze vastzit in het cordon sanitaire, daarin zal blijven vastzitten, en de instellingen en de democratie robuust genoeg is gebleken om zo’n partij uit te zweten.

Opmerkelijk dat Joël De Ceulaer in de eerste minuten van het gesprek het cordon médiatique, waar hij en alle journalisten jarenlang bij hebben gezworen, resoluut afwees als zijnde contraproductief, schadelijk dus. Maar op het cordon sanitaire blijft hij rotsvast vertrouwen. Misschien gelooft hij het zelf wel – of toch half en half – van die robuuste instellingen en die stevige democratie, maar wat moeten we van dat "uitzweten" maken? In welke zin hebben zijn robuuste structuren een partij uitgezweet waarvan hijzelf zegt dat ze flink zal groeien, en de "invloedrijkste politicus van de voorbije dertig jaar" heeft voortgebracht?

20 juni 2016

Post hoc non est propter hoc


Onderstaande tekst is de vertaling van een artikel dat ik gepikt heb op de site van RTL. En ik weet het, verreweg de meeste Vlamingen hebben zo'n vertaling niet nodig, maar ik doe het toch maar.
Merkwaardig is de laatste zin, waar men een oorzakelijk verband suggereert zonder enig bewijs. Dat van die weerzin voor het Nederlands wisten we tenslotte al honderd jaar en meer.

Voor het RTL-magazine « C’est pas tous les jours dimanche » is Christophe Deborsu de straat opgetrokken in Charleroi, om aan jongeren* daar te vragen hoe ze over het Nederlands dachten. Hun antwoorden laten weinig twijfel bestaan.
Minder en minder Waalse leerlingen kiezen voor het Nederlands als eerste vreemde taal, terwijl in het secundair onderwijs in Vlaanderen Frans als eerste vreemde taal voor hen een verplichting is. Is het Nederlands op weg om in het zuiden van het land langzamerhand een dode taal te worden? In 2009-2010 kozen 49 procent van de jonge Walen nog voor het Nederlands. Maar sinds de opkomst van de N-VA maakt de taal van Bart De Wever een tuimeling, en opteren er nog maar 39 procent voor.
Voor de uitzending « C’est pas tous les jours dimanche » ging Christophe Deborsu jonge Karolingers opzoeken, en probeerde hun keuze te begrijpen.
“Het is niet mooi, het interesseert me niet”, “Het is minder hartelijk dan het Frans”, “Ik heb altijd gezegd dat het een barbarentaal was”, waren de antwoorden die enkelen hem gaven.
Anderen integendeel gaven er zich rekenschap van dat het onlogisch was dat de Vlamingen Frans konden spreken, terwijl zijzelf niet in staat zijn om Nederlands te spreken.
“Zij kunnen Frans spreken, en wij kunnen niet eens de moeite opbrengen om in hun taal een zin te vormen”, was de reactie van een jonge vrouw, die nog stelde dat de keuze voor het Nederlands een verplichting zou moeten zijn in de Waalse scholen.
In de loop van het programma onthulde Christophe Deborsu exclusieve cijfers, die aantonen dat de Walen minder Nederlands leren sinds de opkomst van de N-VA in 2010.
____________

* ik gebruik dit woord hier nog in een oude betekenis.
____________

Misschien is het te dom om er aandacht aan te besteden, maar naar mijn smaak het mooiste straatinterviewtje van Deborsu leverde dit op:
C’est une langue germanique, du coup c’est, c’est, c’est d’origine barbare. Du coup c’est normal que ce soit ...qu’on dise que ce soit une langue pareille.
Het is een Germaanse taal, zodoende is het, is het, is het van oorsprong barbaars. Zodoende is het normaal dat het zo’n taal ...dat men zegt dat het zo’n taal is.



Walen verkiezen – áls ze al een vreemde taal leren – het Engels boven het Nederlands hoorden we nog. Wellicht is volgens de jonge dwaas hierboven (al kan hij toch de subjonctif correct hanteren) Engels geen Germaanse taal.
Overigens was Frans eerst ook een barbarentaal, waar Latijnen op neerkeken. Frans is namelijk de Romaanse taal waar het vaakst Germaanse, dus barbaarse stammen in voorkomen. Maar dat weten francofonen gelukkig niet.
Wat zijn ze vaak toch bekrompen en repliés sur eux-mêmes...

