Een beschaafde columnist aan het woord
Lang geleden, toen kranten en weekbladen nog beschaafde columnisten hadden die ook echt konden schrijven, hadden we in
de stukjes van Karel van het Reve (1921-1999). In de postuum verschenen bundel ACHTERAF vind je er honderdzevenenveertig, en zeker wie zelf wel eens een stukje wil schrijven kan die beter vooraf een voor een lezen.
Om
jullie op smaak te brengen, lezers, heb ik er eentje overgetikt (ik denk niet dat het mag, maar vertrouw erop dat de Erven Karel van het Reve me geen
puntig mes door de keel zullen rammen).
Van het Reve heeft het over de beïnvloeding van schrijvers door hun oudere collega’s, en hij geeft een paar voorbeelden. Van Heine leerden we gelukkig al dat er in de kunst geen plagiaat bestaat, en dat die kwalificatie voortkomt uit een romantische overschatting van originaliteit. Van hem mag een kunstenaar zijn honing uit duizend bloemen bereiden, en dat mogen dus ook zowel Elsschot als Gorter en Gezelle van de grote Karel van het Reve:
In het gedicht ‘Aan Rika’ vertelt Piet Paaltjens (1835-1894) hoe de trein waarin
hij zat voorbijgereden werd door een sneltrein, en in die sneltrein zat een
meisje dat hij maar heel kort zag. ‘De kennismaking kon niet korter zijn.’ Of zij echt Rika heet en hoe
hij dat weet, vertelt de dichter ons niet. Hij verwijt haar dat ze het rijtuig
‘niet heeft opgerukt’ (hij bedoelt, denk ik, dat ze de coupédeur niet heeft opengerukt) en hem niet om de
hals gevallen is. En dan komt de laatste strofe:
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?
Dat gedicht met die trein werd voor het eerst gepubliceerd in 1867. In 1923 verscheen Elsschots verhaal Lijmen. In dat verhaal probeert Karel Boorman telefonisch contact op te nemen met de firma Korthals en Zonen in Gent:
‘Hij zocht even in het telefoonboek, kwam naast mij zitten, belde de Centrale op en sloot de ogen.“Brussel,” zei een neusstem.
Er volgde een gegorgel, dan een bruisen als van de zee en daarop een hels gestamp en geratel.’
Dat ‘hels gestamp en geratel’ van Elsschot komt uit het ‘hels geratel en gestamp’ van Piet Paaltjens. Daar kan, geloof ik, geen twijfel over zijn, al is Elsschot zich daar misschien helemaal niet bewust van geweest.
Ander
voorbeeld. Een jaar of wat geleden las ik – ik weet niet meer in welk gedicht –
van Guido Gezelle de regel ‘Miserere, mensen, miserere’ (Heb meelij, mensen,
heb meelij).
‘Toen ik dat las, herinnerde ik me dat ik lang geleden ergens bij Herman Gorter de regel was tegengekomen ‘Jubilate, mensen, jubilate!’ (Juicht, mensen, juicht!)
Een
soort theologisch-wereldbeschouwelijk debat: Gezelle, als gelovig katholiek,
wijst op de eeuwige ellende van deze wereld, terwijl Gorter als gelovig marxist
juist zeker weet dat de mensheid eerlang ontzettend gelukkig zal worden. Ook
hier is voor mij geen twijfel mogelijk: Gorter schreef dat ‘jubilate’ als
reactie op Gezelles ‘miserere’.
Niet altijd liggen de zaken zo duidelijk. Neem datzelfde Lijmen. Boorman
probeert Laarmans over te halen bij hem in dienst te treden: Laarmans wordt
redacteur van Boormans Wereldtijdschrift, eerst tegen een salaris, dan krijgt
hij de helft van de winst en na twintig jaar is de hele onderneming van hem,
‘en dan ben je pas vijftig’.
En dan komt de passage waar het mij om gaat: ‘ “Ik ben vijftig,” sprak hij met
klem. “Nu, op dit moment, zoals ik hier zit.” ’
Dezer dagen,
herlas ik Treasure Island (Schateiland) van Robert Louis Stevenson, voor
het eerst gedrukt in 1883. Ik kwam bij de passage waar de held, een jongen van
een jaar of twaalf, per ongeluk een gesprek afluistert en hoort hoe Long John
Silver (die met het houten been) leden van de bemanning tot zeerovers probeert
te maken. En in de loop van dat gesprek zegt Silver: ‘I’m fifty, mark you.’ (Ik
ben vijftig, let wel.)
Bewijzen
kan ik het niet. Maar ik heb zo’n vermoeden dat die woorden bij Elsschot zijn
blijven hangen toen hij Treasure Island las.
(6 juni 1992)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten