Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

23 januari 2026

Casanova als genadeloos recensent


Giacomo Casanova publiceerde in 1797, een jaar voor zijn dood (4 juni 1798), een grondige bespreking van een pas verschenen woordenboek.

Leonhard Wilhelm Snethlage, docent Frans aan de Universiteit van Göttingen,* had er namelijk een laten verschijnen met neologismen die na de Franse Revolutie in zwang waren geraakt. Het was bedoeld als aanvulling bij de Dictionnaire de l’Académie française.

Casanova was geen voorstander van de Revolutie (heel wat Parijse vrienden hadden de Terreur niet overleefd) en evenmin van de meeste neologismen waar Snethlage mee uitpakte** en nog minder was hij een liefhebber van diens gedichten.

Zijn kritiek is genadeloos, maar in het algemeen is Casanova's toon toch vriendschappelijk. Hij kende Snethlage goed en sprak hem aan met mon cher confrère – beiden immers waren docteur en droit.

Als het over de Franse taal gaat, meen ik als Italiaan evenveel recht als u te hebben om me daarmee te bemoeien. [...] Ik spreek zonder omwegen en verontschuldig me op voorhand, mochten de waarheden die ik vertel u iets te zwaar vallen. Non potes me simul amico et adulatore uti.***

En inderdaad, een zin als deze liegt er niet om:

Wat een intelligent man dwingt om zich meteen te corrigeren als hij beseft dat hij zich belachelijk heeft gemaakt, is dat zoiets op zijn minst twijfel zaait over zijn verstand, en bij die gedachte beeft hij, want alleen een ware dwaas is nooit bang om voor dwaas te worden versleten. Dit maakt dat ik er zeker van ben dat u pas dan nog gedichten of woordenboeken zult maken als we weer enkele jaren verder zijn.


Ma voisine, la postérité
Bibliotheca Casanoviana
Paris, Allia, 1998
 

___________
    * Die Stadt Göttingen, berühmt durch ihre Würste und Universität, zei later Heine die onder meer daar gestudeerd had. 
  ** Casanova bespreekt een aantal lemmata, en lacht met vondsten als la sansculottide (een vierjaarlijks feest). Hij citeert Horatius' De arte poetica 70-72:
              multa renascentur quae iam cecidere,
              cadentque quae nunc sunt in honore vocabula, si volet usus,
              quem penes arbitrium est et ius et norma loquendi.
[Veel in onbruik geraakte woorden zullen een nieuw leven kennen, en verdwijnen zullen termen die nu in de mode zijn, als het gebruik het zo wil, waar het oordeel, het recht en de regels van de taal bij berusten.]
Hij lachte ook met de regeldrift van de Académie française.  
*** [
Als vriend en vleier tegelijk heb je niks aan mij]. Toegeschreven aan de Atheense generaal Phokion. Evenmin als Casanova was Stendhal een zachte heelmeester.

26 december 2025

Tijd voor geschenkjes!


 Als hij het nodig achtte kritiek te leveren op een schrijfbroeder (om eens een modieus woord te gebruiken), dan stond Stendhal steeds op post:


21 mars 1813         
Chateaubriand pèche contre le bon ton en parlant trop de lui. Ses louanges sont des énigmes, enfin il ne pense pas. Cet homme shall not outlive his century. Je parierais qu’en 1913 il ne sera plus question de ses écrits.
[...]
Son histoire de France ne sera bonne tout au plus que pour des femmes. Il y aura de belles pages, forme de louange qui seule, à mes yeux, est une critique.

Journal
Préface de Dominique Fernandez
Édition d’Henri Martineau
revue par Xavier Bourdenet
Folio classique, Gallimard 1955, 2010. pp. 958-9
(postuum verschenen)


Stendhals voorspelling over 1913 is niet helemaal uitgekomen, maar zijn belles pages (cursief van de auteur) is moorddadig – en die bewering over de vrouwen was al niet mis.
Maar toch, er bestaat erger! Zo las ik onlangs over een bepaald boek van een bepaalde auteur: vlot geschreven ...gegarandeerd leesgenot ...prachtig relatiegeschenk.
Twee schimpscheuten en dan het genadeschot.

6 september 2022

Zijn onze politici wel goed opgevoed?

Henry Kissinger is negenennegentig, en in april verscheen bij de uitgever Allen Lane zijn boek ‘Leadership’. Daarin schildert hij zes portretten van leiders die hij van nabij heeft gekend, of met wie hij heeft samengewerkt. Het zijn geen biografieën maar – bewonderende – politieke portretten van Konrad Adenauer, Charles De Gaulle, Richard Nixon, Anwar Sadat, Lee Kuan Yew en Margaret Thatcher.

Kissinger probeert gemeenschappelijke trekken te vinden. Hij onderscheidt bij alle zes twee eigenschappen: het zijn Staatsmannen en Zieners. Je zou kunnen zeggen: bestuurders en profeten. Die eigenschappen heeft elk van hen in verschillende mate. Kissinger zelf heeft wat dat betreft een voorkeur voor een praktische, stapsgewijze aanpak, waarbij het – altijd voorlopige – einddoel nooit uit het blikveld mag verdwijnen.

Wat echter elke staatsman bovenal moet hebben is character. Ruggengraat, doorzettingsvermogen, moed kun je misschien vertalen. En dat character wordt gevormd in de jeugdjaren zegt hij in het afsluitende hoofdstuk:

Zoals we hebben gezien, hebben leiders met wereldhistorische invloed baat bij een strenge en humanistische opvoeding. Zo'n opleiding begint in een formele omgeving en blijft een leven lang doorgaan met lectuur en discussies met anderen.

Die eerste stap wordt vandaag de dag zelden gezet [...] en de levenslange inspanning wordt weer bemoeilijkt doordat veranderingen in de technologie diepgaande geletterdheid uithollen.

Om de meritocratie nieuw leven in te blazen, zou humanistisch onderwijs dus zijn betekenis moeten herwinnen en vakken moeten omvatten als filosofie, politiek, menselijke aardrijkskunde, moderne talen, geschiedenis, economisch denken, literatuur en misschien zelfs de klassieke oudheid, waarvan de studie lange tijd de kweekschool van staatslieden was.

Op de Secretary of State Henry Kissinger valt heel wat aan te merken – Cambodjanen en Chilenen hebben daar bijzonder veel redenen toe – maar zijn boek is buitengewoon leerzaam, ook voor wie ziet dat de man meer dan eens voor zijn eigen kerk of synagoge preekt.

As we have seen, leaders with world-historical impact have benefited from a rigorous and humanistic education. Such an education begins in a formal setting and continues for a lifetime through reading and discussion with others.

That initial step is rarely taken today […] and the lifelong effort is made more difficult as changes in technology erode deep literacy.

Thus, for meritocracy to be reinvigorated, humanistic education would need to regain its significance, embracing such subjects as philosophy, politics, human geography, modern languages, history, economic thought, literature and even, perhaps, classical antiquity, the study of which was long the nursery of statesmen.


2 september 2022

Vluchtig een woke-pamfletje gelezen


Van Adelaïde Bon, Sandrine Roudaut en Sandrine Rousseau verscheen half augustus een boekje: Par-delà l’androcène. (Seuil-Libelle 69 pagina’s)

Sandrine Rousseau is parlementslid voor Europe-Écologie-Les Verts dat samengaat met NUPES, en ze staat bekend om haar provocerende uitspraken: “S'il y a des Afghans potentiellement terroristes, il vaut mieux les avoir en France pour les surveiller.” Er steeg toen een hoongelach op en ze gaf toe: “C’était assurément une phrase maladroite.”

