29 januari 2017

Fransen, Schotten en Engelsen


Dr Johnson had niet het aangenaamste karakter, dat is algemeen bekend. Vooral over Schotten en Fransen kon hij lelijk doen. Frankrijk lag er bijvoorbeeld slordig bij, want al had God landschappelijk gesproken meer zijn best gedaan voor Frankrijk dan voor Schotland: de Fransen zelf hadden minder voor hun eigen land gedaan dan de Schotten. Die Schotten hadden er tenslotte nog van gemaakt wat ervan te maken viel.
Dit gezegd: Johnson was wel een man die graag een café bezocht, en zo iemand kan niet helemaal slecht zijn. Helaas verboden de dokters hem wijn en bier, en werd hij een waterdrinker. Spijtig. Eerst een verslagje van hem uit Parijs, toen nog geen lichtstad:

De winkelzaken in Parijs zijn armzalig; het vlees op de markten is van een kwaliteit die we in Engeland voor de gevangenissen zouden bestemmen, en Mr. Thrale merkte terecht op dat hun keuken de Fransen was opgedrongen door pure noodzaak, want hun vlees konden ze niet eten of ze moesten er eerst wat smaak aan geven. De Fransen zijn een ruw volkje, om het even op welke plaats spuwen ze maar. Ten huize van Madame ****, literair een grote bekendheid, nam de tafelknecht de suiker met zijn vingers en gooide hem in mijn koffie. Ik zou die hebben laten staan, maar hoorde dat hij speciaal voor mij was gezet, en ik proefde toen zelfs Tom zijn vingers.

Maar nu zijn we weer in Engeland, en Boswell vertelt:

We dineerden in een excellente gelegenheid in Chapel-house, waar hij uitweidde over het geluk dat Engeland had met zijn herbergen en eethuizen, en hij prees zich zalig naast de Fransen die geen caféleven met enige verfijning kenden. ‘Er is niet één particulier huis, (zei hij) waar mensen het evenzeer naar hun zin hebben als in een voortreffelijke herberg. Laat er nog zo’n overvloed aan lekkere dingen zijn, en zo’n grandeur, en zo’n elegantie, en zo’n ijver om iedereen op zijn gemak te stellen; het ligt niet in de aard der dingen: altijd zal er een bepaalde zorg en ongerustheid overblijven. De gastheer doet zijn best om de gasten te onderhouden, de gasten doen hun best om hem te behagen, en niemand kan, of hij zou al een onbeschaamde hond moeten zijn, in andermans huis vrijelijk bestellen wat de ander zoal in huis heeft, alsof hij in zijn eigen huis was. In een herberg daarentegen heerst de algehele zorgeloosheid. Dat je welkom bent, weet je zeker: en hoe luidruchtiger je bent en hoe meer je je laat gelden, en hoe meer lekkers je bestelt, hoe welkomer je bent. Geen huisknecht zal je bedienen met hetzelfde enthousiasme als dat van kelners, hiertoe aangezet door het vooruitzicht op onmiddellijke beloning naarmate ze je bevallen. Nee mijnheer, de mens heeft tot nog toe niets kunnen verzinnen dat zo veel plezier verschaft als een goede herberg of café.’ En daarna declameerde hij met grote ontroering de regels van Shenstone:
Elkeen die in het leven
Zijn saaie rondjes heeft gedraaid
Op welke scene maakt niet uit
Mag met een zucht bedenken
Dat het in een herberg was
Waar hij het warmste welkom vond

James Boswell, The Life of Dr. Johnson; A.D. 1776
in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd
Everyman’s Library n°1, deel I, pp. 586 en 619-20.

28 januari 2017

Y en a marre!


In het Frans heb je van die uitdrukkingen en termen die geweldig imposant klinken, maar die als je ze vertaalt eigenlijk iets gewoons betekenen. Een woord als “verrechtsing” heeft elke journalist hier al eens gebruikt, maar in het Frans kun je dat op twee manieren zeggen. Schrijf je voor de simpele krantenlezer, dan zeg je gewoon “droitisation”, maar als je ergens echt indruk wil maken, omschrijf dan de beweging die je bij het kiesvolk meent te zien als “dextrogyre”, wat naar rechts draait, met de klok mee. Een term die in de scheikunde van pas komt om kristallen enzovoort te beschrijven, en die de politicologie een wetenschappelijk tintje lijkt te geven. Alain de Benoist verkiest “droitisation”, maar gelooft weer niet dat er ook sprake is van een verrechtsing. Hij drukt zich meestal eenvoudig uit, al zou het blazoen van de familie misschien anders laten vermoeden.
Maar moeilijke termen zijn niet altijd te vermijden. Hieronder legt hij ons uit dat een term als “populisme” ten gronde wijst op verachting voor het volk:

Wel, ik heb dit boek geschreven omdat ik merkte dat het woord populisme door het veelvuldige gebruik voorgoed in de categorie van de verduurde woorden was geraakt, een elastieken woord als het ware. Een term met een voornamelijk pejoratieve klank mag je zeggen, en dit pejoratieve gebruik werkt als een verbod voor wie zich vragen zou stellen bij de aard, de essentie ervan.
Mijn boek is helemaal geen pleidooi ten gunste van het populisme. Om te beginnen al niet omdat dit weinig zou voorstellen, gezien de verscheidenheid van populismen, nee, het is een politiek-wetenschappelijke proeve die wil achterhalen wat populisme is.
In welke mate is het een nieuw verschijnsel? In welke mate is het eventueel iets anders dat de kop opsteekt? U sprak al over het boulangisme, en dat is geen kwaad voorbeeld van populisme van de oude stempel. Dit wat de opzet van mijn boek betreft.

Wat we in een eerste benadering kunnen zeggen over het populisme, is dat het voortspruit uit een fenomeen dat we al lang kennen, maar dat voortdurend meer om zich heen grijpt, namelijk de argwaan waarmee de gewone man, en in toenemende mate zelfs ook de middenklasse, de elite bekijkt, of het nu een politieke, economische, financiële, sociale of media-elite betreft. De mensen vertrouwen hen niet meer, dat zien we in vele bevragingen: ze hechten er niet langer geloof aan. Men heeft wel gesproken over de “secessie van het plebs”, om een oude omschrijving te gebruiken,* en dat is het ook min of meer. Een flink deel van de bevolking, stilaan twee derden nu al, houdt zich ver van wat men noemde de beleidspartijen, te weten de oude politieke partijen, en laat weten dat ze er geen oren meer naar hebben.

Daar zijn vanzelfsprekend verschillende redenen voor. Een daarvan is wat men de ‘representatiecrisis’ genoemd heeft, wat betekent dat het volk zich niet meer vertegenwoordigd voelt door de elite, dat die elites de macht ten eigen bate zo goed als geconfisqueerd hebben, enkel voor hun eigen profijt, terwijl het volk buitenspel blijft.
Een ander zeer belangrijk element is de opmerkelijke hergroepering van de programma’s naar het centrum toe. Peilingen bewijzen al dertig jaar dat het aantal steeds maar aangroeit van mensen die niet meer inzien, niet meer begrijpen wat links nog van rechts onderscheidt. Dat ligt nu al rond de tachtig procent. Als het zo zit, en laat bij sommige verkiezingen dit feit nog gemaskeerd blijven, zeker bij presidentsverkiezingen die immers een nogal klassieke tweeledigheid opleveren, dan blijft niettemin dat de mensen het verschil tussen linkse en rechtse partijen niet goed meer zien, en dat die partijen zelf met een diepe identiteitscrisis te maken hebben, en dat is tegenwoordig heel goed te merken zowel bij links als bij rechts. Kijk bijvoorbeeld naar de debatten ter gelegenheid van de voorverkiezingen in de socialistische partij.
Een derde zeer belangrijk element is dat we de jongste decennia bijzonder grote omwentelingen hebben gezien in het dagelijks leven van de bevolking, zaken met grote draagwijdte. Ik denk hier aan drie voorname ontwikkelingen. Vanzelfsprekend is een ervan de immigratie, een tweede de mondialisering, en ten derde de gevolgen van de Europese constructie.

In die drie gevallen hebben we een eenstemmig en behaaglijk spinnend discours te horen gekregen, dat hierop neerkwam dat de immigratie een uitzonderlijke buitenkans was voor Frankrijk, dat de mondialisering een gelukkige zaak was, en dat voor het merendeel van de problemen Europa de oplossing zou brengen. En daarna hebben de mensen in hun dagelijks bestaan vastgesteld dat dit niet helemaal klopte. Dat de immigratie toch wel een aantal samenlevingsziekten meebracht, problemen met de openbare veiligheid waarmee het gewone volk direct te maken kreeg, problemen die natuurlijk nog verergerden met de opkomst van het politiek islamisme, het jihadisme, de aanslagen enzovoort, die het klimaat hebben geschapen dat iedereen kent. De mondialisering kwam voor de meeste mensen neer op een begrotingsdiscipline die hard aangevoeld werd, zowel wat de salarissen betreft als de manier van leven, de koopkracht, met daarbij het fenomeen van de delokalisaties, waardoor Europese arbeiders brutaal met de concurrentie te maken kregen van exotische werkkrachten die voor een bespottelijk laag loon arbeiden, en dan ook nog eens met een Europa dat zogezegd een hoop problemen zou oplossen, maar juist een supplementair probleem is gebleken. Wat maakt dat Europa – en dat vind ik een droevige zaak – als een soort kop van Jut dient.

