31 augustus 2017

Baudelaire stierf 150 jaar geleden


Charles Baudelaire stierf 150 jaar geleden, op 31 augustus 1867. Natuurlijk kennen we hem als dichter, en sommigen onder u zullen L’Albatros nog van buiten geleerd hebben… ses ailes de géant l'empêchent de marcher. Niet al zijn gedichten waren nochtans even geschikt voor schooljongens.
Maar zoals alle grote dichters was hij ook een groot prozaïst, en in zijn brieven een kwade klant. Twee jaar voor zijn dood schreef hij aan een literatuurcriticus:

‘Beste mijnheer, als ik de woede helemaal zou willen bekoelen die u in mij opwekt dan zou ik u op zijn minst vijftig vellen sturen en u bewijzen dat, in strijd met uw bewering, ons arme Frankrijk maar erg weinig dichters telt, en er niet één bezit die tegen Henri Heine op kan. Maar u houdt niet van waarachtigheid, u houdt niet van juiste verhoudingen, u houdt niet van rechtvaardigheid, u houdt niet van stijlcombinaties, u houdt niet van ritme, noch van metrum, noch van rijm; al die zaken vragen te veel inspanning om ertoe te komen. Slaap maar zoetjes in op uw oorkussen van gemeenplaatsen. […] En vergeleken bij de poëzie van Henri Heine, van Byron en Shakespeare, maken al uw geciteerde kleine Franse onbetamelijkheden het effect van een mondorgeltje of een spinetje vergeleken bij een machtig orkest. Van de fragmenten van Henri Heine die u citeert is er niet één dat niet oneindig superieur is aan al de herderszangen en kinderrijmen die u bewondert.’

Le Figaro had vandaag een mooi interview van Eugénie Bastié met Marie-Christine Natta, die een nieuwe biografie van Baudelaire heeft geschreven. Dit is een stukje eruit:

Marie-Christine Natta: Een aspect van zijn dandyisme is zijn politieke ontrouw. Baudelaire erkent dat hij geen overtuigingen heeft. Hij heeft er zelfs over gedacht om een essay te schrijven met als titel: Grandeur, ook zonder overtuigingen. Ik heb die erg mooie titel gebruikt voor mijn eigen essay daarover. Nochtans mag je niet denken dat het Baudelaire aan eerlijkheid ontbrak. Als hij zich in de revolutie van 1848 engageert, gelooft hij in het republikeinse en humanitaire ideaal, en klimt hij op de barricades. Maar hij gelooft er niet lang in. Zoals Gabriel Matzneff dat van Byron zei: een dandy kán ergens voor militeren, maar dan kort.
Na de revolutie van 1848, en vooral na de staatsgreep van 2 december 1851,* voelt Baudelaire zich ‘gedepolitiseerd’. Zijn lectuur van Joseph de Maistre maakt dat hij volkomen verwijderd raakt van revolutionaire utopieën. [...]
Baudelaire is onbetwistbaar een man van de «modernité». Hij heeft het woord niet zelf uitgevonden – Balzac en Gautier gebruikten het al voor hem – maar hij is wel de eerste die het begrip uitgediept heeft, en van ‘moderniteit’ een literaire en artistieke categorie gemaakt. Treffend is wel dat hij, man van de moderniteit, tegelijk een van de hevigste tegenstanders is geweest van zijn eigen periode, die hij als even barbaars beschouwt als de meest primitieve tijden. Daarom ook gelooft hij niet in de Vooruitgang: verre van de mens te verlichten en hem beter te maken, zegt hij, is die een vergissing, een “obscure en perfide lantaarn” [Gezelle is het hier met hem eens: die sprak van ‘de religie van ’t progrès.’]
In dit verband is de pers een uitstekend voorbeeld van zijn contradicties: hij kan ze niet missen, maar spreekt er voortdurend alle mogelijke kwaad van. Verwoed krantenlezer als hij is, stelt hij de mediocriteit ervan aan de kaak en vindt hij hun inhoud hartverscheurend. Een krant, zegt hij, is “een aaneenschakeling van verschrikkingen” waar je op elke regel “de afschuwelijkste tekenen van menselijke verdorvenheid ziet”.
Eugénie Bastié: Hoe staat hij dan tegenover de journalistiek?
Marie-Christine Natta: Baudelaire is niet enkel een krantenlezer, hij is ook journalist en heeft zoals wel meer schrijvers de pers nodig voor zijn levensonderhoud. Het is aanvankelijk ook in de pers dat de meeste van zijn gedichten en kritische teksten gepubliceerd worden. Maar met kranten- en tijdschriftendirecteurs heeft hij een bijzonder woelige verhouding, en noemt hen «canaille littéraire». Hij verwijt hen – niet zonder reden – dat ze hem willen corrigeren. Terwijl Baudelaire, dat extreem scrupuleuze genie, perfect weet wat hij schrijft. Dat kan zijn houding tegenover Alphonse de Calonne verklaren, de «ultra-rédacteur en chef», aan wie hij zeer laatdunkende lessen filologie geeft.
_________
* President Louis-Napoléon Bonaparte laat zich tegen de grondwet in herverkiezen, en wordt op 2 december 1852 keizer: Napoléon III.

