Posts tonen met het label Burke | Edmund. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Burke | Edmund. Alle posts tonen

17 mei 2021

Sahra Wagenknecht over Edmund Burke

.

De Wijsheid in de Tradities

Erkenning van de belangrijke rol die tradities en culturele patronen spelen in het menselijk denken en handelen, en waardering van hun betekenis voor de samenhang van gemeenschappen, behoren in de ideeëngeschiedenis tot de kern van het conservatieve erfgoed. De geestelijke vader van die stroming, de Brits-Ierse filosoof Edmund Burke, heeft telkens weer gewezen op de wijsheid die in gemeenschappelijke gebruiken en overleveringen besloten ligt, en waarzonder gemeenschappen uiteen zouden vallen. Letterlijk vertaald en niet toevallig betekent het Griekse woord ethos, dat de canon van de waarden van een mens of van een hele gemeenschap beschrijft: gewoonte, zede of gebruik.

Sahra Wagenknecht
Die Selbstgerechten -
Mein Gegenprogramm für Gemeinsinn und Zusammenhalt
Campus Verlag, 2021, Frankfurt/New York, S. 219


Die Weisheit in den Traditionen

Die Anerkennung der wichtigen Rolle, die Traditionen und kulturelle Prägungen für menschliches Denken und Verhalten spielen, und die Wertschätzung ihrer Bedeutung für den Zusammenhalt von Gesellschaften gehören zum zentralen ideengeschichtlichen Erbe des Konservatismus. Der geistige Vater dieser Strömung, der irisch-britische Philosoph Edmund Burke, hat immer wieder auf die in gemeinsamen Bräuchen und Überlieferungen enthaltene Weisheit hingewiesen, ohne die Gesellschaften zerfallen würden. Das griechische Wort Ethos, das den Wertekanon eines Menschen oder einer ganzen Gesellschaft beschreibt, heißt nicht zufällig wörtlich übersetzt Gewohnheit, Sitte oder Brauch.



17 mei 2018

Kathleen van Brempt en de kunst van het citeren


EU-parlementslid Kathleen van Brempt schreef een antwoord op de kritiek die Bart De Wever had op de EU – die zij per abuis ‘Europa’ noemt, zoals in die kringen gebruikelijk is te doen.
Lezen we eerst haar tekst:

‘Tot slot vergeet de burgemeester van Antwerpen dat zijn grote voorbeeld Burke een van de eerste denkers was die wel degelijk belang hechtte aan Europese eenheid. Burke sprak in zijn tijd al over Europa als een ‘internationale gemeenschap’ die hij niet de Europese Unie noemde, maar de Europese Commonwealth. Hij erkende niet enkel het bestaan van een Europese samenleving, maar ontwaarde er een onderliggend gevoel van gemeenschap in en ging zelfs zo ver om Europa te portretteren als ‘virtueel een grote staat’, met ‘wat diversiteit aan provinciale gebruiken en lokale bijzonderheden.’ Met de Europese Unie zijn we dat beeld dat Burke van Europa had eindelijk vorm aan het geven.’

Bekijken we nu de tekst van Burke, niet uit zijn bekende Reflections on the Revolution in France, maar uit Letters on a Regicide Peace, verschenen in 1796, een jaar voor zijn dood:

There have been periods of time in which communities, apparently in peace with each other, have been more perfectly separated than, in later times, many nations in Europe have been in the course of long and bloody wars. The cause must be sought in the similitude in Europe of religion, laws, and manners. At bottom, these are all the same. The writers on public law have often called this aggregate of nations a Commonwealth. They had reason. It is virtually one great state having the same basis of general law; with some diversity of provincial customs and local establishments. The nations of Europe have had the very same Christian religion, agreeing in the fundamental parts, varying a little in the ceremonies and in the subordinate doctrines.