Komt nog bij dat de mensen goed weten dat bij die drie problemen, de immigratie, de mondialisering en Europa hen nooit om hun mening werd gevraagd. Of als dat een enkele keer toch gebeurde, men geen rekening heeft gehouden met hun stem. En hier mag eraan herinnerd worden dat de stemming in 2005, bij het referendum over het Verdrag van Maastricht, onbetwistbaar een ontstaansmoment voor het populisme in Frankrijk is geworden. Dat was toen al een perfect voorbeeld van het fenomeen populisme. We weten dat alle grote partijen zegden: je moet ja stemmen. Alle waarnemers zegden: je moet ja stemmen. Alle radio- en televisiezenders zegden: je moet ja stemmen. En de peilingen zegden: er is geen probleem, het ja zal het vanzelfsprekend halen.

En dan, tja, werd het neen. Verbijstering alom, afgrijzen, woede, en precies hetzelfde zagen we bij de Brexit en daarna bij de verkiezing van Trump. Tot op het laatste moment heeft iedereen verklaard: het is nogal evident dat er geen Brexit komt, en het kan niet anders dan dat Hillary Clinton wordt verkozen. Ik herinner me dat ik tot nogal laat in de nacht de presidentsverkiezing heb gevolgd, en tot op de laatste minuut, nietwaar, vertelden alle journalisten ons dat er geen probleem was, want Hillary Clinton zou het halen.

Telkens weer zien we dus hetzelfde tafereel, en het onmiddellijke gevolg hiervan is dat de media dan uitbarsten tegen het populisme, en al snel ook tegen het volk. Dat doet me denken aan een uitval van Daniel Cohn-Bendit, die tenminste de verdienste van radicaliteit en openhartigheid had, en die zei: het volk ben ik kotsbeu!
Eigenlijk verwoordde hij daar op een bijzonder brutale manier wat de heersende politieke klasse denkt. Dat volk zijn we kotsbeu, want het wil nooit stemmen zoals we dat van hen verwachten, het lukt ons niet hen achter de heersende ideologie te scharen, en het gaat van kwaad naar erger.
__________
*Bij Livius en Cicero kun je lezen over de eerste secessio plebis (494 aCn), waarbij de plebejers de stad Rome massaal verlieten om zo rechten af te dwingen van het patriciaat.



