Posts tonen met het label Galiani | Ferdinando. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Galiani | Ferdinando. Alle posts tonen

10 augustus 2025

Wat leest Trump 's avonds onder zijn dekentje?

 

Bij de naam Leonhard (Lenny) Fischer denkt u, lezer, onvermijdelijk aan Crédit-Suisse, Winterthur, Allianz, J.P. Morgan, Julius-Bär-Gruppe of Kleinwort Benson om maar een paar zijstraten te noemen. Fischer moet daar als bestuurslid of manager onnoemelijk veel tijd hebben gesleten.

Nochtans heeft de man ook een hobby, beweert hij: nachdenken. «Onze-Lieve-Heer heeft ons uitgerust met een gave die wij al te weinig benutten. Er wordt vandaag veel gepraat en geschreven, maar graag zou ik eens de zin horen: nu gaan we allemaal naar huis en denken na.»

Lenny zelf doet dat ook, en thuis denkt hij dan na over Donald met zijn importheffingen. Vlaamse journalisten mogen er verschillend over denken, maar Lenny vindt Donald niet gek ...al is hij het niet met hem eens: «Trump gelooft vast dat de wereldeconomie een soort nulsomspel is, en dat is heel betreurenswaardig want compleet verkeerd meen ik.» Zo verklaarde hij bij het Zwitserse Weltwoche. Hoe het uiteindelijk met die tarieven zal uitpakken valt af te wachten, zei hij nog, misschien gaat het op korte termijn wel goed, bijvoorbeeld tot aan de tussentijdse verkiezingen?

Met zijn zware ingrepen in de marktwerking, en zijn idee dat wat één land wint een ander land verliest, komt Trump dicht bij de economische opvattingen van bijvoorbeeld Ferdinando Galiani (1728-1787), of Voltaire (1694-1778) en de meesten van hun tijdgenoten. Ook zij vonden dat import en export (minstens wat graan betreft) door de staat geregeld moest worden.

Al hoorde men toen ook andere stemmen, die van de fysiocraten namelijk, die eerder l'ordre naturel voorstonden, het laissez-faire waarbij de staat zo min mogelijk tussenkwam.

Misschien is Trump wel een stiekeme lezer van Galiani?


5 februari 2025

Geen half werk wat de terrasjes betreft!


Nu onze verse ministers met een bijna Trumpiaanse snelheid aan het werk zijn gegaan en niet langer op een terrasje ergens op hun nagels zitten te bijten, mogen zij ook van de burgers inspanningen vragen. 

Mij is het helaas niet gegeven om de totaliteit van hun zorgen te overzien, maar voor een deelaspect ervan, het terrasleven namelijk, verstout ik mij mezelf enige expertise toe te meten. Akkoord, wat dat betreft hebben zij al een stuk van het werk verricht, maar er blijft nog zo veel te doen!

Van echte wantoestanden is geen sprake, dat zou sterk overdreven zijn, maar laten we onze ministers toch op een paar minder wenselijke situaties wijzen, en nemen wij het opklapbare terrasmeubilair onder ogen.


Zeker, ook dat kan mooi en zelfs elegant zijn, maar bij zulke tafeltjes steken de poten te ver naar buiten, waardoor mensen bij het neerzitten of opstaan ertegenaan stoten. Het kunnen zelfs mensen zijn die van een andere tafel komen of zich in die richting begeven!

Glazen kunnen hierbij sneuvelen, bier of hete koffie of thee kan terechtkomen op het boek dat je argeloos aan het lezen bent, of op je pakje sigaretten, of erger nog, op een spelend kind.
Gevaarlijk is ook de klapstoel voor dit kind, dat met zijn kleine vingertjes erin geklemd kan raken.
Misschien moet onze regering niet zo ver gaan om die opklapbare dingen meteen te verbieden, maar een voorlichtingscampagne zou hier wel op haar plaats zijn.

Nog even over dat spelende kind: laat het asjeblief niet aan de scherpe punt van een vierkante terrastafel zijn tere kopje stoten, tot bloedens toe misschien!

Genoeg treurnis: tonen we onze ministers hoe het met enkele simpele ingrepen beter kan.
Er is bijvoorbeeld deze eenvoudige, stevige, stapelbare stoel zonder uitstekende poten, en bovenal is er gelukkig de onvolprezen ronde terrastafel. Die moest allang overal verplicht zijn.

Voor regering en wetgever valt hier nog eer te rapen! Au boulot!

Natuurlijk zullen in hun wijsheid onze ministers Montesquieu wel indachtig blijven: Les lois inutiles affaiblissent les lois nécessairesDe l'esprit des lois, Livre XIX, chapitre 14, Genève 1748.
En evenzeer de abbé Ferdinando Galiani, die Montesquieu gelijk gaf in zijn Della Moneta van 1770:
“ …als je voorts in overweging neemt dat je alle goede wetten, over wat voor materie ook, in een oogwenk kunt verzinnen en op een blaadje papier verzamelen, dan merk je tegelijk dat als je perfect werk hebt geleverd, maar niettemin (in plaats van je tevreden te stellen met het laten uitvoeren van al genomen beslissingen) wenst door te gaan met wetten maken – dat dan al het goede onvermijdelijk bedorven raakt en de kwalijkste zaken opduiken. En zelfs als je geen kwaad aanricht – de wil om alles uiterst nauwgezet te reglementeren is op zich een zeer groot euvel.”

Mochten nu tóch zijn ministers zowel Montesquieu als Galiani veronachtzamen, dan zal onze Bart, als regeringsleider, als dux, hen beslist aan Tacitus herinneren:

Corruptissima re publica plurimae leges.
Hoe verdorvener de staat, hoe talrijker de wetten.

17 maart 2018

Brainstormen in het zicht van verkiezingen


Gwendolyn Rutten, de mooiste partijvoorzitter die wij in dit koninkrijk bezitten, wil in de Grondwet plots een ander eerste artikel (dat wel al in de Universele Rechten van de Mens staat, maar kom). Nu is Gwendolyn, zoals ze zelf zegt "een optimist en een doener met een glasheldere visie" maar misschien kan het toch geen kwaad haar ter kennis te brengen dat andere glasheldere denkers al in 1770 hebben nagedacht over eerste artikels.

De geniale Ferdinando Galiani, een man uit de Verlichtingstijd (een boek van hem werd geredigeerd door Diderot en Grimm), stelde er ook een voor. Er was toen nog geen metoo-golf waarop je kon meedrijven, en zijn boek was dus van een andere aard dan dat van Gwendolyn.

Galiani wilde als nieuw eerste artikel “het recht op stappen” want alle oude artikels waren enkel krukken. Ter implementatie stelde hij ook een aantal daaropvolgende artikelen voor. Zijn recht op stappen gold immers niet enkel voor buiten, maar ook binnenshuis. Dus moest er ook een recht op pantoffels komen.

“Elke mens heeft het natuurlijke recht om te stappen en op de middelen daartoe, en dat is zozeer het eerste van onze fundamentele rechten, dat wij zonder dat recht geen voet meer zouden kunnen verzetten. Wij zouden dan misschien wel heel oude krukken hebben, maar geen fundamentele pantoffels. Nee, als wij bij onze zoektocht naar het eerste principe van alle Pantoffels, niet teruggaan tot het recht om te stappen, dan is er niet één waarvan wij kunnen aantonen dat het een essentieel, een basisconcept is […].”

“Le droit naturel que tous les hommes ont à marcher et aux moyens de marcher, est tellement le premier de nos droits fondamentaux, que, sans lui, nous ne pourrions plus remuer nos pieds. Nous aurions peut-être des béquilles très anciennes, mais non des pantoufles fondamentales. Non, si nous ne remontons au droit de marcher pour trouver le premier principe de toutes les Pantoufles, il n’en est pas une dont nous puissions montrer la raison essentielle et primitive […]”

Rechten als pantoffels, en grondrechten als pantoufles fondamentales, dat vraagt uitleg. Galiani speelde met een toen bekende uitdrukking: “raisonner pantoufle”, faire des raisonnements de travers (dictionnaire de l’Académie française, 1789), ofwel: gebrekkig redeneren.

in : Ferdinando Galiani/Louise d’Épinay
Correspondance I, 1769-1770
Les Éditions Desjonquères, 1992, p. 274

29 november 2017

Iets anders dan de brieven die men vandaag in alle gazetten uitwisselt


Louise d'Épinay (1726-1783) was een femme de lettres die de grote geesten van haar tijd in haar salon ontving en bijvoorbeeld ook, en met veel succes een antwoord schreef op Rousseau's Émile: "Conversations d'Émilie".
Een goede vriend van haar was Ferdinando Galiani (1728-1787), de Napolitaanse economist wiens studies over de waardeleer ver op hun tijd vooruit waren: waarom is goud iets waard? waarom is papier iets waard? &c.
Galiani was "abate", "abbé": had lagere wijdingen gekregen, maar was niet de meest ijverige gelovige. Hij werkte tien jaar in Parijs (1759-69), als secretaris van de ambassadeur van de koning van Napels. Daarna werd hij economisch raadgever van de regering daar, een soort consultant zouden wij nu zeggen.

Galiani schreef in het Frans en Italiaans, correspondeerde met Diderot, Voltaire, Turgot en vele anderen. Met de fysiocraat abbé André Morellet (die had een scherpe tong en Voltaire noemde hem abbé Mords-les, bijt ze!) ging hij een levendig economisch debat aan. Als jongeman was hij in heel Europa beroemd geworden met Della moneta (1750), een waardetheorie, en later in 1770 schreef hij Dialogues sur le commerce des bleds (blés), werken die uitblinken door methodische klaarte ...én door hun grappigheid! Diderot, Grimm en Louise d'Épinay verzorgden de uitgave in 1770, want hijzelf was door de koning naar Napels teruggeroepen, en had zijn manuscript in Parijs moeten achterlaten.
In het eerste werk baseerde hij zijn waardetheorie op nut en schaarste. In het tweede benadrukt hij de noodzaak van regelgeving in de handel, tegen de fysiocraten in, die een volledige vrijheid van handel voorstonden. Galiani ging ervan uit, evengoed overigens als de fysiocraten en ook Voltaire, dat één land maar kan winnen wat een ander land verliest. Hij verdedigde zo bijvoorbeeld de muntdevaluatie.

Zijn brieven aan Louise, en die van haar aan hem, geven een goed beeld van het intellectuele leven in het Europa van de XVIIIde eeuw.
De Dialogues sur le Commerce des Blés zijn gesprekken tussen een Markies en een Ridder (Galiani zelf). In onderstaand fragment, niet uit die Dialogues afkomstig, treden deze twee personages weer aan, maar het werd nooit een boek. Het bleef bij een fragment van tien bladzijden en Galiani stuurde het aan Louise, die verstandig genoeg was om een grapje te kunnen smaken, zeker als het van haar geliefde abbé kwam. Hij mocht haar in alle vriendschap veel wijsmaken, ook in een



in: Ferdinando Galiani / Louise d’Épinay
Correspondance III, mars 1772 - mai 1773
Les Éditions Desjonquères, 1994, pp. 252-255

De Ridder: […] ik houd dus vol dat de vrouw zwak is door de opbouw van haar spierstelsel; vandaar ook haar teruggetrokken levenswijze, haar gehechtheid aan het mannetjesdier van haar soort dat haar onderhoudt, ook haar lichte kledij, haar bezigheden en taken &cet.
De Markies: En waarom noemt u haar een zieke?
De Ridder: Omdat zij dat van nature is. Eerst is ze zoals alle beesten ziek tot ze tot volle wasdom komt. Maar dan verschijnt dat zo bekende symptoom, eigen aan de hele klasse van de tweehandigen.* Elke maand is ze tenminste zes dagen aan een stuk ziek, wat overeenkomt met een vijfde van haar leven, en vervolgens komen de zwangerschappen en het zogen van de kinderen, wat weloverwogen twee zeer lange en hinderlijke ziektes zijn. Tijdens die aanhoudende ziekte kennen zij dus maar enkele schemeringen van gezondheid. Haar karakter ondervindt de gevolgen van die bijna vertrouwde toestand. Ze zijn aanhalig en knuffelachtig zoals alle zieken, en tegelijk soms bruusk en onberekenbaar, zoals alle zieken. Worden makkelijk kwaad, en maken het makkelijk weer goed, net als de zieken. Ze zoeken verstrooiing, amusement, en een niemendalletje amuseert hen, net als de zieken. Hun verbeelding is voortdurend aan het werk, angst, hoop, vreugde, wanhoop, verlangen, afkeer wisselen elkaar sterk af in haar hoofden, en worden er nog makkelijker weer uitgewist. Gulzig leren ze bij, en evengoed vergeten ze. Ze houden van een lange afzondering en van opgewekt gezelschap in de tussenpozen, zoals alle zieken. En als we nu onder ogen nemen hoe wij hen behandelen: we verzorgen hen, we tonen belangstelling voor hen, we proberen ze te verstrooien, te amuseren, we laten ze met rust in hun appartementen, dan bezoeken we hen, we strelen ze, en vervolgens nemen wij…
De Markies: Komaan, het woord moet eruit, nu niet stilvallen terwijl u zo flink op dreef was.
De Ridder: Ja, wij proberen ze te genezen en bezorgen hen zo een nieuwe ziekte.
De Markies: U moet er wel bij zeggen dat ze daar niet rouwig om zijn; integendeel, ze ondergaan dit met evenveel geduld als zieken een aderlating of een branderig medicijn.
De Ridder: En wel om dezelfde reden die zieken hebben om te geloven dat het allemaal om hun bestwil is, en dat ze zich navenant beter zullen voelen.
De Markies: Ridder, u mag me nog zo graag ervan willen overtuigen dat vrouwen per definitie ziekelijke wezens zijn, ik kan me maar slecht met die idee verzoenen. Misschien zijn uw Napolitaansen dat wel, maar wat mijn dierbare Parisiennes betreft zit u er lelijk naast. Ga eens naar de Vauxhall,** naar de boulevards, naar de operabals, en zie me hoe die zieken daar tekeer gaan: tien grenadiers zouden ze afmatten door hen de hele nacht te doen dansen. Het hele carnaval door blijven zij wakker, en houden er nog niet een kuchje aan over. En dat noemt u zieken?
De Ridder:
 
