Posts tonen met het label plagiaat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label plagiaat. Alle posts tonen

16 augustus 2024

Een beschaafde columnist aan het woord

Lang geleden, toen kranten en weekbladen nog beschaafde columnisten hadden die ook echt konden schrijven, hadden we in

de stukjes van Karel van het Reve (1921-1999). In de postuum verschenen bundel ACHTERAF vind je er honderdzevenenveertig, en zeker wie zelf wel eens een stukje wil schrijven kan die beter vooraf een voor een lezen.

Om jullie op smaak te brengen, lezers, heb ik er eentje overgetikt (ik denk niet dat het mag, maar vertrouw erop dat de Erven Karel van het Reve me geen puntig mes door de keel zullen rammen).

Van het Reve heeft het over de beïnvloeding van schrijvers door hun oudere collega’s, en hij geeft een paar voorbeelden. Van Heine leerden we gelukkig al dat er in de kunst geen plagiaat bestaat, en dat die kwalificatie voortkomt uit een romantische overschatting van originaliteit. Van hem mag een kunstenaar zijn honing uit duizend bloemen bereiden, en dat mogen dus ook zowel Elsschot als Gorter en Gezelle van de grote Karel van het Reve: 


GESTAMP EN GERATEL

In het gedicht ‘Aan Rika’ vertelt Piet Paaltjens (1835-1894) hoe de trein waarin hij zat voorbijgereden werd door een sneltrein, en in die sneltrein zat een meisje dat hij maar heel kort zag. ‘De kennismaking kon niet korter zijn.’ Of zij echt Rika heet en hoe hij dat weet, vertelt de dichter ons niet. Hij verwijt haar dat ze het rijtuig ‘niet heeft opgerukt’ (hij bedoelt, denk ik, dat ze de coupédeur niet heeft opengerukt) en hem niet om de hals gevallen is. En dan komt de laatste strofe:

                  Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
                  Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
                  dan, onder hels geratel en gestamp,
                  Met u verplet te worden door één trein?

Dat gedicht met die trein werd voor het eerst gepubliceerd in 1867. In 1923 verscheen Elsschots verhaal Lijmen. In dat verhaal probeert Karel Boorman telefonisch contact op te nemen met de firma Korthals en Zonen in Gent:

      ‘Hij zocht even in het telefoonboek, kwam naast mij zitten, belde de Centrale op en sloot de ogen.
     “Brussel,” zei een neusstem.
     “Gent!” riep Boorman, naar het toestel snappend als een hond naar een been.
       Er volgde een gegorgel, dan een bruisen als van de zee en daarop een hels gestamp en geratel.’ 

Dat ‘hels gestamp en geratel’ van Elsschot komt uit het ‘hels geratel en gestamp’ van Piet Paaltjens. Daar kan, geloof ik, geen twijfel over zijn, al is Elsschot zich daar misschien helemaal niet bewust van geweest.

Ander voorbeeld. Een jaar of wat geleden las ik – ik weet niet meer in welk gedicht – van Guido Gezelle de regel ‘Miserere, mensen, miserere’ (Heb meelij, mensen, heb meelij).

‘Toen ik dat las, herinnerde ik me dat ik lang geleden ergens bij Herman Gorter de regel was tegengekomen ‘Jubilate, mensen, jubilate!’ (Juicht, mensen, juicht!)

Een soort theologisch-wereldbeschouwelijk debat: Gezelle, als gelovig katholiek, wijst op de eeuwige ellende van deze wereld, terwijl Gorter als gelovig marxist juist zeker weet dat de mensheid eerlang ontzettend gelukkig zal worden. Ook hier is voor mij geen twijfel mogelijk: Gorter schreef dat ‘jubilate’ als reactie op Gezelles ‘miserere’.

Niet altijd liggen de zaken zo duidelijk. Neem datzelfde Lijmen. Boorman probeert Laarmans over te halen bij hem in dienst te treden: Laarmans wordt redacteur van Boormans Wereldtijdschrift, eerst tegen een salaris, dan krijgt hij de helft van de winst en na twintig jaar is de hele onderneming van hem, ‘en dan ben je pas vijftig’.
En dan komt de passage waar het mij om gaat: ‘ “Ik ben vijftig,” sprak hij met klem. “Nu, op dit moment, zoals ik hier zit.” ’

Dezer dagen, herlas ik Treasure Island (Schateiland) van Robert Louis Stevenson, voor het eerst gedrukt in 1883. Ik kwam bij de passage waar de held, een jongen van een jaar of twaalf, per ongeluk een gesprek afluistert en hoort hoe Long John Silver (die met het houten been) leden van de bemanning tot zeerovers probeert te maken. En in de loop van dat gesprek zegt Silver: ‘I’m fifty, mark you.’ (Ik ben vijftig, let wel.)