Alors, j’ai écrit ce livre parce que je me suis aperçu que le mot populisme était désormais entré dans la catégorie des mots qui ont trop servi, c’est-à-dire des mots caoutchoucs en quelque sorte, et c’est devenu un terme, il faut bien le dire surtout péjoratif, et dont l’usage péjoratif interdit en quelque sorte que l’on s’interroge pour en connaître la nature, l’essence.
Mon livre n’est pas du tout un livre en faveur du populisme. D’abords parce que ça ne veut pas dire grand-chose, compte tenu de la diversité des mouvements populistes, mais c’est une tentative qui s’inscrit dans une démarche de science politique, pour savoir, qu’est-ce que c’est le populisme? En quoi c’est une nouveauté. En quoi c’est la résurgence éventuellement d’autre chose ? Vous parliez du boulangisme, qui n’est pas un mauvais exemple de populisme à l’ancienne. C’est ça le fond de ma démarche.
Alors qu’est-ce qu’on peut dire en premier analyse sur le populisme, c’est qu’il est le résultat d’un phénomène qu’on constate depuis longtemps, mais n’a cessé de s’accélérer, c’est l’extraordinaire défiance des classes populaires, et même plus largement d’une grande partie des classes moyennes, envers les élites, qu’elles soient politiques, économiques, financières, sociales ou médiatiques. Les gens n’ont plus confiance, et on le voit dans toute une quantité de scrutins: ils n’y croient plus. On a pu parler de sécession de la plèbe, pour reprendre une vieille expression, c’est un peu cela. Toute une partie de la population, qui n’est pas loin des deux tiers aujourd’hui, prend de la distance vis-à-vis de ce qu’on appelait les partis de gouvernement, c’est-à-dire les vieux partis politiques, et puis fait savoir qu’il n’en veut plus.
Alors il y a à cela évidemment plusieurs raisons. L’une de ces raisons c’est ce qu’on a appelé la crise de la représentation, c’est-à-dire le fait que le peuple considère qu’il n’est plus représenté par les élites, que les élites ont en quelque sorte confisqué le pouvoir à leur propre profit, en fonction de leurs seuls intérêts, et puis que eux sont marginalisés.
Un autre élément très important a été le recentrage prodigieux du programme. Les sondages montrent que depuis trente ans, le nombre de gens qui ne voient plus, qui ne comprennent plus qu’est ce qui sépare les partis de droite et les partis de gauche, n’a cessé d’augmenter. Il est aujourd’hui de l’ordre de quatre-vingt pourcent, hein. Alors, même si c’est masqué à la faveur de certains scrutins, notamment d’élections présidentielles, qui créent une bipolarisation de type assez classique, il n’empêche que les gens ne voient plus très bien la différence entre les partis de droite et les partis de gauche, que ces partis sont eux-mêmes confrontés à une des grandes crises d’identité, que l’on voit très bien dans les partis de droite et les partis de gauche à l’heure actuelle. Regardez les débats à l’intérieur de la primaire du parti socialiste, par exemple.
Un troisième élément très important a été que ces dernières décennies nous avons assisté à des phénomènes extrêmement importants de transformation de la vie quotidienne des gens, de phénomènes d’une grande ampleur. Je pense à trois phénomènes principaux. Évidemment, d’une part la question de l’immigration, d’autre part la mondialisation, et troisièmement les conséquences de la construction européenne.
Alors il y a eu dans ces trois occurrences un discours consensuel et ronronnant, c’est-à-dire que on nous a expliqué successivement que l’immigration était une grande chance pour la France, que la mondialisation serait heureuse, et que l’Europe allait apporter une solution à la plupart des problèmes. Et puis les gens, dans leur vie quotidienne, ont constaté que ce n’était pas exactement ça. Que l’immigration engendrait quand même un certain nombre de pathologies sociales, des problèmes d’insécurité, auxquelles les classes populaires étaient directement confrontées, problèmes qui s’étaient évidemment encore aggravés avec la montée de l’islamisme politique, du djihadisme, les attentats etcetera, et qui ont créé le climat que vous connaissez. La mondialisation pour la plupart des gens s’est traduite par d’abord une rigueur budgétaire qui a pesé lourdement, à la fois sur les salaires, sur les modes de vie, sur le niveau de pouvoir d’achat, avec le phénomène des délocalisations, avec la mise en concurrence brutale des travailleurs européens avec des mains-d’œuvre de pays exotiques travaillant pour des sommes absolument dérisoires, et enfin l’Europe qui devait être une solution à une foule de problèmes, s’est avérée être un problème supplémentaire. Ce qui fait qu’aujourd’hui l’Europe – ce que je trouve triste d’ailleurs – l’Europe est considérée comme une sorte de repoussoir.
Or sur ces trois problèmes, que sont l’immigration, la mondialisation, et l’Europe, eh bien, les gens voient bien qu’on ne les a jamais consultés. Et que les rares fois où ils ont été consultés, on n’a pas tenu compte de leur vote. Et c’est là qu’il faut rappeler que, un point de départ du populisme en France a été incontestablement en 2005, le vote sur le referendum sur le traité constitutionnel européen, qui était déjà le modèle parfait du phénomène populiste. C’est-à-dire que tous les grands partis disaient: il faut voter oui. Tous les grands journaux disaient: il faut voter oui. Tous les observateurs disaient: il faut voter oui. Toutes les chaînes de radio-télévision disaient: il faut voter oui. Et les sondages disaient: il n’y a pas de problème, le oui va évidemment l’emporter. Et là-dessus, eh bien, c’est non. Et stupeur, effroi, fureur, et c’est exactement le même phénomène que l’on a vu se reproduire avec le Brexit, puis avec l’élection de Trump. Jusqu’au dernier moment tout le monde a dit: c’est évident, le Brexit ne se fera pas, Hillary Clinton devra être élue. Je me souviens d’avoir suivi l’élection présidentielle assez tard dans la nuit du vote. Jusqu’à la dernière minute, n’est-ce pas, tous les journalistes qui étaient là nous disaient, il n’y a pas de problème, c’est Hillary Clinton qui l’emporte.
Donc, à chaque fois, on retrouve ce même phénomène, et la conséquence immédiate de ce phénomène c’est un déchaînement médiatique, contre le populisme, et en fait très vite contre le peuple. Je me souviens de l’apostrophe de Daniel Cohn-Bendit, qui avait au moins le mérite de la radicalité et de la franchise et qui disait : y en a marre du peuple!
Et au fond il disait de manière très brutale ce que pense la classe politique dominante. C’est-à-dire que le peuple, y en a marre, parce que le peuple il ne vote jamais comme on attend qu’il vote, on n’arrive pas à le rallier à l’idéologie dominante, et le phénomène a augmenté en proportion.

26 januari 2017

Die vlieger gaat niet meer op


Alain de Benoist is een naam die sinds kort ook in deftige programma’s mag vallen – ik hoorde hem recent nog in een Trio, bij Klara. Gewoonlijk noemt men hem ‘nieuwrechts’, wat dat ook moge betekenen want als je een goede kritiek op het kapitalisme wil lezen kun je bij hem wel terecht.
Hieronder heeft hij het in een vraaggesprek over het onderscheid links-rechts, over populisme, over het Franse socialisme – dat water maakt en zelfs aan het zinken is – en ik pik er drie minuten uit. De vraag waarop de Benoist antwoordt, luidde: kunnen we spreken van een verrechtsing van de bevolking?

