Posts tonen met het label Graves | Robert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Graves | Robert. Alle posts tonen

29 september 2023

Vanwaar die opwinding over 'Godvergeten'?

 

Het is wat laat om een boek aan te bevelen dat ik eenendertig jaar geleden las, maar misschien is het toch niet zo gek als je de consternatie ziet bij het publiek, de media, de politiek én zelfs bij het ecclesiastisch management, na de televisiereeks over de schandalige aberraties van het kerkpersoneel. Gespeelde consternatie vanzelfsprekend, zeker bij het management.

(Uta Ranke-Heinemann (1927-2021) las ik destijds, stomweg omdat ze Ranke heette, zoals Robert Graves von Ranke, de auteur van I Claudius, Goodbye to all that enzovoort, van wie ik toen álles las wat ik te pakken kreeg, of wat misschien naar hem verwees. Of de man van Uta en Robert familie van elkaar zijn weet ik niet.)

Uta Ranke-Heinemann was weltweit de eerste vrouw die een doctorstitel in de theologie behaalde,* en in 1970 doceerde ze aan de universiteit van Essen Neues Testament und alte Kirchengeschichte. Die leerstoel werd haar echter ontnomen omdat ze de maagdelijke geboorte van Maria theologisch verklaarde, en niet biologisch. In de zieke geesten van de kerkelijke eunuchen was dat een biologisch feit. De opdracht in het boek dat u hiernaast ziet luidde Meinem Mann.
De reeks 'Godvergeten' heb ik niet gezien, maar daar staat tegenover dat heel wat mensen haar boek niet gelezen hebben.

In 1987 gaf de universiteit Essen haar berouwvol de leerstoel Religionsgeschichte, en daar had zij geen last meer van zieken en halve garen.

Uta Ranke-Heinemann
Eunuchen für das Himmelreich
Katholische Kirche und Sexualität
Droemersche Verlagsanstalt Th. Knaur Nachf. München
Vollständige Taschenbuchausgabe Dezember 1990
(Hoffmann und Campe, Hamburg 1988)
____________________
Benno Barnard wijst me erop dat het protestantisme veel eerder al vrouwelijke theologen kende, bijvoorbeeld Anna Maria van Schurman.


16 juli 2018

Bedenk ook eens de koninklijke bastaards, Philippe!*


Nu we bij de Nationale Feestdag in ons koninkrijk alweer een hoop nieuwe baronnen en baronessen mogen begroeten, wellicht wat nieuwe graven en gravinnen ook, ridders, jonkvrouwen enzovoort – de oogst is mij nog niet bekend – is het misschien interessant te lezen wat Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon (1675-1755) in zijn Memoires te vertellen had over zulke carnavalsprinsen.
Eerst heeft hij het over een bepaalde demoiselle die aan het Franse hof voor een schoonheid doorging maar die, zegt Saint-Simon, sluwer was dan mooi. Vervolgens haalt hij de voormalige eerste minister Mazarin aan:

M. Le Prince maakte haast met zijn goedkeuring van haar huwelijk met de zoon van maarschalk de Châtillon, een veelbelovende jongeman die zeer aan hem gehecht was, nog voor die liefde goed en wel zou uitkomen, en hij verleende hem in 1646 een brevet van Hertog.**
Kardinaal Mazarin had dit soort onderscheidingen nieuw leven ingeblazen, die enkel niet-erfelijke eerbewijzen zonder rang zijn. Men kende die onder François I en zijn opvolgers, maar ze waren al enige tijd in onbruik geraakt. Het leek de eerste minister passend ze te bewaren om aanzienlijke figuren te belonen, of mensen die hij aan zich wilde binden. Het was over hen dat hij zei «dat hij zoveel van die hoogwaardigen zou bijmaken dat het beschamend zou zijn er géén te zijn, en even beschamend er wel een te zijn.» Op den duur verleende hij zichzelf een titel, om zijn brevetten aantrekkelijker te maken.
M. de Châtillon, een goede en zachtaardige echtgenoot, die niettemin fel in de mode was, heeft er maar drie jaar het genot van gehad.

Deze man, Gaspard IV de Coligny, 1er duc de Châtillon, stierf namelijk in dienst van de koning een heldendood, une mort héroique, in de slag om Charenton in 1649.
De droefenis van Mme de Châtillon (lezen we elders) werd hierbij «getemperd door de vriendschap die haar echtgenoot koesterde voor Mlle de Guerchy, van wie hij bij elke veldslag een kousenband om zijn arm geknoopt hield.»
Mevrouw zelf overigens had al kort na hun huwelijk haar gunsten verleend aan de hertog van Nemours (die in een duel het leven liet), en later werd ze hertogin van Mecklenburg-Schwerin.

Kijk Philippe, als het zo gaat jongen, met duelleren en sneuvelen en zo, dan zie ik er wel wat in. Maar elk jaar met bakken nieuwbakken edelen aankomen, láát dat.***
_____________________

* Robert Graves signaleerde in 1927 al – in Lars Porsena: Or, The Future of Swearing and Improper Language –  dat in de hogere kringen een uitroep als 'you bastard' een koosnaampje was geworden, en dat ook de naam van God ijdel gebruiken heel gewoon was. Men geloofde niet meer in god of gebod, en beledigen of vloeken werd dus moeilijker. Alleen in de lagere kringen geloofde men nog in afstamming ... maar in Laken zijn ze zoals bekend wat achterlijk.
** Een 'brevet van hertog' was niet hetzelfde als de erfelijke  titel «duc et pair» (benaming die zoals het Engelse 'peer' teruggaat op het Latijnse 'parus'). Deze laatsten hadden het recht om per koets of te paard het Louvre binnen te rijden, de koning noemde hen «cousin», en ze konden telkens als zij dat wensten parlementszittingen bijwonen, waarbij zij tot ergernis van velen hun zwaard niet eens dienden af te leggen. Ook hadden hun echtgenotes een eigen taboeret in de vertrekken van de koningin.
Een «duc à brevet» kwam niet in aanmerking voor zulke dingen, en de duc et pair de Saint-Simon had het niet op die nieuwlichters begrepen.

*** Saint-Simon spreekt in zijn Mémoires over 'la fournée des ducs et pairs de 1663'.  Die woordkeuze werd hem toen niet ten kwade geduid.

7 september 2017

Goede stijl als morele plicht


In het jaar 1991 kocht ik in Londen een boek van Robert Graves, de tweede druk van The Reader Over Your Shoulder, A Handbook for Writers of English Prose.* Ik kocht toen bij Londense expedities wel meer boeken van hem want ik was verzot op al zijn werk. Vandaag is Robert (von Ranke) Graves nog het meest bekend van I Claudius (1934), en het vervolg Claudius the God, want de BBC verfilmde die boeken meesterlijk, met Derek Jacobi als keizer Claudius.

Eerder al, onder meer met het autobiografische Goodbye to All That, over de oorlog van 1914-1918 had hij ook succes gehad – en nogal wat patriottische vijanden gemaakt – maar die Claudiusboeken verkochten als gek.
Zelf deed Graves er nogal afstandelijk over en noemde ze potboilers, commerciële broodschrijverij. Hij was een dichter namelijk. Klassiek vertaler ook, en een feilloze stilist.

Hoe belangrijk hij schrijfstijl vond, is te zien aan een citaat uit The Reader Over Your Shoulder:
Arnold Bennett in his Literary Taste pointed out that faults of style are largely faults of character. […] The writing of good English is thus a moral matter, as the Romans held that the writing of good Latin was.
[Stijlfouten komen grotendeels voort uit gebrekkige karaktertrekken, en goed Engels schrijven is dus een morele kwestie, zoals de Romeinen dat ook dachten van goed Latijn schrijven]

Dat boek heeft veel kwaad bloed gezet, misschien evenveel als Goodbye to All That. Graves begint met een theoretisch deel van 172 bladzijden, doorspekt met voorbeelden uit kranten, tijdschriften en boeken. Enkele titels van hoofdstukken zijn ‘The Peculiar Qualities of English’, ‘The Principles of Clear Statement’, en ‘The Graces of Prose’.

Maar dan neemt hij, met als leidraad de genoemde Principles, een aantal grote namen onder handen, onder meer T.S. Eliot, J.M. Keynes, J.B. Priestley, Bertrand Russell, H.G. Wells, Graham Greene, en citeert van elk van hen een alinea.
Dat deel van het boek heet: Part II. Examinations and Fair Copies. Na elk citaat komt de toetsing aan de principes, waarbij zin voor zin alle overtredingen worden opgesomd, en hij eindigt zijn bespreking telkens met a fair copy: de tekst zoals die had moeten luiden.