Markies, u maakt mijn eigen argumenten tot de uwe, om ze dan als tegenwerpingen te gebruiken. Precies wat u daar allemaal verteld hebt, moet u toch aantonen dat vrouwen wezens zijn die wij mannen, met ons verstand niet beter kunnen omschrijven dan door hen zieken te noemen; het komt hierop neer dat zij het sterkst op ons lijken wanneer wijzelf in die toestand verkeren. Hebt u het nog nooit meegemaakt dat vier man alle moeite hebben om een zieke in bedwang te houden die spasmen vertoont, een gek, een zinneloze? En dat in vele gevallen zieken een kracht bezitten die gezonden niet zouden opbrengen? Die veranderlijke, excessieve, onregelmatige, onstandvastige kracht is juist een ziektesymptoom, een effect van de immense prikkeling van de zenuwen door een verhitte verbeelding. De zenuwspanning vult de natuurlijke zwakte der spieren aan. Neem die verbeelding weg en alles valt plat. Jaag dus de violisten weg, doof de kaarsen, laat de feestvreugde wegebben en die eeuwige danseressen zullen nog nauwelijks thuisraken al is het maar een klein eindje lopen. Ze zullen een fiaker laten voorrijden enkel om de Pont-Neuf over te steken.
De Markies: Zoals altijd verslaat u me nu weer, omdat God dat zo wil, maar ik heb toch een kleine tegenwerping die ik u wil maken.
De Ridder: Gaat u alstublieft uw gang.
De Markies: Probleem is dat ik niet overtuigd ben door alles wat u zojuist hebt verteld: ik geloof er geen woord van. Ik begrijp wel dat u gelijk hebt voor wat de huidige toestand betreft, maar dat alles lijkt mij een effect van de opvoeding, niet van de natuur, en ik geloof dat als men de natuur onbedorven liet doen, vrouwen evenveel waard zouden zijn als wij, misschien met dat verschil dat ze wat zwakker zouden zijn en gevoeliger.
De Ridder: Mijn beste markies, alle scherts nu daargelaten, gelooft u dat er in de wereld zoiets bestaat als opvoeding?
De Markies: Nee zeg, die paradox is te sterk, ik moet u in alle vriendschap aanraden om hem te milderen, te verzachten, of als u dat wilt hem van een uitlegging te voorzien, nu we weten dat dat woord intrekking betekent, zoals bij de Verklaringen van de koning met betrekking tot eerdere edicten.
De Ridder: Ik wil uw raad opvolgen want uw raadgevingen zijn altijd het opvolgen waard, en ik heb mij daar altijd goed bij bevonden. Ik zal uitleg geven, zonder nochtans mijn woorden in te trekken. Over opvoeding hoort men veel spreken, en zoals gewoonlijk moet er dan weer een boek geschreven worden. […]
__________
  * tweehandigen, bimanes was toen een categorie in de biologie.
** Vauxhall was de benaming voor publieke, betalende pretparken waar bals en feesten werden gegeven (naar de Londense tuin in Kensington waar de Engelse beau monde zich liet zien).


7 augustus 2017

Welke politieke medestanders kun je best aankopen?


Vroeger was een politicus zijn eigen campagneleider,
en zelfs zijn eigen woordvoerder

Onder de auteurs die over praktische politiek geschreven hebben, is een van de grappigsten die ik tot nu las Jean-François Paul de Gondi, Cardinal de Retz. Wat grappigheid betreft kreeg hij in de eeuw na hem concurrentie van onder meer Ferdinando Galiani, maar in zijn eigen zeventiende eeuw laat hij Rochefoucauld achter zich, en voor mij zelfs nipt ook Baltasar Gracián.
Maar Retz is meen ik niet in het Nederlands vertaald, terwijl bijvoorbeeld Gracián, met dank aan wijlen Theo Kars uitgebreid ter beschikking is. De kardinaal heeft niet eens een Nederlandse wikipagina.
Retz was een geboren intrigant, een Frondeur, en al overdreef hij in zijn Memoires zijn eigen rol hierbij wel eens (hij had, zegt zijn vijand Rochefoucauld terecht, vaak meer aan zijn verbeelding te danken dan aan zijn nochtans indrukwekkende geheugen), hij was een scherpziende analist.

Hieronder legt hij uit wat zijn tactiek was om het Parijse volk achter zich te scharen, en zo een opstand een kans op slagen te geven. Vooraf nog: Retz wilde eigenlijk een militaire carrière, maar werd door zijn vader tot een kerkelijke loopbaan gedwongen, al deed hij er alles aan om dat onmogelijk te maken, door bijvoorbeeld vele duels te vechten en evenveel galante avonturen op te zoeken.