Meer bepaald wat betreft zeden en gewoonten meen ik niet dat er speciaal van een verrechtsing sprake is. Ik geloof niet dat de mensen zich hoe langer hoe minder interesseren voor de sociale kwesties, die vaak veeleer aan de linkerzijde toevielen. Eerder denk ik dat wij de gevolgen voelen – ik heb dit element niet behandeld [in mijn boek] maar voor het ontstaan van het populisme is het van kapitaal belang: het is de kloof die men heeft gecreëerd tussen de linkerzijde en het volk. 
Historisch werd links altijd verondersteld het volk, te weten de verdrukten, het proletariaat, beter te verdedigen dan wat rechts liet zien. Dat was in een bepaalde periode ook zo maar vandaag zien zij, het is niet anders, dat volk elders heenlopen. De voormalige kiezers van de Communistische Partij – die enkel nog een schim is – stemmen nu grotendeels voor het Front National, en klassiek links heeft gekozen voor een andere ideologie dan het socialisme, en wel voor een soort van libertair sociaalliberalisme – de hersenspinsels of grillen van nu de enen, dan weer de anderen, het neofeminisme, de hedendaagse kunst, de strijd tegen alle mogelijke discriminaties en zoveel meer: allemaal zaken waar de gewone man geen moer om geeft. De individuele vrijheden zijn in de plaats gekomen van de verdediging van het proletariaat, het thema van de klassenstrijd enzovoort.
Links heeft zich met andere woorden in groten getale achter het marktprincipe geschaard, achter de markteconomie, en per slot van rekening koestert het zich op zijn gemakje in een soort liberaal maatschappijbeeld. Zo treedt de strategie in werking die voor een paar jaar, in 2011 was het meen ik, werd voorgesteld door de fameuze studiegroep Terra Nova, die stelde dat gezien de ontwikkelingen en de huidige tijdsgeest, de Socialistische Partij haar traditioneel kiespubliek moest laten varen, de ambtenaren dus, de arbeiders, de gewone man, ten voordele van de bobo’s, de immigranten en de vrouwen. Zo zat men op de lijn van de ontwikkelingen bij de Amerikaanse Democraten.
En zo is de kloof uitgediept. Het volk herkent zich niet meer in links, en links hoort liever niet te veel meer praten over het volk. En dat is in die mate waar, dat je de kritiek hoort aanzwellen telkens als de bevolking een andere stem uitbrengt dan wat links van hen verwacht. Men levert kritiek op referenda – de manier waarop David Cameron werd bekritiseerd omdat hij ongelukkigerwijs zijn landgenoten heeft willen raadplegen over een toch wel belangrijke zaak, te weten de Brexit – en je merkt ook dat er meer en meer kritiek loskomt.
Je mag wel zeggen dat deze mensen nooit een les trekken uit een stembusresultaat, en nooit de vraag in overweging nemen: wat wil het volk eigenlijk? Terwijl dit, laten we daar even aan herinneren, in een democratie de constituerende macht is. In plaats daarvan beraden zij zich over een manier waarop men eventueel zou kunnen regeren buiten het volk om. Dat valt onder wat men “beheer” is gaan noemen. We zien vandaag zelfs dat de kritiek op het algemeen stemrecht uitbreiding neemt, klaarblijkelijk met als doelstelling een soort censuskiesstelsel in ere te herstellen, wat alweer zou toelaten zich van het volk los te werken. Bon. En die ingesteldheid, wel, die vlieger gaat niet meer op.


