8 juli 2020

Geen peis en vree in Frankrijk


Een nieuwe regering vormen is goed en wel, en in Frankrijk gaat dat snel met hun republikeinse monarchie, maar ook daar lijkt nog niet alles koek en ei.

Het grootste syndicaat van de Franse magistratuur, USM (Union syndicale des magistrats) is verontwaardigd over de benoeming als Grootzegelbewaarder (minister van justitie) van de linkse advocaat (soms ook acteur) Éric Dupond-Moretti.

Céline Parisot, voorzitter van dat syndicaat* liet het volgende weten: ‘De benoeming van een figuur die zoveel verdeeldheid zaait, en magistraten in die mate veracht, is een oorlogsverklaring aan de magistratuur.’

Er liggen weer mooie debatten in het verschiet!

__________
* Ik wist niet eens dat magistraten ook syndicaten hadden.

2 juli 2020

Fillon moest hangen


De commentaren en vooral de terzijdes van advocaat Régis de Castelnau bij wat er omgaat in de Franse gerechtelijke wereld zijn vaak grappig.

Zo is er de affaire François Fillon, ex-premier en favoriet bij de laatste presidentsverkiezingen, die uitgeschakeld werd via een in-staat-van-beschuldiging-stelling waarbij verwonderlijk grote haast werd gemaakt. De betaalde job die hij zijn vrouw Penelope had bezorgd werd als fictief bestempeld.

Eliane Houlette, ex-chef van het Nationaal Parket Financiën, verklaarde nu begin juni dat tijdens de kiescampagne het gerecht 'geïnstrumentaliseerd' was door de uitvoerende macht. Dit werd vandaag in alle toonaarden ontkend door Cathérine Champrenault, procureur-generaal van Parijs. Geen sprake van inmenging, op geen enkel moment en nooit!

Goed, intussen is Emmanuel Macron veilig en wel president, maar Castelnau draagt notre ami Macron niet in het hart, en Fillon al evenmin. Wel vindt hij de veroordeling tot vijf jaar cel, waarvan twee jaar effectief, onverteerbaar. Ze dient ter rechtvaardiging van de spoed die men zette tijdens de kiescampagne: la fuite en avant is zijn oordeel. En hij maakt daarbij een grappige opmerking die toch weer enige twijfel zaait:

Het Nationaal Parket Financiën had extreem strenge vorderingen afgeleverd nadat het zich voordien al zeer offensief had getoond, want ter inleiding van zijn vorderingen wees het erop dat onder het ancien regime misbruik van overheidsgeld bestraft werd met ophanging. Dat zorgde voor een bepaalde ambiance.


Le Parquet national financier avait pris des réquisitions extrêmement sévères après avoir eu une attitude très offensive, puisqu’il avait commencé ces réquisitions en rappelant que sous l’ancien régime le détournement de fonds publics était puni de la pendaison. Cela mettait une certaine ambiance.

28 juni 2020

Een weemoedig, prachtig liedje


Leopold II
Jef Elbers


Ik zag nen aave man, 'et s'ôeves langst de strôet
een zwette redingotte, ne lange witten bôed
Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi
Ik ken ni zaine nôem, k'nôem em Leopold II

Ik em ma afgevroegd as ek em zu zag goen
Wôe goet em heine en wôe komt em vandoen
en wôe vui wandelt, om middernacht op strôet,
kuining Leopold II me zaine witten bôed?

En vantaaid blaaift em stoen en schud em me zain huufd
Et es persees of hij nog ni geluuft
da dad echt Brussel es wa dad em rond em zeet
Zain uuge weudde ruud, hij eit te vuil verdreet...

Verdreet ouver zain stad dee afgebrouke weud,
Het es iene chantier en et es e gruut steut,
Wôe da na parkings stoen, dôe spelden em as kind
De nachte weudde kôud en oeile dôet de wind.

Wa da vuiroeitgang es, da kan em ni verstoen
De gôeie joere dei zain allang gedoen
En ouverdag es er te vuil lawaait,
Allien de nacht es nog 'lak in den taait.

Wannier den ochend gloêt, dèn raidt den iesten tram
En dui de stad, lupt er nen aave man
Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi
Ik ken ni zaine nôem, k'nôem em Leopold II



24 juni 2020

Geen Engelse leenwoorden in het Frans!


Met dat woord 'touriste' had Stendhal blijkbaar tegen de muur van deze recensent gepist:*

Artikel uit La Gazette de France
van vrijdag 27 juli 1838.

« MEMOIRES D’UN TOURISTE »,
par l'auteur du Rouge et Noir
Deux volumes in-8°, prix 15 fr.
Chez Ambroise Dupont, rue Vivienne, 7

Elk in zijn eigen huis! elk zijn eigen taal! als men de gruwel kent Fransman te zijn, zoals de korporaal van de karikatuur zegt,** dan moet men zich maar bij Frankrijk houden, en als men daar een wandeling maakt moet men zich wandelaar noemen, reiziger, flaneur, of zo u wil handelsreiziger, ijzerverkoper op tournee als u dat bent.*** Dat is allemaal beter dan een benaming ontlenen aan het Engels, dat bastaardidioom, dat mengsel van ontkracht Duits en verminkt Frans.

Tourist, in die gearrangeerde en bijeengegraaide taal, wil zeggen een reiziger, een individu, vitterig of niet, scepticus of gelovige, royalist of republikein, geestig of dom, mooi of lelijk, in slobkousen of gelaarsd, die voor zijn plezier of voor zaken een rondreis maakt in zijn land of bij de buren, en werkelijk, was het nodig om het Kanaal over te steken om die activiteit uit te drukken? Als men een reis maakt, kan men dat dan niet in goed Frans zeggen?

Ik zou nog gaan geloven dat de anglomanie blijft voortduren... En waarom niet ook? Er zijn tenslotte ook mensen die nog bij Diderot zijn blijven steken, bij M. de Voltaire, bij de koffie met room, bij de charta’s en het constitutionele bewind!

Touriste! onverteerbaar vind ik touriste vooraan in een Frans boek. Dit gezegd zijnde is het met die titel misschien zoals met de buitenissige uithangborden die men kiest om de aandacht van de klant te trekken. Het zij zo, al is het kwalijk bij onze droevige buren op zoek te gaan naar originaliteit. Is er inderdaad een volk dat minder origineel is in zijn kunst, zijn taalgebruik, zijn maatschappijvorm, en met uitzondering van hun met rum geflambeerde plumpudding, Shakespeare en hun boksers, deze drie plompe typeringen van dat buldogvolk, wat hebben ze wel dat van hen persoonlijk is? [...]****
_________

* Félix Vallotton; het onderschrift zegt: Dat zul je wel afleren, varken, tegen mijn muur pissen!
** «Avoir l’honneur d’être Français», werd hier «avoir l’horreur». Die woordspeling valt meen ik niet te behouden. Over welke karikatuur het gaat is onbekend, maar Napoleon zei ooit: «Mais je m'arrête; tant d'horreurs font rougir d'être Français !» Zijn bijnaam was «le petit caporal».
*** Stendhal beschreef zijn reis door Frankrijk, als was hij een ijzerhandelaar. Een zakenreis dus, met talloze terzijdes evenwel.
**** De recensent M.B. gaat nog even door: hier staan bijna vierhonderd woorden vertaald, maar hij schreef er vijfduizend.

21 juni 2020

Waarom altijd die slangen?


Wat Stendhal ook schrijft...  hij schrijft het zo mooi.

Aangezien alle religies, met uitzondering van de ware, die van de lezer, gebaseerd zijn op de angsten van de velen en de handigheid van enkelingen, lag het nogal voor de hand dat gewiekste priesters het serpent uitkozen als embleem van terreur. De slang komt inderdaad al bij de eerste woorden in het verhaal van alle religies voor.
Zij heeft als voordeel de verbeelding te doen verstommen, veel meer dan de arend van Jupiter, het lam van het christendom of de leeuw van Sint Marcus. Voor haar spreekt het zonderlinge van haar vorm, haar schoonheid, het vergif dat ze meedraagt, de fascinatie die zij oproept, haar altijd onverwachte en soms verschrikkelijke verschijning. Om deze redenen heeft de slang bij alle religies intrede gedaan, maar de eer haar Oppergod te zijn kreeg zij van geen enkele.

Toutes les religions, excepté la véritable, celle du lecteur, étant fondées sur la peur du grand nombre et l'adresse de quelques-uns, il est tout simple que des prêtres rusés aient choisi le serpent comme emblème de terreur. Le serpent se trouve en effet dans les premiers mots de l'histoire de toutes les religions.
Il a l'avantage d'étonner l'imagination bien plus que l'aigle de Jupiter, l'agneau du christianisme ou le lion de saint Marc. Il a pour lui l'étrangeté de sa forme, sa beauté, le poison qu'il porte, son pouvoir de fascination, son apparition toujours imprévue et quelquefois terrible; par ces raisons le serpent est entré dans toutes les religions, mais il n'a eu l'honneur d'être le Dieu principal d'aucune.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

16 juni 2020

De korte aandachtsspanne


Stendhal mocht dan wel klagen in 1837, maar je vraagt je af of het vandaag veel beter is.

Toute exposition exacte est horriblement difficile avec les Français actuels. La dose d'attention que les lecteurs accordent à une phrase imprimée a bien diminué depuis que les auteurs ne relisent plus les phrases qu'ils envoient à l'impression.

Met die Fransen van vandaag valt elke exacte uiteenzetting vreselijk moeilijk. De dosis aandacht die lezers geven aan een gedrukte zin is een stuk kleiner geworden sinds de auteurs de zinnen die ze laten drukken niet meer nalezen.

Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

13 juni 2020

Iconoclasten aan het werk


Het is me wat met die standbeelden die overal van hun voetstuk tuimelen, in navolging van wat er in de VS gebeurt. In Engeland willen sommigen Churchill nu weg, en bij ons zelfs Piet Hein (zijn naam is klein, zijn daden benne groot).
Omdat de uitleg van een wat oudere historica, Mona Ozouf misschien iets kan bijbrengen aan jongelui die zich erover beklagen dat ze geen geschiedenisles hebben gehad, vertaal ik een stukje uit een gesprek dat de journaliste Anne-Elisabeth Lemoine met haar had op TV5.
Zij vroeg aan Ozouf of ze onverschillig bleef voor de nogal plotse morele opstoot bij de jonge beeldenstormers:

Mona Ozouf: Nee, onverschillig niet, maar wel met grote reserves. Evengoed als ik er alle begrip voor heb als een volk dat door een afschuwelijke periode van despotisme is gegaan het standbeeld van een folteraar van zijn sokkel haalt – dat kan ik best begrijpen – ben ik er integendeel niet helemaal van overtuigd dat het een bijzonder gelukkig idee is om onze publieke ruimte van haar oude standbeelden te ontdoen. Ten eerste omdat voor mijn part ik niet graag zou leven in een land waar de straten geen namen hebben maar enkel nummers. Ik geloof dat men er zich vaak onvoldoende rekenschap van geeft, welke historische diepgang een volk meekrijgt van het enkele feit te wandelen tussen standbeelden en door straten die namen dragen. Problematisch is overigens dat als men ons verleden absoluut wil uitzuiveren, en dus alleen nog volmaakt vlekkeloze figuren op onze pleinen wil overhouden, er een enorme verhuis zal plaatshebben. En daartegen ben ik gekant, ik ben ertegen gekant dat wij een volk zouden worden zonder beelden, zonder standbeelden enzovoort. Verdienen die standbeelden dan… natuurlijk houdt het plaatsen van een standbeeld op een bepaalde plek een viering in, het is ook een hommage. Maar die hommage kan, hoe zou ik het zeggen, gemotiveerd worden, gecorrigeerd worden, kan betwist worden.
Het voorbeeld dat men mij altijd geeft is natuurlijk dat van mijn dierbare Jules Ferry, aan wie wij niet alleen de gratis en verplichte lagere school, de lekenschool te danken hebben, maar ook alle vrijheden waar we nu mee leven. Want voor de luttele zes jaren dat hij aan de macht was, zijn we hem de persvrijheid verschuldigd, de ochtendkrant, wat voor krant we ook kopen, de syndicale vrijheid, de verkiezing van de burgemeesters, een kapitaal punt in het Franse leven. Dat alles zijn wij hem verschuldigd en we profiteren er nog van.
Maar, zegt men ons, hij was een kolonisator. Inderdaad hij was zonder omwegen een kolonisator, maar hij was geen kolonialist. Deze kolonisator waar men vandaag zo sterk mee afrekent, is iemand die overal in Algerije scholen heeft opgericht, scholen die hij met een koosnaampje ‘mijn dochters’ noemde, die scholen van Algerije. Het is iemand die, toen hij een lesopvraging door een schooljuf bijwoonde van een kleine Mohammed, en zij had natuurlijk haar beste leerling naar voren geroepen voor die gezagsdragers, Jules Ferry, de inspecteur van de academie, en zij vroeg hem: ‘Mohammed, kun je aan deze heren zeggen wat Frankrijk is?’ En Mohammed antwoordt: ‘Dat is onze moeder, mijnheer.’ En Jules Ferry noteert in zijn zakagenda: ‘Arm papegaaitje, zeg liever onze stiefmoeder.’ Tot zover die kolonialist.
Met de aantekeningen van Ferry, oordeelkundig uitgeknipt, zou men een magnifiek antikolonialistisch pamflet kunnen maken. Overigens, als voornaamste vijanden had hij toch de kolonisten die zich verzetten tegen scholen voor de kleine moslims, tegen de scholen waar Jules Ferry onderricht in de Arabische cultuur en geschiedenis wilde invoeren.
Ziet u, mensen zijn wat ingewikkelder. We moeten die ingewikkeldheid in ons bestaan proberen in te passen.
Anne-Elisabeth Lemoine : Ingewikkeldheid of complexiteit?
Ozouf: Beide.
Lemoine : Beide?
Ozouf: Beide, want onverhoeds worden ze oppervlakkig en binair. En wat ons wacht aan het eind van die brutalisering is, zo vrees ik, een autoritair regime. Dus moeten we de complexiteit accepteren. Dus ben ik voor commentaren en rectificaties. Dat men rectificaties op gedenkplaatjes zet en commentaar levert. Daar ben ik allemaal voor, maar niet voor het verhuizen van de beelden die onze steden bevolken.




Mona Ozouf: Non, pas indifférente, très réservée quand même. Autant je comprends parfaitement le déboulonnement de la statue d’un tortionnaire par un peuple qui vient de vivre une période affreuse de despotisme, je comprends ça très bien. En revanche je ne suis pas absolument sûre que démeubler notre espace des statues anciennes soit une très bonne idée. D’abord parce que je n’aimerais pas du tout pour ma part vivre dans un pays où les rues n’ont pas de noms, et simplement des numéros. Je crois qu’on ne se rend pas compte assez souvent de la profondeur historique que donne à un peuple le fait de se promener à travers des statues et dans des rues qui portent des noms. Et par ailleurs, le problème c’est que s’il faut absolument purifier tout notre passé, c’est-à-dire ne garder sur nos places que des êtres absolument parfaits, il va y avoir quand même un déménagement considérable. Et je suis hostile à cela, je suis hostile au fait que nous devenions un peuple sans images, sans statues et cætera. Alors ces statues méritent-elles… évidemment il y a un célébration dans le fait de poser une statue dans un endroit, il y a aussi un hommage. Mais l’hommage peut être, comment dire, justifié, il peut être corrigé, il peut être contesté. L’exemple qui m’est constamment proposé, c’est bien entendu l’exemple de mon cher Jules Ferry, à qui on doit non seulement l’école primaire gratuite et obligatoire, et laïque, mais auquel nous devons toutes les libertés sur lesquelles nous vivons. Parce que dans les six petites années où il a exercé le pouvoir, ce que lui devons c’est la liberté de la presse, c’est le journal du matin quelqu’il soit que nous achetons, c’est la liberté syndicale, c’est l’élection des maires, point capital de la vie française. Nous lui devons tout ça, nous vivons encore là-dessus. Alors, il a été nous dit-on un colonisateur. Il a été en effet un colonisateur sans état d’âme, il n’a pas été un colonialiste. Ce colonisateur maintenant pourfendu est quelqu’un qui a fait des écoles partout en Algérie, des écoles qu’il appelait tendrement ‘mes filles’, les écoles d’Algérie. C’est quelqu’un qui, assistant à une interrogation d’un petit Mohammed par une maîtresse qui avait fait venir évidemment son meilleur élève, et qui demande au meilleur élève devant les autorités, Jules Ferry, l’inspecteur d’académie : « Mohammed, peux-tu dire à ces messieurs ce que c’est que la France ? » Et Mohammed répond: « Monsieur, c’est notre mère. » Et Jules Ferry note dans son carnet : « Pauvre petit perroquet, dis plutôt notre marâtre. » Voilà le colonialiste. Avec les xxx de Ferry, judicieusement découpés, on peut faire un magnifique pamphlet anticolonialiste, d’ailleurs il a comme ennemis principaux les colons, arc-boutés contre les écoles aux petits musulmans, et aux écoles où Jules Ferry veut introduire l’enseignement de la culture et de l’histoire arabes. Voilà, les gens sont plus compliqués. Il faut essayer de mettre de la complication dans nos existences.
Anne-Elisabeth Lemoine : De la complication ou de la complexité ?
Ozouf: Les deux.
Lemoine : Les deux ?
Ozouf: Les deux, parce qu’elles deviennent brutalement sommaires et binaires. Et que ce qui nous attend à la sortie de cette brutalisation, j’ai peur que ce soit un régime d’autorité. Donc il faut compliquer. Donc je suis pour qu’on commente, qu’on rectifie, qu’on rectifie des plaques, qu’on écrive un commentaire. Je suis pour tout ça, mais pas pour le déménagement des images qui peuplent nos villes.

6 juni 2020

Weten wat dineren is


Ik ken maar één ding dat men zeer goed doet in Lyon: men eet er verrukkelijk, en volgens mij beter dan in Parijs. Vooral de groenten worden er goddelijk klaargemaakt. In Londen teelt men, heb ik vernomen, tweeëntwintig soorten aardappelen: in Lyon heb ik tweeëntwintig verschillende manieren gezien om ze klaar te maken, en minstens twaalf van die manieren zijn in Parijs onbekend.
Bij een van mijn reizen heeft de heer Robert van Milaan, handelaar, oud-officier, geestige man met een groot hart, het recht op mijn eeuwige erkentelijkheid verworven door me voor te stellen aan een gezelschap van lui die weten wat dineren is.
Deze heren, tien of twaalf in getal zetten elkaar vier keer per week een diner voor, elk om beurt. Wie een diner miste betaalde een boete van twaalf flessen Bourgognewijn. Deze heren hadden kokkinnen, geen koks. Bij de diners geen felle politiek, geen literatuur, geen enkele poging om geestig te doen; de enige kwestie was lekker eten. Was een gerecht excellent, dan onderhield men een religieuze stilte terwijl men ermee bezig was.
Overigens werd elke schotel streng beoordeeld, en zonder enige inschikkelijkheid voor de heer des huizes. Bij grote gelegenheden liet men de kokkin komen om de complimenten in ontvangst te nemen, die vaak niet unaniem waren. Ik heb, ontroerend schouwspel, een van die meisjes, een dikke Maritornes* van veertig, van vreugde zien wenen ter gelegenheid van een eend met olijven; wees maar zeker dat wij in Parijs alleen de kopie van dat gerecht kennen.
Zo’n diner waar alles perfect moet zijn, is geen kleinigheidje voor diegene die het geeft; twee dagen vooraf moet je al in de weer zijn, maar niets kan dan ook een idee geven van een dergelijke maaltijd. Deze heren, voor het merendeel rijke handelaars, doen makkelijk een uitstap van tachtig mijl om ter plekke die of die befaamde wijn aan te kopen. Ik heb de namen geleerd van dertig soorten Bourgognewijn, die aristocratische wijn par excellence, zoals de schitterende Jacquemont** zei.
Wat er zo prachtig is aan die diners, is dat men een uur daarna een even frisse kop heeft als ’s ochtends na het drinken van een kop chocola.
Lyon heeft vis in overvloed, alle soorten wild, en Bourgognewijnen; zoals overal kan men er met geld excellente Bordeauxwijn kopen; en ten slotte bezit Lyon groenten die waarlijk alleen de naam gemeen hebben met de smakeloze gewassen die men ons in Parijs durft te serveren.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.189
______________



* Don Quichot, hoofdstuk XVI.

** Victor Jacquemont (1801-1832), botanicus en ontdekkingsreiziger. Hij was bevriend met Prosper Mérimée en Stendhal (die hem zijn werk liet lezen voor het in druk ging).

5 juni 2020

Minder consumeren alstublieft


De Franse advocaat Régis de Castelnau geeft vaak interessante beschouwingen bij vonnissen of arresten die in de schijnwerper staan, of bij politieke beslissingen de notre ami Macron. Hij komt altijd goed uit zijn woorden, dat spreekt, maar het grappigst vind ik hem als hij zijn juridische terrein even verlaat voor een algemene beschouwing.
Hier spreekt hij streng een mooi actricetje toe, en als voormalig advocaat van de Franse Communistische Partij vergeet hij niet de kleine man in bescherming te nemen tegen halfgaar bobogebazel:


Voor diegenen die zoals u weet een mooie petitie hebben opgesteld, de Cotillards en anderen die vanuit hun stinkend rijke residenties aan de kleine man komen zeggen dat hij absoluut minder moet consumeren want anders wordt het een catastrofe enzovoort enzovoort: hoe minder we jullie horen hoe beter het zal zijn.
Werkelijk, ik denk dat het toch een kleine vooruitgang zou zijn als jullie ermee ophielden jullie op zo'n manier te gedragen.



À ceux qui vous savez ont fait une belle pétition-là, les Cotillard et autres qui de leurs résidences richissimes viennent dire que …au petit peuple qu’il faut absolument qu’il consomme moins, que sinon c’est la catastrophe etcetera etcetera : moins on vous entend mieux ce sera.
Franchement je pense que ce serait quand même un petit progrès si vous arrêtiez de vous comporter de cette façon-là.

30 mei 2020

Het biechtgeheim


Biechten en het bijbehorende biechtgeheim zijn al een tijd uit het beschaafde leven verdwenen: er worden geloof ik zelfs geen romans meer geschreven rond dit thema.
Vele geheimen lijken vandaag weg te vallen, zelfs het medisch geheim komt onder druk met dingen als contact tracing, apps enzovoort. En zoals we allemaal weten kennen na enige tijd Facebook en Twitter ons beter dan wij onszelf, en dat vinden wij niet erg.

Ook wie boeken koopt bij Amazon en dergelijke verraadt hen na verloop heel wat, en zo kunnen die firma's suggesties doen voor weer volgende aankopen.
Bepaalde boeken afraden op basis van wat zij weten doet Amazon niet, al is boeken afraden juist een goede verkooptechniek, dat kan elke schooljongen je vertellen. Misschien zijn hun algoritmes nog niet zover.

Hier vertelt Stendhal over een boekhandelaar die dat wél deed.

Lyon, 16 mei 1837
Mijn zaken riepen mij vaak naar Lyon; zodra ik die stad betreed voel ik de lust om te geeuwen en hebben de mooiste dingen geen effect meer op mij. […]*
Op zekere dag, ik was nog jong, had ik een leeg uurtje voor me, en door apathie overmand stapte ik bij een boekhandelaar naar binnen om een boek te kopen. Ik was zodanig suf dat ik niet wist wat gevraagd. Lukraak noemde ik ten slotte Jacques le Fataliste, of de romans van Voltaire. De boekhandelaar ging een stap achteruit, nam een lijkbiddersgezicht aan en gaf me een preek over de immoraliteit van de werken die ik hem noemde. Tot besluit suggereerde hij me Spectacle de la nature van de abbé Pluche te kopen.
Eerst was ik geïrriteerd door de onbeschaamdheid van deze adviseur. Maar bij zijn preek had hij zo’n wezenloos lomp air,** en deed hij zo gewichtig dat hij me op den duur amuseerde. Ik wilde eens nagaan of het bij hem niet puur om handelsinstinct ging; misschien had hij in zijn winkel Pluche staan en niet de romans van Voltaire?
Die had hij wel degelijk, de etter! maar omdat hij vond dat ik er jong uitzag wilde hij ze me absoluut niet verkopen. ‘s Avonds vertelde ik dat verhaal aan mijn neef G…; hij liep rood aan en hield vol dat ik overdreef; in één woord de stedelijke eer was aangetast; de hele avond zei hij geen woord meer tegen mij.

Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.142
__________
* Positieve omschrijvingen van Franse steden kun je beter niet bij Stendhal zoeken. Op zijn grafsteen in Montmartre staat gebeiteld ‘Stendhal, Milanese’, zijn lievelingsstad.
** De tekst zegt un air si canut, si hébété. Daar is wat filologisch geharrewar over. De canuts zijn vanzelfsprekend de zijdebewerkers van Lyon, maar in de omgeving van de stad sloeg de benaming met een pejoratieve bijklank op alle Lyonezen. Stendhal gebruikt de term in die zin.

24 mei 2020

Bij het drinken van een glas Bourgogne



Mémoires d’un Touriste
Stendhal

À la sortie de Dijon, je regarde de tous mes yeux cette fameuse Côte-d'Or si célèbre en Europe. Il faut se rappeler le vers :
Les personnes d'esprit sont-elles jamais laides?
Sans ses vins admirables, je trouverais que rien au monde n'est plus laid que cette fameuse Côte-d'Or. Suivant le système de M. Élie de Beaumont, c'est une des premières chaînes sorties de notre globe, lorsque la croûte commença à se refroidir.
La Côte-d’Or n'est donc qu’une petite montagne bien sèche et bien laide; mais on distingue les vignes avec leurs petits piquets, et à chaque instant on trouve un nom immortel : Chambertin, le Clos-Vougeot, Romanée, Saint-Georges, Nuits. À l'aide de tant de gloire, op finit par s'accoutumer à la Côte-d'Or.
Le général Bisson, étant colonel, allait à l'armée du Rhin avec son régiment. Passant devant le Clos-Vougeot, il fait faire halte, commande à gauche en bataille, et fait rendre les honneurs militaires.
Comme mon compagnon de voyage me contait cette anecdote honorable, je vois un enclos carré d'environ quatre cents arpents, doucement incliné au midi et clos de murs. Nous arrivons à une porte en bois sur laquelle on lit en gros caractères fort laids : Clos-Vougeot. Ce nom a été fourni par la Vouge, ruisseau qui coule à quelque distance. Ce clos immortel, acquis dernièrement de MM. Tourion et Ravel par M. Aguado, appartenait autrefois aux religieux de l'abbaye de Cîteaux. Les bons pères ne vendaient pas leur vin, ils faisaient des cadeaux de ce qu'ils ne consommaient pas. Donc, aucune ruse de marchand.
Ce soir, à Beaune, j'ai eu l'honneur d'assister à une longue discussion : Faut-il vendanger le Clos-Vougeot par bandes transversales et parallèles à la route, ou par bandes verticales allant de la route au sommet du coteau? On a goûté des vins de 1832 produits d’un de ces systèmes, et des vins de 1834, je crois, donnés par le système opposé.
Chaque année a sa physionomie particulière ou plutôt des physionomies successives; le vin de 1830, par exemple, peut être inférieur au vin de 1829 à l'âge de trois ans, c'est-à-dire goûté en 1833, et lui être supérieur en 1836, lorsqu'il est parvenu à sa sixième année.
À la fin de la séance, qui a duré plus de deux heures, je commençais réellement à entrevoir les différences de certaines qualités. Tout le monde connaît le vin de la comète, qui annonça la chute de Napoléon en 1811 ; il y a ainsi tous les cinq ou six ans une année supérieure.
En général, les vins de ce pays se boivent en Belgique. Le propriétaire du Clos-Vougeot peut tromper ses chalands; il n'aurait qu'à faire répandre sur sa vigne du fumier de cheval, elle produirait beaucoup plus, mais le vin serait d’une qualité inférieure.
Une bouteille du Clos-Vougeot, qui se vend dix francs à Paris chez les restaurateurs, ne se vend pas, mais s'obtient sur les lieux, par insigne faveur, au prix de quinze francs. Mais, il faut l'avouer, rien ne lui est comparable. Ce vin n'est pas fort agréable la première et souvent la seconde année; aussi les propriétaires ont-ils toujours une réserve de cent mille bouteilles.
La poésie, avec ses exagérations aimables, s'est emparée de ce sujet si cher aux Bourguignons; et ce soir, dans son enthousiasme, mon correspondant de Beaune m'a promis de me faire boire une bouteille de vin du Clos-Vougeot provenant encore de l'abbaye de Cîteaux. Mais comment croire à cette vénérable antiquité, si après douze ou quinze ans ce vin commence à perdre ?
Du temps des moines, fins connaisseurs et qui ne vendaient pas, le clos produisait moins et le vin valait mieux ; mais de nos jours comment résister à la tentation de fumer un peu une vigne dont chaque bouteille se vend quinze francs? Il est bien exact qu'on donne aux vendangeurs d'excellents dîners et surtout des mets auxquels ils ne sont pas accoutumés, afin de leur ôter l'idée de manger du raisin.
Les vins de Nuits sont devenus célèbres depuis la maladie de Louis XIV, en 1680; les médecins ordonnèrent au roi le vieux vin de Nuits pour rétablir ses forces. Cette ordonnance de Fagon a créé la petite ville de Nuits.
J'apprends que, exactement parlant, la Côte-d'Or finit à Vosne. Les aimables vins de ce pays ont un mérite nouveau depuis 1830 : à table, les Bourguignons ne parlent que de leurs mérites comparatifs, de leurs défauts et de leurs qualités, et l'ennuyeuse politique, si impolie en province, est tout à fait laissée de côté.
Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.120-3

15 mei 2020

Over papiersnippers en toeristen


Ik vermoed dat elke Vlaming al eens een pakje uit China toegezonden kreeg, en wat daarbij opvalt is dat de bestelde waar altijd zo goed ingeduffeld is. Je hebt iets heel kleins besteld, maar dat maakt niet uit: het afgeleverde pak is groot. Er zitten luchtballonnetjes bij, of piepschuim of verfrommeld papier. Zo komen de waren zonder kreuken aan bij de klant, en die is altijd blijer met een groot pak dan met een kleintje weten de Chinezen.

Ik meen dat zij hiervoor hun inspiratie bij Stendhal hebben gehaald.
Stendhal, toen Parijzenaar, scheef een prachtig reisverslag (Mémoires d’un touriste, 1838)* van een tocht door Frankrijk, door la province dus, en hij was het die op dat idee is gekomen:

Ik geef het op; wat voor stijl ik gebruik, wat voor treffende wending ik ook mag bedenken, nooit zal ik een idee kunnen geven van de armoede van de plattelandsconversatie en van de talloze pietluttigheden die zelfs voor de meest galante provinciaal het leven zijn. Je weigert te geloven dat redelijke schepselen zich vol interesse bezighouden met dergelijke dingen; maar op een dag zie je de hele diepte van de verveling in de provincie, en op slag begrijp je alles.

Een geestige vrouw die ik ken gaat van Nevers naar Orléans, een van haar reiskoffers zit maar halfvol; ze vreest dat het linnengoed dat ze erin geschikt heeft door het schokken verknoeid raakt. Ik doe de lumineuze suggestie papiersnippers te laten halen bij de inpakker om de hoek.

– 'Ho maar', zegt de echtgenoot me, 'dan maken ze ons belachelijk in Orléans. Wat krijgen we nu, zullen ze zeggen, die hebben niet uitgerekend hoeveel koffers ze nodig hadden voor wat ze wilden vervoeren, en voilà, ze brengen ons hier papiersnippers in Orléans!'
_________
* Het woord ‘touriste’ (tourist, Engels) was toen nog geen geaccepteerd Frans. Prosper Mérimée, een vriend van Stendhal, had het wel al eens gebruikt in een brief, maar met de titel van dit werk verleende Stendhal het bestaansrecht.

9 mei 2020

'Islamoracaille', zo duidde hij zichzelf aan


De journalist Éric Zemmour gaat door voor de baarlijke duivel (toen hij in Brussel kwam spreken een paar jaar terug raakte je de zaal niet in zonder politiecontrole). Nu werd Zemmour vorige week in Parijs achtervolgd, uitgescholden en bespuwd door een moslim, terwijl hij haastig naar huis ging met zijn coronaboodschappen. De jonge schoft filmde ook nog eens zijn heldendaad (Zemmour is wel een groot intellectueel, maar misschien niet zo'n grote atleet), gaf er zelfs wat uitleg bij en zette alles op het web. Ach, een fait divers blijkbaar, en alleen de sociale media plaatsten het filmpje meteen.
De grote media schoten wel in actie toen enkele politici hun afschuw uitspraken over deze terreurdaad, en zeker nadat Emmanuel Macron Zemmour opbelde en drie kwartier met hem aan de lijn bleef. Een tegenstander is nog geen vijand vindt hij blijkbaar, een houding die je niet in alle landen ziet en waarvan Zemmour de élégance bewonderde.

In Face à l’Info, een programma van Christine Kelly op CNews, zit Zemmour samen met drie anderen in haar vaste panel, en hij gaf daar maandag enige toelichting bij de gebeurtenis.

Eerst stak een ander panellid, de auteur Marc Menant een lofrede op Zemmour af, waarna deze blozend zei dat die op zijn begrafenis niet zou misstaan. Ik geef er een stukje van, vertaald, maar zoals ook alle volgende fragmenten is het hierna getranscribeerd en beluisterbaar. 

Marc Menant: Dit is de confrontatie van de intelligentie met een schoft. Aan de ene kant de kracht van het geciseleerde woord van een man die zich telkens weer uitspreekt, niet om zomaar lucht te geven aan een vaststaande mening, maar die van een argumentatie ook de uitgangspunten opdiept. Dit is de stralende kracht van de intelligentie, en onvermijdelijk is die storend voor wie slechts een woesteling is, een gevallene die niets soortgelijks bezit, en wie slechts de kracht van de vuist rest.
oOo
Christine Kelly vroeg hem, met die fluwelen stem van haar, of de steunbetuigingen van de politici, meestal niet zijn vrienden, hem geraakt hadden:

Éric Zemmour: Wel, ik meen inderdaad dat men aan deze mensen een hommage moet brengen, wat ik ook doe en ik ben hen daar erkentelijk voor. Voor mij zijn dit authentieke democraten, mensen dus die hun tegenstanders niet als vijanden beschouwen. Dit is zowat de hele theorie van Benjamin Constant, de liberale democratie in de echte zin van het woord. Men bestrijdt ideeën, de tegenstander maar niet de man, zo zit dat. Dat is mooi en volkomen eerbaar vind ik.
Weet u, mijn meningsverschil met die mensen gaat niet over de democratie – ook ik respecteer mijn tegenstanders – het gaat over onze analyses. Ik sta nu eenmaal achter een historische, een tragische analyse van de situatie. Zij blijven bij een individualiserende analyse. Zij denken dat het om het individu gaat …dat in verwarring is enzovoort. Maar u weet goed, al tien keer heeft men mij dat horen zeggen, dat sommige dingen het individu overstijgen: ‘De doden regeren over de levenden’ met de bekende formule van Auguste Comte.
Geweld vinden wij schokkend, want wij hebben een samenleving die geen geweld meer verdraagt. Marc verhaalde ons – ik meen dat het vorige week was dat hij over Danton sprak – ik bedoel maar: toen kreeg je voor een scheef woord de guillotine.
Marc Menant: En de anarchisten.
Éric Zemmour: En de anarchisten die dingen lieten ontploffen …die op de President van de Republiek schoten en die …dat was geweld, ziet u, en dat is er nog. Wij zijn gewend geraakt aan een hyper-gepacificeerde samenleving. Als ik u spreek over een oorlog tussen beschavingen, dan is dat vanuit de gedachte dat hier verschillende tijdsschalen spelen. Anders gezegd, er zijn mensen die uit andere streken komen en andere tijdsschalen belichamen, andere culturen, andere beschavingen, en zij willen ons systeem niet accepteren. Bijgevolg botsen die mensen uit hypergewelddadige culturen met mensen – met ons dus – die in een hyper-gepacificeerde maatschappij leven. En dat is …dat is echt een ontzettende cultuurschok.
oOo
Er waren echter ook politici die over het voorval in alle talen zwegen. Zemmour noemde La France insoumise bij naam:

Éric Zemmour: Dat betekent dat die mensen duidelijk in het kamp van het moslimuitschot en de islamgauchisten staan. Goed, zij hebben hun kamp gekozen, zoals ik mijn kamp heb gekozen. Ten tweede, in tegenstelling tot de democraten die ik daarnet een saluut bracht, hebben zij van democratie niets begrepen. Democratie betekent juist dat het geweld van woorden voor daadwerkelijk geweld in de plaats komt. Dat is de geschiedenis van de democratie ten voeten uit. Weet u, de debatten in de Assemblée nationale, Kamer van Volksvertegenwoordigers destijds in de Derde Republiek, met mensen als Clemenceau of Jaurès, die waren verschrikkelijk heftig. Wij zijn er kinderen bij. En zij kwamen daarna niet snotteren van: aah! hij heeft gediscrimineerd, aah! hij is stout geweest met mij! Ik mag u wel zeggen, u moet die debatten eens nalezen.

Weet u, ik leg dat al zoveel jaar uit: zodra er geen gedeeld cultureel erfgoed meer is, geen gemeenschappelijke burgerzin, strijdt men niet langer over ideeën, niet langer over culturen, men strijdt over identiteiten, want om iets aan te vallen… aangezien men niet dezelfde identiteit heeft, aangezien men de opname in een gemeenschappelijke schoot afwijst, kijk, voor een strijd is er…Gambetta was van Italiaanse afkomst, en men maakte hem uit voor Italiaan, maar hij had dezelfde cultuur als diegenen die hem uitmaakten en dus trok hij zich daar geen bal van aan, ziet u. Maar nu verdedigt vanzelfsprekend elk zijn eigen identiteit, want er is geen gemeenschappelijke cultuur. Een intellectuele strijd is uitgesloten, er kan enkel nog een strijd over identiteiten.
oOo
Zemmour benadrukt sterk de rol van de sociale media, die hij echter helemaal anders ziet dan de filosoof Raphaël Enthoven.

Éric Zemmour: Ik merk wel dat in deze geschiedenis het de sociale netwerken zijn die alles schragen. U hebt dat ook gemerkt. De traditionele media spreken hier niet over. De sociale netwerken van hun kant zien hier de realiteit van, wat heel interessant is aangezien ze voortdurend onder vuur liggen.
Een jongen als Raphaël Enthoven bijvoorbeeld geeft volgende verklaring: het is tenslotte het eigentijdse narcisme, zegt hij. Om zich in de kijker te werken, om zich te kunnen aanschouwen in de spiegel van de sociale media is men bereid om het even wat te doen, en dus te beledigen, geweld te gebruiken enzovoort. Ik van mijn kant beken dat ik bij mijn historische verklaring blijf.
Weet u, u hebt mij dat nog horen zeggen, ik denk dat dit moslimtuig – aangezien hijzelf dit woord gebruikt, en hen dus zo aanduidt – dat dit moslimtuig de gewapende arm is van een beschavingsoorlog op ons grondgebied, van een permanente jihad die jacht maakt op de ongelovigen en hen verdrijft. Weet u, wat mij is overkomen was voor mij vervelend, maar het overkomt voortdurend, elke dag en al jaren, al decennia, miljoenen Fransen die door dit moslimuitschot worden aangevallen, bedreigd, beledigd, bestolen, en als het jonge vrouwen zijn verkracht, en soms zelfs vermoord.
Christine Kelly: Bij u was het in naam van uw ideeën.
Éric Zemmour: Ja, in naam van mijn ideeën, maar weet u wat het is? Het is gewoon dat ik in deze beschavingsstrijd in de voorste linie sta. Ik getuig van die agressie, van die jihad, en dus komen ze achter mij aan. Maar de gewone man zit daar voor niets tussen, en wordt evengoed aangevallen en verjaagd.
oOo
Is die rol van de sociale media dan zo positief? Ja, want de traditionele media proberen veel te verzwijgen zegt Zemmour:

Éric Zemmour: Laat ik zeggen dat ze het minstens mogelijk maken om de mainstream te omzeilen, zoals Harold zou zeggen.
Harold Hyman: (lachend) Maar ik vind dat die video…
Éric Zemmour: Nee, maar u begrijpt wat ik bedoel: de traditionele media hebben het debat vaak verstikt, en de sociale media maken het mogelijk daaromheen te gaan en het te laten ontploffen. Dat is niet zo kwaad. Ik geloof niet dat dit geweld uit de sociale media voortkomt zeg ik u, en dat is het echte meningsverschil, en ik heb Raphaël Enthoven genoemd die op de lijn van Harold zit. Ik geloof dat niet.
Ik denk dat het geweld voortkomt, historisch zei ik bijna, uit een botsing van beschavingen op ons grondgebied. Die sociale media zijn maar een voorwendsel. Als bijvoorbeeld – ik geef u nu een voorbeeld – in de banlieues schoften de brandweerlui aanvallen die kwamen om een brand te blussen of een zieke te helpen enzovoort, als dan de flikken arriveren om de pompiers bij te staan, dan filmen zij ook! Nu gaat u me niet vertellen dat ze dat doen louter om te filmen. Nee! Zij filmen inderdaad omdat dat in deze tijd zo gaat, zover volg ik u wel, maar zij doen dat omdat zij van oordeel zijn dat dit hún territorium is, en dat de pompiers en de politiemannen vreemde machten zijn, die komen koloniseren wat zij als hun eigen territorium zien. Het gaat dus om een territoriumoorlog.
Harold Hyman: En dat is geen creatie van de sociale netwerken, zijzelf zijn het die de netwerken gebruiken.
Éric Zemmour: Ja, zo is het precies. Maar ik zeg het nog eens, meer speciaal tegen Enthoven want die denkt dat de netwerken hier een beslissende rol spelen, een beetje zoals u eerst zei: ik geloof dat niet.

o-o-o-o-o



Marc Menant: C’est l’intelligence face à la brute. C’est-à-dire que d’un côté il y a la force du verbe qui est ciselé, l’homme qui à chaque fois ne s’exprime pas uniquement au nom d’une conviction mais qui va puiser dans les racines une argumentation. C’est la force de l’intelligence qui rayonne et ça, ça dérange forcément celui qui n’est qu’un énergumène. Qui a déchu, qui n’a plus rien de l’espèce en tant que telle, et qui n’a que la force du poing.



Éric Zemmour: Alors, je trouve que effectivement il faut rendre hommage à ces gens et d’ailleurs je le fais, je leur en sais gré. Je pense que ce sont d’authentiques démocrates, c’est-à-dire des gens qui pensent que leurs adversaires ne sont pas des ennemis. C’est un peu toute la théorie de Benjamin Constant, la démocratie libérale au sens propre du terme, c‘est-à-dire : on combat les idées, l’adversaire mais on ne combat pas l’homme, donc voilà. C’est bon et je trouve ça tout à fait honorable. Vous savez, le désaccord que j’ai avec ces gens, il n’est pas sur la démocratie – moi aussi je respecte l’adversaire – il est sur l’analyse. C’est que moi je fais une analyse historique, tragique de la situation. Eux ils en sont sur une analyse individualiste. Ils pensent que c’est l’individu qui est… se trompe et-cetera. Vous savez bien, on m’a entendu dire ça dix fois, qu’au-dessus des individus il y a ‘les morts gouvernent les vivants’ selon la célèbre formule d’Auguste Comte.

Éric Zemmour: Nous sommes choqués par la violence parce que nous vivons dans une société qui ne supporte plus la violence. Marc raconte – ou la semaine dernière je crois nous a raconté Danton. Je veux dire, là, pour un mot de travers on a la guillotine.
Marc Menant: Et les anarchistes.
Éric Zemmour: Et les anarchistes qui faisaient sauter …qui tiraient sur le Président de la République et qui …ça c’était de la violence, vous comprenez, et on l’a encore. On s’est habitué à une société hyper-pacifiée. Quand je vous parle de guerre des civilisations, je pense qu’il y a des temporalités différentes. C’est-à-dire qu’il y a des gens qui viennent d’autres contrées, et qui sont représentants d’autres temporalités, d’autres cultures, d’autres civilisations, et qui ne veulent pas accepter notre système. Et donc il y a un choc entre les gens qui viennent des sociétés hyper-violentes, et des gens qui vivent, nous, dans une société hyper-pacifiée. Et cela c’est… il y a vraiment un choc des cultures terrible.