Bewijzen kan ik het niet. Maar ik heb zo’n vermoeden dat die woorden bij Elsschot zijn blijven hangen toen hij Treasure Island las.

(6 juni 1992)

Achteraf
© 1999 Erven Karel Van het Reve, Amsterdam
Uitgeverij G. A. van Oorschot
Bij dezelfde uitgever ook in deel 7 van het Verzameld Werk
bezorgd door Lieneke Frerichs, Elma Drayer en Nop Maas

30 september 2017

Interne Keuken en beeldcitaten


In de Interne Keuken van Koen Fillet en Sven Speybrouck op Radio1 stond vandaag een tv-programma op het menu. De kunsthistorica Katharina Van Cauteren, die met groot succes al enkele Huts-tentoonstellingen verzorgde in Gent in het Caermersklooster, had het namelijk over The Game of Thrones, een feuilleton dat blijkbaar in een soort middeleeuwen speelt.
Meer iets voor jonge mensen begreep ik, en al is Sven nog lang niet zo oud als ik, des te liever hoorde ik hem zeggen dat hij van dat ding nog geen enkele aflevering had gezien.
De uitleg die we erover kregen was zeer interessant, en hoewel ik ook nu geen minuut van dat spel zal bekijken, toch hoorde ik met graagte dat er veel kunsthistorische verwijzingen in zitten. Beeldcitaten noemde Van Cauteren die verwijzingen. Carravaggio had een grote inbreng in The Game of Thrones, en ook Rembrandt, Bosch, Breugel, Rubens en Turner kwamen ter sprake.
Sven nam op een bepaald moment het woord “plagiaat” in de mond, maar na enige uitleg van de kunsthistorica, die zei dat die oude kerels elkaar ook naschilderden, nam hij dat woord direct terug. Heel mooi vond ik dat, want anders had ik hem moeten wijzen op deze tekst van Heinrich Heine:

Niets toch is idioter dan dit verwijt van plagiaat. In de kunst bestaat er geen zesde gebod, de dichter mag overal toeslaan waar hij materiaal voor zijn werk vindt, en zelfs volledige pilasters met uitgebeitelde kapitelen mag hij zich toe-eigenen, als tenminste de tempel die hij daarmee stut prachtig is. Goethe heeft dit zeer goed begrepen, en nog vóór hem Shakespeare zelfs. Niets is idioter dan het verlangen dat een dichter al zijn stof uit zichzelf dient te halen: dat zou dan originaliteit zijn. Ik herinner me een fabel waarin een spin praat met een bij, en haar verwijt dat zij het materiaal voor haar wassen raat, en voor de honing die ze daarin bereidt, uit duizend bloemen samenraapt: “Ik echter,” voegde ze er triomfantelijk aan toe “ik trek in eigengemaakte draad heel mijn artistieke weefsel uit mijzelf.”

De filoloog Ernst Elster plaatste hierbij een voetnoot: “Du sollst nicht stehlen” ist das siebente Gebot.
We mogen dus niet alles geloven wat Heine schreef, maar dat hij ook buiten de schilderkunst of de poëzie een felle tegenstander was van het begrip plagiaat moge hieruit blijken dat hij elders schreef: [...] es gibt kein Plagiat in der Philosophie.”

Über die französische Bühne, vertraute Briefe an August Lewald,
geschreven in mei 1837, in een dorp nabij Parijs. Zesde brief.
In: Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.527.
________

Post scriptum. Koen laat me op Twitter weten: 'Je kan niet geloven hoe vaak Sven Koen en Koen Sven genoemd wordt.' Maar ik laat het staan zoals het is: fake news dus. Koen likete die beslissing trouwens.

29 september 2015

Een verwrongen eerbewijs aan victacausa


Ik weet alvast één EU-advocaat aan wie ik geen zaak zou durven toevertrouwen.
Het is een advocaat, zo lees ik op zijn website, die gespecialiseerd is in heel veel dingen. Op zich niet zo’n goed teken, want het komt meen ik niet vaak voor dat een bijzonder goede voetballer ook nog een geweldige wielrenner of schaker of schrijnwerker is. Niet iedereen heet Leonardo.

