12 mei 2017

Gisteravond in de salons De Boeck


Voorstelling van het boek Franse Revolutie en Engelse Traditie, een bloemlezing uit Edmund Burkes "Reflections on the Revolution in France", van een inleiding voorzien door Theodore Dalrymple. Ik mocht even toelichten:

Antwerpen, 11 mei 2017
Goede avond dames en heren, en welkom.
Karl Drabbe heeft duidelijk geen winterslaap gedaan want met zijn uitgeverij Doorbraak brengt hij in snel tempo het ene interessante werk na het andere uit. En hij vroeg mij, als vertaler van zijn jongste boek, om bij wijze van inleiding hier even de auteur ervan te situeren. Dat probeer ik kort te doen:
Giacomo Casanova werd geboren in 1725 en stierf in 1798. Hij besloeg dus een flink stuk van de achttiende eeuw, en dat was zoals we weten de tijd van de grote namen van de Verlichting. Welnu Edmund Burke leefde van 1729 tot 1792 en was dus een bijna exacte tijdgenoot. Een Dubliner die na zijn rechtenstudies naar Londen was getrokken. In 1789, op het moment dat de Bastille werd bestormd, was hij dus al zestig en had hij er een lange carrière opzitten. Eerst als politiek raadgever van de markies van Rockingham – wij zouden nu zeggen dat hij de speechschrijver, of woordvoerder van de eerste minister was.
Hij werd ook parlementslid, en nochtans was een politieke rol niet zijn oorspronkelijke bedoeling, want hij was naar Londen gekomen om zijn geluk te beproeven als schrijver en essayist, niet eens als jurist.
En dat lukte hem bijzonder goed want nog voor zijn dertigste verwierf hij grote faam met A philosophical Enquiry into the Origin of our Ideas on the Sublime and the Beautiful. Mooi en subliem, je hoort al dat dit essay niet over politiek gaat.
In de besloten Literary Club van Doctor Johnson, de beroemde auteur en lexicograaf, werd hij met open armen ontvangen. Dat was een heel select gezelschap – van literatoren uiteraard, zoals bijvoorbeeld Oliver Goldsmith (nog bekend van The Vicar of Wakefield), maar er waren ook schilders als Joshua Reynolds, de Corsicaanse generaal Paoli, een Shakespeare-acteur enzovoort.
Mannen allemaal, dat spreekt, geen vrouwen: we zijn in Londen, niet in Parijs.
Burke was aangenaam gezelschap, en zijn conversatie vaak grappig. En hij wist ook zijn tegenstanders te waarderen. De schrijfstijl van Voltaire bijvoorbeeld, die in zowat elk opzicht zijn tegenbeeld was, die stijl beoordeelde hij gunstig: ‘Niemand heeft ooit blasfemie en obsceniteit zo mooi samengebracht.’ En Johnson zelf, zo lezen we bij diens biograaf Boswell, zei over Burke dat – als iemand samen met hem nog maar vijf minuten onder een afdakje voor de regen zou staan schuilen, hij overtuigd zou zijn dat hij nooit in zijn leven een interessantere man had ontmoet. Dr. Johnson stond er niet om bekend dat hij veel complimenten uitdeelde, maar van Burke zei hij nog dat die de enige man was waarbij hij in discussies altijd op de tippen van zijn tenen moest staan.
Politiek was Burke een Whig, een liberaal, en in het Parlement noemden vriend hem vijand hem de beste spreker. Hij verdedigde daar de Amerikaanse kolonisten, hij vond de Indië-politiek van de regering onmenselijk, hij kantte zich tegen de slavernij enzovoort. Allemaal standpunten die tegenwoordig niet meteen voor conservatief doorgaan. Wel was hij overtuigd dat er een erfelijke monarchie moest blijven bestaan. Van een goddelijk recht op de troon wilde hij nochtans niet horen, en evenmin van goddelijk of kerkelijk rechtsgezag. Zowel monarchie als wet en kerk waren namelijk menselijke instellingen.
Zijn beroemdste boek vandaag is natuurlijk Reflections on the Revolution in France, en daarin zegt hij dat de Franse monarchie en de adel zich te buiten gingen aan excessen. Er kunnen omstandigheden zijn die ‘een gematigde weerstand, laten we zeggen een civiele of wettelijke weerstand rechtvaardigen’. Hervormingen waren nodig in Frankrijk, maar die hervormingen moesten geleidelijk tot stand komen. Zijn grondhouding definieert hijzelf als ‘anti-jacobinisme’. In Europa en Amerika waren vele intellectuele grootheden enthousiast over de revolutie, Franklin, Jefferson, Goethe, Schiller, Kant. Al bekoelde hun geestdrift snel. In Engeland waren de dichters Coleridge en Wordsworth de revolutie aanvankelijk ook genegen, evenals zijn partijgenoot Charles James Fox, eerste minister – er bestond bij de Whigs blijkbaar een tendensrecht.