Ik vertaal hem even:
Er zijn perioden geweest dat volksgemeenschappen, ogenschijnlijk vreedzaam samenlevend, vollediger van elkaar gescheiden waren dan veel Europese naties naderhand in de loop van lange en bloedige oorlogen. De reden daarvoor moet gezocht worden in de gelijkenis die Europa vertoont wat betreft religie, wetten en gebruiken. In wezen zijn die allemaal dezelfde. Auteurs over publiekrecht hebben dit aggregaat van landen vaak een Commonwealth genoemd.  Ze hadden redenen daartoe. In de grond is het één grote staat op basis van gedeelde wetsbeginselen, met enige diversiteit in de streekgebruiken en plaatselijke instellingen. De naties van Europa hebben altijd dezelfde christelijke religie gekend, en over de wezenlijke bestanddelen ervan waren zij het eens, met kleine variaties in de erediensten en in de ondergeschikte leerstellingen.

Je zou kunnen zeggen dat bij Kathleen van Brempt “provincial” nogal machinaal vertaald werd als “provinciaal”, maar dat is een detail. “Establishments” vertalen met “bijzonderheden” is dat al minder. En "virtually" is niét "virtueel" ... de Oxford geeft: as far as essential qualities or facts are concerned; in effect, practically, to all intents, as good as. De OED kent nog geen EU-Engels... Google translate wellicht wel.

Ach, wat geeft het? de bedoeling was goed... "virtueel" klinkt als "in wording", of, zoals van Dale zegt: "vrijwel zeker, maar nog niet helemaal gerealiseerd". Mooi toch?

Maar ter zake nu: Burke noemt een constituerend element van Europa, dat de brave en gehoorzame van Brempt om begrijpelijke redenen niét noemt. 
Burke schrijft 'religion, laws, and manners' in die volgorde, en geeft dus eerst de religie aan als gemeenschappelijk element. Weinigen zullen dat betwisten, maar de EU wilde onder geen beding een verwijzing naar het christendom. Dat ze daarmee de Europese geschiedenis loochenden raakte Giscard en Dehaene niet. Wel bewezen zij in hun onschuld dat de EU en Europa twee to-taal verschillende dingen zijn, hoe vaak en hoe huichelachtig men die begrippen ook wil laten samenvallen.

Kathleen van Brempt: het is geen intellectueel eerbare houding om dingen achter te houden en enkel te citeren wat in het EU-kraampje lijkt te passen, en het is een Europese atheïst die u dat vertelt. En dat die EU zou werken aan een beeld van Europa dat Burke voor ogen stond, is helemaal een lachertje. Brave meid, ik daag u uit om bij Burke één passage te vinden waar hij een supranationaal gezag voorstaat.

12 mei 2017

Gisteravond in de salons De Boeck


Voorstelling van het boek Franse Revolutie en Engelse Traditie, een bloemlezing uit Edmund Burkes "Reflections on the Revolution in France", van een inleiding voorzien door Theodore Dalrymple. Ik mocht even toelichten:

Antwerpen, 11 mei 2017
Goede avond dames en heren, en welkom.
Karl Drabbe heeft duidelijk geen winterslaap gedaan want met zijn uitgeverij Doorbraak brengt hij in snel tempo het ene interessante werk na het andere uit. En hij vroeg mij, als vertaler van zijn jongste boek, om bij wijze van inleiding hier even de auteur ervan te situeren. Dat probeer ik kort te doen:
Giacomo Casanova werd geboren in 1725 en stierf in 1798. Hij besloeg dus een flink stuk van de achttiende eeuw, en dat was zoals we weten de tijd van de grote namen van de Verlichting. Welnu Edmund Burke leefde van 1729 tot 1792 en was dus een bijna exacte tijdgenoot. Een Dubliner die na zijn rechtenstudies naar Londen was getrokken. In 1789, op het moment dat de Bastille werd bestormd, was hij dus al zestig en had hij er een lange carrière opzitten. Eerst als politiek raadgever van de markies van Rockingham – wij zouden nu zeggen dat hij de speechschrijver, of woordvoerder van de eerste minister was.
Hij werd ook parlementslid, en nochtans was een politieke rol niet zijn oorspronkelijke bedoeling, want hij was naar Londen gekomen om zijn geluk te beproeven als schrijver en essayist, niet eens als jurist.
En dat lukte hem bijzonder goed want nog voor zijn dertigste verwierf hij grote faam met A philosophical Enquiry into the Origin of our Ideas on the Sublime and the Beautiful. Mooi en subliem, je hoort al dat dit essay niet over politiek gaat.
In de besloten Literary Club van Doctor Johnson, de beroemde auteur en lexicograaf, werd hij met open armen ontvangen. Dat was een heel select gezelschap – van literatoren uiteraard, zoals bijvoorbeeld Oliver Goldsmith (nog bekend van The Vicar of Wakefield), maar er waren ook schilders als Joshua Reynolds, de Corsicaanse generaal Paoli, een Shakespeare-acteur enzovoort.
Mannen allemaal, dat spreekt, geen vrouwen: we zijn in Londen, niet in Parijs.
Burke was aangenaam gezelschap, en zijn conversatie vaak grappig. En hij wist ook zijn tegenstanders te waarderen. De schrijfstijl van Voltaire bijvoorbeeld, die in zowat elk opzicht zijn tegenbeeld was, die stijl beoordeelde hij gunstig: ‘Niemand heeft ooit blasfemie en obsceniteit zo mooi samengebracht.’ En Johnson zelf, zo lezen we bij diens biograaf Boswell, zei over Burke dat – als iemand samen met hem nog maar vijf minuten onder een afdakje voor de regen zou staan schuilen, hij al overtuigd zou zijn dat hij nooit in zijn leven een interessantere man had ontmoet. Dr. Johnson stond er niet om bekend dat hij veel complimenten uitdeelde, maar van Burke zei hij nog dat die de enige man was waarbij hij in discussies altijd op de tippen van zijn tenen moest staan.
Politiek was Burke een Whig, een liberaal, en in het Parlement noemden vriend hem vijand hem de beste spreker. Hij verdedigde daar de Amerikaanse kolonisten, hij vond de Indië-politiek van de regering onmenselijk, hij kantte zich tegen de slavernij enzovoort. Allemaal standpunten die tegenwoordig niet meteen voor conservatief doorgaan. Wel was hij overtuigd dat er een erfelijke monarchie moest blijven bestaan. Van een goddelijk recht op de troon wilde hij nochtans niet horen, en evenmin van goddelijk of kerkelijk rechtsgezag. Zowel monarchie als wet en kerk waren namelijk menselijke instellingen.
Zijn beroemdste boek vandaag is natuurlijk Reflections on the Revolution in France, en daarin zegt hij dat de Franse monarchie en de adel zich te buiten gingen aan excessen. Er kunnen omstandigheden zijn die ‘een gematigde weerstand, laten we zeggen een civiele of wettelijke weerstand rechtvaardigen’. Hervormingen waren nodig in Frankrijk, maar die hervormingen moesten geleidelijk tot stand komen. Zijn grondhouding definieert hijzelf als ‘anti-jacobinisme’. In Europa en Amerika waren vele intellectuele grootheden enthousiast over de revolutie, Franklin, Jefferson, Goethe, Schiller, Kant. Al bekoelde hun geestdrift snel. In Engeland waren de dichters Coleridge en Wordsworth de revolutie aanvankelijk ook genegen, evenals zijn partijgenoot Charles James Fox, eerste minister – er bestond bij de Whigs blijkbaar een tendensrecht.