De graaf* had mij, ik weet niet meer onder welk voorwendsel, twaalfduizend ecu’s laten toekomen via Duneau, een van zijn secretarissen. Ik bracht die naar mijn tante Maignelais,** en vertelde haar dat het om een restitutie ging die mij door een van mijn vrienden op zijn sterfbed was toevertrouwd, met de uitdrukkelijke wens dat ikzelf in persoon deze som na zijn dood zou aanwenden ter leniging van de nood van armen die niet bedelden; en dat, aangezien ik op het evangelie gezworen had in eigen persoon die som te zullen verdelen, ik hier uiterst verveeld mee zat want ik kende zulke mensen niet; en dat ik haar smeekte daarvoor te willen zorgen.
Ze was in de wolken; ze zei me dat ze dat heel graag zou doen; maar dat zij er absoluut op stond dat ik er dan bij zou zijn, aangezien ik had beloofd die bedeling zelf te houden; dat ik aldus mijn woord getrouw gestand zou doen en mijzelf vertrouwd maken met de werken van liefdadigheid.
Dat was nu juist wat ik wilde, want op die manier zou ik me een naam kunnen maken onder al de behoeftigen van Parijs. Elke dag liet ik me door mijn tante als het ware meeslepen naar achterbuurten en zolderkamers. Bij haar thuis zag ik heel vaak mensen die goed gekleed gingen, soms zelfs bekend waren, en in het geheim om een aalmoes kwamen. De goede vrouw liet bijna nooit na hen te zeggen: “Bid God voor mijn neef; hij is het, die het de Heer heeft behaagd zich van hem te willen bedienen voor dit goede werk.”
Stelt u zich voor in wat voor positie dit me bracht bij die lui die, als het erom gaat het volk in beroering te brengen, onvergelijkelijk veel belangijker zijn dan alle anderen. De rijken doen enkel noodgedwongen mee; bedelaars zijn dan eerder schadelijk dan nuttig, want de vrees bestolen te worden maakt hen beducht. Wie het meeste kunnen bijdragen zijn die mensen die het in hun persoonlijke aangelegenheden moeilijk genoeg hebben om verandering te wensen in de publieke, en wier armoede hen toch niet tot openlijke bedelarij brengt.
Bij dit soort mensen zocht ik dus naam te maken, een maand of drie-vier lang, met een bijzondere ijver, en geen kind zat er naast een haardvuur of ik gaf het privé altijd enkele spulletjes; ik kende Nanon en Babet. Alles ging gedekt onder de sluier van Mme de Maignelais, die nooit een ander leven had geleid. Ik speelde zelfs wat de devote ziel, en ging naar de conferenties van Saint-Lazare.***
___________


* Louis de Bourbon, graaf van Soissons (1604-1641); belangrijke tegenstander van Richelieu; versloeg het koninklijke leger in de slag van La Marfée, nabij Sedan, maar kwam vlak na afloop van die slag om het leven: hij had de gewoonte het vizier van zijn helm omhoog te duwen met de loop van zijn pistool, en moet in een ogenblik van onachtzaamheid het schot hebben doen afgaan.
** Marguerite-Claude de Gondi, zijn tante langs vaderskant, gehuwd met Florimond d’Halluin, markies van Piennes en Maignelais; stond bekend om haar vroomheid en weldadigheid.
*** De ouders van Retz hadden Vincent de Paul (ook Depaul; ?1581-1660) geld gegeven, en zo kon die in een voormalige leprozerie van de orde van Sint Lazarus een tehuis maken voor priesters die zich erop wilden toeleggen de boeren het evangelie te prediken. Retz woonde enkele van hun vormingslessen bij.

9 september 2013

Wetten en Pantoffels


Oikofobie, de angst voor het eigene, is een nieuw boek van de Nederlandse auteur Thierry Baudet. Het verscheen bij Prometheus/Bert Bakker en bevat een goede vijftig essays, ondergebracht in vijf hoofdstukken, handelend over de EU, over modernisme, immigratie, Wilders enzovoort. Roger Scruton ontwierp die term “oikofobie” als tegenhanger voor het alom bekende xenofobie. De angst voor het eigene inderdaad, want οίκος is een Grieks woord dat in het Latijn “vicus” gaf, en bij ons “wijk”.


Een van de hoofdstukken in het boek heet “Rechtsstaat en Politiek” en de jurist en filosoof Baudet is daarin op zijn best en scherpst. Op vage juridische termen zoals bijvoorbeeld “mensenrechten” heeft hij het niet begrepen. Hij vindt deze rechten zelfs onverenigbaar met de democratische rechtsstaat en neemt geen blad voor de mond:

“Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg heeft zich de afgelopen jaren ontpopt tot een allesverslindend monster dat zonder enige legitimiteit talloze nationale wetten en regelingen buiten werking stelt. […] De centrale denkfout achter juridische codificatie van het mensenrechtendiscours is dat universele principes van rechtvaardigheid geen van tijd en plaats afhankelijke interpretatie zouden vergen. Maar dat is nu juist wél het geval.”

Het Hof heeft de neiging om het begrip “mensenrechten” eindeloos op te rekken, zegt Baudet: er komen altijd maar nieuwe rechten bij. Hij maakt deze stelling hard met vele bewijzen en voorbeelden en we mogen hopen dat onze politici hem zullen lezen, want zijn argumenten zijn klassiek, en ouder dan het Hof van Straatsburg. 

Ik moest hier denken aan de geniale achttiende-eeuwse diplomaat en econoom Ferdinando Galiani. Die zag toen al in dat concepten als “grondrecht” of “mensenrecht” aanleiding zouden geven tot het ontstaan van steeds weer nieuwe, afgeleide rechten. Galiani stelde voor om als eerste grondrecht “het recht om te stappen” te nemen. Hieruit volgt, zei hij, dat elke mens ook het grondrecht heeft om binnenshuis te stappen, en bijgevolg het grondrecht op pantoffels.

“Le droit naturel que tous les hommes ont à marcher et aux moyens de marcher, est tellement le premier de nos droits fondamentaux, que, sans lui, nous ne pourrions plus remuer nos pieds. Nous aurions peut-être des béquilles très anciennes, mais non des pantoufles fondamentales. Non, si nous ne remontons au droit de marcher pour trouver le premier principe de toutes les Pantoufles, il n’en est pas une dont nous puissions montrer la raison essentielle et primitive […]”

“Elke mens heeft het natuurlijke recht om te stappen, en op de middelen daartoe, en dat is zozeer het eerste van onze fundamentele rechten, dat wij zonder dat recht geen voet meer zouden kunnen verzetten. Wij zouden dan misschien wel heel oude krukken hebben, maar geen fundamentele pantoffels. Nee, als wij bij onze zoektocht naar het eerste principe van alle Pantoffels, niet teruggaan tot het recht om te stappen, dan is er niet één waarvan wij kunnen aantonen dat het een essentieel, een basisconcept is […].”

Rechten als pantoffels, en grondrechten als Pantoufles fondamentales, dat vraagt wat uitleg. Galiani speelde met een toen bekende uitdrukking: “raisonner pantoufle”, faire des raisonnements de travers (dictionnaire de l’Académie française, 1789), gebrekkig redeneren dus.

in : Ferdinando Galiani/Louise d’Épinay
Correspondance I, 1769-1770
Les Éditions Desjonquères, 1992, p. 274

18 mei 2013

Kleutergeld


Een vraag die de burger kan kwellen, is of de koperen eurocentjes behouden dienen te blijven of beter verdwijnen. De ernstigste krant van Vlaanderen, De Tijd titelde woensdag op pagina 8: “Europa wikt toekomst van verguisde eurocentjes”.
Een grote charme van die krant is dat hij een formaat heeft dat meerdere titels op één pagina toelaat. De lezer kan een keuze maken. Op dezelfde pagina kon je bijvoorbeeld ook lezen over Zwitserse banken, over de begroting van de EU, over die Syrische rebel die zijn tanden in een vijandelijk hart had gezet, over de actrice Angelina Jolie die aan de foto te zien haar lippen heeft laten bijvullen, over de Fitch-rating van Griekenland en over de Chinese troostmeisjes die in de Tweede Wereldoorlog de dappere Japanse soldaten ten dienste stonden.