Niet zo Burke dus, die zoals gezegd de weg der geleidelijkheid verkoos boven revolutie, en die de gruwelen voorzag die nog zouden volgen, evenals trouwens de militaire dictatuur. Hij geloofde dat een revolutie in een uur meer kon afbreken, dan wat in een eeuw was opgebouwd.
Burke heeft grote invloed uitgeoefend op latere denkers. De belangrijkste onder hen is wel de diplomaat Joseph de Maistre, die een generatie na hem kwam en in Sint-Petersburg zijn standplaats had, als ambassadeur van het koninkrijk van Sardinië. Maistre noemde Burke «l’admirable Burke», en als die zegt dat er in het politiek bedrijf geen abstracte ‘metafysische’ regels kunnen gelden, maar dat de traditie haar rechten heeft, dan treedt Maistre hem volmondig bij. Traditie kan enkel gezag hebben als de pure rede haar limieten erkent, een gedachte die heel centraal staat ook bij Burke. Maistre schrijft dat hervormingen nooit mogen vertrekken vanuit ideale stelsels, «des théories idéales», maar moeten uitgaan van de verborgen, interne eigenschappen van een samenleving, zoals die in de loop der tijden zijn gegroeid, «par le bon sens antique et l’instinct machinal de chaque peuple». Ook dit kon uit de pen van Burke zijn gekomen. Al volgt Maistre Burke niet altijd: als katholiek veroordeelt hij bijvoorbeeld de Glorious Revolution die met haar protestantse vrijheid Engeland veel heeft gekost, en met name het ware geloof, «la foi, c’est-à-dire tout».
Nu wil ik tot slot nog iets zeggen over het vertalen zelf, maar dat kunt u ook in het boek lezen in mijn verantwoording daar. Ik citeer even William Hazlitt, een schitterende essayist en stilist die Burke bewonderde, al verwierp hij veel van zijn denkbeelden. In 1807, dus vijftien jaar na Burkes dood schreef die:
‘Hij is de meest poëtische van onze prozaschrijvers, en tegelijk ontaardt zijn proza nooit in de pure verwijfdheid van poëzie. Altijd is het zijn betrachting te overweldigen, eerder dan te behagen, en bijgevolg offert hij schoonheid en verfijning op aan kracht en bezieling. Altijd staat hem een taak voor ogen, een precies plan dat hij wil uitvoeren, een effect dat hij wil bereiken. Zijn enige bedoeling is het dus om hard te slaan, en op de juiste plek. Als de slag zijn doel mist, slaat hij opnieuw. En het maakt hem niet uit hoe onelegant zijn acties zijn, of hoe stuntelig zijn techniek, als de tegenstander maar neergaat.’
Dat maakt de vertaling niet makkelijker natuurlijk, want die stijl moet naar best vermogen bewaard blijven. En de betekenis van woorden verschuift, zodat het uitkijken is voor false friends.
Als Burke zijn tegenstanders ‘subtle’ noemt, dan bedoelt hij ‘giftig’, niet ons ‘subtiel’. ‘Green’ moet soms begrepen worden als ‘ziekelijk’, niet bijvoorbeeld als ‘groen, onervaren’. Ook een begrip als ‘metaphysic’ laat zich bij hem vaak niet letterlijk nemen. ‘Fond’ is niet ‘verzot op, verliefd’, maar ‘blind’, zoals in blind vertrouwen, ‘fond trust’‘Affection’ is een attribuut, een eigenschap, niet ons ‘affect’. Er zijn talloze voorbeelden. Burke gebruikt ook graag nieuwe wetenschappelijke termen, uit de natuurkunde of scheikunde, en ook die termen en wendingen moeten in de context van zijn tijd begrepen worden. Een microscoop heette toen nog a philosophical instrument.
Tot slot nog een woord van een schitterende editor, wijlen Frank Turner van Yale University. Die maakte in de inleiding bij zijn uitgave van de Reflections een mooie opmerking: ‘Het is omdat Burke zo sterk een man van de Verlichting was, dat hij zo hartsgrondig en passioneel een veroordeling kon uitspreken over de vervorming ervan tot het koppige utopisme van de revolutionaire tijd. In zovele passages van de Reflections is de lezer getuige van een minnetwist.’
Ik mag u hierbij danken en ruim graag de plaats voor Karl, die de volgende spreker zal voorstellen.