Onlangs in Grenoble zei ze: “Il faut changer de mentalité pour que manger une entrecôte cuite sur un barbecue ne soit plus un symbole de virilité”, en ze herhaalde die uitspraak met plezier in een TV-programma. In vergelijking met de vorige uitlating is deze inderdaad grappig.

Er is ook een Twitteraccount 'Sardine Ruisseau' dat haar uitspraken parodieert, en iets meer volgers heeft dan haar eigen account...

De drie schrijfsters van het pamflet zien in de man, en zeker in de ondernemer een roofdier dat vrouwen tot slaaf maakt en de natuur verwoest. Ze ontkennen evenwel niet dat ook veel mannen slachtoffers zijn van deze gang van zaken, en vandaar de écriture inclusive. Je moet dus even wennen aan woordbeelden als éradiqué·e·s, déplacé·e·s, concerné·e·s, parqué·e·s, exploité·e·s.

Ook erkennen ze dat de natuur zelf niet bijzonder zachtmoedig is, maar: Les prédateurs naturels ne le sont pas par cupidité. (p.23)
We mogen inderdaad aannemen dat hebzucht of winstbejag niet de beweegredenen zijn van een kat die muizen vangt.
Aan de menselijke, mannelijke roofdieren zeggen ze: La vie nous enseigne l’humilité, ce mot dérivé de l’humus, la terre. (p. 44)
Kunnen we inkomen. Het klinkt in elk geval minder naïef dan die aandoenlijke verontschuldiging.

Helaas is dit weer heel naïef: Réaffirmons l’égalité des religions et la liberté de croire.(p.49) Het zal de dames zwaar vallen om dit aan haar grotendeels muzelmaanse achterban uit te leggen.

De multiculturele samenleving wordt onverdeeld goedgekeurd: Une société monoculturelle est dangereuse. (p.52)
Laten we hierover Aristoteles aan het woord (Πολιτικά, Politica 1303a, 25-28): Immigratie is, bij gebrek aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen. Zoals evenmin een stad door een toevallige verzameling mensen tot stand komt, of op een willekeurig moment: daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meeste burgeroorlogen hebben plaatsgehad.

Uit het boekje ademt een woke-geest en dus ook een zucht naar censuur: Certains mots, certaines attitudes ne doivent plus être admis. Dénonçons sans réserve les violences policières et institutionnelles, soutenons pleinement les lanceur·euse·s d’alerte. Se taire, faire avec, c’est contribuer. (p.51)
Dat in Frankrijk ook politiemensen sterven, soms gekeeld worden, is een onderwerp dat ze niet behandelen.

Tegen technische vooruitgang richten ze zich niet. Zo wordt de uitvinding van de gloeilamp toegejuicht: il va nous falloir de l’audace. L’ampoule n’a pas été inventée à partir de la bougie. Les fabricants de bougies avaient bien trop a perdre dans cette aventure. On ne peut inventer qu’en s’affranchissant de la bougie, pour se focaliser sur la lumière. (p.61)
Een mooie zin die laatste, maar onvermeld blijft dat Thomas Edison een mannelijke ondernemer was.

Soms zijn de schrijfsters ook niet helemaal consequent in hun woordkeuze, want al is het boekje zoals gezegd een pamflet, toch komen er soms moeilijke woorden in voor. Twee ervan moest ik opzoeken: solastalgie en anfractuosité.


24 juni 2020

Geen Engelse leenwoorden in het Frans!


Met dat woord 'touriste' had Stendhal blijkbaar tegen de muur van deze recensent gepist:*

Artikel uit La Gazette de France
van vrijdag 27 juli 1838.

« MEMOIRES D’UN TOURISTE »,
par l'auteur du Rouge et Noir
Deux volumes in-8°, prix 15 fr.
Chez Ambroise Dupont, rue Vivienne, 7

Elk in zijn eigen huis! elk zijn eigen taal! als men de gruwel kent Fransman te zijn, zoals de korporaal van de karikatuur zegt,** dan moet men zich maar bij Frankrijk houden, en als men daar een wandeling maakt moet men zich wandelaar noemen, reiziger, flaneur, of zo u wil handelsreiziger, ijzerverkoper op tournee als u dat bent.*** Dat is allemaal beter dan een benaming ontlenen aan het Engels, dat bastaardidioom, dat mengsel van ontkracht Duits en verminkt Frans.

Tourist, in die gearrangeerde en bijeengegraaide taal, wil zeggen een reiziger, een individu, vitterig of niet, scepticus of gelovige, royalist of republikein, geestig of dom, mooi of lelijk, in slobkousen of gelaarsd, die voor zijn plezier of voor zaken een rondreis maakt in zijn land of bij de buren, en werkelijk, was het nodig om het Kanaal over te steken om die activiteit uit te drukken? Als men een reis maakt, kan men dat dan niet in goed Frans zeggen?

Ik zou nog gaan geloven dat de anglomanie blijft voortduren... En waarom niet ook? Er zijn tenslotte ook mensen die nog bij Diderot zijn blijven steken, bij M. de Voltaire, bij de koffie met room, bij de charta’s en het constitutionele bewind!

Touriste! onverteerbaar vind ik touriste vooraan in een Frans boek. Dit gezegd zijnde is het met die titel misschien zoals met de buitenissige uithangborden die men kiest om de aandacht van de klant te trekken. Het zij zo, al is het kwalijk bij onze droevige buren op zoek te gaan naar originaliteit. Is er inderdaad een volk dat minder origineel is in zijn kunst, zijn taalgebruik, zijn maatschappijvorm, en met uitzondering van hun met rum geflambeerde plumpudding, Shakespeare en hun boksers, deze drie plompe typeringen van dat buldogvolk, wat hebben ze wel dat van hen persoonlijk is? [...]****
_________

* Félix Vallotton; het onderschrift zegt: Dat zul je wel afleren, varken, tegen mijn muur pissen!
** «Avoir l’honneur d’être Français», werd hier «avoir l’horreur». Die woordspeling valt meen ik niet te behouden. Over welke karikatuur het gaat is onbekend, maar Napoleon zei ooit: «Mais je m'arrête; tant d'horreurs font rougir d'être Français !» Zijn bijnaam was «le petit caporal».
*** Stendhal beschreef zijn reis door Frankrijk, als was hij een ijzerhandelaar. Een zakenreis dus, met talloze terzijdes evenwel.
**** De recensent M.B. gaat nog even door: hier staan bijna vierhonderd woorden vertaald, maar hij schreef er vijfduizend.

1 juli 2015

Le parapluie de Simon Leys


In “Le parapluie de Simon Leys” (Parijs, 2015, Éditions Philippe Rey), de hommage van zijn vriend Pierre Boncenne aan wijlen Pierre Ryckmans (Simon Leys) staan de prachtigste dingen. Wie niets van Leys gelezen heeft, moet tenminste dit boek lezen. De vele citaten, uit zijn brieven aan Boncenne of zijn boeken, zullen de appetijt opwekken.