Een ideaal recept om vrienden te maken.


__________
* Ook vandaag nog te vinden, onder de titel: The Use and Abuse of the English Language (Paragon House, New York)

18 augustus 2017

Hoever kan blinde haat een wetenschapper drijven?


Paul Krugman schrijft in The New York Times een mooi artikeltje. Niet als gepensioneerde economist maar als opiniemaker. Je hebt dat overal, van die gepensioneerde economisten die hun professionele kunstjes niet meer vertonen en ter vervanging opinies beginnen te produceren.

Naast Trump komt Caligula er nog goed uit

Historici hebben Donald Trump vergeleken met Caligula, de wrede, corrupte Romeinse keizer die er genoegen in vond om anderen te vernederen, speciaal de elites van het Rijk. Maar nu we zeven maanden ver zijn in Trumps ambtstermijn, kunnen we zien dat dit een onbillijke vergelijking was.
Om één ding te noemen, voor zover wij weten stookte Caligula niet aan tot etnisch geweld in het Keizerrijk. [mooi dat Krugman dat zegt van ‘as far as we know’, al was ‘as far as I know iets duidelijker geweest want dat er geweld voorkwam is wel degelijk het geval, bijvoorbeeld in Jeruzalem, maar dat betrof een conflict rond de keizercultus, en al kwam de eis wel van Caligula, en waren het vanzelfsprekend joden die deze cultus weigerden, misschien mag je dat geweld toch niet etnisch noemen]. En nog iets, opnieuw voor zover wij weten: het bestuur in Rome bleef redelijk goed draaien, in weerwil van zijn capriolen. De gouverneurs van de provincies bleven de orde handhaven, het leger bleef de grenzen verdedigen, en economische crisissen waren er niet. En om te besluiten, toen zijn gedrag werkelijk ondraaglijk werd, deed de Romeinse elite datgene waartoe de partij die vandaag het Congres controleert onbekwaam lijkt om het zelfs maar in overweging te nemen: ze vonden een weg om zich van hem te ontdoen [to get rid of him].

Ik heb alvast de indruk dat Krugman in een onbewaakt ogenblik de militaire verdediging van grenzen een mooi ding vindt. Maar dit nog daargelaten, ook oproepen tot politieke moord lijkt voor onze economist geen probleem.
Caligula werd immers door zijn Pretoriaanse wacht vermoord, en nog wel op aanstoken van een populist, de tribuun Cassius Chaerea. De geschiedschrijver Suetonius zegt evenwel dat er twee versies van de moord bestaan en geeft die allebei zonder zich uit te spreken.

Ach, misschien gelooft Krugman ook voor waar dat Caligula zijn paard Incitatus tot consul heeft benoemd, niet wetende dat Caligula dat gezegd heeft, of zou hebben, om de senatoren duidelijk te maken dat alle macht bij hem lag en bij niemand anders.
En misschien heeft Krugman dus ook niet beseft dat hij opriep tot moord, en misschien, of zelfs wellicht omdat hij Suetonius niet kent …al vertaalde Robert Graves hem prachtig in 1957.

17 augustus 2016

Een dwaling die in alle landen voorkomt


De naam Κασσάνδρα (Cassandra) wordt vandaag vaak afgeleid van κέκασμαι (kékasmai), schitteren, excelleren, en ανήρ (anèr), man, met als genitief andrós: zij die schittert onder de mannen. Bij Robert Graves (The Greek Myths, deel II, Penguin 1960) heette het nog dat de naam betekent “zij die mannen in verwarring brengt”. Wat er ook van zij – u mag zelf kiezen – feit is dat de mooie Cassandra in slaap was gevallen in de tempel en er bezocht werd door de god Apollo die met haar de liefde wilde bedrijven. Zij stemde toe als hij haar eerst de kunst van de voorspelling zou leren. Maar eens ze die gave bezat, weigerde ze hem haar gunsten. De god smeekte nu om tenminste een kus, en dat stond ze toe. Apollo spuwde daarbij in haar mond, waardoor niemand ooit nog zou geloven wat Cassandra allemaal voorspelde. 
En inderdaad, toen de Grieken met het geschenk kwamen dat wij nu het paard van Troje noemen, nam niemand haar waarschuwingen ernstig.

Op zich was dat erg genoeg, maar wat ik in de Griekse mythen (we volgen hier Graves) niét heb gevonden, is dat men Cassandra’s voorspelling als oorzaak van de daaropvolgende ramp beschouwde.
Dat is tegenwoordig wel anders. In zijn beroemde speech van 1968 zei Enoch Powell: Bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken van problemen, of zelfs het zoeken van problemen: “Als men”, willen ze graag denken, “als men er maar niet over praat, dan gebeurt het wellicht niet.”
In Frankrijk zie je dat ook, en ook bij ons komt de waangedachte voor dat de boodschapper die men – conform de Griekse mythe – eerst niet wil geloven, de oorzaak is van de kwaal. Het is een soort journalistieke bezweringsformule geworden.
In Duitsland is dat ook het geval, zo vertelt ons Frauke Petry van de Alternative für Deutschland, in een toespraak die ze in Zwitserland hield. Een fragment hieruit:



[na 17 minuten] ...en zo komen wij opnieuw, dames en heren, op het thema ‘directe democratie’. Wat wij nodig hebben zijn volksraadplegingen, beslissende referenda – zoals u die gewend bent – hoogstwaarschijnlijk zelfs in heel Europa, maar in elk geval in het grootste Europese land, in Duitsland, zodat de politieke wereld ertoe gedwongen wordt zijn eigen plannen, zijn eigen denkbeelden als hij die überhaupt heeft, af te stemmen op het buikgevoel van de burger.
Dit is geen kroegpraat, zoals het geringschattend heet – dat mag het helemaal niet zijn – dit is, in de beste zin van het woord populistisch. Ze zijn noodzakelijk, om zaken die in de samenleving gedeeld worden überhaupt nog aan de oppervlakte te brengen, want ook wij stellen vast dat de politieke discussie, het dagelijkse regeerwerk, dat wat een parlementslid elke dag bezighoudt, hem al zeer vlug van de burger verwijdert. En dus moet de politicus gedwongen worden om zich door de Soeverein [Petry gebruikt deze term, die in Zwitserland "de, burger, de kiezer" betekent] te laten controleren. Maar dat mag niet zijn, en niemand doet het uit vrije wil want meningsverschillen doen ook persoonlijk pijn – dat zei ik bij het begin al. En om die reden zou men ook kunnen zeggen dat burgerparticipatie, dat volksraadplegingen als het om belangrijke thema’s gaat nodig zijn – en hier stemt u over veel meer thema’s dan in Duitsland überhaupt ooit denkbaar zou zijn – want tenslotte zijn deze het bindmiddel dat de samenleving duurzaam samenhoudt en dat een radicalisering, zoals we die nu in Duitsland hoe dan ook zien, kan verhinderen.
Gisteren aan de telefoon vroeg mij een journaliste van de Neue Zürcher Zeitung – die wij in Duitsland overigens hoogschatten, omdat hij veel artikels brengt die in de Duitse leidende kranten ondenkbaar zijn: dus wees daar af en toe een beetje trots op – er werd mij gevraagd of het voor de AfD niet bedenkelijk was dat wij medeverantwoordelijk zijn voor de radicalisering in Duitsland.
Nu weet u dat in Duitsland, door de meer dan één miljoen asielzoekers in het jaar 2015, een maatschappelijk werkelijk explosieve situatie is ontstaan waarbij het me telkens weer verblijdt te zien hoeveel burgers toch nog met grote gelatenheid omgaan met een situatie die ons niet enkel financieel maar ook wat het samenleven betreft sterk op de proef stelt, en niet zien wat onze politici ons land eigenlijk hebben aangedaan – met een uitkomst die open blijft welteverstaan! En als ze het vandaag over kleinere aantallen hebben, dan is dat precies niet de verdienste van de Bondskanselierster, maar eerder van zesentwintig van de achtentwintig EU-staten die tegen haar wil in handelden … wat zij vandaag echter als een succes van haarzelf verkoopt.
Dames en heren, vandaag in Duitsland zien wij werkelijk een verhitte toestand, wat zich weerspiegelt in demonstraties op straat, maar ook in niet te rechtvaardigen uitbarstingen van geweld, ook tegen asielcentra. En dan kijkt men graag naar het oosten, en zegt men dat in het oosten het bijzonder slecht gaat. Maar ja, als de natuurwetenschapper die ik als scheikundige ben, sta ik net als Churchill zeer kritisch tegenover elke statistiek die ik niet zelf vervalst heb. Feit is in elk geval dat, minstens in absolute aantallen gerekend het aantal gewelddadige overvallen gestegen is. En dit kent Zwitserland blijkbaar niet op die manier, en ik ben blij dat Zwitserland dit niet kent, want het is niet iets dat goedgekeurd kan worden door om het even wie die zich democratisch opstelt en zijn land ook als zodanig ziet.
Blijft echter het feit, dat wij het verwijt krijgen de aanstichters van dit probleem te zijn. En dat, dames en heren, is symptomatisch voor het politieke debat, zij het niet alleen in Duitsland, maar ik meen in vele delen, niet enkel van Europa maar misschien wel van de wereld. Men verklaart hier de boodschapper die met een slechte tijding komt tot veroorzaker van het probleem, omdat men over het eigenlijke probleem liever niet praat. En daarvoor hebben we dus de burger nodig, als het spreekwoordelijke kleine kind dat de situatie van vandaag precies onder woorden brengt: dat de keizer, of de kanselierster of wie dan ook in werkelijkheid spiernaakt is.
En als dit kind, dames en heren – hierin kunt u zich misschien inleven – zo voelt de AfD zich meermaals, en zij mag dan spot en hoon en hatelijkheid en allerhande laster slikken.
Maar als de burger, als u, burgers tenslotte diegenen zijn die deze discussie mee kunnen voeren, omdat het vanzelfsprekend is dat zij meepraten, dan zal deze soort hetze [drijfjacht] – ik noem het met opzet altijd een hetze omdat het verhinderen van democratische meningen niets anders is, en omdat politici die het onderscheid tussen kritiek en hetze niet meer kennen, eigenlijk diegenen zijn die het democratische discours al lang verlaten hebben. En daaraan moeten wij ze herinneren. Dat moeten in de eerste plaats precies ook politici zich van de Soeverein laten welgevallen.

