Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloof. Alle posts tonen

9 juli 2026

Mbappé moet nog even wachten: nu geen voetbal


[…] dat de mens niet alleen van voetbal leeft, weten we uit Deuteronomium, het vijfde Boek van Moses, en Matthéüs en Lukas sloten zich hierbij aan.

In Les Délices, Voltaires kasteel in Ferney nabij Genève, had de gastheer geanimeerde gesprekken met Casanova, over poëzie en filosofie. Beiden citeerden uit het hoofd passages uit onder meer Horatius, een gedeelde liefde.

Wat de filosofie betreft ging het over het bijgeloof, dat volgens Voltaire moest uitgeroeid worden, wat in de echte wereld zowel ondoenbaar als onwenselijk was, vond Casanova. Of dat gesprek, of die gesprekken ook woordelijk zo verliepen, weten we alleen uit Histoire de ma Vie ...en Casanova wint hier, als kenner van de echte wereld, zonder geloof in een ideale wereld die hij als gevaarlijk beschouwt.

Hij doet hier denken aan Heine, die later ook de religie, geloof en 'bijgeloof', zal verdedigen met kennis van de wereld: Heil aan deze uitvinding! Heil aan een religie die een paar zoete, slaapverwekkende druppeltjes in de bittere kelk van de lijdende mensheid goot, geestelijk opium, een paar druppels liefde, hoop en geloof!

We waren nu ongeveer wel klaar, maar een vers van Horatius dat ik aanhaalde om een van zijn ideeën te prijzen, deed hem zeggen dat Horatius een grootmeester was wiens recepten nooit zouden verouderen.
— Een enkel ervan overtreedt u toch, zei ik, maar wel als een groot man.
— En welk dan?
— U schrijft niet contentus paucis lectoribus.*
— Ook Horatius zou voor het grote publiek hebben geschreven, als hij zoals ik het bijgeloof had moeten bestrijden.
— Die moeite zou u zich kunnen besparen, meen ik, want u zult er nooit in slagen het te vernietigen; en zelfs mocht u erin slagen, zegt u me dan eens waardoor u het zou vervangen.
— Dat is me wat moois. Als ik de mensheid bevrijd van een woest beest dat haar verslindt, kan men mij dan vragen wat ik ervoor in de plaats zal stellen?**
— Het verslindt haar niet. Het is integendeel noodzakelijk voor haar bestaan.
— Omdat ik de mensheid liefheb, zou ik haar graag net zo gelukkig zien als ikzelf: vrij, en bijgeloof is onverenigbaar met vrijheid. Waar kan volgens u onderwerping het geluk van een volk brengen?
— U wil dus de soevereiniteit bij het volk leggen?
— God beware me. Één man moet aan het roer staan.
— Dán is bijgeloof noodzakelijk, want zonder dat zal het volk de monarch nooit gehoorzamen.
— Geen monarch, want die naam doet mij denken aan het despotisme dat ik evenzeer moet haten als de horigheid.
— Wat wilt u dan? Als u wil dat iemand alleen regeert, kan ik hem alleen maar als een vorst beschouwen.
— Ik wil dat hij het bevel voert over een vrij volk, en hij zal dan hun leider zijn, maar we hoeven we hem geen vorst te noemen, want hij zal nooit als scheidsrechter kunnen optreden.
Adisson vertelt u dat een dergelijke monarch, dat zo'n leider niet behoort tot de mogelijke bestaansvormen. Ik ben voor Hobbes. Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Een volk zonder bijgeloof zou filosofisch zijn,*** en filosofen willen nooit gehoorzamen. Het volk kan alleen gelukkig zijn als het de mond wordt gesnoerd, vertrappeld en aan de ketting gelegd.****
— Als u mij gelezen hebt, zult u de bewijzen hebben gevonden waarmee ik aantoon dat bijgeloof de vijand van koningen is.
— Of ik u gelezen heb? Gelezen en hèrlezen! En vooral wanneer ik het niet met u eens was. Uw grootste passie is uw liefde voor de mensheid. Est ubi peccas.***** Die liefde maakt u blind. Hou van de mensheid, maar u kunt haar alleen liefhebben zoals zij is. Zij is niet ontvankelijk voor de weldaden die u haar wil schenken, en door ze haar te geven zou u haar ongelukkiger en slechter maken. Láát haar het beest dat haar verslindt: dat beest is haar dierbaar. Ik heb nog nooit zo hard gelachen als toen ik Don Quichot zag die zich in grote problemen had gewerkt, en zich moest verdedigen tegen de galeislaven aan wie hij uit grootmoedigheid zojuist de vrijheid had geschonken.
— Voelt u zich vrij in Venetië?
— Voor zover men dat kan zijn onder een aristocratisch bewind. De vrijheid die wij genieten is niet zo groot als die in Engeland, maar wij zijn tevreden. Mijn gevangenschap bijvoorbeeld was een flagrante daad van despotisme, maar omdat ik wist dat ik zelf misbruik had gemaakt van de vrijheid, vond ik op bepaalde momenten dat zij gelijk hadden gehad mij zonder de gebruikelijke formaliteiten op te sluiten.
— Als dat zo is, is niemand vrij in Venetië.
— Best mogelijk, maar geef toe dat om vrij te zijn het volstaat te geloven dat men het is.