27 augustus 2017

Barricaden opwerpen, 369 jaar geleden


In de Mémoires van Retz lezen we dat in Parijs, in de ochtenduren van 27 augustus 1648 vandaag 369 jaar geleden  ‘in minder dan twee uur tijd meer dan 1200 barricades werden opgeworpen.’
De eindnoten van Michel Pernot (2003, Folio classique, p. 1038) bevestigen dit, en dat kan nooit kwaad want de kardinaal durft feiten al eens naar zijn hand zetten:

"Op bijna alle kruispunten van Parijs stonden er trommels met kettingen eromheen gewonden, die men bij gevaar dwars over de straten spande. De ochtend van 27 augustus 1648 begonnen de burgers deze te spannen, niet enkel om zich tegen de soldaten van de koning te verdedigen, maar ook om zich tegen het gemene volkje van inbrekers en dagloners te beschermen, dat bij troebelen altijd klaarstaat om te plunderen. Vervolgens versterkten zij hun installaties met behulp van barricades, gemaakt van okshoofden [barriques, vaten van 200 à 250 liter] gevuld met grond, stenen, mest of om het even wat voor afval. Door de smalle straatjes, en het grote aantal barricades (men telde er 1260), werd het onmogelijk in Parijs nog te circuleren."

Wat we uit het betrouwbare relaas van Retz dus leren is dat het afsluiten van straten met zware blokken en kettingen – wat vandaag regel is bij feestelijkheden, wijkkermissen enzovoort, zie foto – ook toen al voorkwam, en met ongeveer gelijk gebleven technieken. Hun vijanden waren niet dezelfden, maar hun technieken verschilden nauwelijks van de onze. 

Nog dit: de Dikke van Dale geeft bij het Nederlandse ‘barricade’ een verkeerde uitleg: zelfstandig naamwoord; de (v) (1669) Frans, ontleend aan Italiaans barricata.

In Le Trésor informatique de la langue française vinden we dat het omgekeerd is gegaan: de hypothese van een directe ontlening aan het Italiaans moet verworpen worden (KOHLM., p. 31; SAR., p. 19), want deze taal kende “barricata” niet eerder dan in de XVIIIde eeuw. Het woordenboek Vocab. degli accademici della Crusca, 4e editie (Firenze 1729), zegt dat barricata aan het Frans werd ontleend.


23 augustus 2017

Kardinaal de Retz steekt de Catalanen, de Ieren, de Schotten en de Vlamingen een riem onder het hart


Kardinaal de Retz, die u intussen goed kent, legt ons in zijn Memoires uit dat revoluties heel plots kunnen uitbreken, maar nooit uit het niets komen. Een element kan bijvoorbeeld fiscale druk zijn, en geld dat men ziet verdwijnen in bodemloze putten. Hij geeft een voorbeeld van de vindingrijkheid van de fiscus in zijn tijd:

Émeri, de opperintendant op financiën, en wat mij betreft de meest verdorven geest van zijn eeuw, deed niets dan benamingen zoeken om dan nieuwe edicten te kunnen uitvaardigen.