Onze man, meester Ian S. Forrester, Q.C., is wellicht zo’n rare vogel want hij advises companies, as well as sovereign states and other governmental authorities, industry associations and private individuals, on European Union law, especially competition law, trade law, customs, internal market rules, intellectual property and constitutional rights in a variety of sectors, including broadcasting, chemicals, information technology, pharmaceuticals, software and sport.
Een indrukwekkend lijstje, maar speciaal één specialisme van hem trok mijn aandacht: intellectual property. Daarin moet hij zich klaarblijkelijk nog wat verder specialiseren.
Ik zag toevallig dat een paar jaar geleden deze Forrester had meegewerkt aan een boek, en zijn hoofdstuk daarin heette: Victa Placet Mihi Causa: The Compulsory Licensing Part of the Microsoft Case.

Natuurlijk vond ik het mooi dat een groot advocaat blijkbaar mijn blog las, maar toen zag ik helaas de voetnoot die meester Forrester had verzonnen bij zijn mooie titel: “The remark in the title is found in Lucan’s literary work Pharsalia, adapting a remark made by Marcus Porcius Cato, which may be translated as ‘even though my case was defeated, I found it persuasive’.”

Zijn vrije vertaling is acceptabel, maar meester Jan had beter niet gekoketteerd met een auteur die hij van haar noch pluim kent. Want die opmerking stáát helemaal niet in het epos van Lucanus! Wel verwijs ik al een jaar of twaalf naar hem in het onderschrift van mijn blogtitel. Marcus Annaeus Lucanus beschreef in de Pharsalia de strijd tussen Caesar en Pompeius en hij zingt daarbij de lof van Cato, die hij beweert te citeren. In elk geval niet te parafraseren.

Aan Forrester zijn uitgever (die na een eerste mail nog had willen tegenpruttelen) schreef ik dus: In the Pharsalia you will find: victrix causa diis placuit, sed victa Catoni. The winning cause did please the gods, but the lost one pleased Cato.
As you will agree this strongly differs from the title of my blog. What’s more: our man did not even bother to change the word order I had chosen, although Latin allows for almost any such order. So even based on word order alone he had 24 possibilities.
No, he did not make up that sentence himself, and he should have mentioned that... And, his footnote is totally wrong: Lucanus never used this phrase, nor did he 'adapt' a remark by Cato. I did.
Helaas kreeg ik daar geen antwoord meer op.

Het enige wat ik kan besluiten, is dat deze advocaat, gespecialiseerd in intellectual propertyenerzijds aan Lucanus zaken toeschrijft die de dichter niet geschreven heeft, wat belachelijk is, en anderzijds schaamteloos een titel neemt van een blog, zonder bronvermelding.

Maar goed, victa placet mihi causa is dus, twee millennia na Lucanus, geaccepteerd Latijn en zelfs een staande uitdrukking geworden, een adagium dat geen bronvermelding meer nodig heeft.
Dat vind ik een hele eer.




20 februari 2015

De kwestie Tuymans


Of Tuymans mooie tempels opricht zou ik durven betwijfelen, maar als dat toch het geval zou zijn, krijgt hij de steun van Heinrich Heine:

Niets toch is idioter dan dat verwijt van plagiaat, in de kunst is er geen zesde gebod,* de dichter mag overal zijn slag slaan waar hij materiaal voor zijn werk vindt, en zelfs volledige zuilen met uitgewerkte kapitelen mag hij zich toe-eigenen, tenminste als de tempel prachtig is die hij daarmee stut. Dit heeft Goethe zeer goed begrepen en voor hem zelfs Shakespeare. Niets is idioter dan de vereiste dat een dichter al zijn stof uit zichzelf zou trekken; dat zou dan originaliteit zijn. Ik herinner me een fabel waarin de spin met de bij spreekt, en haar het verwijt maakt dat zij voor haar wassen constructie, en voor de honing die zij daarin bereidt, het materiaal uit duizend bloemen bijeenzoekt: “maar ik”, voegt zij er triomfantelijk aan toe, “ik trek heel mijn kunstige web in originele draad uit mezelf”.