________________
        * Met weinig lezers tevreden (Horatius, Satiren I, 10). Horatius haalt de actrice Arbuscula aan die verklaarde, toen ze werd uitgejouwd (explosa): Mij volstaat het als de ridders me toejuichen. Hij is het met haar eens. Ook Stendhal denkt er zo over, en besloot een boek vaak met: For the happy few. 
      ** Letterlijk uit Voltaires Tombeau du Fanatisme (1767). 
    *** In de zin van de Encyclopedisten.
  **** In De Cive XII (1647) zegt Hobbes wel: Lingua hominum tuba est seditionis. De tong der mensen is de klaroen van de opstand. Maar deze formulering is van Casanova afkomstig, en wil de noodzakelijkheid van bijgeloof onderstrepen.
***** Daar zondigt u. (Horatius, Brieven II, 1) Interdum volgus rectum videt, est ubi peccat. Soms ziet het volk klaar, soms dwaalt het.
      *° Hoofdstuk 22. Prachtig vertaald door Barber van de Pol, voor de Arbeiderspers.



Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013
Tome Cinquième, Chapitre VII, pp. 508-511

13 mei 2026

Wat wíst Casanova, en wat geloofde hij?

 

Giacomo Casanova mag dan losbandig hebben geleefd, zijn filosofie was dat niet – al sprak hij zichzelf wel eens tegen. In veel opzichten was ze schatplichtig aan de christelijke moraalfilosofie, maar die herinterpreteerde hij vanuit het aristotelisme van Padua* dat leerde dat alleen controleerbare en weerlegbare natuurlijke gegevens een bron van kennis waren, niet de theologie of de metafysica.
Meer dan eens verzekert Giacomo zijn lezer dat hij een christenmens is (zeer aan te raden in die dagen), maar tegelijk verwierp hij zowel de onsterfelijkheid van de ziel als de Heilige Drievuldigheid. Hij onderwierp het geloof aan materialistische kritiek, in de jaren waarin Europa werd overspoeld door de systemen van d’Holbach, Helvétius, Voltaire, die hij goed kende.
Voor Thomas van Aquino was het intellect, en dus de ziel nog onsterfelijk. Samen met Lucretius, vaak geciteerd, verwierp Casanova die gedachte. Maar ook de harde wetenschap wantrouwde hij.
De achtste van de negen dialogen tussen A en B begint zo – en A is natuurlijk Casanova:

B: Maar in de fysica zijn we er toch van overtuigd de waarheid te bereiken?
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.

Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:

Het gewone volk blijft hen in ere houden, al ziet men alledag dat ze hun gelofte alleen lijken te hebben afgelegd om hun naasten voor de gek te houden. Hun ontucht kent geen grenzen, alles op hun weg bezoedelen ze. Maar laten we het kort houden, en voorbijgaan aan de fouten waarvan ze kunnen zeggen dat ze die alleen vanwege hun geloof begaan […] laten we aannemen dat ze hun plicht doen. Laten we veronderstellen dat ze, hun gelofte getrouw, zich nooit met de geringste vleselijke daden bevlekken.
Maar, is het wél of niet waar dat de hele wereld in minder dan een eeuw zou zijn ontvolkt als de hele wereld voornemens was zich in kuisheid aan God te wijden? Zeker wel.
Ziedaar dan de mens, de mooiste loot van de natuur, vernietigd. Ziedaar bijgevolg de Prediker,** die onverholen overtuigde vijand van de natuur, en zie de kuisheidsgelofte, de ware zonde tegen haar. En vertel mij niet dat die vernietiging van de wereld er niet kán komen, omdat het moreel onmogelijk is dat iedereen zich eendrachtig daaraan zou wijden. Dat bewijst niets. Een morele onmogelijkheid vernietigt niet de kracht van een hypothese.
Telkens als je over een levenshouding, welke ook, kunt zeggen dat de menselijke soort eraan ten onder zou gaan als iedereen ze aannam, is het bewezen dat die levenswijze niet deugt, en dat iedereen die ze aanhangt het menselijk geslacht schade toebrengt, al behoort hij er zelf toe.*** Mijnheer de Voltaire is het die zo spreekt, maar ook vóór hem sprak de Rede al vaak in dezelfde zin.
Elke man die zweert zich niet met het vrouwtje te zullen verenigen, zweert dat wat hem betreft hij de menselijke soort te gronde zal richten. Wat is dat voor iemand, zo’n man? Hij is schuldig tegenover de natuur, en als die hem niet bevalt zal hijzelf zeker de maker ervan, God niet bevallen, die hem zijn wetten heeft voorgeschreven in zijn instincten.
Behalve de zelfmoord bestaat er dus geen tegennatuurlijke zonde, op de kuisheidsgelofte na. En wie mij vraagt waarom men onder tegennatuurlijke zonden dan meestal de pederastie verstaat, hem antwoord ik dat men die naam gegeven heeft omdat het altijd al een pekelzonde van de geestelijke stand is geweest, die om die reden passender de Tegennatuurlijken zou moeten heten.

Sapius a Domino nomina servus habet.****
_______________
      * Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
    ** Het Boek genaamd de Prediker (Statenvertaling) 4:2 Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 4:3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
  *** Casanova ontmoette nooit Kant, en kende ook geen Duits. De kans dat hij hem ooit las is onbestaande. Wel komt hij hier dicht bij diens: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, daß sie ein allgemeines Gesetz werde.Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785).
**** Bedoeld was wellicht saepius: meestal, gewoonlijk. De slaaf draagt meestal de naam van de meester. Wat deze zin hier komt doen wordt niet door de editor Bernardini verklaard. Op de bekende vraag: Discite grammatici cur mascula nomina cunnus, et cur femineum mentula nomen habet – verklaar eens, grammatici, waarom kut mannelijk is en pik vrouwelijk, zou Casanova ooit geantwoord hebben: Disce quod a domino nomina servus habet, weet dat de slaaf zijn naam krijgt van de meester.

Giacomo Casanova
Dialoghi sul suicidio
Saggio introduttivo e cura di
Paolo L. Bernardini
Roma, 2005, Aracne editrice

23 april 2025

Geloven is mooi, maar ik hou het bij Feuerbach

 

 De scholastiek leerde dat men geloofsartikelen zonder meer als waarheid moest aannemen. Articuli fidei zijn immers geopenbaard, in tegenstelling tot de menselijke, gebrekkige wetenschap.

Lijkt me een verdedigbaar standpunt, en de Vicarius Filii Dei, de Plaatsvervanger van de Zoon Gods zou mij hier zeker zijn bijgetreden, ware het niet dat hij op dit moment opgebaard ligt op het Sint-Pietersplein (dat van Rome, zeg ik erbij voor de Gentenaars).

Kan wetenschap dan géén waarheden verkondigen? Jawel, maar niet in absolute zin. In de menselijke, macroscopische wereld gelden de wetten van Newton en Maxwell nog steeds, en bijna iedereen gelooft, 'weet' dat de aarde rond is.

Maar als dan bijvoorbeeld een rector in spe van de Gentse Universiteit verklaart dat een zogenaamde transvrouw een vrouw IS,* dan lijkt me dat sterk op de afkondiging van een geopenbaarde waarheid, een geloofsartikel. Het staat iedereen vrij dit te geloven, zeker ook de betrokkene zelf, maar al zou de derisus infidelium, het hoongelach der ongelovigen hier misplaatst zijn, je kunt niemand verplichten zo'n geloof aan te nemen en eisen dat hij zijn woordenschat aanpast.