Het gaat in Boncennes boek vaak over de tijd toen in Parijs (zoals hier) het maoïsme heel populair was. Maar Leys was sinoloog, en niet enkel dat, hij kende ook Chinees en sprak over dat land «sans être protégé contre la vérité par une bienheureuse ignorance de la langue chinoise.»
Zo iemand werd gewantrouwd in de Parijse linkse salons, aan de universiteit, en op de redacties. Ongeveer, vermoed ik, zoals vandaag echte islamkenners die onder meer klassiek Arabisch kennen, gewantrouwd worden door de ware gelovigen, aan de universiteit, en door de redacties.

Groot verschil met gevierde namen als Malraux, Sartre, de Beauvoir, Peyrefitte, Moravia, Barthes, Badiou en anderen, die wel beschermd waren door hun onwetendheid, en na een tocht (un pèlerinage) van twee weken in dat land, en na een bezoek aan een modelfabriek, een modelschool en een modelboerderij, en na het eten van een canard laqué soms een boek produceerden dat “minstens door zijn volume al respectabel was.”

Leys hield zich bij de dingen die hij in de Chinese pers las:
«Face à la science si impressionnante de ces doctes personnages – les mêmes qui, du reste continuent de nous livrer de puissantes expertises sur tous les fronts – je voudrais simplement proposer ici quelques notes sans conséquence, imitant en cela un peu le rôle de ces augustes du cirque qui amusent un instant le parterre de leur indigentes pirouettes, avant l’entrée des éléphants.»

In het licht van de zo indrukwekkende kennis van deze geleerde figuren – dezelfden trouwens die ons op alle terreinen voortdurend van krachtige expertises voorzien – zou ik hier eenvoudig enkele onbelangrijke aantekeningen willen voorstellen, en zo min of meer de rol imiteren van de Augusten in het circus, die de toeschouwers een momentje verstrooien met hun schamele pirouettes, vóór de entree van de olifanten.


28 januari 2013

Onbekommerd zelfvertrouwen


Hoe de francofone geest precies werkt, is een onderwerp dat hier meermaals, zij het  fragmentarisch aan bod kwam. Die geest vertoont aspecten die een Nederlandstalige blijvend verbazen en die ik ook nu enkel zijdelings zal kunnen toelichten.

Vorige week bestelde ik het boek “Dictionnaire amoureux de la Russie”, 859 bladzijden, van Dominique Fernandez (Plon 2004, €26). Welgeteld drie dagen later had ik het, en dat kwam omdat ik het had besteld bij boekhandel Limerick (recht voor het St-Pietersstation) en niet bij Amazon.fr, al leveren die ook snel moet ik bekennen.

Die Dictionnaire is een breed opgezet naslagwerk over literatuur, politiek, geschiedenis. Alles netjes alfabetisch gerangschikt, zoals te doen gebruikelijk in woordenboeken. Ik had het boek nooit eerder gezien, en toen ik het op de tram opensloeg, zonk de moed mij in de schoenen.

Alweer bleek: er binnenstappen en dan op je duizend gemakjes rondneuzen bij Limerick of een andere boekhandel, is heel iets anders dan werken bestellen die je nog nooit hebt ingekeken.

Wat zag ik de lexicograaf Fernandez daar
in zijn ontwapenend eerlijke voorwoord schrijven?

Malgré mes efforts, recommencés à plusieurs reprises, pour apprendre la langue russe, je n’en suis resté qu’à des balbutiements inopérants. Je n’ai lu les textes russes qu’en traduction, et dois donc tout ce que j’en aime aux traducteurs du russe, français et italiens, qui se trouvent être, heureusement, d’une compétence et d’un talent insignes.

[Mijn meermaals herhaalde pogingen om de Russische taal onder de knie te krijgen ten spijt, ben ik nooit verder gekomen dan enig onwerkzaam gestamel. De Russische teksten heb ik enkel in vertaling gelezen, en alles wat ik erin liefheb, ben ik dus verschuldigd aan de vertalers uit het Russisch, Fransen en Italianen die, gelukkig maar, opmerkelijk bekwaam en talentvol blijken te zijn.]

De vraag rijst: hoe weet die man dat, van dat grote talent?

Zelf geen Russisch kennen is geen schande. Ik ken het ook niet, al heb ik een jaar les gehad. Na dat jaar zag ik dat ik met gemak Russische schaakcommentaren kon lezen, bijvoorbeeld in het weekblad «64», of in de maandbladen «Шахматы в СССР» (Schaken in de USSR) en «Шахматный бюллетень» (Schaakbulletin), en daar ging het mij om. Opmerkingen als «wit staat merkelijk beter», of «nu krijgt zwart een gevaarlijke aanval», of «zet van twijfelachtige waarde» kon ik goed begrijpen want die kwamen vaak terug, en ik hield mijn Russische studiën voor bekeken.

De Russen (zoals overigens de Fransen) zeggen niet zoals wij: "wit staat gewonnen", maar "de witten staan", slechter of beter. En ze hebben ook geen Dame of Koningin in hun spel, maar een Raadsheer, een Vizier (Ферзь) aan de zijde van de Koning. Dat is weer vervelend voor psychoanalytische interpretaties van het schaakspel.
Die bladen waren spotgoedkoop, enkele honderden frank per jaar, altijd stipt op tijd en in het Westen verkrijgbaar op eenvoudige bestelling. Ik ontmoette eens Grootmeester Viktor Kortsjnoi, en toen ik hem zei dat ik van «64» alle jaargangen had, keek hij me ongelovig aan en verklapte mij dat vanwege de papierschaarste in de USSR maar weinige grootmeesters daar hetzelfde konden zeggen.

In die bladen stond ook altijd, voorafgaand aan het ernstige werk van de schaakcommentaren, op pagina 2 een artikel over Lenin of over de verbroedering der volkeren, maar dat kon ik niet goed ontcijferen.

Een dictionnaire over Rusland schrijven, was niet voor mij weggelegd.

Om nu op de auteur Fernandez terug te komen: ik las meteen wat hij te vertellen had over Poesjkin. Dat viel tegen. Idées reçues, dingen van horen zeggen. Wat hij verder nog over Tolstoi, Dostojewski, Raspoetin, Siberië, tsaren, berken, beren, vodka, sleden of sneeuw te vertellen heeft, zal ik niet meer vernemen.

Nee, dan zijn wij Nederlandstaligen wel gezegend, met vertalers en historici als van het Reve of Bezemer of Timmer, met vertalers-dichters als Boland of Jonker of Rawie. Lees eens –als u zoals ik geen Russisch kent– de Onegin in het Frans, Engels en Duits, vergelijk en je zult over de Nederlandse vertalingen (want er zijn er meerdere) met meer recht dan Fernandez kunnen zeggen …d’une compétence et d’un talent insignes.

__________________
Een aanrader: “Russische Zon, Hans Boland over Poesjkin”.
En wie nóg meer wil weten, kan terecht bij T.J.Binyon: “Pushkin, a biography”. Henri Troyat (Lev Aslanovitch Tarassov, 1911-2007) schreef in 1946 een beroemde biografie, maar die is uitverkocht.

30 december 2009

Er is ons een boek met inhoud verschenen!

.
Recensies schrijven bij slechte boeken lijkt mij een fluitje van een cent. Altijd al had ik niets liever willen doen, maar ik lees geen slechte boeken. De stamina ontbreken mij. Slechte krantenartikelen zijn het uiterste dat mijn maag verdraagt.
Iets schrijven bij een goed boek, is een stuk lastiger. Zeker als het een boek betreft dat op zijn beurt niets anders doet dan weer andere boeken recenseren, zowel goede als slechte. Als de schrijver daarbij nog iemand is die Chinees spreekt, wordt het hachelijk.