Aber nichts ist thörichter als dieser Vorwurf des Plagiats, es gibt in der Kunst kein sechstes Gebot,* der Dichter darf überall zugreifen, wo er Material zu seinen Werken findet, und selbst ganze Säulen mit ausgemeißelten Kapitälern darf er sich zueignen, wenn nur der Tempel herrlich ist, den er damit stützt. Dieses hat Goethe sehr gut verstanden, und vor ihm sogar Shakespeare. Nichts ist thörichter als das Begehrnis, ein Dichter solle alle seine Stoffe aus sich selber herausschaffen; das sei Originalität. Ich erinnere mich einer Fabel, wo die Spinne mit der Biene spricht und ihr vorwirft, daß sie aus tausend Blumen das Material sammle, wovon sie ihren Wachsbau und den Honig darin bereite: “ich aber”, setzt sie triumphierend hinzu, “ich ziehe mein ganzes Kunstgewebe in Originalfäden aus mir selber hervor”.

Über die französische Bühne
Vertraute Briefe an August Lewald, sechster Brief
(Geschrieben im Mai 1837, auf einem Dorfe bei Paris)
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.527
_____________________

* “Du sollst nicht stehlen” ist das siebente Gebot. [Ernst Elster]


20 maart 2013

Reynebeau en het inpikken van andermans termen


Tot grote voldoening van de twitterende Noël Slangen schreef Marc Reynebeau vandaag in De Standaard:
"In diezelfde lijn zocht de N-VA andere, verhullende woorden voor haar separatisme. Opdat ze onschadelijk zouden ogen, kaapte ze die bij haar politieke opponenten."
Dat is mogelijk, ik wil dat niet ontkennen, maar over het kapen van andermans termen zou Reynebeau toch beter zijn mond houden.

Zoals ik hier eerder al aantoonde –maar voor hem onvoldoende duidelijk– is hijzelf een meesterdief. En de man gelooft ook dat door de herhaling van een leugen, deze op den duur waarheid wordt.
Dat laatste klopt, en zo komt het bijvoorbeeld dat de meeste journalisten nu braaf geloven dat Reynebeau de uitvinder is van het begrip lasagne-identiteit.
Tenslotte pronkt hij overal met dat begrip en dus moet het wel waar zijn. Zo werken journalisten eenmaal: op gezag. Feiten moeten zichzelf maar zien te redden.
En omdat het gedrukte woord voor Reynebeau kennelijk niet volstaat, geef ik hieronder een geluidsbestandje, een fragment uit een lang gesprek dat Jean-Pierre Rondas had met Matthias Storme, de achtentwintigste december van het jaar tweeduizend en vier. In januari tweeduizend en vijf ging dat fragment “op antenne” zoals men zegt, en een paar weken daarna vond Marc Reynebeau het warm water opnieuw uit, en sindsdien noemt hij zich steevast “de tevreden uitvinder van het begrip lasagne-identiteit.



Storme: Ik geloof niet in het Verfassungspatriotismus in de ontklede zin van het woord die sommigen daaraan geven. Er is een bepaalde interpretatie van Verfassungspatriotismus [Kan mooi zijn hé!] die natuurlijk correct is. Maar ik bedoel: sommige mensen gebruiken het woord 'verfassungspatriotisme', om eigenlijk het woord patriotisme uit te schakelen.
In de zin van: het enige dat telt, is dat de wetgeving voor iedereen dezelfde is, en dat je de wetten respecteert [Voor wie hier woont], en voor het overige heeft het geen enkel belang of de personen die aan die wetten onderworpen zijn nog iets gemeenschappelijks hebben, of daar ook een socio-culturele homogeniteit is.
Er is geen noodzaak om, tot op zekere hoogte dezelfde taal te spreken, letterlijk of/en figuurlijk, en dergelijke meer.
Ik ben ervan overtuigd dat dit niet functioneert. Al je nog een klein beetje geloof hecht aan de noodzaak van een polis, welvaartsstaat, sociale zekerheid, draagvlak voor fiscaliteit –een territoriale gemeenschap in de moderne betekenis van het woord– dan moet je die gemeenschap structureren op basis van niveaus en grenzen die beantwoorden aan een voldoende socio-culturele homogeniteit.
Nu, die homogeniteit is natuurlijk gelaagd. Ik heb van mijzelf ooit gezegd: ik ben lasagne-nationalist. Want ik weet natuurlijk dat mijn identiteit zich niet op één niveau bevindt. Dat mijn identiteit zowel Europees, als Vlaams, als Gents, en zelfs ook een beetje Belgisch is. Ik ga dat natuurlijk niet ontkennen, dat is evident.
De vraag is: welke politieke conclusies moet je daaruit trekken? Het subsidiariteitsbeginsel beantwoordt aan die lasagna. Je legt bevoegdheden en macht, en beslissingsbevoegdheden leg je op verschillende niveaus, of kan je op verschillende niveaus leggen.
En vanuit dat oogpunt, heeft inderdaad België nauwelijks nog een meerwaarde.
______