Marc Vanfraechem

6 mei 2017

De journalistieke noodgreep "fake news" is futiel


Escalus
Mon ami, vous m’avez l’air d’être un peu misanthrope et envieux?
(Goede vriend, u bent lijkt me wat misantroop en afgunstig?)
Mercutio
J’ai vu de trop bonne heure la beauté parfaite.
(Al te vroeg heb ik de volmaakte schoonheid gezien.)
Shakespeare

Dit is het motto dat Stendhal meegaf aan zijn «Promenades dans Rome» (Gallimard, 1973, Folio Classique. Ingeleid door Michel Crouzet, en bezorgd en geannoteerd door Victor Del Litto).

Nu is Del Litto een van de grote stendhaliens, een monument op zich mag je zeggen, en hij geeft hierbij een noot (p. 648): “Tevergeefs heeft men in de werken van Shakespeare naar dit citaat gezocht. Het is van Stendhals eigen hand.”

En natuurlijk heeft Vittorio Del Litto gelijk, dat kunnen wij leken niet eens nagaan, maar dat doet er niets aan af: het blijft een geweldige uitspraak van Shakespeare, door Stendhal aanbeden.

3 mei 2017

Woorden veranderen snel van betekenis


De term “jongeren” is al vele jaren iets anders gaan betekenen dan wat je intuïtief, of naïefweg zou verstaan. De betekenisverschuiving is er gekomen door het scheve en hypocriete journalistieke gebruik van die term.
Nu zijn betekenisverschuivingen van alle tijden, alleen ging het hier wel erg snel. Hetzelfde met een woord als “vriend” bijvoorbeeld. Wie dat tegenwoordig gebruikt, moet goed uitkijken want zonder contextuele, of liefst zelfs expliciete verduidelijking zal de toehoorder “homoseksuele partner” verstaan. Om onduidelijkheid te vermijden zouden we voor gewone vrienden dus een ander woord moeten verzinnen.

Met die “jongeren” is dat ook het geval, want wie nu in het radionieuws die omschrijving hoort, begrijpt onmiddellijk en ondubbelzinnig dat er jonge moslims bedoeld worden die in groepsverband enig crimineel gedrag hebben vertoond. Soms kunnen die jongeren wel dertig jaar oud zijn, want journalistiek gesproken bezitten zij het geheim van de eeuwige jeugd.

Wanneer die substantivering van het bijvoeglijk naamwoord “jong” is doorgebroken weet ik niet te vinden in bijvoorbeeld van Dale. In het Frans is dat al een tijd geleden gebeurd, en wel door toedoen van de beruchte rassentheoreticus Arthur de Gobineau. Dat lees ik toch bij Charles Dantzig (Dictionnaire égoïste de la littérature française – Grasset 2005, p. 409): Dans ‘La Chasse au caribou’ il substantive l’adjectif ‘jeune’ («Une demi-douzaine de jeunes l’entoura»), son premier emploi dans ce sens peut-être.
Nu wordt dat laatste tegengesproken door Le Robert, want die geeft: "Pour le jeune ou pour le barbon, À tout âge l'amour est bon", een vers van Molière, en dus een stuk ouder dan La Chasse au caribou dat in 1872 verscheen. Ik vraag mij af of onze jongeren even oud zijn.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html