Uit de flaptekst van het boek dat voor mij ligt, en dat “Het boek bij het Boek” heet, maakte ik op dat de auteur, dr.Koenraad Elst, naast Chinees ook Iraans verstaat, Indisch, en zelfs Sanskriet. En in het boek zelf geeft hij toelichting bij diverse Arabische termen. Want de ondertitel zegt nog: “recensies over islam en koran, 1992-2008”.

Een mens zoals u of ik, lezer, die nog wat Latijn heeft opgespaard, of misschien zelfs een letter Grieks, weet dan dat hij het zijne moet mee-pikken. Tolle, lege.

Maar zo afschrikwekkend als mijn woorden laten uitschijnen, is deze dr. Elst niet. Integendeel. Ik meen zelfs dat de doorsnee hoofdredac-teur van een kwaliteitskrant zijn teksten goed zou kunnen begrijpen. Of zij ook de humor ervan zouden inzien laat ik in het midden, want Elst valt hun heilige huisjes aan, en zulke dingen liggen gevoelig.
En Elst ís in zekere zin ook onbarmhartig, want schrijvers die door deze journalisten ernstig worden genomen –of ze die daarom achter de kiezen hebben is hier niet de vraag– zoals de Amerikaanse ex-non Karen Armstrong, of de roemruchte predikant Tariq Ramadan, of nog de lekenhelper Rik Pinxten, of in het wat lichtere genre een Lucas Catherine: .zij worden door hem niet enkel met een ironische, maar vaak met een luidop grappige zin weggeblazen. En erger: ze worden tegelijk met citaten en feiten geconfronteerd die zij liever niet wensen te kennen.

Het boek van Elst bestaat, zoals gezegd, uit een verzameling van boekrecensies en beschouwingen die hij al een kleine twintig jaar in vele tijdschriften publiceert, maar die nooit of nooit de Kwaliteits-kranten inkwamen. Elst schreef wel voor bv. Trends, TeKoS, Nucleus, Punt, ’t Pallieterke, Doorbraak en Brussels Journal. Zoals hij in zijn inleiding zegt: .“Dat waren of zijn eerder marginale media, van flamingantische en/of conservatieve signatuur.”
Zoiets moet zijn redenen hebben. Misschien gaan een Vandermeersch of een Desmet ervan uit dat ze in het eigen huis competentie zát hebben? Dwaasheid is een vorm van geluk, hoor je wel eens.

Wat de heren hier kunnen nagaan, zal een verrassing voor hen zijn: dit zijn stukken die na tien of vijftien jaar nog belangwekkender zijn vaak, dan toen ze geschreven werden. En natuurlijk komt dat door de in-drukwekkende eruditie van Elst, en door zijn intellectuele eerlijkheid. Maar niet minder ook door zijn prachtige, afstandelijke, evenwichtige en grappige schrijfstijl.

Om iets over de uitgave zelf te zeggen: die is zoals het hoort, met zelfs een perfect personen- en zakenregister. Dat zie je niet elke dag, en de uitgever “Yang Books” verdient een pluim.

Veel van wat dr. Elst heeft geschreven was gelukkig ook op het Web al te vinden. Maar dat het nu in boekvorm gedrukt staat is een zegen, want zoals de auteur nog zegt: .“De belanghebbenden die mijn islam-kritiek altijd met vage dooddoeners hebben proberen te smoren, worden hierbij uitgenodigd om met de tekst in de hand eens aan te wijzen welke bewering of zinsnede er eigenlijk zo aanstootgevend is, laat staan onjuist.”
.

8 december 2008

Over eentonigheid en afwisseling

.
Een boek dat pas is verschenen, na de Boekenbeurs moeten wij dus vaststellen, is De Levenskunstenaar .(Il Discreto) van de XVIIde E.'se Spaanse jezuïet Baltasar Gracián.
Uitgeverij Papieren Tijger had vier vertalers aan het werk gezet, en die deden over het boekje van net geen 150 pagina’s toch enkele jaren. Gracián is een barokke auteur vol woordspelingen, de schrik van vertalers.
En al geniet Baltasar Gracián in managerskringen tegenwoordig enige bekendheid – tenslotte wil in die kringen ook eens een citaat van Machiavelli of Clausewitz vallen, of van Lao Tse, Sun Tsu of een andere Chinese Wijze – toch lijkt het me twijfelachtig of zijn boek in onze kranten op voet van gelijkheid zal besproken worden met bijvoorbeeld een nieuwe Verhulst of Lanoye.

Wat belooft ons De Levenskunstenaar ?
Een levenskunstenaar, zo vertelt de uitgever op de achterflap, slaagt er in alle middelen onder controle te krijgen en kan in overeenstemming met zijn psychische gesteldheid elk beroep uitoefenen, met profijt en voldoening zijn leven leiden en zich voorbereiden op het hiernamaals.

Dit laat weinig te wensen over, en ik laat Gracián dus zelf aan het woord:

Een stakker is het genie dat zweert bij één enkel onderwerp, ook al is dat iets unieks of zelfs het meest sublieme, en al helemaal als het slechts iets gewoons zou zijn. Die slechte gewoonte hebben veel vakmensen gemeen, zoals een soldaat die alleen maar over zijn veldtochten kan praten en een handelsman over zijn winsten.* Niemand wil luisteren naar zoiets eentonigs of zijn aandacht schenken aan een niet ter zake kundige, en als men zich soms al daartoe laat overhalen, dan gebeurt dat om er de draak mee te kunnen steken.
Afwisseling is altijd mooi en dus aangenaam en in dit geval zelfs aanlokkelijk. Bij de meeste mensen kan men maar voor één ding terecht, want zij hebben niet de capaciteit voor twee; bij sommigen moet je steeds hetzelfde punt aanroeren en maar over één onderwerp spreken, waar zij niet los van kunnen komen. Dat zijn de stokpaardberijders die van een conversatie een Sisyphuskwelling maken en je verpletteren onder de steen van hun eeuwige thema. Met reden beeft elke levenskunstenaar voor hen, want hij zal zijn verstand nog uitzweten als een van deze domoren zich op zijn geduld werpt. Uit angst voor zo’n pijnlijk risico geeft de wijze de voorkeur aan de dorre eenzaamheid en beleeft zijn Gouden Eeuw** innerlijk.
Het is een afschuwelijk kenmerk van sommigen, dit vervelen tot misselijkmakens toe wat ieder mens met goede smaak verfoeit onder de bede dat God ons behoede voor de man die altijd maar over één onderwerp kan praten en slechts op zoek is naar één ding. Daar tegen kunnen slechts enkele veelzijdige, talentvolle en verstandige vrienden, kortom mensen voor elk uur die altijd te pas en nooit ongelegen komen, ons genoegdoening schenken. Eén van hen telt al voor velen, terwijl van die anderen er duizend nog niet voor één tellen, en reken dan maar uit hoeveel uren je op ergerlijke wijze van hen afhankelijk moet zijn om op te wegen tegen één uur met een vriend.
_________________________

* Dit is een verwijzing naar Propertius 2,1,43 vg: "Navita de ventis, de tauris narrat arator, enumerat miles vulnera, pastor oves". De zeeman spreekt over de stormen, de ploeger over zijn ossen, de soldaat telt zijn wonden, de herder zijn schapen.
** Volgens Ovidius, in Metamorphoseon I, 89 e.v. brak er na de Schepping een gelukzalige periode aan onder Saturnus, de Gouden Eeuw, gevolgd door een Zilveren, een Bronzen en een IJzeren Tijd. Aansluitend bij Plato's theorie over de cyclische tijd kon de Renaissance er op bogen een terugkeer te zijn naar die Gouden eeuw.