Éric Zemmour: C’est que ces gens-là sont clairement dans le camp des islamoracailles et des islamogauchistes, bon, ils ont choisi leur camp, comme moi j’ai choisi mon camp. Deuxièmement, contrairement aux démocrates que je saluais tout à l’heure, ils n’ont rien compris à la démocratie. Parce que la démocratie c’est justement la violence des mots pour se substituer à la violence des gestes. C’est toute l’histoire de la démocratie. Vous savez, les débats à l’Assemblée nationale, et à la Chambre des Députés à l’époque sous la troisième République, avec des gens comme Clemenceau ou Jaurès, c’était d’une violence terrible. On est de enfants à côté. Et ils n’allaient pas pleurnicher ensuite en disant : ah! il a fait de la discrimination, ah! il a été méchant avec moi. Je vous assure, il faut relire les débats.

Vous savez, j’explique ça depuis des années. À partir du moment où il n’y a plus de corpus culturel, civilisationnel commun, on ne se bat plus sur des idées, on ne se bat plus sur des cultures, on se bat sur des identités, puisque quand on attaque quelque chose …puisqu’on n’a pas la même identité, puisqu’on refuse de rentrer dans un giron commun. Vous voyez, avant il y a un combat, Gambetta il est d’origine italienne, on le traite d’Italien, mais lui il a la même culture que ceux qui le traitent d’Italien, vous comprenez, donc il s’en fout. Tandis que là aujourd’hui, comme il n’y a pas la même culture, eh bien évidemment chacun défend son identité. On ne peut plus avoir un combat intellectuel, on ne peut avoir un combat que des identités.



Éric Zemmour: Je remarque que dans cette histoire, c’est les réseaux sociaux qui font tout. Vous avez remarqué. Les médias traditionnels n’en parlent pas. Les réseaux sociaux eux font là une réalité, c’est très intéressant, quand on les critique tout le temps. Par exemple un garçon comme Raphaël Enthoven, explique ainsi : il dit que c’est le narcissisme contemporain, en fait. Pour s’afficher, pour se mirer dans le miroir des réseaux sociaux, on est prêt à faire n’importe quoi, et donc à insulter, à violenter, à …et-cetera.  Moi je vous avoue que je m’en tiens à mon analyse historique. Vous savez, vous m’avez déjà entendu dire ça, je pense que ces islamoracailles – puisque il emploie lui-même le mot, donc c’est comme ça qu’il les appelle – sont le bras armé d’une guerre de civilisations sur notre sol, d’un jihad permanent, et qui chasse et pourchasse les infidèles.
Vous savez, ce qui m’est arrivé, c’était embêtant pour moi, mais ça arrive tout le temps, tous les jours depuis des années, depuis de décennies à des millions de Français, qui sont agressés insultés, menacés, volés, violées euh pour des jeunes femmes, et même parfois tués par ces islamoracailles.
Christine Kelly: Vous, c’était au nom de vos idées.
Éric Zemmour: Mais, au nom de mes idées, mais vous savez, qu’est-ce que c’est ? C’est que justement je suis en première ligne dans ce combat de civilisations. Je dénonce cette agression, ce jihad, et donc ils m’en veulent. Mais les gens ils y sont pour rien, mais ils se font agresser quand même, ils se font chasser.



Éric Zemmour: Je dois dire que au moins ça permet de contourner le mainstream comme dirait Harold.
Harold Hyman: Mais je trouve que cette vidéo…
Éric Zemmour: Non, mais vous voyez ce que je veux dire : les médias traditionnels ont étouffé le débat souvent, et donc les réseaux sociaux permettent de le contourner, de le faire exploser. C’est pas un mal.
Je ne pense pas que cette violence soit le prolongement des réseaux sociaux. Je vous dis, et c’est ça le vrai désaccord, et je vous ai cité Raphaël Enthoven, il est sur la même thèse qu’Harold. Je n’y crois pas.
Éric Zemmour: Je pense qu’il y a une violence, j’allais dire historique, d’un affrontement de civilisations sur notre sol. Et les réseaux sociaux ne sont qu’un prétexte. Quand par exemple …je vous donne un exemple : dans les banlieues  quand il y a des racailles qui agressent des pompiers qui sont venu éteindre un incendie et-cetera, ou aider un malade. Quand les flics arrivent puisque …pour aider les pompiers, ils filment aussi ! Mais vous n’allez pas me dire qu'ils font tout ça pour filmer ? Non ! Ils filment parce que c’est l’époque, je suis d’accord avec vous, mais ils font ça parce qu’ils estiment que c’est leur territoire, et que les policiers et les pompiers sont des puissances étrangères, colonisatrices, et que eux c’est leur territoire. Et voilà c’est une guerre de territoire…
Harold Hyman: Ce n’est pas les réseaux qui ont crée cela, c’est eux qui utilisent les réseaux.
Éric Zemmour: Oui voilà, exactement. Mais je vous dis, Enthoven en occurrence, lui il pense que c’est les réseaux qui sont déterminant. Un peu comme vous avez dit au début. Moi, je ne pense pas.

26 april 2020

Stendhal over cholera en griep


À M. Di Fiore, à Paris.*

Civita-Vecchia, le 12 Juin 1832.


Vervelend als de pest! Ik hoop, goede vriend, dat de cholera enkel nog zo vervelend is als deze eeuwige gemeenplaats van de dwazen. — Mijn hart bloedde toen ik hoorde van het enorme verlies van ons beider weldoener.** Dat is voor mij de enige tragische herinnering in deze voor de mensheid kwalijke aangelegenheid.
Maar waarom ook niet bij de eerste zekerheid over het reële gevaar (ik heb het niet over de praatjes van de goegemeente) waarom dan niet al wat ons dierbaar is naar Marseille gestuurd?

Ik denk dat u zich in de maand april niet harder hebt verveeld dan men zich verveelt bij een veldslag.*** U was veranderd, zei men mij, in een wandelende apotheek.****

Hier hebben wij de kranten nooit geloofd. Als het verstand de waarschijnlijkheden nagaat, voelt het hart minder. Aan gevaar dachten wij alleen als er persoonlijke brieven kwamen.
Hier, een klein gat van zevenduizend vijfhonderd inwoners, doodde de griep zeven man per dag. Maar niemand haalde het in zijn hoofd om bang te worden; de pers had die spookbeelden er niet ingewreven. Voor het eerst zag ik dat persvrijheid ook schadelijk kan zijn. Het drukken van het woord cholera zou Napoleon verboden hebben.
[...]
Aux âmes sensibles
Lettres choisies (1800-1842)
Édition de Mariella Di Maio
(Folio classique, 2011)
___________
* Domenico di Fiore, advocaat in Napels, was na de mislukte revolutie van 1799 naar Parijs gevlucht. Stendhal beschouwde hem als zijn eerste lezer en vertrouweling. Fiore trad in Parijs in dienst bij de minister van Buitenlandse Zaken, graaf Mole. Door zijn toedoen werd Stendhal consul in Trieste en daarna in Civita-Vecchia.
** De dood namelijk van madame de Champlâtreux (1812-1832), dochter van graaf Mole, en gehuwd met graaf de la Ferté Meun.
*** Stendhal diende in het Napoleontisch leger in Italië en Rusland.
**** Dat beeld gebruikte ook Heine in zijn choleraverslag.