Inderdaad, de fiscale vondsten van Michel Particelli, seigneur d’Emery (1596-1650) zetten toen veel kwaad bloed. Ze waren mede aanleiding voor de opstand van de Fronde, maar voor een revolutie moeten er andere elementen bijkomen, zoals een vrijheidsideaal of een nationale idee. Het is namelijk zo dat een volk, of zelfs een afzonderlijke klasse zoals de adel, niet makkelijk in opstand komt.
Daartoe moet de toestand eerst een culminatiepunt bereiken, een kookpunt, de maat moet vol zijn, het moet de spuigaten uitlopen, er moet iets voorvallen dat de deur dichtdoet. Maar eens de rapen gaar zijn kan het snel gaan. Retz legt dat beter uit:

De Zwitsers leken zodanig verstikt onder het gewicht van hun ketenen dat ze om zo te zeggen niet meer ademden, totdat de opstand van drie van hun machtige kantons tot de vorming van eedgenootschappen leidde. De Hollanders geloofden dat ze onder het juk van de hertog van Alva vastzaten, tot de prins van Oranje, door een lotsbestemming die gereserveerd is voor de grote genieën die vóór alle anderen het punt zien waar een mogelijkheid zich voordoet, zich een idee vormde van hun vrijheid en deze verwekte.
Dit zijn voorbeelden; ze spreken voor zich. Wat de lethargie veroorzaakt in verdrukte staten is de duur van het kwaad, die greep krijgt op het voorstellingsvermogen van de mensen en hen laat geloven dat het nooit nog zal eindigen. Zodra zij echter een gaatje zien om zich los te maken – wat zonder mankeren het geval zal zijn als er een zeker punt is bereikt – zijn zij zo verrast, zo blij en zo driftig dat ze op slag in het andere uiterste vervallen en een revolutie verre van onmogelijk, maar juist voor moeiteloos houden. Die instelling op zich kan ze soms al doen slagen.

19 augustus 2017

Nu zou het toch iets met de islam te maken hebben?


In alle eerlijkheid, na de eindeloze reeks moslimaanslagen hoor of zie je bijna geen journalist meer die beweert dat het niets met de islam te maken heeft. Ook hun kreet 'islamofoob!' begin je stilaan minder te horen, en zelfs geijkte termen als 'jongeren' lijken op de terugweg. 'Verward' lijkt nog een zeker journalistiek succes te kennen, maar ook op die omschrijving komt snel sleet.
Ze zien wellicht in dat hun oude vocabularium zijn beste tijd gehad heeft, en leren nu schoorvoetend meer specifieke woordjes gebruiken. Toch is het misschien nuttig voor hen die zich nog altijd voor de betere islamexegeten houden, om het interview hieronder eens te lezen. Het zal hen in elk geval geen kwaad doen.
“De samenhang tussen fundamentalisme, terreur en de uitgangsstellingen van de orthodoxe islamleer is volstrekt duidelijk”, zegt Kyai Haji Yahya Cholil Staquf, secretarisgeneraal van de grootste moslimvereniging van Indonesië, in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung vandaag.

Speciaal de verhouding van moslims tot niet-moslims, zowel als de houding van moslims tot staat en recht, zijn problematisch en leiden tot segregatie en vijandschap. “Te veel moslims zien de beschaving, het vreedzame samenleven van mensen met verschillende religies, als iets dat bestreden moet worden”, zegt hij. De toenemende angst voor de islam in het Westen is volkomen begrijpelijk. En over die samenhang moet men klare taal spreken: “Het Westen moet ermee ophouden de vraagstellingen hierbij voor islamofoob te verklaren.”
“Wij moeten ertoe komen dat een interpretatie die de traditionele normen van de islamitische rechtsleer als absoluut ziet, als vals geldt. Religieuze waarden en de sociale realiteit moeten bij elkaar passen. En het moet glashelder zijn dat de wetten van het land voorrang hebben.”

Yahya Cholil Staquf stamt uit een familie van soennitische geleerden. Hij is secretarisgeneraal van de Opperste Raad van Nahdlatul Ulama, de grootste moslimvereniging in Indonesië, zijnde het land met de grootste moslimbevolking ter wereld. Nahdlatul Ulama geeft aan dat ze 50 miljoen leden tellen, en minstens deels beschouwen zij zich als gematigd. Kyai Haji Yahya Cholil Staquf behoort tot de spiritueel georiënteerde vleugel van de organisatie.

18 augustus 2017

Hoever kan blinde haat een wetenschapper drijven?


Paul Krugman schrijft in The New York Times een mooi artikeltje. Niet als gepensioneerde economist maar als opiniemaker. Je hebt dat overal, van die gepensioneerde economisten die hun professionele kunstjes niet meer vertonen en ter vervanging opinies beginnen te produceren.

Naast Trump komt Caligula er nog goed uit

Historici hebben Donald Trump vergeleken met Caligula, de wrede, corrupte Romeinse keizer die er genoegen in vond om anderen te vernederen, speciaal de elites van het Rijk. Maar nu we zeven maanden ver zijn in Trumps ambtstermijn, kunnen we zien dat dit een onbillijke vergelijking was.
Om één ding te noemen, voor zover wij weten stookte Caligula niet aan tot etnisch geweld in het Keizerrijk. [mooi dat Krugman dat zegt van ‘as far as we know’, al was ‘as far as I know iets duidelijker geweest want dat er geweld voorkwam is wel degelijk het geval, bijvoorbeeld in Jeruzalem, maar dat betrof een conflict rond de keizercultus, en al kwam de eis wel van Caligula, en waren het vanzelfsprekend joden die deze cultus weigerden, misschien mag je dat geweld toch niet etnisch noemen]. En nog iets, opnieuw voor zover wij weten: het bestuur in Rome bleef redelijk goed draaien, in weerwil van zijn capriolen. De gouverneurs van de provincies bleven de orde handhaven, het leger bleef de grenzen verdedigen, en economische crisissen waren er niet. En om te besluiten, toen zijn gedrag werkelijk ondraaglijk werd, deed de Romeinse elite datgene waartoe de partij die vandaag het Congres controleert onbekwaam lijkt om het zelfs maar in overweging te nemen: ze vonden een weg om zich van hem te ontdoen [to get rid of him].

Ik heb alvast de indruk dat Krugman in een onbewaakt ogenblik de militaire verdediging van grenzen een mooi ding vindt. Maar dit nog daargelaten, ook oproepen tot politieke moord lijkt voor onze economist geen probleem.
Caligula werd immers door zijn Pretoriaanse wacht vermoord, en nog wel op aanstoken van een populist, de tribuun Cassius Chaerea. De geschiedschrijver Suetonius zegt evenwel dat er twee versies van de moord bestaan en geeft die allebei zonder zich uit te spreken.

Ach, misschien gelooft Krugman ook voor waar dat Caligula zijn paard Incitatus tot consul heeft benoemd, niet wetende dat Caligula dat gezegd heeft, of zou hebben, om de senatoren duidelijk te maken dat alle macht bij hem lag en bij niemand anders.
En misschien heeft Krugman dus ook niet beseft dat hij opriep tot moord, en misschien, of zelfs wellicht omdat hij Suetonius niet kent …al vertaalde Robert Graves hem prachtig in 1957.

11 augustus 2017

Duits leent zich goed voor preciseringen


In een panelgesprek van de Zwitserse televisie kreeg de filosoof Norbert Bolz, professor aan de Technische Universität in Berlijn, van een tafelgenote te horen dat je toch niet kon volhouden dat de politieke correctheid te ver was doorgeschoten, aangezien je zoveel incorrecte en luide stemmen hoorde overal: een retorisch fiorituurtje dat je ook bij ons vaak hoort en leest.

Norbert Bolz: Aber der entscheidende Punkt ist doch folgender: wenn Sie darauf hinweisen daß es Leute gibt die politisch sehr Unkorrektes äußern, und damit auch ein Publikumserfolg haben, kann man das an einem Beispiel sehr gut festmachen, nämlich Sarrazin. Das war im Grunde, vor der Silvesternacht schon der erste große Knackpunkt.
Barbara Bleisch (SRF): Darf ich nur ganz kurz einbringen: Thilo Sarrazin der das Buch geschrieben hat Deutschland schafft sich ab, und danach Der [neue] Tugendterror, und gesagt hat er wurde niedergemacht, mundtot gemacht…
Norbert Bolz: Exakt, äh, mundtot gemacht, das zu behaupten wäre unsinnig, denn er hat ja einen Massenerfolg mit seinen Büchern bis zum heutigen Tag, die Leute rennen in die Bude ein wenn er irgendwo eine Vorlesung macht oder so was. Der entscheidende Punkt ist nur der: das ist kein Zeichen für Meinungsfreiheit, einfach deshalb weil Sarrazin ein Paria ist. Er ist eine nicht-Existenz, er ist jemand der in der Öffentlichkeit sogar mit Polizeischutz auftreten muss, und das scheint mir nicht der Ausdruck einer liberalen Kultur zu sein.