19 juni 2016

Een Franse wijsneus over het Mysterie van de Drievuldigheid


Yann Moix, schrijver en cineast, en destijds een ontdekking van BHL, die geregeld op radio en tv komt en dan gewoonlijk iets over Levinas zegt – of dat nu te pas komt of niet – zei gisteren niets over Levinas, maar wist ter vervanging toch een vraag te stellen die in haar pedanterie lachwekkend was. De man die hij ondervroeg was een van de (voorlopig) dertien of veertien kandidaat-kandidaten voor het Franse presidentschap die zichzelf bij centrumrechts al in stelling hebben gebracht. En die man had het bestaan om niet te houden van le mariage pour tous, en om vragen te stellen bij draagmoederschap en dergelijke. De altijd wat huilerige en anderzijds pretentieuze Yann Moix vond daarom dat hij zijn slachtoffer een lesje theologie moest geven... er kwam applaus van het zoals altijd zorgvuldig gescreende studiopubliek.




Henri Guaino: J’ai pas de …je ne mène pas un combat contre des homosexuels. Ça, jamais de ma vie je n’ai eu cette intention. Euh, je ne mène pas un combat pour la morale ‘pure’, je distingue ça de mes combats politiques et personnels, de mes convictions religieuses. Voilà, simplement, je pense que ça nous entraîne vers quelque chose dont je ne veux pas. C’est comme les gens qui m’expliquent que les progrès de la génétique c’est formidable, ce qui est vrai, mais qui ne veulent absolument mettre aucune barrière et aucune règle aux folies qu’on peut commettre avec l’eugénisme génétique. Bien, c’est vrai que c’est formidable, mais en même temps ça me pose des problèmes, et je pense qu’il faut les gérer.
Léa Salamé: C’est un sujet qui vous met mal à l’aise?
Henri Guaino:  Quoi?
Léa Salamé: Cette idée du mariage d’homosexuels, cette homosexualité et tout ça.
Henri Guaino: Ce n’est pas cela qui me met mal à l’aise. C’est la filiation. C’est que le mariage, depuis toujours c’est une institution sociale qui a un but – anthropologiquement en tout cas – un but: c’est de mettre de l’ordre dans la filiation. Et il n y a pas de sociétés qui puissent se passer d’un minimum de...
Yann Moix: Ou juste de faire en sorte que…
Léa Salamé: Non, mais ce n’est pas que ça…
Yann Moix: De faire en sorte qu’un héritage reste au sein d’une famille.
Henri Guaino: Comment?
Yann Moix: Non, mais les raisons historiques du mariage ne sont pas toujours excellentes. C’est aussi pour faire en sorte qu’un héritage reste à l’intérieur d’une même famille.
Henri Guaino: Oui, mais si l’institution a perduré aussi longtemps dans toutes les sociétés, depuis qu’il y a des sociétés […] depuis qu’il y a des sociétés qu’on appellerait aujourd’hui civilisées, dans l’idée que nous nous faisons de ce qui est un civilisation civilisée, organisée, le mariage existe. Et il existe quelques soient les religions, et quelques soient les cultures. Parce qu’il a une raison d’être fondamentale, c’est de mettre de l’ordre dans la filiation, parce que la société ne peut pas s’en passer. Après, il y a d’autres raisons qui s’y rajoutent. […] Euh, moi je trouve dramatique qu’on ait pas fait le contrat d’union civile, indépendamment du problème de…
Yann Moix: Ah, mais ça je vous l’accorde!
Henri Guaino: …parce que ça permettait de ne pas mélanger le mariage qui, encore une fois est une institution qui a un rapport direct avec la filiation, avec le problème de l’amour homosexuel, de la, de l’envie d’ailleurs de montrer cet amour, d’avoir des droits de…
Yann Moix: Vous êtes catholique, monsieur Guaino? Vous êtes catholique?
Henri Guaino: Oui je suis catholique, mais...
Yann Moix: C’est étrange quand même parce que le catholicisme repose intégralement sur le fait qu’un fils n’est pas le fils de son père.
Henri Guaino: Hahaha…
Yann Moix: C’est pas le fils biologique de son père. Et si on aurait été choqué de…
Henri Guaino: C’est parce que vous n’avez jamais essayé de comprendre le père [¿?] du Mystère de la Trinité.
Yann Moix: Si, justement. C’est justement l’abolition de la biologie. Et le Saint Esprit était précisément inventé pour qu’on ne se pose pas la question de la filiation, de la manière dont vous vous la posez.
Henri Guaino: Mais c’était le fils de Dieu…