En omdat hij zo actueel is, zowel wat België als wat de EU betreft, en hij het ook over identiteit en homogeniteit heeft, wil ik graag Aristoteles zelf er even bij halen: 
"Immigratie is, bij gebreke aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen. Zoals evenmin een stad door een toevallige verzameling mensen tot stand komt, of op een willekeurig moment: daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meesten burgeroorlogen hebben gekend."
στασιωτικὸν δὲ καὶ τὸ μὴ ὁμόφυλον, ἕως ἂν συμπνεύσῃ: ὥσπερ γὰρ οὐδ᾽ ἐκ τοῦ τυχόντος πλήθους πόλις γίγνεται, οὕτως οὐδ᾽ ἐν τῷ τυχόντι χρόνῳ: διὸ ὅσοι ἤδη συνοίκους ἐδέξαντο ἢ ἐποίκους, οἱ πλεῖστοι διεστασίασαν
«Πολιτικά», 1303a, 25-28
Op het web vindt men vele vertalingen, die onderling nogal verschillen, bv.: La diversité d'origine peut aussi produire des révolutions jusqu'à ce que le mélange des races soit complet; car l'État ne peut pas plus se former du premier peuple venu, qu'il ne se forme dans une circonstance quelconque. Le plus souvent, ces changements politiques ont été causés par l'admission au droit de cité d'étrangers domiciliés dès longtemps, ou nouveaux arrivants.

Loeb geeft (p. 386-7): Also difference of race is a cause of faction, until harmony of spirit is reached; for just as any chance multitude of people does not form a state, so a state is not formed in any chance period of time. Hence most of the states that have hitherto admitted joint settlers or additional settlers have split into factions.

29 oktober 2009

Een geval van twijfel

.
Le hasard fait bien les choses. zeggen de Fransen, en ik ben niet geneigd om hen tegen te spreken.
Wat wil het geval? Eergisteren vertelt een oude vriend mij dat hij een interessante ontdekking heeft gedaan in Parijs, enkele weken geleden. Petrus Prunus heet die vriend, en hij zit vaak in Frankrijk –zo vaak zelfs dat ik hem soms Pierre noem– en bij een bouquiniste aan de Seine had hij een oud document zien liggen, zwaar gehavend en in het Latijn. Gewoon een blad papier dacht hij eerst, maar zoals later zou blijken was het velijn.

Zulke dingen zie je meer. Misschien komt dat blad uit een oud missaal of zo, maar om de een of andere reden had het toch zijn aandacht getrokken. Hij probeerde het te lezen, en begreep min of meer waar de tekst over ging, maar een goed deel van de letters was half uitgewist of ontbrak. Er waren veel scheuren en gaten. Enfin, het stuk toch maar gekocht, want veel vroegen ze er niet voor.

En nu bleek die tekst, na voorlegging aan een college van filologen, een fragment te zijn uit een veel groter, jammerlijk verloren gegaan werk –misschien van de hand van zekere Carolus Vossius emendeerden de geleerden– waarin vermanend werd gewezen op de kwalijke rol die de Media in het Rome van het late Keizerrijk moeten gespeeld hebben.
Het ontdekte fragment zelf is een bevlogen, bijna pathetische oproep tot matiging in de bewoordingen. Een luide schreeuw om stilte wordt hier uitgestoten. Zachtmoedigheid, medemenselijkheid en redelijkheid, kortom begrip en respect was nodig in turbulente en onzekere tijden.

Waarom val ik u met deze anekdote lastig, lezer?
Wel, omdat die dingen blijkbaar van alle tijden zijn! en de Media ook in onze dagen hun kwalijke en luidruchtige rol verder spelen.

Nemen we één voorbeeld. Vandaag had Patrik Vankrunkelsven (de afscheidnemende VLD-senator) in De Standaard een gesprekje met hun reporter Frans De Smet, die aan het slot een zogezegd guitige opmerking plaatst:
'Knack'-columnist Koen Meulenaere verliest een geliefkoosd doelwit. Hij beschreef u graag als 'kabouter drift'.
'Kijk, ook dat speelde mee om te stoppen. Want Meulenaere ging er altijd vér over. Ik kan niet ontkennen dat ik en mijn omgeving daardoor werden geraakt. Te vaak wordt door de media vergeten dat politici ook mensen zijn, die met enig respect moeten worden behandeld.'
Het is nogal evident dat Meulenaere –met zijn insinuaties altijd– hier vooruitloopt op twee onderzoeken die nog volop gaande zijn in Leuven!