17 december 2006

Moet een mens daar zijn abonnement voor betalen?

.
Bart Brinckman heb ik, zoals velen onder u wellicht, een goede week geleden bezig gezien in een TV-debatje. Onderwerp was de onwaardige manier waarop de NV-A Jean-Marie Dedecker had behandeld.
Gênant was het ook ...om Bart bezig te zien. Intellectueel noch moreel was onze kwaliteitsjournalist opgewassen tegen de judocoach. Ook dat afgeborsteld Antwerps van hem maakte geen beste indruk. Voor mij was het de eerste keer dat ik die levende pop bezig hoorde, bijna live …maar ochgod, laten wij dat debatje verder voor wat het was, iedereen heeft zelf kunnen oordelen en punten geven.
De kracht van die jongen zit misschien meer in zijn pen? Niet-Standaardlezende kijkers moeten zeker op die gedachte zijn gekomen, want de gave des woords mag niet iedereen zijn geschonken, zonder scherpe pen kom je een kwaliteitskrant niet in, toch?
Voor deze brave mensen nu een voorbeeld ’s mans schrijfstijl. Hieronder heeft B.B. het over Verhofstadts Vierde Burgermanifest, en over de presentatie ervan door de auteur zelf, in Brugge gisteren.

– even een terzijde als u mij toestaat: toen ik daarnet op TV zag hoe die jeugdige Marino Keulen bewonderend opkeek naar zijn leider, moest ik denken aan wijlen Leni Riefenstahl, die in haar beeldverslagen van Partijdagen ook altijd oog had voor ontroerende shots van enthousiaste sidekicks
Brinckman nu weer. Eerst denkt hij nog even terug aan de eerdere Burgermanifesten, welker waarde wij eenvoudige burgers ondertussen goed hebben leren inschatten al was het maar omdat de tijd zo’n uitstekende leermeester is.