Wij zullen ons enkel met de koperen muntjes bezighouden. Het slaan van die muntjes is een verlieslatende zaak zegt De Tijd. Enkel het aanmaken ervan heeft ons al één komma vier miljard euro gekost.

Akkoord, hun titel was licht misleidend want het artikel ging helemaal niet over het continent Europa maar over de EU, en binnen die EU dan nog enkel over de malheureuze eurolanden. Wel blijft de vraag wat zo’n centje echt waard is, en waar die waarde op berust.
Economisten vandaag geven allerlei antwoorden. Ze spreken over productiekosten, metaalwaarde, de tijd die winkeliers verliezen met het innen en wisselen van die muntjes. Dat zijn uiteenlopende dingen maar iedereen die geen economist is, voelt aan dat de redeneringen enigszins mank lopen en niet veel méér voorstellen dan wat je bij de bakker of in de krantenwinkel hoort. Hoe zijn ze aan hun som van 1,4 gekomen bijvoorbeeld?

In 1751 verscheen er, zogezegd in Milaan maar eigenlijk in Napels een boek, Della Moneta, waarin de waarde van geld, dus van goud, zilver, koper en papier op een heldere manier uit de doeken werd gedaan. Dat was eerder nooit gebeurd maar halfweg de XVIIIde eeuw was er een sterke toename van de geldhoeveelheid in allerlei vormen, echt geld, fiduciair geld, en de nood aan een algemene theorie werd duidelijk want noch de kleine man, noch zelfs de bankiers van die tijd snapten wat er allemaal aan de hand was. Wat zijn onwetendheid betreft, kan onze graaf Lippens dus naar illustere voorgangers verwijzen.

Maar de auteur van Della Moneta, Ferdinando Galiani, was toen pas 22 en hij besefte dat 22 te jong is om door iemand ernstig te worden genomen. Hij legde het nu zo aan dat zijn boek zogenaamd door een onbekende zestigjarige was geschreven, iemand die alles eerder had meegemaakt. Galiani liet op het titelblad trouwens ook 1750 drukken en niet 1751.

Zijn boek was een geweldig succes. Stukken eruit werden vertaald in het Frans, Engels, Duits. Men zocht verwoed naar die zestigjarige auteur, maar vond hem niet. Nog binnen het jaar kwam het bedrog aan het licht en Galiani was op slag een wetenschappelijke ster. Overal moest hij lezingen geven. Turgot, en veel later nog Marx en Schopenhauer citeerden hem.

En in 2005 verscheen er voor het eerst een volledige en prachtige Franse vertaling, met op de even bladzijden de oorspronkelijke Italiaanse tekst.

Het wonderlijke van Galiani is dat hij in al zijn helderheid ook nog bijzonder grappig is. Over de waarde van geld geeft hij XVIIIde eeuwse salonconversaties weer, die je zo herkent. Zekerheden biedt Galiani niet –hij is een wetenschapper– en sommigen vonden hem daarom cynisch.
Maar dat het niet zo eenvoudig in zijn werk gaat met het afschaffen van kleine koperen muntjes, dat lezen we met veel plezier in zijn boek.*


De la Monnaie/Della Moneta
Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Ed. Economica, Paris, 2005

* Alleen al de beginzin van boek één: J’ai décidé d’écrire et, selon que mes forces et mon talent le permettront, d’éclairer la nature et les qualités de la monnaie […].

12 mei 2012

Beschaving, en de zichtbaarheid van de vrouw

.
Voor vertalen was er even geen tijd, maar een transcriptie maakt onderstaande Franse tekst alvast citeerbaar. Dat is nuttig, want het intellectuele debat, zoals dat bij Finkielkraut elke zaterdagmorgen plaatsheeft, ontbreekt bij ons. Bij ons hoor je wel vaak debatten tussen mensen die het met elkaar eens zijn. In andere landen is dat niet noodzakelijk zo. Op de site van France Culture is de volledige uitzending beschikbaar (Les livres pour patrie), want er kwamen behalve de uittrekseltjes hieronder nog wel meer interessante thema's aan bod.
Grappig was dat Finkielkraut, die gewoonlijk geen woorden tekortkomt, plots twijfelde hoe je de naam van Mme de Staël uitspreekt. Herkenbaar probleem, en echte radio. Eerst dat grapje en dan serieus:



Jan Leyers definieerde Europa ooit heel goed, namelijk als die beschaafde plek op de wereld waar ook vrouwen op café kunnen gaan. Hun zichtbaarheid is er geen halsmisdaad. Finkielkrauts genodigde zaterdag, de filosofe Mona Ozouf, plaatste die definitie in een historisch perspectief, en zij zag de oorsprong van deze loffelijke beschavingsvorm in Frankrijk. Daar heb ik nog een kleine kanttekening bij.



Alain Finkielkraut: Michel Del Castillo s'inscrit dans la longue corde de ces écrivains venus d’ailleurs, de Hume à Henry James, en passant par Henri Heine, pour lesquels la France est femme, une terre que le long commerce entre les sexes a façonnée et polie. France donc, patrie littéraire et patrie féminine.
Mona Ozouf: Oui, mais ce que je veux dire c’est qu’il est vrai que lorsqu’on lit les récits des voyageurs étrangers en France, à partir du dix-septième siècle, dix-huitième, dix-neuvième, chaque fois, ce qui frappe les voyageurs étrangers en France c’est la visibilité féminine. Les femmes sont partout, elles sont partout, elles sont dans les occupations, elles attèlent les carrioles, elles vendent des violettes dans la rue, enfin que sais-je. Visibles partout et d’autre part, c’est la mixité des activités qui frappe tous les étrangers. Donc je pense qu’on peut dire en effet que la France est un pays féminin.