Ludwig Feuerbach legde uit waar de grens ligt:

Waarheid is de grens van de wetenschap. In dezelfde zin dat de vrijheid van de Duitse Rijnvaart jusqu' à la mer reikt, reikt de vrijheid van de Duitse wetenschap jusqu' à la vérité. Waar wetenschap tot waarheid komt, waarheid wordt, daar houdt ze op wetenschap te zijn, daar wordt ze een zaak van de politie – de politie is de grens tussen waarheid en wetenschap.

Ludwig Feuerbach
Vorrede zur zweiten Auflage (1843)
in: Das Wesen des Christentums
Nachwort von Karl Löwith
1969, Reclams Universal-Bibliotheek Nr. 4571

_____________________
* Men heeft daar blijkbaar ook een decaan die in de transsubstantiatie gelooft.

30 april 2014

Rede, geloof, en een aandoenlijk onnozele koopman



De uitzending van Reyers Laat gisteren, met Vermeersch en Torfs, en de mooie sopraan Noémi Schellens, en de even mooie Kathleen Cools, was prachtig. Ik zag ze juist op mijn pc, en straks zal ik nog eens kijken.
Torfs was een paar keer schitterend, en de hele ambiance daar was zodanig goed, en iedereen voelde zich zo op zijn gemak, dat de gevierde Etienne Vermeersch het zich zelfs permitteerde om de geschiedschrijver Thucydides te citeren. In het Grieks! wat vandaag als een politiek statement mag gelden.

Na de vocalise te zijner ere, en terugdenkend aan zijn tijd als koorknaap zei Vermeersch namelijk: κτῆμα ἐς ἀεί (ktêma es aeí), een bezit, een rijkdom voor altijd, voor de eeuwigheid.
Een parafrase van Keats kennen wij beter: 

A thing of beauty is a joy for ever:
Its loveliness increases; it will never
Pass into nothingness; but still will keep
A bower quiet for us, and a sleep
Full of sweet dreams, and health, and quiet breathing.

En eerder in de uitzending hoorden we mooie dingen over rationaliteit, over de rede en het geloof daarin, want een geloof blijft deze in laatste instantie altijd, zoals Torfs terecht zei. Ook het hedendaagse sentimentalisme bracht Torfs ter sprake, en hij vreesde dat een man op den duur nog ajuinen zou moeten pellen om ernstig genomen te worden, want ook een man moet en zal gevoelens en tranen tonen.
Ik weet niet of hij toen aan Brassens dacht, die hoopte dat zijn weduwe het zonder uien zou kunnen stellen bij zijn begrafenis:
Dieu veuill’ que ma veuve s'alarme
En enterrant son compagnon,
Et qu’ pour lui fair’ verser des larmes
Il n'y ait pas besoin d'oignon... 

Kortom: de uitzending contrasteerde met wat de buis ons vaak voorschotelt.

Maar dat de rede nooit-of-jamais het zal halen van het sentimentalisme, het bijgeloof en de gewone dwaasheid, las ik vandaag in De Tijd.
Hopelijk vindt Jef Colruyt ergens in zijn drukke koopmansbestaan de tijd om deze Reyerslaat eens te bekijken.


2 juni 2006

Hoe een beschaafde Europeër al enkele eeuwen over ongelovigen denkt

.
Het is de laatste weken verschrikkelijk vermoeiend om kranten, tijdschriften, radio en televisie mee te maken. Niet dat er geen nieuws was natuurlijk, maar de elucubraties van de verzamelde redacties waren mij te saai en te moraliserend. Voorspelbaar vanaf de eerste lettergreep.
Tegen zulke verveling is niet op te bloggen. Liever lees ik dan wat verstandige mensen uit vroegere eeuwen vertelden, en bijvoorbeeld de geschriften van de Napolitaan Ferdinando Galiani neem ik graag ter hand.
In onderstaand brieffragmentje (dat ik heb vertaald, maar het Frans is natuurlijk veruit te verkiezen) vertelt de beroemde econoom en diplomaat abbé Galiani aan een vriendin in Parijs hoe hij denkt over ongelovigen. Het lijkt mij een typisch, maar helaas exclusief Europees standpunt. Serieus onderwerp, maar Galiani is altijd grappig. [cursief is van mij]