Norbert Bolz: Maar het beslissende punt is toch dit: als u erop wijst dat er mensen zijn die politiek zeer incorrecte dingen zeggen, en daar ook succes mee hebben bij het publiek, dan laat zich dat zeer goed aantonen met een voorbeeld, namelijk Sarrazin. Dat was, nog voor de Sylvesternacht [Keulen] eigenlijk het eerste grote breekpunt.
Barbara Bleisch (SRF): Mag ik even heel kort iets tussenwerpen: Thilo Sarrazin die het boek Deutschland schafft sich ab geschreven heeft en daarna Der [neue] Tugendterror, en die gezegd heeft dat hij afgemaakt werd, monddood gemaakt…
Norbert Bolz: Exact, heu, monddood gemaakt, dat beweren zou onzinnig zijn want met zijn boeken heeft hij tot de dag van vandaag nog massaal succes, en de mensen lopen de zaal plat als hij ergens een voordracht geeft of iets dergelijks. Alleen, het beslissende punt is dit: dat is geen teken van vrije meningsuiting, eenvoudig daarom al dat Sarrazin een paria is. Hij is een onbestaand wezen, hij is iemand die zelfs politiebescherming nodig heeft als hij in het openbaar optreedt, en dat lijkt mij geen kenmerk te zijn van een liberale cultuur.

Alles vertalen is me teveel gevraagd, maar in het gesprek kwam nog heel wat meer aan bod: spraakhygiëne en verboden woorden, microagressie, grote gevoeligheid bij veel mensen (snow flakes is de term nu), jacobinisme, tot en met Karl Kraus en de journalist die zich als præceptor Germaniæ ziet.
Met die eervolle naam (leraar van Duitsland) werden oorspronkelijk de abt Hrabanus Maurus Magnentius en later Philipp Melanchthon aangeduid, en weer later kregen anderen hem ook, zo bijvoorbeeld Dr. Siegbert Tarrasch. Terecht ook in zijn geval want hij schreef Das Schachspiel. Systematisches Lehrbuch für Anfänger und Geübte, maar het spreekt dat niet iedereen zich præceptor moet wanen.

9 augustus 2017

Over een vraag die al lang beantwoord is


Als ik ergens in een artikel het woord gender tegenkom, dan lees ik dat artikel niet uit. Nu moet ik maar hopen, lezer, dat u niet even star reageert en moedig verder zult lezen – aan het eind zult u voor uw soepelheid trouwens beloond worden met een mooi paragraafje uit de Memoires van Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz.

Wat een mens zich afvraagt als hij bijvoorbeeld weer iets over gendertoiletten ziet staan, en dat die wereldwijd in openbare gebouwen (waarom niet ook in privéwoonsten?) er verplicht zullen komen, met aangepaste niet-discriminerende bordjes enzovoort, wat een mens zich dan afvraagt is of er vandaag geen belangrijkere dingen aan de hand zijn, en waarom politici zo graag futiele en zelfs onbestaande problemen willen oplossen, liever dan moeilijke, en waarom kranten daar zo eindeloos en graag over schrijven.

Die vraag bestaat al heel lang, maar in de zeventiende eeuw werd ze door de kardinaal beantwoord:

Wat aan de maatregelen van ministers vaak iets nogal ondefinieerbaar kwalijks doet kleven, zelfs aan de meest noodzakelijke, is dat zij om deze te kunnen nemen zich bijna altijd genoopt zien om hindernissen te overstijgen, en zulke overwinningen zorgen steevast voor afgunst en haat. Als er zich nu een grote kwestie voordoet waarbij niets te overwinnen valt, omdat er niets te bevechten valt, wat maar zelden voorkomt, dan verleent die kwestie een pure, onschuldige, onversneden glans aan hun autoriteit, waardoor deze niet enkel gevestigd wordt, maar waardoor hen naderhand zelfs verdiensten worden aangerekend voor alles wat ze niet doen, bijna evenveel als voor wat ze doen.

7 augustus 2017

Welke politieke medestanders kun je best aankopen?


Vroeger was een politicus zijn eigen campagneleider,
en zelfs zijn eigen woordvoerder

Onder de auteurs die over praktische politiek geschreven hebben, is een van de grappigsten die ik tot nu las Jean-François Paul de Gondi, Cardinal de Retz. Wat grappigheid betreft kreeg hij in de eeuw na hem concurrentie van onder meer Ferdinando Galiani, maar in zijn eigen zeventiende eeuw laat hij Rochefoucauld achter zich, en voor mij zelfs nipt ook Baltasar Gracián.
Maar Retz is meen ik niet in het Nederlands vertaald, terwijl bijvoorbeeld Gracián, met dank aan wijlen Theo Kars uitgebreid ter beschikking is. De kardinaal heeft niet eens een Nederlandse wikipagina.
Retz was een geboren intrigant, een Frondeur, en al overdreef hij in zijn Memoires zijn eigen rol hierbij wel eens (hij had, zegt zijn vijand Rochefoucauld terecht, vaak meer aan zijn verbeelding te danken dan aan zijn nochtans indrukwekkende geheugen), hij was een scherpziende analist.