25 april 2020

C4H6O2S2


Asparagusinezuur is een zwavelhoudend carbonzuur – C4H6O2S2 zoals u weet – en het zorgt ervoor dat in het seizoen van de asperges velen bij het pissen een bijzondere geur waarnemen. Dat komt door vluchtige, zwavelhoudende bijproducten van dat zuur in de urine. Deze verdampen ogenblikkelijk, en treffen uw neus nog voor u klaar bent met de boodschap.

Of nu één afbraakproduct de geur veroorzaakt, of een mengeling van enkele producten is een vraag die wetenschappelijk nog niet helemaal is uitgeklaard, al wordt methyl mercaptaan vaak aangewezen.

De geur kan optreden al een kwartier na nuttiging. Onderzoekingen hebben aangetoond dat hij uren later nog aanwezig is, met een halfwaardetijd van vier à vijf uur. Tot vijftien uur na het tafelen blijft hij waarneembaar, zij het in sterk afgezwakte vorm.

Overigens verspreiden sommige mensen helemaal geen geur bij het plassen. De wetenschap vermoedt dat zij een bepaald enzym missen, en die afbraakproducten bijgevolg niet synthetiseren. Of zij maken die geur toch aan, maar in nauwelijks waarneembare dichtheid.

Ook zijn er mensen die hem helemaal niet kunnen ruiken. Bij hen hebben de wetenschappers een genetische afwijking gevonden. Zij missen een bepaalde olfactorische receptor, en we spreken dan van asparagusine-anosmie.

Heel erg kan dat gebrek niet zijn want studies laten zien dat 58% van de mannen en 62% van de vrouwen die anosmie vertonen en toch in leven blijven.

22 april 2020

De Röstigraben


Zoals we allemaal weten zijn de Duitstalige Zwitsers verzot op Rösti. Franstalige Zwitsers zijn gek op gesmolten kaas. Op zich even verklaarbaar want beide zijn lekker. Maar bij verkiezingen en referenda over om het even welk onderwerp zien we toch telkens weer dat er tussen de kaas- en de aardappeleters een kloof gaapt. Stemmen de Fransen vóór iets, dan stemmen de Duitsers tegen, en stemmen de Fransen tegen iets, dan stemmen de Duitsers voor.

Eendrachtig noemen de kranten dat verschijnsel: de Röstigraben. Zowel de Duitstalige als de Franstalige kranten doen dat (of ook de Italiaanse titels dat doen weet ik niet). Voor die geraspte aardappelengreppel, of -gracht of -kloof, hebben de Franse kranten de Duitse term overgenomen, wellicht omdat je in het Frans niet zo makkelijk woorden aan elkaar kunt plakken. Krantentitels zijn kort, en iets als ‘fossé de la fondue’ is te lang. En laat met wat goede wil de alliteratie nog enige verdienste hebben, het zijn te veel woorden en lettergrepen en uit een virtuele les onlangs begreep ik dat professoren in de communicatiewetenschap altijd enkelvoudige termen verkiezen als ze een gedachte kracht willen bijzetten.

In Le Temps las ik gisteren een artikel van de journaliste Sylvia Revello met als titel: Divergences sur fond de Röstigraben.
De divergenties betreffen le déconfinement, de afbouw van de quarantainemaatregelen. De federale regering kondigde aan dat ze die volgende maandag wilde laten ingaan.

Dat plan valt niet overal in Zwitserland even goed. Wel ging de grootste vakbond van het land, de Schweizerische Gewerkschaftsbund – Union syndicale suisse – Unione sindacale svizzera ermee akkoord, want ‘het is duidelijk dat alles bijeen de schade voor de sociale en gezondheidstoestand, de tijdelijke voordelen van een voortzetting van de quarantaine op den duur zou overtreffen.’

In de kantons Genève en Vaud groeit nu verzet. De voorzitter van de Communauté genevoise d’action syndicale, Alessandro Pelizzari, zegt dat de regering in Bern niet kan garanderen dat zoiets in veiligheid kan doorgaan.
Sylvia  Revello besluit: Met de onderscheiden tussen de kantons inzake gezondheidsbeleid, en met de verschillende ideologische gevoeligheden van de vakbonden, brengt de coronacrisis alweer een nieuwe Röstigraben aan het licht.

Bernard Wuthrich schrijft ook voor Le Temps, en hij was vandaag verwonderd dat de regering (le Conseil Fédéral) had besloten dat de grootdistributeurs hun zaken volledig mochten openen op 27 april: Le Conseil fédéral a déclenché une guerre commerciale, een handelsoorlog ontketend dus. De kleinhandelaars en hun overkoepelende organisaties tekenden onmiddellijk protest aan wegens concurrentievervalsing want zij mogen pas op 11 mei opengaan.

Nu lezen we dat de Federale gezondheidsdienst direct al achteruitfietst ‘met het groot mes’ zoals de coureurs zeggen, il fait du rétropédalage au grand braquet. De grootdistributeurs zullen enkel een beperkt aantal producten mogen verkopen. Er komt een lijst, maar die zal willekeurig zijn en niemand tevredenstellen vermoedt Wuthrich.

Een aantal dingen zullen ook voor ons herkenbaar zijn, maar een woord dat je nooit hoort, noch in Duits, noch in Frans, noch in Italiaans Zwitserland is : volmachten!

13 april 2020

Zijn rijke mensen te benijden?


Laatst had ik het hier over de prachtige vertaling die Piet Gerbrandy maakte van Boëthius’ De Consolatione Philosophiae. In zijn inleiding zag Gerbrandy een vergelijking die mij intrigeerde, namelijk structurele gelijkenissen tussen De Consolatione, en A Confederacy of Dunces, van John Kennedy Toole.
Dat laatste boek verscheen in 1980 en ik las het een paar jaar later, op aandringen van een vriend die de hedendaagse literatuur nogal opvolgt. Een geweldig boek vond ik, en dus wilde ik het weer eens inkijken. Dat is me niet gelukt.

Hiernaast ziet u de Penguinuitgave, maar het staat me vaag voor de geest dat ik destijds een Amerikaanse pocket las. Ik weet met andere woorden niet meer hoe mijn exemplaar eruitzag, en geen wonder dus dat ik het niet meer kan vinden.
Ik heb het zoeken opgegeven. Corona of niet, je kunt je tijd niet blijven spenderen aan een misschien vruchteloze jacht. Misschien stuit ik er ooit op terwijl ik een ander boek zoek.

Maar om op de vraag van de titel te komen: uitzonderingen zullen er altijd zijn, maar algemeen gesproken kun je ze met ja beantwoorden. Een rijk man kan bijvoorbeeld tegen zijn butler zeggen: 'Jeeves, geef me dat boekje eens ...met Drones of Dunces of wat was het alweer in de titel.'
(Social distancing blijft vanzelfsprekend aan de orde, en ook dokter Van Ranst zal hier goedkeurend knikken)

Die mogelijkheid heb ik niet, maar als ik mijn boeken iets ordelijker had gerangschikt had ik die ook niet nodig gehad. Aan dat rangschikken wens ik nu niet meer aan te beginnen, en de meeste boeken vind ik ook makkelijk omdat ik ongeveer, of zelfs zeker weet hoe hun rug eruitziet, de kleur, of hoe groot ze zijn, of hoe dik.

Laten wij daarom een heel rijk iemand beklagen, de auteur en historicus André Maurois (Émile Salomon Wilhelm Herzog, 1885-1967). Ik ben zijn schitterende essay over Voltaire aan het herlezen – tenminste de bladzijden waar ik streepjes in de marge heb gezet.
Maar zoals u hiernaast kunt zien: bij hem zijn alle ruggen gelijk.
Laten we hopen (en de kans is groot) dat de man een bediende had die de boeken die hij zo mooi had laten inbinden voor hem uitzocht.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html