[…] Natuurlijk is er in twaalf jaar tijd veel veranderd. Elk tijdsgewricht behoeft ook eigen uitdagingen en oplossingen. Maar de dadendrang van Verhofstadt bleef al die jaren onaangetast. Steevast draagt hij als een evangelist visie en geloof uit. Zoniet valt de huidige premier ten prooi aan een gekmakend immobilisme.
De burgermanifesten zijn producten van hun tijd. Als eerste minister staat Verhofstadt op het kruispunt van zijn carrière. In mei 2007 wacht hem een derde ambtstermijn of een afscheid van de Wetstraat 16, waar de regen gezien de emmers in zijn kantoor vrij spel heeft. De doelstelling van het vierde burgermanifest verschilt daarom fundamenteel van die van zijn voorgangers. Straks moet Verhofstadt zijn positie verdedigen tegen de aanvallen van zijn grote uitdager, Yves Leterme. De vorige boekjes waren Stalinorgels in een veroveringstocht tegen de rooms-rode meerderheid […]
Ik kan best begrijpen lezer, dat u hierna geen behagen meer vindt in een zinsgewijze analyse vanBrinckmans paragrafen. Maar even verwijzen naar een prachtig boek zult u mij nog toestaan, een boek dat elke journalist zou moeten lezen vóór hij nietszeggende woorden en zinsneden uit zijn pen laat vloeien als:
  
“natuurlijk”, “veel veranderd”, “tijdsgewricht”, “uitdagingen” en “oplossingen”, “steevast”, “zoniet”, “gekmakend immobilisme”, “producten van hun tijd”, “kruispunt van zijn carrière”, “fundamenteel”
&cet.
Duidelijk zijn voor je lezer, gemeenplaatsen vermijden, horen bij de eerste dingen die een schrijver moet leren zegt Robert Graves (1895-1985) in “The Reader Over Your Shoulder(1943). Ik las dat boek lang geleden, maar nu zie ik dat er passages op het web beschikbaar zijn.
Graves gaat systematisch te werk: vooraf geeft hij zijn principes aan de lezer, daarop leest hij enkele teksten van collega's, geeft dan zijn kritiek volgens de genoemde principes, en herschrijft tenslotte de teksten, tot wat hij onbescheiden "a fair copy" noemt.
En Graves richt zijn pijlen niet, zoals ik op kwaliteitsjournalistjes, maar op …Daphne Du Maurier, T.S. Eliot, Ernest Hemingway, Aldous Huxley, J.B. Priestly, Bertrand Russell, G.B. Shaw, Stephen Spender, H.G. Wells, en anderen.

Seg ammai Bart, da moeste gai oek is leise!


P.S. Ik hoor net Peter Vandermeersch, de man die opkomt voor de journalistieke geloofwaardigheid, op TV verklaren dat die RTBf-nepreportage voor hem niet door de beugel kan omdat hij "nét te veel journalist is in hart en nieren". Dat voorbeeld mag je niet volgen Bart: uitdrukkingen als in hart en nieren, en nét te veel gaan nooit samen.

29 september 2005

Het begrip racisme verdient herwaardering

.
In de kwaliteitskrant vanmorgen trof mij een vreemd klein titeltje:

“EU-Parlement jent Turkije”.
De journalist Bernard Bulcke had het bedacht.