(na 18'15" in het programma) Sur le plan des mœurs en particulier, je ne crois pas qu’il y ait tellement une droitisation. Je ne crois pas non plus que les gens s’intéressent de moins en moins aux questions sociales, qui étaient parfois plutôt situées à gauche. Je crois plutôt que l’on subit les conséquences – c’est un facteur que je n’ai pas évoqué mais qui est absolument capital dans la formation du populisme : c’est le fossé qui s’est créé entre la gauche et le peuple. La gauche historiquement est toujours prétendue défendre le peuple, lequel est les couches dominés, le prolétariat, les classes populaires mieux que ce que faisait la droite, ce qui était vrai à une certaine époque, et aujourd’hui, eh bien, elle les voit filer ailleurs. Les anciens électeurs du parti communiste – qui n’est plus qu’une ombre – votent maintenant essentiellement pour le Front National, et la gauche classique a fait le choix d’une autre idéologie que celle du socialisme, qui est celle d’une sorte de social-libéralisme libertaire, où les droits individuels – les fantasmes ou les caprices des uns et des autres, le néo-féminisme, l’art contemporain, la lutte contre toutes les discriminations, et toutes ces choses-là : toutes choses dont le peuple se fiche totalement – ont remplacé la défense du prolétariat, le thème de la lutte des classes etcetera.
En d’autres termes, la gauche dans ses plus gros bataillons s’est ralliée au système du marché, à l’économie du marché, et finalement s’ébroue à son aise dans un certain libéralisme sociétal. C’est la mise en œuvre de la stratégie qui a été proposée il y a déjà quelques années, 2011 je crois, par la fameuse association Terra Nova, qui avait dit que, compte tenu de l’évolution des choses, de l’air du temps, le Parti Socialiste devait abandonner son électorat traditionnel, c’est-à-dire les fonctionnaires, les travailleurs, les couches populaires, au profit des bobos, des immigrés, des femmes. C’était un alignement sur l’évolution du parti Démocrate américain. Donc le fossé s’est creusé. Le peuple ne se reconnaît plus dans la gauche, et la gauche ne veut plus tellement entendre parler du peuple. Et c’est si vrai que chaque fois que le peuple vote autrement que ce qu’en attend la gauche, on voit enfler les critiques. Critique du référendum – la façon dont David Cameron a été critiqué pour avoir eu le malheur de vouloir consulter ses compatriotes sur une question, qui est quand même importante hein, à savoir le Brexit – on voit se multiplier les critiques. C’est-à-dire que ce sont des gens qui ne tirent jamais la leçon des votes, qui ne se disent jamais : au fond que veut le peuple? Qui est dans une démocratie, il faut le rappeler, représente le pouvoir constituant, mais qui s’interrogent sur la façon dont on pourrait en quelque sorte gouverner sans le peuple. C’est le thème de ce qu’on a appelé la gouvernance. On voit même à l’heure actuelle se multiplier les critiques contre le suffrage universel, l’objectif étant en toute évidence de restituer une sorte de suffrage censitaire, qui permettrait là encore de déconnecter le peuple. Bon. Et cette situation, eh bien c’est la situation qui ne marche plus.

24 januari 2017

Mosselen en zeevruchten


Vandaag besteden we aandacht aan een wat moeilijker woord, dat niet overal en alvast niet door alle journalisten en zelfs niet door hun hoofdredacteurs(-trices) goed begrepen wordt. Het gaat om ‘generiek’ of ‘generisch’, een term afkomstig van het Latijnse ‘genus; generis’: soort, aard, slag (zoals in: cuiusque generis homines: mensen van alle slag, een mooie mix zoals dat tegenwoordig heet).
Het is een verbredende term die een 'categorie' omschrijft: ‘de mens’ bijvoorbeeld, maar niet één individuele mens.
Zoals de scholastici ons echter leerden, mag iets als ‘de mens’ of ‘het paard’ al of niet bestaan, maar: áls die categorieën een echt bestaan leiden, dan in geen geval op de manier dat een mens of een paard bestaan. Sommigen beschouwden het gebruik van een algemene, omvattende term zelfs als een ‘flatus vocis’, een wind van de stem. We gaan hier kiesheidshalve niet op in, al ontsnappen universalia iedereen wel eens.

Laten we, om het eenvoudig te houden bij de lagere dieren blijven. Mosselen en oesters kunnen we eventueel aanduiden met de generieke term ‘zeevruchten’, maar ook kokkels, venusschelpen, platschelpen, kamschelpen, jakobsschelpen, steenmosselen, kreukels, wulken en kinkhoorns vallen eronder. En al zitten ze niet zoals de bovengenoemde lekkernijen onder een even harde schelp: ook garnalen, zwemkrabben, spinkrabben, gewone krabben, langoesten, langoustines, kreeften, zee-egels en zeesprinkhanen bedoelen we als wij de generieke term ‘zeevruchten’ gebruiken.
De gewone man heeft geen probleem met die universalia. Een Brusselaar die net twaalf moules parquées naar binnen heeft gespeeld, zal aan de garçon niet zeggen dat hij zijn schotel fruits de mer excellent vond. Hij heeft enkel mosselen gegeten en daarmee uit. Overigens, als u mij deze digressie toestaat, kon je lang geleden ook in Gent moules parquées vragen, in café Den Turk bijvoorbeeld, maar nu zie je ze hier nergens meer.
Maar om terug te keren tot de kwestie van dat ‘generiek’: als een hoofdredactrice zegt dat ‘vluchtelingen’ een generieke term is voor ‘migranten’, ‘illegalen’, asielzoekers of weet ik veel, dan heeft ze het slecht voor. Met ‘zeevruchten’ worden bijvoorbeeld ook geen haringen of kabeljauwen, tongen, tarbotten of wijtingen aangeduid, al leven die ook in de zee.
Maar misschien bedoelde ze een alternatieve betekenis te construeren?
De termen ‘alternatief’ en ‘constructief’ vallen helaas buiten het bestek van deze les. Misschien kunnen we het er later nog eens over hebben, intussen dit al:
– Alternatief: eveneens van het klassieke Latijn, afgeleid van het supinum ‘alternatum’ (van alternare), afwisselen; ook: om beurten iets doen, zeggen of zingen.
– Constructief: van het laat-Latijnse constructivus: geschikt om er iets mee te bouwen.