Mona Ozouf: Mais, mais cela étant dit, je pense que depuis fort longtemps, s’était établi en France un commerce entre les sexes plus plus aimable, plus heureux, plus civilisé que dans beaucoup d’autres pays. Et ce n’est pas un thème que j’invente, c’est le thème de Mme de Staël, tout au long de son œuvre. Mais effectivement pourquoi est-ce que c’est un mauvais cas? Parce que ça semble, comment dire, protester contre l’idée que l’indifférenciation entre les sexes est un bien. Or c’est à cette extrémité-là que mon féminisme n’est pas du tout prêt d’aller, car je ne crois nullement l’indifférenciation souhaitable. Je crois, pour tout vous dire, que ce qui fait le prix de l’existence des femmes en France, c’est de pouvoir jouer sur deux tableaux, très différents. Le tableau de leur féminité, c'est-à-dire qu’une femme peut parfaitement être attentive à son apparence, et désirer plaire, sans pour autant se penser comme une femme-objet, comme une serine, et par ailleurs parce que c’est un calcul très rationnel. Condorcet l’a très bien dit. Condorcet a dit que quand le destin des femmes dépend de leur apparence, il est tout à fait rationnel pour les femmes de s’en préoccuper.*
Bien. Donc les femmes peuvent cultiver en France cette féminité-là. Mais par ailleurs, dans la France républicaine, l’individu est un individu qui a ses droits parce qu’il est dénué de ses qualités personnelles. Par conséquent la femme peut aussi se penser comme un sujet neutre du droit. Et c’est la possibilité me semble-t-il pour les femmes de, selon les contextes et selon les situations, de jouer sur la différence précieuse, sur la différence féminine précieuse, qui, si elle n’existait pas, tout le romanesque de l’existence se volatilise d’un coup, et en même temps se penser comme un, comme le sujet du droit, dénué de qualités.

____________________
* Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat, marquis de Condorcet (1743-1794) zal deze uitspraak gedaan hebben nadat hij, zoals elke Europese intellectueel toen, Ferdinando Galiani's Della Moneta had gelezen. Daarin staat net hetzelfde, en toen dat boek verscheen was Condorcet amper zeven. Pas onlangs werd Della Moneta in het Frans vertaald, zoals hieronder te zien, en hier heb ik die passage weer naar het Nederlands omgezet:

Passion des femmes pour la beauté
et combien celle-ci est raisonnable
Toutefois, si chez l'homme le désir de paraître crée de l'attirance pour les productions les plus belles et les plus rares de la nature, chez les femmes et chez les enfants, la très ardente passion de paraître beaux fait apprécier ces objets au plus haut point. Les femmes, qui constituent la moitié de l'espèce humaine, et qui sont destinées, ou entièrement ou en très grande partie, à la propagation de l'espèce ainsi qu'à notre éducation, n'ont d'autre prix et mérite que l'amour qu'elles éveillent chez l'homme. Et comme celui-ci dépend presque entièrement de leur beauté, leur plus grand souci est d'apparaître belles aux yeux des hommes. Combien les ornements y contribuent est un fait reconnu unanimement; donc, si la valeur chez les femmes tire son origine de leur charme et celui-ci de leur beauté, cette valeur s'accroît avec les ornements, et alors il est par trop évident que nécessairement la valeur de ces objets est très grande dans l'idée qu'elles s'en font.
Ferdinando Galiani
De la Monnaie/Della Moneta

Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Éd. Economica, Paris, 2005, p.75

3 augustus 2011

De goudwaarde van Galiani

.
“Een levend kalf is nobeler dan een gouden kalf, maar hoeveel minder betalen we er niet voor?” vroeg in 1582 de econoom Bernardo Davanzati. Hij vroeg ook waarom we dat deden.
Interessante vraag als we vandaag in de kranten lezen dat goud meer dan 36.000 € de kilo kost, Krugerrands en Maple Leafs over de toonbank vliegen, en de euro en dollar op apegapen liggen.
.
Voor een antwoord zouden we ons misschien best richten tot wat de kranten tactvol de “zakenfamilie Hendrickx” noemen, want deze familie wil aan de Staat graag de tegenwaarde van 2778 kilo goud betalen om haar frauduleuze praktijken te laten vergeten, en zo wellicht de nor uit te blijven. Maar niet iedereen heeft connecties in het criminele milieu en wij zullen ons hier tevredenstellen met puur theoretische beschouwingen.
Dat hoeft niemand af te schrikken, want het gaat om heel oude economische geschriften. Die waren even wetenschappelijk als deze van tegenwoordig, maar ze hadden nog het voordeel van de leesbaarheid.


De Napolitaan Ferdinando Galiani kwam hier in februari al ter sprake, toen naar aanleiding van de Frietrevolutie. Twee eeuwen na Davanzati gaf Galiani hem een antwoord. Goud, zei hij, zal zijn waarde altijd ongeveer behouden, niet omdat het in de elektronica een paar toepassingen zal vinden, maar wel hierom:



De passie voor schoonheid bij de vrouwen,
en hoe bijzonder redelijk deze is.
Al zal ook bij mannen de neiging tot uiterlijke schijn ervoor zorgen dat zij belangstelling hebben voor de mooiste en zeldzaamste producten die in de natuur voorkomen, toch zijn het de vrouwen en kleine kinderen die deze zaken boven alles appreciëren, door hun vurige passie om er goed voor te komen. De vrouwen, die de helft van het menselijk geslacht uitmaken en bestemd zijn om geheel of voor het grootste deel in te staan voor de verbreiding van de soort, alsook voor onze opvoeding, kennen geen andere prijs of verdienste dan de liefde die zij bij de man kunnen opwekken. En omdat deze liefde bijna geheel afhankelijk is van hun schoonheid, is het ook hun grootste zorg om er in de ogen van de mannen mooi uit te zien. Dat sieraden daartoe bijdragen is een universeel erkend feit. Bijgevolg, als de waarde van de vrouw uit haar charme voortvloeit, en deze weer uit haar schoonheid, dan zal die waarde toenemen door versierselen. Het is dus meer dan zonneklaar dat de waarde van zulke voorwerpen onvermijdelijk bijzonder groot is in de voorstelling die zij zich ervan maken.
Het opsmukken van de kindjes.
Wat nu de kleintjes betreft, die het voorwerp zijn van de tederste zorg van hun ouders: daar kunnen mannen hun liefdevolle tederheid hen enkel betonen door het object van hun beider liefde mooi en gracieus te maken. En wat zal een man niet allemaal ondernemen om zijn vrouw ter wille te zijn als zij hem aanspoort om zijn kinderen op te smukken? Zo is het gekomen dat men, eerst uit het zand van de rivieren, vervolgens uit de ingewanden van de aarde met grote moeite de mooiste metalen is gaan halen.

De la Monnaie/Della Moneta
Éd. Economica, Parijs, 2005, pp.74-5


Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

15 maart 2011

Over Parijse Schipperskwartieren

.
De Duitse auteur Philipp Blom heeft groot succes met zijn boek A Wicked Company, vertaald als Het verdorven genootschap, hier eerder besproken. Dat boek beschrijft het achttiende-eeuwse salon van baron d'Holbach, waar vrijdenkers uit heel Europa elkaar troffen.

Een buitenbeentje onder de gasten daar, en bij Blom een randfiguur was de abbé Ferdinando Galiani. Die was secretaris van de ambassadeur van Napels, maar na tien jaar dienst werd hij door zijn koning teruggeroepen, en dat speet hem verschrikkelijk want naast Parijs was Napels een vergeten gat vond hij. Deze ongelukkige gang van zaken leverde voor ons wel een schitterende en jarenlange correspondentie op met al zijn Parijse vrienden. Veel van die brieven zijn bewaard en gepubliceerd, en zij vormen een bijzonder charmante encyclopedie van hun tijd.
Vorige week lazen we hier hoe kolonel al-Gaddafi over prostitutie denkt. Een probleem van de stad zei hij. In het Parijs van de achttiende eeuw dacht men er net zo over, en men overwoog om de rosse buurten te saneren en die industrie in een soort Eros-hotel te centraliseren.
Rétif de la Bretonne, bekend van onder meer zijn erotische romans, liet hierover in 1769 anoniem een boek verschijnen onder de titel: “De pornograaf, of opvattingen van een man van de wereld over een reglement voor de prostituees, om het onheil te voorkomen dat door het statuut der publieke vrouwen veroorzaakt wordt, met historische noten ter staving.”

Louise d’Épinay, de lievelingscorrespondente van Galiani, gelooft niet erg in zijn voorstellen, en zij schrijft:
À Paris ce 29 7bre 1769.
Mon charmant abbé, […] is het niet ongelooflijk dat een man met stijl, ideeën, die zijn talen kent en de zeden van oude tijden, zijn tijd doorbrengt met het taxeren van de sletten van het Koninkrijk, dat hij hen klasseert, een tarief voor hun charmes opstelt, een gebouw voor hen wil neerzetten en er een regel invoeren, zo doordacht dat geen enkele stichter van een klooster hem dit ooit heeft voorgedaan.
Als een vorst dit project zou uitvoeren, uit zorg voor de gezondheid van zijn onderdanen, dan zal de zekerheid van het veilige genot, samen met de zin voor luxe, het aantal vrijgezellen oneindig doen toenemen, en de galanterieën voor de overige vrouwen zullen uitdoven. De oude zeden gelden dan weer: de vrouwen blijven binnenshuis en de mannen gaan naar het cabaret. Onze liefdesdichters bezingen de deugdzaamheid van Laïs; redenaars en historici loven deugdzame echtgenotes en moeders; de filosofen vermanen de jongelui, zoals Cato dat deed: macte virtute esto huc melius juvenes descendere quam alienas permolere uxores. (Bravo, flink zo! jonge kerels kunnen beter daar afstappen, dan dat ze andermans vrouwen met hun stamper bewerken)
Mme d'Épinay citeert hier vrij uit Horatius’ Satiren, en zij besluit: Winnen we daar wel iets bij? Vertelt u me dat eens abbé?
Y gagnerait-on? Dites-moi cela l'abbé?
Ferdinando Galiani
Louise d’Épinay
Correspondance I, 1769-1770
Les Éditions Desjonquères, 1992

Stukje verschenen in de Knack van 16 maart

Sermonum, Liber primus II, 30: “macte virtute esto” inquit sententia dia Catonis: “nam simul ac venas inflavit taetra libido, huc iuvenes aequum est descendere, non alienas permolere uxores.”
"Een zegen op uw goede daad," luidt Cato's eerbiedwaardige uitspraak; "want als schandelijke passie de aderen heeft doen zwellen, is het goed dat jongemannen hierheen komen, in plaats van te knoeien met andermans vrouwen."


23 februari 2011

De Frietrevolutie van duizend man

.
We gaan, lezen we in de kranten, naar een nieuwe grootschalige manifestatie in Brussel op zondag 8 mei, juist een week na 1 mei, ook een zondag. Misschien is het wat vroeg om daar nu al over te beginnen, maar een evenement van zulke omvang kan beter goed voorbereid worden. Die mannen van de Frietrevolutie pakken het degelijk aan. Voorlopig missen ze nog de steun van hun medestudenten, maar vele journalisten zijn al enthousiast. Nu nog de rectoren warm maken, en er is weinig gevaar dat hun organisatie alsnog in de knop wordt gebroken.
Want wij hebben dat wereldrecord nu wel op zak, maar er moet dringend actie komen vinden onze voormannen. Een regering van lopende zaken zegt revolutionairen namelijk niets. Die kan geen nieuwe wetten lanceren en moet van een maandgeld leven.

Een student die in hun betoging denkelijk niet mee had willen opstappen, was Ferdinando Galiani (Chieti 1728-Napels 1787). Al op zijn tweeëntwintigste verkondigde deze jongeman heel andere stellingen dan Frietrevoluties. Een regering moest vooral niet te veel ondernemen vond hij, niet te veel nieuwe maatregelen treffen, maar zich integendeel bezighouden met de toepassing van bestaande wetten. Met lopende zaken dus, zoals wij tegenwoordig zeggen, eventueel zelfs met de toepassing van oude grondwetsartikelen. Met het bepalen van de grote lijnen en niet met tijdrovende dingen zoals minutieus uitgewerkte, dubbelzinnige draaiboeken.

Ferdinando schreef zijn ideeën neer in een boek dat anoniem verscheen in 1751. Op de titelpagina liet hij wel 1750 drukken, maar dat doet er nu niet toe. Ook liet hij het zo uitschijnen dat de auteur ongeveer zestig was, want hij vreesde dat men een jonge snaak niet ernstig zou nemen. De titel van zijn boek was Della Moneta, en naast andere zaken legde het in de eerste plaats uit wat precies de waarde van goud, zilver en papiergeld uitmaakte. Het was een doorslaand succes. De Franse minister Turgot citeerde uit het werk, weliswaar afkeurend, toen hij zijn begroting voorstelde.
De zestigjarige auteur werd niet gevonden, maar men kwam al snel uit bij Galiani, en die was meteen een wetenschappelijke ster. Maar hij deed geen enkele moeite om zijn werk in andere talen vertaald te krijgen. Misschien, zeggen onderzoekers, omdat hij later niet meer achter sommige passages kon staan, maar misschien ook uit een soort onverschilligheid of luiheid, zoals hijzelf liet verstaan. Wel werden er grote stukken vertaald naar het Engels, Duits, Frans enz.