[Applaudissements – on se demande pour qui]


12 juni 2016

Over een echte schrijver gesproken


Een groot schrijver weet altijd, met gelijk welk onderwerp zijn lezer vast te houden en te amuseren, ook na een paar eeuwen. Stendhal beschrijft in zijn dagboek, op de zeventiende nivôse van het jaar XIII (7 januari 1805) de pijnigingen die hij die dag heeft moeten ondergaan:

Il est singulier que, malgré l’affreux abandon où me laisse mon bâtard de père, je sois encore content. Je renvoie depuis plusieurs jours de faire le tableau ma misère. Ce tableau avec celui du contentement dont je jouis, serait cependant curieux.
M. Thorenc-Tardivy vient me voir à sept heures pour me demander vingt-cinq livres que je lui dois et que je ne puis lui payer, n’ayant que trois livres que Crozet m’a prêtées.
[Het is merkwaardig dat, in weerwil van de affreuze verwaarlozing waarin die bastaard van een vader me laat zitten, ik toch nog opgewekt ben.* Al meerdere dagen schuif ik de schildering mijn miserie voor me uit. In combinatie met de opgewektheid die ik nu geniet, zou die schildering nochtans een zonderlinge indruk maken.
Om zeven uur komt M. Thorenc-Tardivy me opzoeken, om me de vijfentwintig pond te vragen die ik hem schuldig ben en die ik hem niet kan betalen, aangezien ik enkel drie pond bezit die Crozet me heeft geleend.]

Later op de avond gaat hij op bezoek bij Pierre en Mme Daru, en treft er Mme Rebuffel en ook haar dochter Adèle, waar hij verliefd op is, zonder succes .** De dames onderhouden hem over het grote bal van de dag daarvoor, waar hijzelf begrijpelijkerwijs niet bij was:

Grands détails sur le bal des Maréchaux hier; il coûte, je crois, cent quatre-vingt mille francs; le plus beau qui ait été donné depuis très longtemps; quatre mille bougies, renouvelées à deux heures, douze cent femmes, trois mille personnes en tout […].
[Uitvoerige details over het Maarschalksbal gisteren; dat heeft meen ik honderd tachtigduizend frank gekost; het mooiste dat er sinds zeer lang is gegeven; vierduizend kaarsen, die om de twee uur werden ververst, twaalfhonderd vrouwen, drieduizend man in totaal]

Die precisie van Stendhal, eerst over dat geld, en dan bij de telling van het aantal kaarsen en vrouwen, welke lezer blijft daar ongevoelig voor?

___________
* Die vader betaalde geregeld wel een bepaalde som, maar die was ontoereikend.
** Het jaar daarvoor had Beyle genoteerd: Je fous Mme R. depuis le commencement de fructidor. We zullen dat hier onvertaald laten, maar even denken aan de beginregels van een gedicht van Heine:
In welche soll ich mich verlieben,
Da beide liebenswürdig sind?
Ein schönes Weib ist noch die Mutter,
Die Tochter ist ein schönes Kind. […]
Of Heine Stendhal gekend heeft weet ik niet. Brieven zijn er niet. Maar het moet bijna wel, want ze leefden allebei in Parijs (Stendhal intermitterend, Heine van 1830 tot zijn dood in ‘56), gingen vaak naar de opera, en Duitse filosofen interesseerden hen allebei (in een brief aan Crozet noemde Stendhal Schlegel bijvoorbeeld een armzalige, droefgeestige pedant, die vastgekleefd zat aan onbegrijpelijke, mystieke dwaasheden. Heine, evenmin met groot enthousiasme, dacht daar toch verschillend over).