De levenskunstenaar
(Il Discreto, 1646)
Uit het Spaans vertaald door
Jan Bakker, Kees van Dooren, Tineke Groot en Bep van Wees
2008, Papieren Tijger, pp. 52-3
.

.

2 september 2007

Aan burgemeester Thielemans warm aanbevolen

.
Die Stadt Göttingen, berühmt durch ihre Würste und Universität… is de aanhef van een beroemd reisverslag, Die Harzreise, dat Heinrich Heine in 1824 schreef. Hij had geen beste herinneringen aan zijn studentenjaren daar. Nur gut ochsen kann man hier, alleen goed blokken gaat hier, schreef hij aan zijn vrienden in Düsseldorf.
Heine mag dat zeggen, maar wij zullen dadelijk toch een boek ter hand te nemen dat door een professor dezer universiteit is geschreven.
Dr. Tilman Nagel heeft in Göttingen, of elders, blijkbaar buitengewoon goed geblokt want hij is Arabist, islamwetenschapper, gezaghebbend koranvertaler, wereldbefaamd om zijn gespecialiseerde werken. En hij schreef vóór enkele jaren ook iets voor ons leken:



Islam, die Heilsbotschaft des Korans
und ihre Konsequenzen

(2001, WVA, Verlag Skulima – Westhofen).


Ik vertaal een paar bladzijden, eigenlijk ter intentie van figuren als burgemeester Thielemans en andere democratische politici. À l’usage des bien pensants om zo te zeggen, want die mensen promoten wel hun eigen imaginaire versie van multiculturalisme, maar dit is er een andere:

[pp.104-6] Op islamitisch grondgebied wonende "bezitters van de Schrift", namelijk de joden en christenen die van Mozes, respectieve-lijk Jezus de wet hebben ontvangen maar deze niet foutloos hebben bewaard, doen er goed aan zich aan te sluiten bij de islam – of, volgens de mosliminterpretatie van de geschiedenis: opnieuw aan te sluiten.
[De bijbelse aartsvader Abraham was volgens de koran namelijk al islamiet. Zijn boodschap is daarna vervalst. Voor zover Abraham als historisch personage heeft bestaan, moet dat voor hem een lelijke verrassing zijn geweest.]
Slechts weinigen onder de joden en christenen zijn gelovig, heet het in Sura 3,110. Wat daarmee bedoeld wordt blijft onduidelijk; enkele commentatoren denken bij deze woorden aan de Negus, die vóór de hedsjra asiel zou verleend hebben aan enkele Mekkaanse aanhangers van Mohammed.
De overige andersgelovigen kunnen, zoals in Sura 3,111 benadrukt wordt, in het slechtste geval moslims soms krenken, maar nooit zullen zij hen in de strijd overwinnen, omdat zij niet op Gods hulp kunnen rekenen. Dat komt hierdoor dat eertijds Abraham, en nu de moslims, maar niet de joden of christenen God het meest nabij was (Sura 3, 67 e.v.).
Binnen het gebied dat aan de islam toebehoort, kan daarom aan joden of christenen die er vast verblijven enkel een ondergeschikte rechtsstatus worden toegekend, vergeleken met die van moslims.
In de op vroeg-islamitische overleveringen berustende sharia-voorschriften komt dit ondubbelzinnig tot uitdrukking omtrent de “schriftbezitters” (ahl al-kitab), waartoe ook de zoroastristen gerekend worden. Zij kunnen geen militaire dienst doen, en hebben niet het recht om wapens te dragen; door speciale kledij en een eerbiedige houding tegenover de moslims moeten zij er blijk van geven dat zijzelf niet tot “de beste gemeenschap” behoren; hun cultusgebouwen kunnen zij behouden, maar omdat die zijn toegewijd aan een eredienst die door de islam is achterhaald, kan het onder-houd ervan enkel met uitdrukkelijk verlof van de moslimoverheden; omdat zij geen soldaten mogen leveren zijn de “schriftbezitters” aangewezen op “bescherming” (dhimma), die de moslims hun waarborgen, en waarvoor zij een hoofdelijke belasting (dzjizjia) betalen, welke moslims niet verschuldigd zijn (vgl. Sura 9,32).
De overheid had er derhalve een zeker belang bij om in het “gebied van de islam” het aantal nieuwe bekeerlingen niet al te snel te laten oplopen. Toen in de midden- en late Omajadentijd (eind 7de tot begin 8ste E.) de veroveringsoorlogen onrendabel werden, en er in de veroverde gebieden veel mensen tot de islam overgingen, raakte het Rijk in een diepe crisis. Tot in de 19de E. toe, toen de Osmanen door de Europese grootmachten geprest werden om een stelsel in te voeren dat aan alle staatsonderhorigen, ongeacht hun religie gelijke rechten zou geven, bleef de politiek van de moslimheersers tegenover andersgelovigen weifelend. Enerzijds moesten de overheden rekening houden met de aanpassingsdruk die door de moslimmeerderheid werd uitgeoefend op de “bezitters van de Schrift”, anderzijds wisten zij deze laatsten naar waarde te schatten, niet enkel om fiscale redenen, maar ook omdat er uit hun midden vaak bekwame en loyale beambten voortkwamen. […]
[De "traditionele verdraagzaamheid van de islam", waar bijvoorbeeld een amateur-islamoloog als Lucas Catherine het graag over heeft, komt bij Tilman Nagel in een ander daglicht]
Anders dan voor de “bezitters van de schrift” blijft er voor de aan-hangers van religies zonder openbaringsboek, bijvoorbeeld de autochtone religies van zwart Afrika, volgens de sharia geen andere keus dan de overgave aan de islam of de dood, voor zover zij zich in het “gebied van de islam” bevinden. Juridisch worden zij gelijkgesteld met de heidense Mekkanen, tegen wie Mohammed vanuit Medina ten oorlog trok.
[zie hiervoor, en ook voor die kwestie met de Negus, Hans Jansen, met zijn schitterende "biografie" van de Profeet]
Voor apostaten, mensen die de islam verlaten voor een andere religie, het christendom bijvoorbeeld, gelden bijzondere bepalingen. Aan hen moet de islamitische machthebber de gelegenheid tot be-rouwvolle inkeer bieden; slaan dezen het aanbod af, dan is hun leven verbeurd. Het argument daarbij is dat er een voorbeeld gesteld dient te worden, zodat de gemeenschap als geheel geen schade lijdt in haar geloofstrouw.
Verwijzend naar dit gevaar, aarzelen de moderne islamitische staten dus om de vrijheid van religie te erkennen als mensenrecht. Op hun grondgebied bemoeilijken zij bijgevolg min of meer de propaganda voor andere religies, die vanuit moslimstandpunt toch niets anders kunnen beogen dan de verstoring van de “beste gemeenschap”, en de terugval in een fase van de menselijke geschiedenis die met de roe-ping van Mohammed tot Profeet onwederroepelijk tot haar voltooiing is gebracht.

.

9 juli 2007

Cultural History

.
In de Standaard der Letteren verschijnen vaak recensies waar ik de redactie dankbaar voor ben. Al bij het zien van hun koppen weet ik dat bepaalde boeken niet voor mij bestemd zijn.
Vorige week besprak Marijke Arijs onder de kop “Parijs is een oude hoer” een soort stadsgids, geschreven door een assistent-professor in cultural history, zekere Andrew Hussey, afkomstig van Liverpool. Dat laatste zal nu velen doen denken aan voetbal en hooligans, en ook het begeleidend portret van Hussey helpt niet, maar de man leeft meestentijds in Parijs en geeft er les aan een afdeling van de University of London. Ze hebben daar Engelse lessen voor Fransen, en lessen Frans voor Engelsen.
Zopas verscheen bij de Arbeiderspers de vertaling van zijn boek: .Paris. The Secret History –– Parijs. De verborgen geschiedenis.
Hussey’s belangstelling gaat opvallend vaak uit naar prostitutie en pornografie, zegt Marijke Arijs, en ik zou dat geen bezwaar vinden, ware het niet dat Hussey meent dat hij ook over serieuze onderwerpen zijn licht mag laten schijnen. Bijvoorbeeld over de Franse (hij zegt Parijse) rellen van november 2005 – die zoals wij weten tot een eind in 2006 aanhielden.
Tegenwoordig wordt de burgeroorlog uitgevochten tussen de politie en de jongeren uit de banlieue, vertelt ons Hussey, en hij weet ook hoe dat komt: [...] eigenlijk maken die rellen deel uit van de aloude Parijse traditie van rebellie en contestatie.
Dit is een interessante visie. Die rellen duidden dus op een vorm van integratie, ik zou willen zeggen, zelfs op een bijna verwerpelijk traditionalisme bij de relschoppers!
Parijs heeft nooit bekendgestaan om zijn tolerantie, maar de verhouding met de islam is nog nooit zo gespannen geweest, pikt Arijs in, en de assistent-professor antwoordt:
Historisch gezien valt die slechte reputatie te verklaren vanuit de achttiende eeuw. Toen kwamen massa's mensen uit het Nabije Oosten naar Parijs, de hoofdstad van de vrijheid, maar paradoxaal genoeg kwamen ze in de hoofdstad van het absolutisme terecht [tiens? ...kleine mensenmassa's wellicht]. Tegenwoordig komen mensen uit de Maghreb en van elders naar Parijs in de naam van waarden als vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar ze worden geconfronteerd met racisme en werkloosheid. Die mensen zijn natuurlijk verbitterd.
Alweer een verrassend inzicht, want ik wist helemaal niet dat vrijheid, gelijkheid en broederschap de grote motor waren achter de massale immigratie. Velen onzer medeburgers denken wellicht nog dat de modale mohammedaan verondersteld wordt het Westen te verachten, vanwege de valse waarden die hier gemeengoed zijn.
Nog verrassender is echter dat onze gasten zich collectief vergissen, want zoals Hussey wél weet en zij niet: juist in het Westen zijn die waarden niet voorradig. Wij doen daar niet aan. "Wij-en-volge-me dienen artikel nie", zeiden vroeger Gentse winkeljuffers als je hen vroeg naar iets dat ze niet in huis hadden.
In de oude tijden hadden immigranten veel platvloerser redenen om een streek in te palmen.
In The Fall of Rome, and the End of Civilization, van Bryan Ward-Perkins (Oxford University Press 2005) lezen wij bijvoorbeeld:
Fortunately for the Romans, invading Germanic peoples did not despize them, and had entered the empire in the hope of enjoying the fruits of Roman material comfort – but, equally, the invaders were not angels who have simply been badly maligned (or 'problematized', to use modern jargon) by prejudiced Roman observers. (alles wordt onderaan vertaald)
Bryan Ward-Perkins, een Oxford-archeoloog die in Rome geboren werd en er ook woont (zijn vader was al archeoloog), heeft een merkwaardig boek geschreven dat nogal tegen de gangbare opvattingen indruist, omdat het weinig politiek-correcte ideologie bevat maar des te meer feiten (de man is een autoriteit wat potscherven betreft).
Het heeft eeuwen geduurd zegt hij, voor de beschaafde wereld deze catastrofe te boven kwam: [...] the long-term effects of the dissolution of the empire were dramatic [...]. Weinigen van zijn collega's durven dat op die manier nog neer te schrijven, en zij gebruiken liever neutrale termen zoals "overgangsfaze", "transformatie", "evolutie" en dergelijke. Die correcte collega's moeten zichzelf dan soms enig geweld aandoen. Zo bijvoorbeeld de Yale-professor Walter Goffart: ‘what we call the Fall of the Western Roman empire was an imaginative experiment that got a little out of hand’. {W. Goffart, Barbarians and Romans AD 418-584: The Techniques of Accommodation (Princeton, 1980). Ik lees dat bij Ward-Perkins, maar Goffart verdient deze accolade.}
Ward-Perkins maakt zich graag vrolijk over dit soort inspanningen van zijn collegæ, en in zijn onderkoelde Engels schrijft hij voornamelijk over waterleidingen en riolen, over dakpannen en bruggen en wegen, grafitti en munten en vazen. Dat levert zinnetjes op als: [het leven van de heilige Severinus] makes it clear that the process of invasion was highly unpleasant for the people who had to live through it, although it is difficult to specify quite how unpleasant – partly because intervening periods of peace are not recorded, and partly because it is always impossible to quantify horror, however vividly described.
Hij besluit zijn boek met: I also think there is a real danger for the present day in a vision of the end [of Rome] that explicitly sets out to eliminate all crisis and decline. The end of the Roman West witnessed horrors and dislocation of a kind I sincerely hope never to have to live through; and it destroyed a complex civilization, throwing the inhabitants of the West back to a standard of living typical of prehistoric times. Romans before the fall were as certain as we are today that their world would continue for ever substantially unchanged. They were wrong. We would be wise not to repeat their complacency.

The Fall of Rome is een prachtboek, gericht tot de geïnformeerde leek, en Oxford University Press bewijst hier ten overvloede wat een schitterende uitgever al niet vermag.
Helaas heeft OUP laatst het eigen blazoen ernstig bezoedeld met de uitgave van
"In the Footsteps of the Prophet", van de bekende oplichter Tariq Ramadan. Deze "biografie" van de Profeet – en geprezen zij zijn naam, maar wetenschappelijk gesproken weten wij eigenlijk niets over hem, zelfs niet of de goedheilig man ooit wel bestaan heeft – ontlokte in de Neue Zürcher Zeitung van 12 juni volgende bedenking aan de bekende Arabist Tilman Nagel: "...de tot voor kort als wetenschappelijk bekend staande Oxford University Press."
___________________

Gelukkig voor de Romeinen koesterden de invallende Germaanse volkeren geen verachting voor hen, en waren zij enkel binnengevallen in de hoop de vruchten te plukken van het Romeinse materiële comfort – maar, net zo goed waren die invallers geen engeltjes, die eenvoudigweg zwartgemaakt werden (of ‘geproblematiseerd’ om het modern jargon te gebruiken) door bevooroordeelde Romeinse waarnemers.

[…] op lange termijn waren de effecten van de verdamping (oplossing, verdwijning) van het keizerrijk dramatisch.

