Wat wíst Casanova, en wat geloofde hij?
Meer dan eens verzekert Giacomo zijn lezer dat hij een christenmens is (zeer aan te raden in die dagen), maar tegelijk verwierp hij zowel de onsterfelijkheid van de ziel als de Heilige Drievuldigheid. Hij onderwierp het geloof aan materialistische kritiek, in de jaren waarin Europa werd overspoeld door de systemen van d’Holbach, Helvétius, Voltaire, die hij goed kende.
Voor Thomas van Aquino was het intellect, en dus de ziel nog onsterfelijk. Samen met Lucretius, vaak geciteerd, verwierp Casanova die gedachte. Maar ook de harde wetenschap wantrouwde hij.
De achtste van de negen dialogen tussen A en B begint zo – en A is natuurlijk Casanova:
B: Maar in de fysica zijn we er toch van overtuigd de waarheid te bereiken?
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.
Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.
Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:Het gewone volk blijft hen in ere houden, al ziet men alledag dat ze hun gelofte alleen lijken te hebben afgelegd om hun naasten voor de gek te houden. Hun ontucht kent geen grenzen, alles op hun weg bezoedelen ze. Maar laten we het kort houden, en voorbijgaan aan de fouten waarvan ze kunnen zeggen dat ze die alleen vanwege hun geloof begaan […] laten we aannemen dat ze hun plicht doen. Laten we veronderstellen dat ze, hun gelofte getrouw, zich nooit met de geringste vleselijke daden bevlekken.
Maar, is het wél of niet waar dat de hele wereld in minder dan een eeuw zou zijn ontvolkt als de hele wereld voornemens was zich in kuisheid aan God te wijden? Zeker wel.
Ziedaar dan de mens, de mooiste loot van de natuur, vernietigd. Ziedaar bijgevolg de Prediker,** die onverholen overtuigde vijand van de natuur, en zie de kuisheidsgelofte, de ware zonde tegen haar. En vertel mij niet dat die vernietiging van de wereld er niet kán komen, omdat het moreel onmogelijk is dat iedereen zich eendrachtig daaraan zou wijden. Dat bewijst niets. Een morele onmogelijkheid vernietigt niet de kracht van een hypothese.
Telkens als je over een levenshouding, welke ook, kunt zeggen dat de menselijke soort eraan ten onder zou gaan als iedereen ze aannam, is het bewezen dat die levenswijze niet deugt, en dat iedereen die ze aanhangt het menselijk geslacht schade toebrengt, al behoort hij er zelf toe.*** Mijnheer de Voltaire is het die zo spreekt, maar ook vóór hem sprak de Rede al vaak in dezelfde zin.
Elke man die zweert zich niet met het vrouwtje te zullen verenigen, zweert dat wat hem betreft hij de menselijke soort te gronde zal richten. Wat is dat voor iemand, zo’n man? Hij is schuldig tegenover de natuur, en als die hem niet bevalt zal hijzelf zeker de maker ervan, God niet bevallen, die hem zijn wetten heeft voorgeschreven in zijn instincten.
Behalve de zelfmoord is er dus nóg een tegennatuurlijke zonde, zijnde de kuisheidsgelofte. En wie mij vraagt waarom men onder tegennatuurlijke zonden dan meestal de pederastie verstaat, die antwoord ik dat men die naam gegeven heeft omdat het altijd al een pekelzonde van de geestelijke stand is geweest, die om die reden passender de Tegennatuurlijken zou moeten heten.
Sapius a Domino nomina servus habet.****
_______________
* Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
* Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
** Het Boek genaamd de Prediker (Statenvertaling) 4:2 Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 4:3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
*** Casanova ontmoette nooit Kant, en kende ook geen Duits. De kans dat hij hem ooit las is onbestaande. Wel komt hij hier dicht bij diens: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, daß sie ein allgemeines Gesetz werde.“ Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785).
**** Bedoeld was wellicht saepius: meestal, gewoonlijk. De slaaf draagt meestal de naam van de meester. Wat deze zin hier komt doen wordt niet door de editor Bernardini verklaard. Op de bekende vraag: Discite grammatici cur mascula nomina cunnus, et cur femineum mentula nomen habet, verklaar eens, grammatici, waarom kut mannelijk is en pik vrouwelijk, zou Casanova ooit geantwoord hebben: Disce quod a domino nomina servus habet, weet dat de slaaf zijn naam krijgt van de meester.
Dialoghi sul suicidio
Saggio introduttivo e cura di
Paolo L. Bernardini
Roma, 2005, Aracne editrice


Geen opmerkingen:
Een reactie posten