21 juli 2012

Mieux vaut un sage ennemi, qu'un ignorant ami

.
Vandaag overleed in Duitsland de Amerikaans-Ierse politiek journalist Alexander Cockburn. Hij werd 71 en was al een tijd ziek. Cockburn schreef jarenlang onder meer voor The New York Review of Books, Esquire, Harper's, The Nation, The Wall Street Journal, de New Statesman.

Dat is indrukwekkend genoeg, maar bij schaakspelers was hij om een nog andere reden bekend. Cockburn schreef namelijk in 1975, drie jaar na de IJslandse match Spassky-Fischer, een geweldig goed boek tégen het schaakspel. Hij was het duidelijk eens met Edgar Allan Poe, die het spel ook vijandig gezind was. Poe vond dat schaakspelers mensen waren die ingewikkeldheid verwarden met diepzinnigheid. Cockburn vond het schaakspel een autoritaire en tegelijk kinderachtige bezigheid, en een verkapte vorm van zelfmoord.
.
Dat lezen schaakspelers graag, want velen onder hen zijn aan hun spel wel verslaafd, maar daarom beminnen ze het nog niet. Winnen doen ze wél allemaal graag, en in die beperkte zin houden ze van het spel natuurlijk, maar de heilige Augustinus zou hier wellicht van een verwerpelijk libido dominandi gesproken hebben. Alleszins kwam het spel in het Aards Paradijs nog niet voor, aangezien je er twee mannen voor nodig hebt. Het bleef daar bij tuinieren.
.
Nederland is een echt schaakland, en dus verscheen er bij de Wetenschappelijke Uitgeverij in Amsterdam nog in hetzelfde jaar een vertaling van “Idle Passion” : “Loze Passie. Schaak en de Dans des Doods .”
Ik fotokopieerde toen direct het Woord Vooraf van J-H Donner. Grootmeester Donner was de grootste schrijver onder de schakers en de grootste schaker onder de schrijvers. Een stilist zonder weerga. Hier een paar paragrafen uit zijn inleiding toen:

Alexander Cockburns interesse voor het schaakspel en deszelfs beoefenaars komt vanuit de blikrichting van de psychoanalytische theorie.
Dat is zeer goed te begrijpen. De schaker bevindt zich in zijn spel in een pre-verbale, een voorwoordelijke wereld. Zijn activiteit is gereduceerd tot het snuffelend-graaiend zien. Voor de psychoanalyticus is dat de wereld van het pasgeboren kind, de zuigeling die om zijn moeder krijt. In die wereld gelden andere deugden en ondeugden, en voor het spelen van een goede partij schaak zijn andere kwaliteiten vereist dan voor het voeren van een oppassend leven. Alles waarover het psychoanalytische jargon beschikt aan negatieve kwalificaties wordt dan ook door Cockburn in stelling gebracht om de diepe verwerpelijkheid van het schaakspel aan te tonen, een bezigheid vol lediggang waarvoor hij geen sympathie zegt te hebben. [...]
Voor een kleinigheid moet de lezer gewaarschuwd worden. Niet alles wat deze schrijver vertelt over de verschillende grootmeesters die hij de revue laat passeren, is strikt genomen geheel in overeenstemming met de werkelijkheid. Aljechin was niet vijf keer getrouwd ‘waarvan minstens drie maal met een vrouw vijfentwintig jaar ouder dan hijzelf’, en Steinitz heeft nooit ‘God uitgedaagd onder voorgave van pion en zet’. In feite zijn dit legenden die sinds jaar en dag de ronde doen in de schaakwereld en daarom doet het er van psychologisch standpunt weinig toe of ze nu letterlijk waar zijn of niet: dát zulke verhalen rondgaan over schakers is op zichzelf al veelzeggend genoeg. Dit is ook het standpunt van Norman Reider in zijn kleine maar zeer interessante studie Chess, Oedipus and the Mater Dolorosa –ook door Cockburn uitvoerig vermeld– waarin de diverse ontstaansmythen van het schaakspel verzameld en vergeleken worden.
Reider vond dat het merendeel van die mythen draait om het archetype van de ‘mater dolorosa’. Een koninklijke moeder wier zoon is gestorven of een prinses wier gemaal in de slag is gevallen, vinden in hun onuitsprekelijke smart troost in een spel dat voor die gelegenheid is uitgevonden door Sissa (die dan als beloning de bekende 264 –1 graankorrels vraagt).
Geen psycholoog kan aan de betekenis van die vondst voorbijgaan. Is het schaakspel een uiteenzetting tussen een man en zijn moeder? Vanwaar haar verdriet? Heeft zij hém verloren? Hoewel Cockburn nog te veel Freudiaans is om het Oedipus-complex te laten vallen, de gedachten moeten wel in die richting gaan.
Ontzet door de grondeloosheid van zijn geworpenheid, geërgerd door de oninzichtelijkheid van de werkelijkheid, verbijsterd door het hoge toeval van de dood zoekt de schaker een wereld waarin hij zelf de grond is van zijn handelen, een spel dat inzichtelijk is en geen toeval kent. Het is de ontzaglijke onwil die hem in een ander universum drijft, terwijl het leven wenend achterblijft. Zo is het schaakspel geworden tot wat het is: een ritueel, waarvan de geschreven geschiedenis meer dan duizend jaren teruggaat, kunst, wetenschap en godsdienst tegelijk.

Idle Passion
Chess and the Dance of Death
The Village Voice/Simon and Schuster
1975, New York, $7.95
.

2 opmerkingen:

renevers zei

Eigenlijk is in Nederland voor mij geen betere schaakschrijver geweest dan Hans Ree. Die kon zich 100 procent precies uitdrukken en in weinig woorden. Hij heeft ook niet veel geschreven, maar wat hij geschreven heeft is zeer de moeite waard, vooral de anekdotes over andere schakers.

Marc Vanfraechem zei

Ree is ook een grote auteur, columnist &c. Geen haar op mijn hoofd zou iets ander denken, en ik heb hem hier ook al opgevoerd.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html