{‘wat wij de Val van het West-Romeinse Keizerrijk noemen, was een geïnspireerd experiment dat lichtjes uit de hand liep.’}

[het leven van de heilige Severinus] laat duidelijk zien dat het verloop van de invasie hoogst onplezierig was voor de mensen die het moesten meemaken, al blijft het moeilijk om precies te zeggen hoe onplezierig wel – deels omdat tussenliggende periodes van vrede niet geboekstaafd werden, en deels omdat het altijd moeilijk is om gruwelijkheden te quantificeren, hoe levendig de beschrijving ook mag zijn.

Ook denk ik dat een visie omtrent het einde [van Rome], die er uitdrukkelijk werk van maakt om elk begrip van crisis en verval uit de weg te gaan, een reëel gevaar vormt voor de dag van vandaag. De eindtijd van het Romeinse Westen was getuige van afschuwelijkheden en ontwrichtingen die ik in alle eerlijkheid hoop zelf nooit te hoeven meemaken; en hij vernietigde een complexe samenleving, en sloeg de Westerse inwoners terug naar een levensstandaard die overeenkomt met de prehistorie. De Romeinen van vóór de Val waren net zo overtuigd als wij vandaag, dat hun wereld voor altijd en zonder noemenswaardige veranderingen verder zou gaan. Zij vergistten zich. Wij zouden er verstandig aan doen, hun meegaandheid niet te herhalen.

13 januari 2007

Hoe krijgen wij dit bocht ...aan 't domme plebs verkocht ?

.
Een collega-blogger, Vincent De Roeck, had laatst een boekbespreking die het waard is om gesignaleerd te worden. Zij gaat over "Een brug te ver : Turkije in de Europese Unie" van de Europarlementsleden Philip Claeys en Koenraad Dillen.
Van dit boek had ik geen weet, want het valt onder het cordon médiatique, zodat het in de pers wellicht geheel onbesproken is gebleven. Misschien keek ik slecht, maar aangezien onze goede pers de gewoonte heeft om enkel de boodschappers en nooit de boodschap in aanmerking te nemen, zou het geen wonder zijn.
Toch had ik enkele bedenkingen bij De Roecks recensie:


Uitstekend overzichtsartikel collega Vincent, een echte status quaestionis, gebaseerd op een uitstekend boek vermoed ik. Zeer bedankt dus, maar een inhoudelijk antwoord van Belgische politici mogen wij helaas niet verwachten. Zij zullen er het zwijgen toe doen, misschien in het besef dat die toetreding al lang is toegezegd ...door Washington. Dit pure machts-aspect had, meen ik, wat meer aandacht verdiend, misschien ook in het boek (dat ik niet bezit).

Hoe krijgen wij dit bocht
aan 't domme plebs verkocht,
lijkt nog de enige vraag die "democratische" Belgische en EU-politici zich stellen. Als wij mogen spreken van een bescheten Europese Commissie: al kennen zij ongetwijfeld alle fundamentele tegenargumenten, die mogen niet langer gelden.
Bush heeft immers al meer dan eens openlijk zijn steun betuigd, en Rice heeft nog stilletjes onderhandeld tijdens de laatste "Cyprus-kwestie", die naar goede gewoonte is opgelost door alles maar weer uit te stellen.
Diezelfde Bush, de man met de wijde blik (die echter pas tijdens zijn oorlog op de hoogte werd gebracht van het aloude en grondige verschil tussen shiïeten en sunnieten) ...zingt de lof van de Turkse "brugfunctie" tussen de wereld van de islam en die van het Westen. Dat pontifex Bush elders bruggen wil bouwen is buitengewoon deugdzaam, maar ...laat hem thuis misschien eerst die muur afwerken, waarmee hij een christelijk land als Mexico hermetisch van het zijne wil scheiden.
Het toverwoord "geopolitiek" komt vaak uit zijn mond. En al beseft nog een kind: that is far above his head! , Bush wordt toch braafjes gevolgd door mensen die beter kunnen weten, zoals Karel De Gucht, en natuurlijk door mensen als Louis Michel of Karel Pinxten, die ook graag eens een geleerd woord laten vallen. Hun lijfjournalistjes doen braaf mee, dat spreekt.
Van Miert is de enige niet-Belangpoliticus die jouw standpunt met kracht verdedigt Vincent, maar hij staat aan de wal. Bij diegenen die nog wel op het ondemocratische EU-schip zitten, klinken de schaarse protestjes zwak en ongeloofwaardig.
.

6 januari 2007

VOCABULAIRE EUROPÉEN des PHILOSOPHIES

.

December 2004 verscheen, onder de leiding van filosofe Barbara Cassin, bij Le Seuil/Le Robert een stevig naslagwerk: VOCABULAIRE EUROPÉEN des PHILOSOPHIES, ondertitel DICTIONNAIRE des INTRADUISIBLES. Groot formaat, 1560 pagina’s, twee kolommen, weinig wit, indrukwekkend werk.

Termen uit de klassieke talen van de filosofie, Grieks, Latijn, Duits, Hebreeuws, Engels, Italiaans &cet, worden thematisch geordend, grondig besproken en, al kan het zogenaamd niet, toch Frans vertaald.
In goede naslagwerken lezen is altijd een plezier: eerst wil je iets opzoeken, onderweg blijf je haperen en na vijf minuten weet je niet meer wat je kwam doen.
Hier is dat in overtreffende trap het geval, want dit filosofisch-filologisch naslagwerk is onvermijdelijk een zelfstandig stuk filosofie en filologie, met vertakkingen tot in het oneindige.
Zoals de Indische wijsheid zegt over chatarunga, het bordspel dat ons schaakspel werd: het is een rivier waar de mug van kan drinken en de olifant in kan baden.*

Het grootste plezier blijft natuurlijk als je in zo'n erudiet en prachtig werk iets ontdekt, al was het een komma, waarvan je meent ook iets te weten. Nu trof ik in het hoofdstukje gewijd aan het onvertaalbare Duitse woord “Witz” iets aan dat wellicht een aanvulling kon hebben.


Le „Witz” selon Freud et ses traductions

[…] Il y a, en effet, dans le Witz selon Freud, un lapsus réussi qui provient inopinément de l’inconscient, comme ce terme de famillionnaire qui – sorte de crase entre [attitude] familière et millionnaire – intéressa tant Lacan (et d’abord Freud lui-même) et par le moyen duquel il échappa à un pauvre diable de faire savoir qu’il avait été aimablement traité par le cependant très riche baron de Rothschild. Freud explicite et déploie de la manière suivante la pensée contenue dans ce mot d’esprit ou cette “pointe” de l’esprit (geistreicher Einfall): « […] nous avons dû rajouter à la phrase “R. m’a traité tout à fait comme son égal, d’une manière tout à fait familière” une proposition supplémentaire, qui, raccourcie au maximum, s’énonçait ainsi: “autant qu’un millionnaire est capable de le faire” (Le Mot d’esprit et sa relation à l’inconscient, trad. fr. D. Messier, Gallimard, 1988, p. 60) . C’est, en effet, le mécanisme d’une condensation répondant à ce modèle qui est à la source du plaisir pris à de tels jeux de l’esprit ou, plus précisément, de l’inconscient.