Jennen doe je niet, zal elke ouder zeggen. Jennen is iets uit de kindertijd, van toen je nog kleine kleren droeg, en in ernstige internationale politiek past het begrip niet. Maar taalgevoel verschilt van persoon tot persoon, en voor Bernard Bulcke zullen er onder het begrip andere gedragingen vallen dan voor u of mij. Zo bijvoorbeeld vind ik niet dat de geallieerden na '40-'45 de Duitsers hebben gejend. Wél hebben die geallieerden afgedwongen dat Duitsland erkende dat er genocide was gepleegd door de nazi’s, en ook dat die genocide een logisch uitvloeisel was van de heersende ideologie.
Dat was toen niet iets waarover eerst met de nazikopstukken is onderhandeld! Dat werd afgedwongen, en de grote meerderheid der Duitsers heeft dat ook zo aanvaard want zij wilden zich weer opgenomen zien in de internationale gemeenschap, opnieuw deel worden van Europa.
Hoe komt zo'n journalist er toch bij om een woord als jennen te gebruiken vraag je je af?
Door collusie. Wie bij de hond slaapt krijgt zijn vlooien. Het is geloof ik mogelijk dat Bernard Bulcke iets te vaak heeft geluisterd naar de officiële politieke standpunten die België verdedigt in de kwestie van de Armeense genocide, zoals wij die pas nog in het Nieuws hebben gehoord van onze minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. Ik resumeer even zijn gedachtegang, en louter ter verlevendiging van zijn betoog completeer ik hem ook:
De Europese bevolking is nu eenmaal geëngageerd, weze het door toedoen van mensen die niet echt een democratisch mandaat hadden. Ja, die journalistieke term van le déficit démocratique bevalt mij opperbest! Ik moet mijn vrienden journalisten hier bedanken, want een naam bedenken voor iets, dat is evengoed als zeggen dat iets onveranderlijk is, en zo wil ik het houden voor de burger. C’est malheureux mais c’est comme ça! En weze het zelfs dat de betrokken politici toen hebben gekonkelfoesd met negationisten, en dat zij bijgevolg in een bepaalde mate hun medeplichtigen zijn geworden: aangezien wij in Europa geen cordon sanitaire hebben kunnen zulke praktijken gewoon hun gangetje gaan, en wie nu nog iets tegenwerpt is een plaaggeest! (Bulcke vertaalt hier eenvoudig: “zo iemand jent”). Je moet nu eenmaal je woord gestand doen, meent tenslotte Karel De Gucht, want je niet aan je woord houden is slecht voor “de politiek”.
Laat nu niemand beginnen over BHV: dat laatste van hem is zeker waar, en ik hoor het graag uit de mond van een man die voor enkele maanden nog aantoonbaar stond te liegen, zo leek het, toen hijzelf in nauwe schoentjes kwam door zijn domme praat over Balkenende, en zijn bijzonder vulgaire commentaar over de dode Fortuyn. Maar gelukkig! Karel had dat niet gezegd …op een moment was er zelfs geen interview geweest!
Om nu naar onze Bulcke terug te gaan: die heeft een minder probleem. Hij moet enkel de precieze betekenis, later ook de gevoelswaarde van de woorden leren vatten. Daarna wacht hem een mooie toekomst.
En laat Bulcke alvast hierin sterkte vinden: hij is niet de enige die met dat probleem worstelt. Ik lees nog even door in mijn kwaliteitskrant en zie dat er in het zogeheten “Europees Parlement” – die vergadering heeft geen initiatiefrecht, geen wetgevende bevoegdheid en is dus niet echt een parlement – flink is gebakkeleid. Daniël Cohn-Bendit moet daar, zegt Bulcke, aan de EVP hebben verweten dat er "een zweem van 'racisme tegen de islam' achter haar stellingname tegen Turkije steekt."
Die term racisme hoor je bij elke gelegenheid tegenwoordig. Het is zoals met de woorden shit en fuck. Robert Graves, de auteur van Goodbye to all that en van I Claudius om hem even voor te stellen, schreef na de Eerste WO een klein boekje dat geloof ik "The Future of Swearing and Improper Language" heette. Zijn stelling daarin was, en nu resumeer ik gedwongen heel scherp want ik kan er niet zo gauw mijn hand weer opleggen, maar Graves beweerde: dat woorden als “bugger”, “bastard” of “bitch” enkel nog in de lagere klassen van dienst waren. Daar werden zij nog au sérieux genomen. In de hogere klassen waren het troetelnaampjes geworden en diende men op zoek te gaan naar nieuwe krachttermen.
Aan Cohn-Bendit zou ik willen vragen: als ik bijvoorbeeld de stelling verdedig dat er ten gunste van de pedofilie niet zo veel te vertellen valt ...ben ik dan racistisch tegenover pedofielen? Hij moet geloof ik ja antwoorden.
Et pour fixer les idées: racisme is onderscheid maken op basis van ras. Men zou zich bijvoorbeeld een Staat kunnen indenken waar je geen burger van kunt worden tenzij je tot een bepaald ras behoort. Of je die gang van zaken goedkeurt is een andere kwestie, maar die Staat zou je met reden “racistisch” kunnen noemen.
Kritiek echter op een godsdienst die in zijn geschriften de meest onwaardige, mensonterende stellingen tot het onveranderlijke woord Gods verklaart: dat is geen racisme.