Napels vandaag 21 september 1776
Ongeloof is de grootste inspanning die de menselijke geest kan leveren, tegen eigen instinct en voorkeur in. Het komt erop neer dat men zich eens en voor goed alle geneugten van de verbeelding ontzegt, en elke smaak in het wonderbaarlijke; het komt erop neer dat men de zak der kennis leegschudt, terwijl de mens naar kennis zucht. Dat men loochent en voortdurend twijfelt aan alles, en achterblijft in verarmde denkbeelden over de kennis, de hogere wetenschappen etc. Wat een afschuwelijke leegte! wat een nietigheid! wat voor inspanning! Het is bijgevolg bewezen dat het overgrote deel van de mensen (en vooral van de vrouwen wier verbeelding dubbel is, aangezien zij de verbeelding van het hoofd bezitten, en de verbeelding van de baarmoeder) nooit ongelovig zou kunnen zijn, en diegenen die het wel kunnen, zullen de inspanning slechts volhouden zolang zij in de volheid van hun kracht verkeren en een jeugdig gemoed bezitten. Zodra het gemoed wat ouder wordt, duikt het een of andere geloof weer op. Juist daarom ook zou men de ware ongelovigen nooit mogen vervolgen: en laat mij hieraan toevoegen dat zij inderdaad nooit vervolgd werden. Vervolgen doet men enkel de fanatieke stichters van sekten die misschien volgelingen kunnen krijgen. De fanaticus is iemand die midden in een menigte het op een lopen zet, en aanvankelijk volgt iedereen hem. De ongelovige doet heel wat meer. Hij is een koorddanser die in de lucht de meest ongelooflijke toeren uithaalt en voltigeert op zijn koord. Hij vervult alle toeschouwers met huiver en verbazing, en geen mens die de neiging voelt om hem te volgen of te imiteren.
o-o-o-o-o-o
Naples ce 21 7mbre 1776
L’incrédulité est le plus grand effort, que l’esprit de l’homme puisse faire contre son propre instinct, et son goût. Il s’agit de se priver à jamais de tous les plaisirs de l’imagination, de tout le goût du merveilleux; il s’agit de vider tout le sac du savoir, et l’homme voudrait savoir. De nier ou de douter toujours, et de tout, et rester dans l’appauvrissement de toutes les idées, des connaissances, des sciences sublimes etc. Quel vide affreux ! quel rien ! quel effort ! Il est donc démontré, que la très grande partie des hommes (et surtout des femmes dont l’imagination est double, attendu qu’elles ont l’imagination dans la tête, et l’imagination de la matrice) ne saurait être incrédule, et celle qui peut l’être n ‘en saurait soutenir l’effort que dans la plus grande force, et jeunesse de son âme. Si l’âme vieillit, quelque croyance reparaît. Voilà aussi pourquoi il ne faudrait jamais persécuter les vrais incrédules: et je vous ajouterais qu’en effet ils n’ont jamais été persécutés. On ne persécute que les fanatiques fondateurs de sectes qui pourraient être suivis. Le fanatique est un homme qui se met à courir au milieu d’une foule, et d’abord tout le monde suit. L’incrédule fait bien plus. C’est un danseur de corde, qui fait les tours les plus incroyables en l’air voltigeant autour de sa corde. Il remplit de frayeur, et d’étonnement tous les spectateurs, et personne n’est tenté de le suivre, ou de l’imiter.
Ferdinando Galiani - Louise d’Épinay
Correspondance V, juin 1775 - juillet 1782
Les Éditions Desjonquères, 1997, pp.102-3

o-o-o-o-o-o

P.S. Voor zijn eigen geloofsgenoten (bv. van de orde der jezuïeten) is Galiani trouwens even kritisch als voor ongelovigen:

Elke jezuïet [op zich] was aardig, welopgevoed, nuttig, en de sociëteit als geheel, die nochtans niets meer was dan de verzameling van al deze individuen, was hatelijk, moreel corrupt, verderfelijk. Laat anderen dit zonderlinge fenomeen verklaren; ikzelf kom er niet uit.