Wat betekent het woord "modern"?


Dat woord hebben wij uit het Frans zegt van Dale, en in 1618 werd het voor het eerst bij ons aangetroffen. In het Frans kwam «moderne» al veel vroeger voor, zelfs voor 1455, en het betekende toen zoals nu: «qui est du temps présent, actuel» (CHASTELLAIN, Dict. de Vérités des Œuvres, éd. Kervyn de Lettenhove, t.6, p.223. Dat leert ons de Atilf die je op het web kunt raadplegen). Maar «modernité» is jonger. Dan zitten we al halfweg in de Franse negentiende eeuw, en wij hebben daar naderhand "moderniteit" van gemaakt. Blijkt nu, leren we van Rémi Brague, dat die substantivering een soort verstening heeft meegebracht: de cursor van de beschaving is blijven staan, en al wat daarvoor kwam mogen we rustig vergeten.
Zulke dingen leer je op France Culture, bij Finkielkraut, in zijn programma «Répliques». Misschien moeten onze ministers, die geen van allen het Latijn en Grieks willen afschaffen in de humaniora – als die benaming hen nog iets zegt, én als we hen mogen geloven – eens naar Brague luisteren, of hem godbetert lezen.




Alain Finkielkraut: Chaque société, écrit Octavio Paz dans «Point de Convergence», repose sur un Nom, véritable pierre de fondation. Autrefois ce nom était celui d’un dieu, d’une croyance ou d’un destin: Islam, Christianisme, Empire du Milieu. Mais aucune société ni époque, hors la nôtre, ne s’est elle-même qualifiée de ‘moderne’. Qu’est-ce à dire? Et quelle place y-a-t-il pour la religion chrétienne dans une Europe qui ne se définit plus comme Chrétienté, mais qui la première a donné comme idéal le temps et ses changements? Telles sont les questions que je poserai aujourd’hui à Rémi Brague et à Philippe d’Iribarne. Mais je voudrais d’abord demander à mes deux invités, de nous éclairer sur ce mot étrange – qui nous spécifie, sans rien dire de substantiel – en quoi sommes-nous modernes, quel est le sens, le programme ou le projet de ce qu’on appelle la Modernité, Philippe d’Iribarne?

Bien, la modernité c’est au départ un projet d’émancipation par rapport au préjugés, aux idées reçues, aux idées toutes faites, imposées par un pouvoir disons de quelque nature qu’il soit, qu’il soit politique, religieux etcetera. Penser par soi-même, Kant, Descartes etcetera. Et puis, c’est devenu progressivement une émancipation, disons de plus en plus radicale. Et en particulier, pour rejoindre ce que disait Octavio Paz, l’émancipation à toute origine particulière, et l’idée de construire une sorte de société hors sol, qui ne devrait plus rien à une histoire, à une culture, à une religion, disons quelle qu’elle soit. Qui soit en quelque sorte autofondée. Et c’est en cela qu’on a vraiment une rupture radicale par rapport à toutes ces sociétés qui considéraient qu’elles devaient avoir un fondement. Que ce soit un fondement ou un fondement mythique d’une manière ou d’une autre.

Alain Finkielkraut: Rémi Brague?

Le mot «moderne» est lui-même riche d’enseignement, puisqu’il désigne à l’origine ce qui est récent, ce qui vient de se passer. En Latin ça se dit «modo», dont on a fait donc un adjectif «modernus», dont notre adjectif français et dans beaucoup de langues européennes est sorti. Ce qu’il y a d’extraordinaire justement, dans ce qui s’est appelé soi-même les Temps Modernes, c’est que ce curseur qui ne cesse de se déplacer – et qui fait que aujourd’hui nous sommes plus modernes que hier, mais nous sommes beaucoup moins modernes que demain, et il en sera éternellement ainsi – ce curseur a été paradoxalement arrêté. En ce sens qu’à un certain moment, il n’y a pas un partage des eaux bien précise, cela s’est cristallisé peu à peu, à un certain moment on s’est mis à dire : eh bien à partir de dorénavant et de désormais – pour citer une vieille blague – nous serons modernes, et nous ne serons plus que cela. Nous serons de plus en plus modernes, nous ne serons plus jamais le passé d’un futur, mais nous serons toujours le futur d’un passé. Passé pour lequel on a inventé diverses poubelles, si je puis dire, la principale étant la période qui est sensée avoir précédé justement les Temps Modernes, à savoir le Moyen Âge. Le Moyen Âge c’est donc une époque prémoderne, éventuellement antimoderne, par rapport à laquelle, et bien la modernité ne cessera de se détacher victorieusement.

9 juni 2016

Hoe we een gelukkig zwijntje kweken


De landman zal zijn zwijntje kopen als het de leeftijd heeft om alles te eten dat een oud varken ook eet.
Het zal wroeten aan de rand van het bos of de meent, en koolbladeren eten – tot de wortel toe bijna. Koolraapscheuten en het sap van de mangelwortel zullen hem wel bekomen.
Maar er moet meer zijn. Geef aan uw magere barg vijftien maten mout, en hij zal u twintigvoudig vergoeden in bacon. Mocht u het wagen hem te voeren met theerestjes, dan gaat hij na zeven dagen dood van de honger en schenkt u de nalatenschap van zijn skelet.
Maak hem gelukkig en vet – als hij in één ruk tweehonderd yard kan stappen is hij niet goed gemest. Hij zal u repen bacon opleveren die evenveel waard zijn als vijftig Methodistenpredikingen, want enkel het zicht ervan weerhoudt een mens van stropen en stelen, maakt het gemoed week en bevordert de huiselijke verstandhouding.
Het varken is een grote zegen.

William Cobbett (1763-1835)

7 juni 2016

Stendhal over Nederland als gidsland


Velen zullen geneigd zijn om de praatjes rond transgenderisme die je de laatste jaren overal hoort en leest – met die speciale toiletten enzovoort – af te doen als nieuwerwetse journalistieke sensatiezucht. Dat is verkeerd.

Op 23 messidor van het jaar XII – antirevolutionairen blijven zweren bij 12 juli 1804 – noteert Stendhal in zijn dagboek het volgende:

D’après le Journal de Paris, il est possible qu’un homme accouche d’un enfant et que tous deux vivent ensuite. Le fait est arrivé en Hollande. [Volgens de Journal de Paris is het mogelijk dat een man bevalt van een kind, en dat ze vervolgens allebei ook in leven blijven. Het feit heeft zich in Holland voorgedaan.]

Natuurlijk, men kan erover twisten of het hier wel om echt transgenderisme gaat, er zijn immers zo veel mogelijkheden en schakeringen, nuances en gradaties.
De finesses van de zaak vernemen we van Stendhal echter niet.