Hieronder legt hij uit wat zijn tactiek was om het Parijse volk achter zich te scharen, en zo een opstand een kans op slagen te geven. Vooraf nog: Retz wilde eigenlijk een militaire carrière, maar werd door zijn vader tot een kerkelijke loopbaan gedwongen, al deed hij er alles aan om dat onmogelijk te maken, door bijvoorbeeld vele duels te vechten en evenveel galante avonturen op te zoeken.

De graaf* had mij, ik weet niet meer onder welk voorwendsel, twaalfduizend ecu’s laten toekomen via Duneau, een van zijn secretarissen. Ik bracht die naar mijn tante Maignelais,** en vertelde haar dat het om een restitutie ging die mij door een van mijn vrienden op zijn sterfbed was toevertrouwd, met de uitdrukkelijke wens dat ikzelf in persoon deze som na zijn dood zou aanwenden ter leniging van de nood van armen die niet bedelden; en dat, aangezien ik op het evangelie gezworen had in eigen persoon die som te zullen verdelen, ik hier uiterst verveeld mee zat want ik kende zulke mensen niet; en dat ik haar smeekte daarvoor te willen zorgen.
Ze was in de wolken; ze zei me dat ze dat heel graag zou doen; maar dat zij er absoluut op stond dat ik er dan bij zou zijn, aangezien ik had beloofd die bedeling zelf te houden; dat ik aldus mijn woord getrouw gestand zou doen en mijzelf vertrouwd maken met de werken van liefdadigheid.
Dat was nu juist wat ik wilde, want op die manier zou ik me een naam kunnen maken onder al de behoeftigen van Parijs. Elke dag liet ik me door mijn tante als het ware meeslepen naar achterbuurten en zolderkamers. Bij haar thuis zag ik heel vaak mensen die goed gekleed gingen, soms zelfs bekend waren, en in het geheim om een aalmoes kwamen. De goede vrouw liet bijna nooit na hen te zeggen: “Bid God voor mijn neef; hij is het, die het de Heer heeft behaagd zich van hem te willen bedienen voor dit goede werk.”
Stelt u zich voor in wat voor positie dit me bracht bij die lui die, als het erom gaat het volk in beroering te brengen, onvergelijkelijk veel belangijker zijn dan alle anderen. De rijken doen enkel noodgedwongen mee; bedelaars zijn dan eerder schadelijk dan nuttig, want de vrees bestolen te worden maakt hen beducht. Wie het meeste kunnen bijdragen zijn die mensen die het in hun persoonlijke aangelegenheden moeilijk genoeg hebben om verandering te wensen in de publieke, en wier armoede hen toch niet tot publieke bedelarij brengt.
Bij dit soort mensen zocht ik dus naam te maken, een maand of drie-vier lang, met een bijzondere ijver, en geen kind zat er naast een haardvuur of ik gaf het privé altijd enkele spulletjes; ik kende Nanon en Babet. Alles ging gedekt onder de sluier van Mme de Maignelais, die nooit een ander leven had geleid. Ik speelde zelfs wat de devote ziel, en ging naar de conferenties van Saint-Lazare.***
___________



* Louis de Bourbon, graaf van Soissons (1604-1641); belangrijke tegenstander van Richelieu; versloeg het koninklijke leger in de slag van La Marfée, nabij Sedan, maar kwam vlak na afloop van die slag om het leven: hij had de gewoonte het vizier van zijn helm omhoog te duwen met de loop van zijn pistool, en moet in een ogenblik van onachtzaamheid het schot hebben doen afgaan.
** Marguerite-Claude de Gondi, zijn tante langs vaderskant, gehuwd met Florimond d’Halluin, markies van Piennes en Maignelais; stond bekend om haar vroomheid en weldadigheid.
*** De ouders van Retz hadden Vincent de Paul (ook Depaul; ?1581-1660) geld gegeven, en zo kon die in een voormalige leprozerie van de orde van Sint Lazarus een tehuis maken voor priesters die zich erop wilden toeleggen de boeren het evangelie te prediken. Retz woonde enkele van hun vormingslessen bij.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html