20 januari 2017

Een grapje dat veel verraadt


Christophe Barbier is redactiedirecteur van het Franse blad L’Express, in 1953 gesticht door Jean-Jacques Servan-Schreiber en Françoise Giroud, twee grote namen in die tijd. Het behoort tot de kapitaalgroep waaronder ook Libération ressorteert.
Bon, laten we nog een paar prestigieuze namen noemen die in L’Express geschreven hebben: Camus, Malraux, Mendès-France, Arrabal, Mauriac, Mitterrand, Françoise Sagan, Aron, Sartre, Pierre Salinger. Die namen zijn ook hier nog bekend, hopelijk.



Het blad had eerst een uitgesproken socialistisch profiel, maar schoof geleidelijk naar een – wat mij betreft hypothetisch – ‘midden’, en vandaag omschrijft hun redactiedirecteur L’Express als volgt: « ni de droite ni de gauche, il est au-dessus de la mêlée ». Over een tegenstelling links-rechts willen ze dus niets meer horen.

De redactiedirecteur ziet blijkbaar wel een nieuwe tegenstelling: die tussen de sociale media en de echte, gevestigde, met andere woorden goede media. Eigenlijk moesten die sociale media aan banden worden gelegd, vindt Barbier. Hij pleit voor censuur, en waarachtig niet alleen hij: vele journalisten en andere weldenkenden doen dit al langer dan sinds gisteren of vandaag. Er zijn voorbeelden te over. Wat vertelde Barbier nu op de Franse tv-zender BMF?

Hij begon met: “Het internet is geen no man’s land. Men kan zaken juridisch bevechten.” Dit lijkt me onbetwistbaar, en het gebeurt ook, maar Barbier raakt wat in verwarring: “Internet is een gebied waar straffeloosheid heerst, want het ontploft in alle richtingen.” Hoe Barbier zich “un champ d’impunité” voorstelt waar niettemin juridisch ingegrepen kan worden, is wellicht enkel voor hemzelf duidelijk. Hij wordt nu gelukkig wat concreter: “Maar het internet kan wel degelijk in goede banen worden geleid… onder ons gezegd: de Chinezen slagen daar wel in! En als dictaturen het kunnen, dan moeten evengoed ook de democratieën zich inspannen om op het internet de wet te laten respecteren.”

Nu valt niet uit te sluiten dat deze roekeloze bekentenis van hem samenhangt met de slechte cijfers van L’Express. Tussen 2014 en 2015 ging hun oplage met 16,5 procent achteruit: op een jaar tijd haakte een van elke zes lezers af.

Le poison de la jalousie, inderdaad.

11 januari 2017

Post-truth in 1773


De lexicograaf Samuel Johnson hield in Londen een of twee keer per week een literary club in de Mitre Tavern. Ongeveer zoals men in die tijd in Parijs salons had, maar in deze club ging het zonder vrouwen. Er werd veel portwijn gedronken, en men sprak over alle onderwerpen. Soms had men het blijkbaar ook over wat wij nu samen met de Oxford English Dictionary 'post-truth' mogen noemen, al zou in Johnson's Dictionary een dergelijk Amerikaans woordbrouwsel nooit zijn weg hebben gevonden. Johnson hield het nog bij woorden die echt iets betekenen. 
In tegenstelling tot onze dagen verschenen er toen ook in de mainstream media veel verdraaiingen en leugens, in de grote kranten en tijdschriften. Niet enkel in roddelblaadjes dus, zoals tegenwoordig in de sociale media zegevierde de leugen met af en toe een harde waarheid ertussendoor
Wie vaak liegt  of belangrijke zaken verzwijgt, zeg ik erbij  wordt ongeloofwaardig. We lezen bij Johnson's biograaf, de Schotse advocaat James Boswell volgend gesprek:*

Goldsmith.** "There are people who tell a hundred political lies every day, and are not hurt by it. Surely, then, one may tell truth with safety." Johnson. "Why, Sir, in the first place, he who tells a hundred lies has disarmed the force of his lies. But besides; a man had rather have a hundred lies told of him, than one truth which he does not wish should be told." Goldsmith. "For my part, I'd tell truth, and shame the devil." Johnson. "Yes, Sir ; but the devil will be angry. I wish to shame the devil as much as you do, but I should choose to be out of the reach of his claws." Goldsmith. "His claws can do you no harm, when you have the shield of truth.