Deugddoend is het dan, om te zien dat er vandaag ook wel gematigder stemmen opgaan. Deze van Carl Devos bijvoorbeeld, die als een roepende in de woestijn journalisten, en zeker bloggers tot rede probeert te brengen. Met graagte herhaal ik hier Devos zijn woorden, bis repetita placet, ook al komen zij, met wat ik nu weet, in het licht van wat vriend Prunus in Parijs pas ontdekte, helaas in een wat verdacht perspectief te staan.
Zoals het er namelijk uitziet heeft Devos (en vraag me niet hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen) vroegtijdig de hand kunnen leggen op het genoemde fragment van Carolus Vossius ...en heeft hij diens woorden meteen schaamteloos tot de zijne gemaakt (een praktijk die meer en meer ingang vindt aan universiteiten lees je).
Ik laat het oordeel aan u lezer, maar mijn vermoeden is dat hier onoorbare zaken zijn gebeurd:

EST PERICULUM NE MEDIARUM RERUM CENSURA IN ACERBAS INCURSIONES AD HOMINEM PRÆCIPITETUR.
ID ETIAM EIS ACCIDIT QUI MENTIS APERTI, PACEM AMANTES, ANIMÆ INCORRUPTÆ, ERUDITI AUT PROGREDIENTIS HUMANITATIS STUDIOSI DICI MALUNT.
ILLIS QUOQUE SENTENTIÆ AD REM PERTINENTES SÆPE, QUASI PELLE DETRACTA, IN SORDIDAS VINDICATIONES AURA QUASI DOCTA PERFUSAS MUTANT.
OLEO EX SULFURE IMBUENDA SIT CENSURA ET IN REPREHENSIONEM AD HOMINEM MUTANDA.
SINT CAPITA GLADIO TRADENDA.
EO SPECTACULO CARENTE PARUM VENTI ARGUMENTA NANCISCUNTUR.
SINT CYNICÆ SATURÆ CONTUMELIÆQUE!
LÆSIONES VIDEAMUS!
INIMICITIÆ PATENTIS CAUSA DISSENSIONES DELABUNTUR IN VINDICATIONES.
ALIQUANDO SUPER AQUAM, SÆPIUS SUB AQUA.
VEHEMENTER SE MUTUI TELORUM NUBE INFESTANT.
CENSURA RERUM MEDIARUM COMMUNITER IN SCÆNA RERUM MEDIARUM OBVENIT.
RARO OBVENIT PER LIBRUM TAMQUAM HUNC.
SCRIPTORES SE SÆPIUS MUTUI IN LIBELLO AGGREDIUNTUR μίκρῳ ῥηματι θανατηφορῳ BENE DIRECTO.
[…]
RARO FIT UT ALTER TANTUMMODO IN PROFESSIONIBUS QUÆ AD REM PERTINENT ERRET.
IN MALEDICTA DISPUTATIONIS SUBSTANTIA EVANESCIT.


Herlezen wij nu de tekst die Carl Devos afleverde:

Mediakritiek dreigt snel te vervallen in zurige, persoonlijke aanvallen. Ook bij diegenen die zich als open, tolerant, objectief, erudiet of progressief laten omschrijven. Ook bij hen vervellen inhoudelijke beoordelingen vaak tot platte afrekeningen, overgoten met een intellectualistisch sausje.
Kritiek moet in vitriool gedrenkt en gepersonaliseerd worden. Er moeten koppen zijn om op te schieten,zonder dat spektakel vangen de argumenten anders te weinig wind. Er moet cynisme en sarcasme zijn. Kwetsuren.
Meningsverschillen verloederen tot afrekeningen, omwille van openstaande vetes. Soms boven, vaker onder de waterlijn. Er wordt duchtig op elkaar geschoten.
Mediakritiek verloopt doorgaans via de media. Zelden via een boek als dit. Vaker valt de ene editorialist in zijn stukje de andere aan, met een welgemikte petit phrase qui tue. […]
Zelden gaat het erom dat de ander zich alleen maar inhoudelijk vergist. De inhoudelijke discussie verdwijnt onder de schimpscheuten.

In gemoede, lezer, kan zoiets toeval zijn?
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html