Posts tonen met het label cafés. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cafés. Alle posts tonen

17 mei 2023

Dat verdiende een streep!

.

Wie boeken leest weet op den duur een en ander. Dat is zo, zelfs als je die boeken op café leest. Bij merkwaardige zinnen of paragrafen zet je dan – precies  zoals thuis, dat maakt geen verschil – potlood-streepjes in de marge zodat je die merkwaardigheden later terugvindt. Natuurlijk, te veel streepjes zetten is slecht want dan vind je later niks meer terug. Dan had je net zo goed geen streepjes kunnen zetten.

Nu zit je in een café niet alleen, en deze namiddag zat twee meter verderop een stamgast zijn gazet te lezen. Hij zette daar geen streepjes in, maar zei plots tegen zijn compagnon: ‘Tegewoordig ...aos t’er iene omverre gereeje wordt mee de velo, stoat dad in de gazet, hé!’

Wat een geluk dat je in Disneyland Gent soms nog een deftig woord Gents verneemt!


12 februari 2022

Over het nut van cafés

.

Het boek hiernaast is een nachtmerrie voor uitgevers. John Aubrey (1626-1697) schreef het, al is dat veel gezegd want wat hij produceerde waren losse, haastig geschreven papiertjes. Zijn oudheidkundige studiën in Oxford had hij niet kunnen afmaken, achtervolgd door schuldeisers, maar zijn belangstelling voor het onderwerp bleef.

In Brief Lives geeft hij heel korte levensbeschrijvingen van auteurs en wetenschappers, tijdgenoten of die kort voor hem leefden. Om er enkele te noemen: Francis Bacon, Edmund Halley, William Shakespeare, Sir Walter Raleigh, Andrew Marvell, Richard Napier, Ben Jonson, René Descartes, Edward de Vere, Jean Baptiste Colbert, Desiderius Erasmus, John Milton enzovoort: meer dan honderd. Hij bedoelde niet deze uit te geven,* maar een vriend van hem, Anthony Wood, professor oudheidkunde (antiquary) in Oxford, vond dat het moest. 

Aubrey stuurde hem zijn materiaal en vrac, en in een brief verontschuldigt hij zich voor de vele slordigheden, weglatingen enzovoort en vraagt dat ze gecorrigeerd worden. 
Én hij wijst op de onvervangbare rol van cafés (een nieuwigheid toen)** als het gaat om het verzamelen van materiaal:  


'Brief Lives,' chiefly of Contemporaries,
set down by
John Aubrey, between
the Years 1669 & 1696

          To my worthy friend Mr. ANTHONIE à WOOD,
          Antiquarie of Oxford.

1680

  SIR!

I have, according to your desire, putt in writing these minutes of lives tumultuarily, as they occurr'd to my thoughts or as occasionally I had information of them. […]
'Tis a taske that I never thought to have undertaken till you imposed it upon me, sayeing that I was fitt for it by reason of my generall acquaintance, having now not only lived above halfe a centurie of yeares in the world, but have also been much tumbled up and downe in it which hath made me much knowne; besides the moderne advantage of coffee-howses in this great citie, before which men knew not how to be acquainted, but with their owne relations, or societies. […]
When I first began, I did not thinke I could have drawne it out to so long a thread.
___________
* Aubrey beschreef zich als 'een wetsteen, niet in staat om zelf te snijden': cos exors ipse secandi.
** Hij betreurde echter dat de rector van de school waar hij Latijn leerde, 'a proper man and a good fellow', niettemin het tapgat van een vat bier dat hij gebrouwen had gewoonlijk afsloot met een stuk perkament uit een oud manuscript. He said nothing did it so well: which methought did grieve me then to see. [...] and perhaps in the library we might have found a correct Pliny's Natural History, which Camitus, a monk here, did abridge for King Henry the Second.