Goldsmith. “Er zijn mensen die elke dag honderd politieke leugens verkopen en daarmee wegkomen. De waarheid vertellen moet dan wel volkomen gevaarloos zijn.” Johnson. “Wel, eerst en vooral, Sir, haalt diegene die honderd leugens vertelt het effect van zijn leugens onderuit. En wat meer is: een mens heeft liever dat men honderd leugens over hem vertelt, dan die ene waarheid die hij niet graag hoort vertellen.” Goldsmith. “Wat mij betreft, ik zou de waarheid zeggen en aan die duivelse bekoring weerstaan.” Johnson. “Juist Sir. Maar de duivel zal boos worden. Niet minder dan u wens ik aan de verleiding te weerstaan, maar toch zou ik proberen uit zijn klauwen te blijven.” Goldsmith. “Zijn klauwen kunnen geen kwaad doen aan wie het schild van de waarheid bezit.”
________
* in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd.– Everyman’s Library n°1, deel I, p. 460.
** De Ier Oliver Goldsmith (?1730-1774) kennen we nog van The Vicar of Wakefield (1766). Hij was goed bevriend met Samuel Johnson.

[van links naar rechts: James Boswell, Samuel Johnson, Joshua Reynolds, David Garrick, Edmund Burke, Pasquale Paoli, Charles Burney, Thomas Warton en Oliver Goldsmith]

6 januari 2017

Over valse nederigheid


De paniek slaat overal toe bij de redacties, ook bij Le Monde, maar van goede voornemens is nog niet veel te merken:

La généralisation de la norme post-vérité nous concerne d’abord nous, journalistes et professionnels des médias, européens autant qu’américains, asiatiques ou africains, parce qu’elle a fondamentalement bouleversé l’environnement dans lequel nous travaillons et les valeurs sur lesquelles nous nous appuyons. À la base du travail des médias se trouvent les faits, qu’ils sont censés rapporter et, ensuite, commenter. Les faits concourent à établir la vérité. Dans ce contexte, il arrive aux médias de faire état de faits erronés ; en principe, ces erreurs sont involontaires et font l’objet de corrections.
Dans l’ère de l’information post-vérité, aussi appelée «post-faits», la vérité n’est plus toujours la valeur de base. Les faits ne sont plus fondamentaux.

Zoiets verdient naast een vertaling ook enige [duiding]:

Dat “de waarheid voorbij” (post-vérité, post truth) gemeengoed en norm is geworden, gaat in de eerste plaats ons als journalisten en mediaprofessionals aan, of we nu Europeanen zijn, Amerikanen, Aziaten of Afrikanen. [Op een paar continenten na de hele wereld dus. Je heet natuurlijk niet voor niets Le Monde] Onze werkomgeving en de waarden waarop wij steunen zijn hierdoor immers grondig dooreengeschud. Voor de media dienen de feiten als grondslag, en deze worden zij verondersteld te rapporteren, en vervolgens van commentaar te voorzien. [Meestal is de commentaar als eerste persklaar, en geeft men vervolgens spaarzaam enkele feiten die daarbij passen. Andersoortige feiten moeten helaas vaak wegvallen, vermoedelijk wegens plaatsgebrek. Daarom ook is de Duitse term gatenpers, Lückenpresse veel accurater dan leugenpers, Lügenpresse, wat je vanzelfsprekend ook vaak leest. Carrément liegen lukt tegenwoordig niet meer zo goed, door de sociale ...controle. En de recente maar helaas lachwekkende redactionele uitvinding van de fact checkers die je nu overal ziet, onder druk van die externe controle, heeft daar niet veel aan veranderd] Feiten helpen de waarheid achterhalen. Wat dit betreft overkomt het de media dat zij verkeerdelijk iets als feit melden; in principe zijn die vergissingen onvrijwillig en worden zij rechtgezet. [Een nederigheid die we tot voor kort niet gewoon waren, al ben ik van die onvrijwilligheid niet altijd overtuigd. Maar inderdaad, Ignorance, Madam, pure ignorance, om met Dr Johnson te spreken, kan vaak veel verklaren. Belangrijk natuurlijk bij dat rechtzetten of corrigeren is de timing. Komt een rechtzetting laat genoeg, dan is het oorspronkelijke doel immers al bereikt en kan het geen kwaad meer. Denken we bijvoorbeeld aan de leugens rond Timișoara, rond de couveuses van Koeweit, of aan de propaganda die tot de bombardementen op Libië leidde. De onvermijdelijke rechtzettingen waren toen perfect getimed en de oorlogen konden rustig gevoerd worden. En er zijn wel meer voorbeelden te geven.]
In het post-waarheid-, of zoals men het ook noemt het «post-feiten»-tijdperk, is de waarheid niet altijd meer de basiswaarde. Feiten zijn niet langer fundamenteel.

[Wanneer eigenlijk waren ze dat wél, Le Monde?]


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html