Niet zo Burke dus, die zoals gezegd de weg der geleidelijkheid verkoos boven revolutie, en die de gruwelen voorzag die nog zouden volgen, evenals trouwens de militaire dictatuur. Hij geloofde dat een revolutie in een uur meer kon afbreken, dan wat in een eeuw was opgebouwd.
Burke heeft grote invloed uitgeoefend op latere denkers. De belangrijkste onder hen is wel de diplomaat Joseph de Maistre, die een generatie na hem kwam en in Sint-Petersburg zijn standplaats had, als ambassadeur van het koninkrijk van Sardinië. Maistre noemde Burke «l’admirable Burke», en als die zegt dat er in het politiek bedrijf geen abstracte ‘metafysische’ regels kunnen gelden, maar dat de traditie haar rechten heeft, dan treedt Maistre hem volmondig bij. Traditie kan enkel gezag hebben als de pure rede haar limieten erkent, een gedachte die heel centraal staat ook bij Burke. Maistre schrijft dat hervormingen nooit mogen vertrekken vanuit ideale stelsels, «des théories idéales», maar moeten uitgaan van de verborgen, interne eigenschappen van een samenleving, zoals die in de loop der tijden zijn gegroeid, «par le bon sens antique et l’instinct machinal de chaque peuple». Ook dit kon uit de pen van Burke zijn gekomen. Al volgt Maistre Burke niet altijd: als katholiek veroordeelt hij bijvoorbeeld de Glorious Revolution die met haar protestantse vrijheid Engeland veel heeft gekost, en met name het ware geloof, «la foi, c’est-à-dire tout».
Nu wil ik tot slot nog iets zeggen over het vertalen zelf, maar dat kunt u ook in het boek lezen in mijn verantwoording daar. Ik citeer even William Hazlitt, een schitterende essayist en stilist die Burke bewonderde, al verwierp hij veel van zijn denkbeelden. In 1807, dus vijftien jaar na Burkes dood schreef die:
‘Hij is de meest poëtische van onze prozaschrijvers, en tegelijk ontaardt zijn proza nooit in de pure verwijfdheid van poëzie. Altijd is het zijn betrachting te overweldigen, eerder dan te behagen, en bijgevolg offert hij schoonheid en verfijning op aan kracht en bezieling. Altijd staat hem een taak voor ogen, een precies plan dat hij wil uitvoeren, een effect dat hij wil bereiken. Zijn enige bedoeling is het dus om hard te slaan, en op de juiste plek. Als de slag zijn doel mist, slaat hij opnieuw. En het maakt hem niet uit hoe onelegant zijn acties zijn, of hoe stuntelig zijn techniek, als de tegenstander maar neergaat.’
Dat maakt de vertaling niet makkelijker natuurlijk, want die stijl moet naar best vermogen bewaard blijven. En de betekenis van woorden verschuift, zodat het uitkijken is voor false friends.
Als Burke zijn tegenstanders ‘subtle’ noemt, dan bedoelt hij ‘giftig’, niet ons ‘subtiel’. ‘Green’ moet soms begrepen worden als ‘ziekelijk’, niet bijvoorbeeld als ‘groen, onervaren’. Ook een begrip als ‘metaphysic’ laat zich bij hem vaak niet letterlijk nemen. ‘Fond’ is niet ‘verzot op, verliefd’, maar ‘blind’, zoals in blind vertrouwen, ‘fond trust’. ‘Affection’ is een attribuut, een eigenschap, niet ons ‘affect’. Er zijn talloze voorbeelden. Burke gebruikt ook graag nieuwe wetenschappelijke termen, uit de natuurkunde of scheikunde, en ook die termen en wendingen moeten in de context van zijn tijd begrepen worden. Een microscoop heette toen nog a philosophical instrument.
Tot slot nog een woord van een schitterende editor, wijlen Frank Turner van Yale University. Die maakte in de inleiding bij zijn uitgave van de Reflections een mooie opmerking: ‘Het is omdat Burke zo sterk een man van de Verlichting was, dat hij zo hartsgrondig en passioneel een veroordeling kon uitspreken over de vervorming ervan tot het koppige utopisme van de revolutionaire tijd. In zovele passages van de Reflections is de lezer getuige van een minnetwist.’
Ik mag u hierbij danken en ruim graag de plaats voor Karl, die de volgende spreker zal voorstellen.