29 januari 2017

Fransen, Schotten en Engelsen


Dr Johnson had niet het aangenaamste karakter, dat is algemeen bekend. Vooral over Schotten en Fransen kon hij lelijk doen. Frankrijk lag er bijvoorbeeld slordig bij, want al had landschappelijk gesproken God meer zijn best gedaan voor Frankrijk dan voor Schotland: de Fransen zelf hadden minder voor hun eigen land gedaan dan de Schotten. Die Schotten hadden er tenslotte nog van gemaakt wat ervan te maken viel.
Dit gezegd: Johnson was wel een man die graag een café bezocht, en zo iemand kan niet helemaal slecht zijn. Helaas verboden de dokters hem wijn en bier, en werd hij een waterdrinker. Spijtig. Eerst een verslagje van hem uit Parijs, toen nog geen lichtstad:

De winkelzaken in Parijs zijn armzalig; het vlees op de markten is van een kwaliteit die we in Engeland voor de gevangenissen zouden bestemmen, en Mr. Thrale merkte terecht op dat hun keuken de Fransen was opgedrongen door pure noodzaak, want hun vlees konden ze niet eten of ze moesten er eerst wat smaak aan geven. De Fransen zijn een ruw volkje, om het even op welke plaats spuwen ze maar. Ten huize van Madame ****, literair een grote bekendheid, nam de tafelknecht de suiker met zijn vingers en gooide hem in mijn koffie. Ik zou die hebben laten staan, maar hoorde dat hij speciaal voor mij was gezet, en ik proefde toen zelfs Tom zijn vingers.

Maar nu zijn we weer in Engeland, en Boswell vertelt:

We dineerden in een excellente gelegenheid in Chapel-house, waar hij uitweidde over het geluk dat Engeland had met zijn herbergen en eethuizen, en hij prees zich zalig naast de Fransen die geen caféleven met enige verfijning kenden. ‘Er is niet één particulier huis, (zei hij) waar mensen het evenzeer naar hun zin hebben als in een voortreffelijke herberg. Laat er nog zo’n overvloed aan lekkere dingen zijn, en zo’n grandeur, en zo’n elegantie, en zo’n ijver om iedereen op zijn gemak te stellen; het ligt niet in de aard der dingen: altijd zal er een bepaalde zorg en ongerustheid overblijven. De gastheer doet zijn best om de gasten te onderhouden, de gasten doen hun best om hem te behagen, en niemand kan, of hij zou een onbeschaamde hond moeten zijn, in andermans huis vrijelijk bestellen wat de ander zoal in huis heeft, alsof hij in zijn eigen huis was. In een herberg daarentegen heerst de algehele zorgeloosheid. Dat je welkom bent, weet je zeker: en hoe luidruchtiger je bent en hoe meer je je laat gelden, en hoe meer lekkers je bestelt, hoe welkomer je bent. Geen huisknecht zal je bedienen met hetzelfde enthousiasme als dat van kelners, hiertoe aangezet door het vooruitzicht op onmiddellijke beloning naarmate ze je bevallen. Nee mijnheer, de mens heeft tot nog toe niets kunnen verzinnen dat zo veel plezier verschaft als een goede herberg of café.’ En daarna declameerde hij met grote ontroering de regels van Shenstone:
Elkeen die in het leven
Zijn saaie rondjes heeft gedraaid
Op welke scene maakt niet uit
Mag met een zucht bedenken
Dat het in een herberg was
Waar hij het warmste welkom vond

James Boswell, The Life of Dr. Johnson; A.D. 1776
in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts
lately Master of Pembroke College, Cambridge
1958, J.M. Dent & Sons Ltd
Everyman’s Library n°1, deel I, pp. 586 en 619-20

6 februari 2014

Een waar woord


Benoît Poelvoorde beveelt in een prachtig promospotje de cafés van Bergen aan, en hij heeft groot gelijk. In die mate gelijk zelfs, dat ik geneigd ben om aan zijn uitspraak een algemene, universele draagwijdte toe te kennen:

Il faut qu’il y aient encore des vieux dans les cafés. Les plus beaux cafés, hein, c’est quand il y a encore des vieux. Ça il faut, je peux te le dire. Bon, il faut prendre …toujours pour choisir un café, si tu vois encore des vieux au bar, ou à une table en train de lire un journal: Rentre! S’il n'y a pas de vieux, c’est mauvais signe.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html