Charles Badier, onder het lemma «ingenium», p.596


De tekst zelf van Freud heb ik niet gelezen, en ook niet bij de hand, maar wel heb ik de Reisebilder van Heinrich Heine nog redelijk in mijn hoofd. Daarin laat Heine zich door een lijfknecht, soort van barbier, vertellen hoe die ooit de eer had om baron Rothschild zijn eksterogen te mogen wegsnijden. Het ging er bij die sessie heel gemoedelijk toe: “Und so wahr wie mir Gott alles Guts geben soll, Herr Doktor [Heine], ich saß neben Salomon Rothschild, und er behandelte mich ganz wie seinesgleichen, ganz famillionär.**

1829, Die Bäder von Lucca, Kapitel VIII

Merkwaardig is toch, dat dit "famillionär" als voorbeeld wordt genomen van een lapsus qui provient inopinément de l’inconscient. Je moet dan al aannemen dat Heine zijn verhaal van die knecht echt gebeurd is. De naam van Heine, ik vermoed de bewuste bedenker van de grap, wordt niet vermeld. Ja, misschien is het niet eens réussi, een echt goeie grap, zoals de kwaaie Karl Kraus al opmerkte in zijn essay “Heine und die Folgen” – maar volgens Kraus maakte Heine nooit goede grappen.


Freud, de bedenker van het “inconscient”, kende de teksten van Heine goed, en aan hem zal het dus niet liggen. Het vergeten van Heine als bewuste bedenker van die onbewustheid moet van de auteur Badier komen, of anders van de Franse Freudvertalers ?


Maar dat is allemaal muggenzifterij, en ik verontschuldig mij bij de makers van dit fenomenale boek.


"Chess is a sea in which a gnat may drink and an elephant may bathe." De 18de-eeuwse oriëntalist Sir William Jones schreef dit toe aan oude Indische of Perzische bronnen, maar de eerste gedrukte versie ervan is van 1949 (!), in een collectie schaakgezegdes...
** Salomon Mayer, Freiherr von Rothschild (1774–1855), chef van het Weense bankfiliaal; hij leefde afwisselend in Wenen, Frankfort en Parijs. In Parijs nodigde Rothschild Heine vaak uit op diners bij hem thuis, ook al dreef aan tafel de dichter vaak de spot met hem. Dat deerde hem niet, hij had wel gevoel voor humor, en de andere gasten zouden het hem niet vergeven hebben als hij Heine niét uitnodigde. Overigens was Heines oom, Salomon Heine, ook bankier (in Hamburg), en na Rothschild de rijkste man van Duitsland.

20 juli 2006

Over de Deugd van het Stilzitten

.
Het is te warm om veel te bewegen, misschien zelfs om hard na te denken, en dus is lezen zowat het enige dat een mens kan doen als hij geen ozon of fijn stof wil binnenkrijgen.
De gazetten vullen hun pagina’s met rubriekjes waarin BV-s vertellen wat zij als vakantielectuur in hun reiskoffer stoppen. Ik lees die rubriekjes niet omdat ik om te beginnen niet geloof dat die mensen lezen, maar ondertussen wil ik graag wel vertellen waar ik zelf in bezig ben: De la Monnaie/Della Moneta (1750) van Ferdinando Galiani, de Napolitaanse econoom en diplomaat die hier al vaker ter sprake kwam. Hij liet dat werk anoniem verschijnen, op zijn tweeëntwintigste, waarbij hij het liet uitschijnen alsof de auteur een zestiger was die alles al meegemaakt had.

Nog binnen het jaar kwam zijn bedrog aan het licht, en Galiani werd een wetenschappelijke ster. Turgot bijvoorbeeld, bij het indienen van een begroting (toen nog een serieuze kwestie), citeerde Galiani. Toch is zijn naam verdwenen. Als wij aan economen denken dan zijn dat Locke of Smith of Ricardo of Malthus: uitsluitend Engelse teksten.

Galiani’s boek werd nooit integraal vertaald, niet in het Engels, niet in het Frans of Duits. En wel voornamelijk omdat hij daar zelf geen poot naar heeft uitgestoken. Pas vorig jaar, 2005 kwam er een tweetalige Franse uitgave, en die is ronduit schitterend.
Om te beginnen een literair meesterwerk. Een economisch werk natuurlijk, waarin hij uitlegt waarom goud, zilver en koper waardevol zijn, en wat hun ruilwaarde nu precies uitmaakt. Maar tegelijk is zijn werk een historisch en cultureel archief. Klinkt dat droog? Galiani is zo spits en grappig altijd!
Om u een beetje op smaak te brengen lezer, geef ik een citaatje, niet dat dit het hoogtepunt is, maar heimelijk omdat ik hoop dat ook Verhofstadt, of anders zijn broer het leest, misschien zelfs in Toscane (een wat ongezonde omgeving volgens Galiani).

Hieronder heeft hij het over de drift van regeerders om steeds nieuwe wetten te maken, zonder zich aan de uitvoering van reeds bestaande wetten veel gelegen te laten liggen. Wat Galiani aanprijst is de deugd van het stilzitten. Hij als 22-jarige! een leeftijd waarop anderen nog aan hun eerste gloedvolle manifesten moeten beginnen.

[…] c’est que les hommes croient toujours bien faire en agissant et que, s’ils n’agissent pas, tout va mal. Et on ne trouve jamais un magistrat qui veuille se vanter de n’avoir rien fait. Et pourtant ne rien faire non seulement est une chose bien des fois pleine de mérite et d’utilité, mais c’est en outre chose très difficile et beaucoup plus pénible qu’il ne semble à executer. Et si l’on considère que toutes les bonnes lois, que l’on peut faire sur quelque matière que ce soit, on peut en un instant les faire et les rassembler sur une seule feuille, on s’aperçoit aussi que lorsqu’on a parfaitement agi et que l’on veut en outre (sans se contenter de faire exécuter les décisions prises) continuer à légiférer, le bien se corrompt inévitablement et le pire survient. Et même si l’on ne fait pas de mal, vouloir trop minutieusement réglementer les choses, c’est en soi un très grand défaut. Exemple en est la République florentine: suivant la nature du caractère de ses concitoyens, et voulant toujours se perfectionner dans les vétilles les plus infimes, elle ne fut jamais réglée dans les grandes.
Ferdinando Galiani
De la Monnaie/Della Moneta
Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Ed. Economica, Paris, 2005, pp.303-5


[…] het is eenmaal zo dat mensen altijd geloven goed te doen zolang ze maar ingrijpen, en dat alles naar de bliksem gaat als zij niets doen. Nooit tref je een politicus aan die er prat op gaat dat hij niets heeft uitgericht. En nochtans, niet zelden is nietsdoen, behalve zeer verdienstelijk en nuttig, ook een heel zware opgave en een stuk lastiger om uit te voeren dan het zou lijken. En als je voorts in overweging neemt dat je alle goede wetten, over wat voor materie ook, in een oogwenk kunt verzinnen en op één blaadje papier verzamelen, dan merk je tegelijk dat als je perfect hebt gewerkt maar niettemin (in plaats van je tevreden te stellen met het laten uitvoeren van reeds genomen beslissingen) wenst door te gaan met wetten maken – dat dan al het goede onvermijdelijk bedorven raakt en de kwalijkste zaken opduiken. En zelfs als je geen kwaad aanricht – de wil om alles uiterst nauwgezet te reglementeren is op zich een zeer zwaar gebrek. Voorbeeld hiervan is de Florentijnse Republiek: handelend volgens de natuurlijke aard van haar ingezetenen, en in een poging zich altijd maar verder te perfectioneren in de kleinste pietluttigheden, is zij wat de grote lijnen betreft nooit op orde geraakt.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html