Chaque jésuite était aimable, morigéné, utile, et toute la société, qui n’était pourtant que la masse de tous les individus, était odieuse, corrompue dans la morale, pernicieuse. Que d’autres expliquent cet étrange phénomène; pour moi je m’y perds.
ibid: p. 33

1 mei 2006

Pastoor kakt ongewild op Nederlandse oorkonde

.Laatst, uit hoofde van mijn beroep, hoorde ik tijdens de mis op Radio1 een pastoor die het in zijn preek had over de geweldige verbazing der Apostelen toen die enige tijd na de kruisdood van hun meester Jezus Christus, Hem plots in levende lijve weer voor zich zagen. Dat verhaal staat in de Evangeliën. Bijvoorbeeld Johannes vertelt dat de elf Apostelen “om de vreze der Joden” achter gesloten deuren vergaderd waren, en dat zij al dagen niet meer wisten van welk hout pijlen maken.
De pastoor in de radiomis vertelde ons nu getrouw dat de Apostelen hun ogen niet konden geloven bij de plotse Verschijning, en dat zij Hem niet eens meer leken te herkennen. Christus had daarop Zijn wonden aan handen en voeten getoond, waarna hun ongeloof in blijdschap was omgeslagen.

Allemaal correct weergegeven, en een prachtig verhaal. Het komt bij Lukas vlak na de ontmoeting met de Emmaüsgangers, een al even prachtig verhaal.
Wij lezen in de Statenvertaling, bij Lukas 24:

En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.
En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.
En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?
Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.
En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?
En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.
En Hij nam het, en at het voor hun ogen.
En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Johannes, ook een goede schrijver, vertelt hetzelfde. Hij voegt er nog een zin aan toe, een echte cliffhanger:
Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;
Waarom vertel ik dit? Omdat die pastoor mij geweldig tegenstak. Omdat die pastoor nooit nog een preek zou mogen afsteken als er érgens een immanente inspecteur toekeek op wat die kerels allemaal uit hun onwetende botten slaan. Goed dat Reve al begraven was en het niet meer kon horen. Die pastoor bederft met één zinssnede een oeroude prachtige tekst, een stichtingstekst van onze Nederlandse Taal, door ter verklaring eraan toe te voegen dat Christus zijn wonden aan de Apostelen toonde ...als een soort visitekaartje.
Uit mijn ogen gij satan, gij stijlongevoelige!
Nee, geef mij dan die gereformeerde dominee dr. S.D.Post, zoals u hieronder kunt lezen:

28-4-2006
Leer jongeren bevindelijke taal
Kerkredactie
WOERDEN - De tale Kanaäns is zo’n waardevolle verpakking voor een schat van godsvrucht, dat jeugdleiders moeten proberen bevindelijke terminologie aan jongeren over te dragen.

Dat stelde dr. S. D. Post donderdag tijdens de jaarvergadering van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten (JBGG) in Woerden.
Tale Kanaäns, benadrukte Post, is meer dan alleen verouderd taalgebruik over geestelijke dingen, of Statenbijbel-Nederlands. „Bij tale Kanaäns gaat het over woorden die de Heilige Geest leert. Niet om de verouderde woorden en vaste uitdrukkingen, maar om taal, de communicatie, die innerlijke gemeenschap tot stand brengt. Wat is er dan zo bijzonder aan die taal, als hij alleen door wedergeborenen kan worden gesproken en verstaan? Dat bijzondere zit ’m niet in de woorden, maar in de gemeenschap.”
Volgens Post kunnen geestelijke zaken niet in jongerentaal worden uitgedrukt. „Jongeren op de club of op de vereniging noemen iets soms vet cool of supergaaf. Er is op zich niets mis met dit soort woorden. Maar deze woorden kunnen niet de verpakking vormen voor geestelijke dingen. Daar zijn geestelijke zaken veel te kwetsbaar en te kostbaar voor. Niet elke verpakking is geschikt voor een antieke kristallen vaas.”
Omdat jongeren ook in de preek met de tale Kanaäns worden geconfronteerd, pleitte hij ervoor regelmatig preekbesprekingen te houden. „Waarom doen we dat niet elke maand? Op zondagavond. Voor alle jongeren in een leeftijdsgroep. Als je geen dominee hebt, zou een ouderling het kunnen doen. Het is zo ontzettend belangrijk dat onze jongeren betrokken blijven bij de zondagse preek. Dat raakt de kern van het gemeente-zijn.”

© Reformatorisch Dagblad


Noot: het onbevangen gebruik van het woord "jongeren" door dr.Post, zorgde bij mij aanvankelijk voor enige verwarring.
Wie meer wil weten over de "bevindelijken" verwijs ik naar dit oude artikel uit de Groene Amsterdammer, en zeker ook naar het hoofdstuk "Reformatorisch Dagblad" in het boek van Geert van Istendael "Mijn Nederland" (Atlas, 2005).
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html