Zes jaar geleden werd het boek voor het eerst in zijn geheel vertaald, naar het Frans, in een prachtige uitgave met op de even bladzijden telkens de Italiaanse tekst – die overigens ook op het web te vinden is. In Livre III, Chapitre 1, vertelt Ferdinando Galiani het volgende:



[…] het is eenmaal zo dat mensen altijd geloven goed te doen zolang ze maar ingrijpen, en dat alles naar de bliksem gaat als zij niets doen. En je zult ook nooit een politicus aantreffen die er prat op gaat dat hij niets heeft uitgericht. En nochtans, niet zelden is nietsdoen, behalve zeer verdienstelijk en nuttig, ook een heel zware opgave en een stuk lastiger om uit te voeren dan het zou lijken. En als je voorts in overweging neemt dat je alle goede wetten, over wat voor materie ook, in een oogwenk kunt verzinnen en op een blaadje papier verzamelen, dan merk je tegelijk dat als je perfect werk hebt geleverd, maar niettemin (in plaats van je tevreden te stellen met het laten uitvoeren van al genomen beslissingen) wenst door te gaan met wetten maken – dat dan al het goede onvermijdelijk bedorven raakt en de kwalijkste zaken opduiken. En zelfs als je geen kwaad aanricht – de wil om alles uiterst nauwgezet te reglementeren is op zich een zeer groot euvel. Voorbeeld hiervan is de Florentijnse Republiek: handelend volgens de natuurlijke aard van haar ingezetenen, en in een poging om zich altijd maar verder te perfectioneren in de kleinste pietluttigheden, is zij wat de grote lijnen betreft nooit op orde geraakt.*
De la Monnaie/Della Moneta
Éd. Economica, Parijs, 2005

Stukje verschenen in de Knack van vandaag.
____________
* Ook was er geen gezonde lucht in Florentië vond de Napolitaan Galiani.

29 december 2006

A Man’s, Man’s World

.
Terwijl wij op CNN kunnen horen dat de seniele oorlogshelden van de Amerikaanse regering hun oude bondgenoot Saddam Hussein haastig hebben overgedragen, of net nog niét hebben overgedragen aan de "Iraakse regering" – hoe spannend allemaal! – zodat gerechtigheid geschiede en zijzelf propere handen houden ("They do not want to be seen as the people who executed Saddam", zegt BBC-world. "We are no longer in control of his fate," zou een Amerikaanse militair hebben gezegd... "we do not want to get involved in the judicial system of a sovereign democracy."), en terwijl heel de wereld walgt van wat Bush, Cheney, Rice en consorten* allemaal uitvreten, en terwijl het schandknaapje Bliar nog eens kan nadenken over zijn bijrolletje in dat stuk, gaan wij ons bezighouden met een Amerikaan die het waard is om herdacht te worden. Ik wilde het over James Brown hebben.

James Brown heeft dingen geschreven die nooit meer weggaan. Klassieke liederen met plechtige, profetische, bijbelse teksten. Hier en daar hoor je natuurlijk ook opmerken dat hij een volslagen incorrecte man was.
Toegegeven: weinigen zullen James Brown een nieuwe man willen noemen, als die term nog bestaat. Van feminisme heeft niemand hem ooit verdacht. Maar zelfs dan, naast een klepper als bijvoorbeeld zijn Napolitaanse collega-componist Carlo Gezualdo was hij toch een brave jongen, want deze Gezualdo liet op 15 oktober 1590 zijn vrouw Maria d’Avalos vermoorden omdat hij haar met de hertog van Pesvara had betrapt ‘in flagrante delicto di fragrante peccato’.
Ook tegen de beeldhouwer en goudsmid Benvenuto Cellini moet Brown het ruimschoots afleggen, want deze Cellini werd nog ter dood veroordeeld wegens manslag. Hij kreeg gelukkig genade van Pius III, waardoor wij nu zijn latere Perseus nog kunnen zien.
Collega's van Brown waar iets op aan te merken valt zijn er in alle tijden, bij dozijnen, maar dat mag ons niet interesseren.
Wat ik naast alle andere dingen bij Brown zo bewonder is de verheven taal van zijn liedjes, de gedragenheid van zijn teksten. Misschien is zijn overigens grandioze Sex Machine niet direct waar ik aan denk, maar leest u dan wat Brown in het onderstaande "It's A Man's Man's World" vertelt.
Brown legt in korte woorden uit waar de economie om draait. De waardenleer! Vóór hem hebben anderen dat gedaan, Marx bijvoorbeeld, of nog daarvoor Galiani.
Brown zegt het korter dan deze kerels, maar de essentiële punten heeft hij allemaal.

It's A Man's Man's World
music: James Brown
lyrics: James Brown


This is a man's world
This is a man's world
But it wouldn't be nothing
Nothing
Without a woman or a girl

You see man made the car
To take us over the road
Man made the train
To carry the heavy load
Man made the ‘lectric light
To take us out of the dark
Man made the boat for the water
Like Noah made the ark

This is a man's man's man's world
But it wouldn't be nothing
Nothing without a woman or a girl

Man thinks about the little Betty baby girl
And the baby boys
Man makes them happy
’Cause man made them toys
And after man made everything
Everything he can
You know that man makes money
To buy from other men

This is a man's world
But it would be nothing
Nothing not one little thing
Without a woman or a girl

He's lost in the wilderness
He's lost in bitterness…


o-o-o-o-o-o


Passion des femmes pour la beauté et combien celle-ci est raisonnable
Toutefois, si chez l'homme le désir de paraître crée de l'attirance pour les productions les plus belles et les plus rares de la nature, chez les femmes et chez les enfants, la très ardente passion de paraître beaux fait apprécier ces objets au plus haut point. Les femmes, qui constituent la moitié de l'espèce humaine, et qui sont destinées, ou entièrement ou en très grande partie, à la propagation de l'espèce ainsi qu'à notre éducation, n'ont d'autre prix et mérite que l'amour qu'elles éveillent chez l'homme. Et comme celui-ci dépend presque entièrement de leur beauté, leur plus grand souci est d'apparaître belles aux yeux des hommes. Combien les ornements y contribuent est un fait reconnu unanimement; donc, si la valeur chez les femmes tire son origine de leur charme et celui-ci de leur beauté, cette valeur s'accroît avec les ornements, et alors il est par trop évident que nécessairement la valeur de ces objets est très grande dans l'idée qu'elles s'en font.
Ornements des petits enfants
Quant au petits enfants qui sont l'objet des plus tendres soins de leur parents, les hommes ne savent manifester leur tendresse affectueuse qu'en rendant beau et gracieux à leurs yeux l'objet aimé. Or que ne sera pas disposé à faire l'homme lorsque c'est le désir de satisfaire sa femme qui le pousse à orner ses enfants? C’est ainsi qu’il est arrivé que, d’abord dans le sable des fleuves, puis dans les entrailles de la terre, on a extrait à grand peine les métaux les plus précieux.


Ferdinando Galiani
De la Monnaie/Della Moneta
Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Éd. Economica, Paris, 2005, p.75



* Een beschaafd mens houdt het niet voor mogelijk, maar CNN heeft nu al een autopromotiespotje gemaakt, ik heb het gehoord om 2u30 onze tijd, met als tekst: "next on this channel, the execution of Saddam Hussein". Stay with us, zeiden ze er niet bij, al had hun kwaliteitsjournalist Larry King zichtbaar moeite om zich in te houden.
Hij verzekerde zijn Amerikaanse kijkers wel: dat mócht de bevestiging van de executie binnenlopen tijdens een commercial break, then we will break into that break. Flinke jongen in zijn bretellen!

 

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html