Marc Vanfraechem

5 februari 2017

De "deplorables" van de achttiende eeuw


In die term deplorables van Hillary Clinton zit toch een bepaalde empathie (om ook eens die modeterm te gebruiken), maar in de achttiende eeuw noemde men slechte kiezers nog gewoon the dregs of the people.


Reflections
on
The Revolution in France
and on the Proceedings in Certain Societies in London Relative to that Event
in a Letter Intended to have been sent to a Gentleman in Paris
Edmund Burke
[1790]

In de gezaghebbende uitgave van Conor Cruise O'Brien (1986, Penguin Classics) staat wat hier volgt op de pagina's 145-146


Ik weet wel dat men ons voor een saai, futloos volkje houdt, dat lijdzaam is geworden omdat het zijn situatie wel draaglijk vindt, en dat aan zijn mediocre vrijheid juist een beletsel heeft om deze ooit ten volle te bereiken. Uw leiders in Frankrijk deden eerst nog alsof ze het Britse stelsel bewonderden, bijna adoreerden. Maar eens zij veld hadden gewonnen, keken ze er met diepe minachting op neer. Bij ons hier hebben de vrienden van uw Assemblée Nationale een al even lage opinie over wat eertijds nog als de trots van hun vaderland werd beschouwd.
De Revolution Society* is tot de bevinding gekomen dat de Engelse natie in onvrijheid leeft. Onze onevenredige vertegenwoordiging is, daar zijn ze van overtuigd, ‘een zo grof en tastbaar defect van ons bestel, dat dit hooguit in formele zin of in theorie voortreffelijk kan heten.’ En verder vinden zij dat niet enkel in een koninkrijk een wettelijk geregelde volksvertegenwoordiging de enige basis vormt voor elke constitutionele vrijheid, maar dat dit ook zo is voor ‘elk legitiem bestuur, en dat bij gebreke hiervan regeren gewoon neerkomt op usurperen’ – en dat ‘als de vertegenwoordiging maar partieel is, het koninkrijk enkel partiële vrijheid kent; en als ze extreem partieel is, er alleen een schijn van vrijheid bestaat; en indien niet enkel extreem partieel maar nog eens valselijk verkozen, dan wordt ze een hinderpaal.’
Dr. Price** beschouwt deze inadequate vertegenwoordiging als onze fundamentele reden voor misnoegdheid. En van deze valse schijnvertegenwoordiging hoopt hij dat ze nog niet haar volmaakte en diepste punt van verdorvenheid heeft bereikt. Hij vreest dat ‘er niets ondernomen zal worden om ons vooruit te helpen op weg naar die onontbeerlijke zegening, tot een of ander grof machtsmisbruik onze verontwaardiging oproept, of anders een grote ramp ons flink schrik aanjaagt, of wie weet, totdat de zuivere en evenredige vertegenwoordiging in andere landen schaamte bij ons opwekt, omdat wij met onze afschaduwing daarvan uitgelachen worden.’ En hij voegt hier een noot aan toe, in deze bewoordingen: ‘Een volksvertegenwoordiging, goeddeels gekozen door het Bestuur van de belastingen, en verder door een paar duizenden uit de droesem van de bevolking die voor hun stem gewoonlijk betaald worden.’
Hier zult u wel glimlachen bij de rechtlijnigheid van die democraten die in een onbewaakt ogenblik de meer bescheiden lagen van de gemeenschap met de grootste minachting bejegenen, en tegelijk voorwenden ervoor te zullen zorgen dat alle macht bij hen zal berusten.
________


* De Revolution Society was gesticht in 1788, ter herdenking van de Glorious Revolution een eeuw eerder – de term ‘revolutie’ had in Engeland toen nog een gunstige klank. Na de val van de Bastille stuurde de voorzitter van de Society, Charles Mahon, third Earl Stanhope, een felicitatiebrief aan de revolutionairen.
** Richard Price (1723-1791), dissidente presbyteriaanse predikant, voorstander van de Amerikaanse en Franse revoluties. Zijn A Discourse on the Love of Our Country van 4 november 1789, was voor Burke reden te meer voor het schrijven van de Reflections.

3 juni 2015

Zou het hier ook zo erg zijn?


De Ier Conor Cruise O’Brien (1917-2008), was een briljante geest, essayist, diplomaat, professor, minister (Labour, lid van de Fabian Society), en waar het hier over gaat: in 1968 schreef hij een prachtige en natuurlijk zeer erudiete inleiding bij de Penguin Classics-uitgave van Edmund Burke’s “Reflections on the Revolution in France” (1790), waarvan hij editor was.

O’Brien maakte daar een opmerking die zijn socialistische vrienden maar matig konden smaken:
'De intelligente man van rechts vraagt niet dat men hem redenen geeft waarom hij Marx en de Marxisten zou moeten lezen. Hij leest die omdat ze belangrijk zijn, en aan de andere kant staan. Hij leert van hen, en door hen wordt hij soms ergens opmerkzaam op gemaakt: in de negentiende eeuw kon een Duitse bourgeois uit de geschriften van Marx en Engels bijvoorbeeld leren dat het onverstandig zou zijn al te snel van wal te steken in de kwestie van de opruiming van feodale restanten. De intelligente man van rechts maakt gebruikt van de Marxistische inzichten, maar dan voor eigen doeleinden. […] Bij zijn tegenstanders leert hij over de sterke en zwakke punten van zijn eigen positie – en de hunne. De intellectuele linkerzijde aan de andere kant al zijn er enkele opmerkelijke uitzonderingen heeft sterk de neiging om zijn tegenstanders te veronachtzamen, en zelfs hun meest belangrijke geschriften van tafel te vegen, ongelezen, met een spotlach.'

The intelligent rightist does not ask to be given reasons why he should read Marx and the Marxists. He reads them because they are important, and because they are on the other side. He learns from them and sometimes is warned by them: for example a German bourgeois could learn from the writings of Marx and Engels in the nineteenth century that it would be unwise to proceed too hastily in the matter of the abolition of feudal vestiges. The intelligent rightist makes use of the Marxist insights, but for his own purposes. […] He learns from his adversaries about the strengths and weaknesses of his own position – and of theirs. The intellectual left on the other hand though with some notable exceptions– has a strong tendency to neglect its adversaries and to dismiss even their most influential writings, unread, with a sneer.

Bij O’Brien las ik dat William Hazlitt (1778-1830), de grote essayist en literair criticus, bevriend met bv. Stendhal, een soort proefje klaar had liggen in zulke gevallen:
“It has always been with me a test of the sense and the candour of any one belonging to the opposite party, whether he allowed Burke to be a great man.” (On the Character of Burke, 1807, ook Penguin Classics, in Selected Writings)
“Voor het verstand en de oprechtheid van iemand van de andere partij, is het wat mij betreft altijd een test geweest of die toegaf dat Burke een groot man was.”

Volgens Simon Leys, in zijn portret van George Orwell, “Orwell ou l’horreur de la politique” (1984, hier eerder vermeld) is het zelfs nog erger, en is de genoemde blindheid niet eens selectief. Leys ziet dat nieuwrechts de socialist Orwell graag wil annexeren, en wel op basis van enkele uitspraken die diens partijgenoten toen liever niet lazen, en nu nog minder:
«Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains.» (p.73)
‘Die annexatie van Orwell door nieuwrechts weerspiegelt minder het conservatieve potentieel van diens denkwereld, dan wel de hardnekkige stupiditeit van een soort links dat, in plaats van hem te beginnen lezen en begrijpen, op schandelijke manier zijn krachtigste schrijver in beslag heeft laten nemen.’

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html