5 juni 2016

De beschavende invloed van Moderne Kunst


Moderne Kunst is een moeilijk begrip. Deels komt dat wellicht doordat die kunst al zo lang bestaat, en vaak voortborduurt op dingen die al voor de Eerste Wereldoorlog gedaan werden. Je zou het langzamerhand traditionele kunst moeten noemen.
Een spijtig gevolg hiervan is weer dat maar heel weinig mensen er interesse voor opbrengen. Hier en daar zien we een bankdirecteur die er geld inpompt, of een beheerder van een pensioenfonds die graag eens speculeert, of een industrieel die blijk wil geven van culturele belangstelling – tegenwoordig ook wel eens een sjeik die zich verveelt. Verder zijn er natuurlijk bestuurders allerhande die hun brede cultuur willen etaleren. Maar daar houdt het op.
Gelukkig is het niet allemaal treurnis, en in bepaalde gevallen zien we zelfs dat het brede publiek zijn inspiratie vindt in Moderne Kunst.
Weinigen zullen zich dat herinneren, maar een paar jaar geleden waren er in Gent overal op straat producten van die kunst te zien. Dat was een evenement, an event, en het stadsbestuur had er ook een mooie naam voor bedacht: Track.
Net als event is ook dit een Engels woord – het hoort eenmaal zo, en ze zullen het ergens gevonden hebben. Ik dacht dat het uit de atletiekwereld kwam, maar dat klopt niet: het Engels heeft dat woordje rond 1470 ontleend aan het Middelnederlandse “trek”: het spoor dat iets of iemand naliet, een karrenspoor bijvoorbeeld, of voetafdrukken op een bospad, een reeks vogelpootjes in de sneeuw, of nog het geurspoor van een vos dat de honden dan konden volgen.
Blijkt nu dat niet iedereen Track vergeten is, want een aantal onbekenden hebben dat spoor gevolgd, en hebben zelf een eigen kunstwerk ontworpen dat we nu al enige tijd in de stad kunnen bewonderen.
Vermoedelijk vonden zij hun inspiratie bij een werk dat Search and Destroy heette. Dat is ook Engels, en de kunstenaar en zijn opdrachtgevers wilden het publiek blijkbaar aanzetten tot vernielingen.
Op hun wens werd ingegaan, en al toont mijn foto hieronder maar een fragmentje, wie ter plaatse gaat kijken ziet dat de achtergevel van het Vleeshuis over de volle lengte getooid is met graffiti. They found and destroyed.
Waarom de stadsbestuurders dit werk, dit nagelaten spoor van volgzame burgers weer willen verwijderen is mij niet duidelijk …en ze slagen er ook maar half en half in.



Woorden wekken, voorbeelden trekken!

3 juni 2016

Tom redt de EU


We moeten in de EU nog een commissaris meer hebben, zegt de in Vlaanderen bekende schrijver Tom Lanoye in De Volkskrant – hij spreekt zelfs van een “minister”, wat veelzeggend is. En hij heeft meteen een origineel idee voor die minister: die moet een museum voor Moderne Kunst ergens neerpoten. Europa is immers zijn “geweldige kunst en filosofie” aan het verkwanselen, en met een ongetwijfeld populair museum komt daar een eind aan.

En verder moet de EU in het Eurovisiesongfestival meezingen. Zelf kijk ik weliswaar niet naar dat festival, al is het bij een niet gering aantal mannen erg populair, maar nu had ik menen te begrijpen dat de EU in de laatste editie ervan al hééft mogen meezingen, en zelfs de prijsuitreiking heeft mogen organiseren.

Ook moet de EU voetballen, zegt Lanoye. Naast die moderne kunst en die liedjes is dat al het derde onderwerp dat mij koud laat. Het zijn kroonjuwelen die in mijn cultuur helaas ontbreken.

Maar Lanoye daarom afblaffen zou ik niet doen, want Tom zegt dat hij “groots wil dromen over Europa, zonder afgeblaft te worden”. Journalisten spreken in zulke gevallen graag over de “slachtofferrol” waarin iemand “zich wentelt”.

We hebben een traditie van geweldige kunst en filosofie. Die kroonjuwelen zijn we nu aan het afbreken. Er moet een minister van Cultuur worden toegevoegd aan de Europese Commissie. Die zou zorg kunnen dragen voor een Europese opera, en een Europees museum van hedendaagse kunst waar het Europese verhaal levend wordt gehouden. En laat als Europese Commissie ook eens je smoel zien tijdens het Eurovisie Songfestival en de Champions League.

Geen geblaf dus, maar Tom uitlachen moet meen ik nog net kunnen.

2 juni 2016

Adembenemend


Hans Boland heeft een groot werk af. Poesjkin is volledig vertaald. Vanochtend vielen, omdat ik een abonnement had, de delen negen en tien van het Verzameld Werk in mijn bus (deel tien bevat een notenapparaat, aantekeningen en appendices). Boland is een geniale vertaler, dat zei ik eerder al, en hij heeft van Poesjkin een van de grote Nederlandse dichters gemaakt.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html