P.S.
Wat mij betreft houdt de term racistisch een zware beschuldiging in ...maar dat hij in de handen van onzorgvuldige sprekers en schrijvers is gebanaliseerd tot een synoniem voor bijvoorbeeld afkeurenswaardig, slecht, verwerpelijk, niét netjes &cet. bleek hier eerder al.

11 maart 2005

Waarom vinden vele mensen de site van het Belang belangrijk?

.
De site is leesbaar geschreven en technisch goed van structuur; beter dan de verzamelde sites van de andere partijen. Dat is zeker een goede reden. De Belangmensen hebben misschien een boodschap, en willen die koste wat kost uitdragen in begrijpelijke termen? Ik weet niet of er enkele nerds gratis hun diensten hebben aangeboden aan die partij, maar waarschijnlijker lijkt het me dat zij bewust haar geld uitgeeft, en dat wekt een indruk van sérieux. Put your money where your heart is.

Niets inderdaad kan beter overtuigen dan een overtuiging, en zij hebben klaarblijkelijk gekozen om een politieke site te maken: nauwelijks opsmuk, maar dagelijks verse teksten. Weinig entertainment valt er te rapen: on-line enquêtes en dergelijke heb ik nog niet kunnen invullen. Soms vertellen zij wel eens over duur wetenschappelijk sociologenwerk dat ánderen hebben laten uitvoeren, maar als lezer word je doorgaans niet verondersteld om die dingen ernstig te nemen. Enquêtes inderdaad –het lijkt wel of zij dat beseffen– behoren tot de ideologie en niet tot enige wetenschap. [*] Enquêteurs hebben als slogan "Alle macht aan de Vraagstellers", en zij maken bijgevolg deel uit van het doodnormale politieke discours. Na zulk intermezzo komt de Belangsite meestal snel weer ter zake, en vertelt enkele feitelijkheden die je elders niet hoort tegenspreken.

Maar er is een nog ernstiger reden waarom, voor iemand die het puur politieke nieuws opzoekt, juist hun site incontournable is geworden. Het Belang is uitgesloten van de uitvoerende politieke macht en in één serviele beweging, veel ernstiger in haar gevolgen, ook uitgesloten van de ernstige media.
Het politiek cordon sanitaire heeft aan het Blok/Belang nooit schade toegebracht, daar zijn zelfs sociologen het nu over eens. Het cordon is echter geen politiek instrument alleen, ook nooit geweest: het dient vele heren en beslaat alle terreinen van het maatschappelijk leven, en het gaat om een kwart van de bevolking en die bevolking weet dat. Een democraat ziet met spijt: velen van zijn landgenoten geloven helemaal niets meer van wat de officiële journalistiek vertelt. C’est dégoûtant mais c’est comme ça.

Een mening die nergens aan bod kan komen, waar een taboe op rust, maar die tenslotte zo goed als nooit iets vertelt waar de mensen in de lach bij schieten, integendeel feiten vermeldt die redelijk aansluiten bij wat velen dagelijks in hun omgeving zien …zulke mening krijgt vanzelf gezag, en misschien meer dan haar in een democratisch bestel zou toekomen. Weten Y.Desmet, P.Vandermeersch, L.Van Der Kelen en anderen dat niet? Zijn zij zo vervuld van hun eigen belangrijkheid dat ze ook geloven dat precies hún mening ter zake doet, en dat feiten ondergeschikt zijn? De massa, het vee trekt zelf zijn conclusies. Misschien niet direct maar op termijn.

De goede media hebben dus geen krediet meer, zover zijn we. Om bij de recente geschiedenis te blijven: beelden zeggen al sinds Timisoara niets meer, en reportages zijn onbetrouwbaar geworden sinds de bewust valse uitzendingen ten behoeve van een ex-celgenoot van Dutroux, uitzendingen die er kwamen onder druk van een stelletje believers (journalist-believer! onderzoeksrechter-believer! welke impressionistische dichter zou ooit zulke onwaarschijnlijke combinatiewoorden hebben durven verzinnen?).
Genoemde journalistieke rampen waren verschillend natuurlijk …maar van gewone ordinaire verslaggeving, van reporting was er nooit sprake, wél van duiding, want het ging beide malen over berichtgeving met een "hoger doel”, en dat doel was enkel bekend aan een zelfbenoemde elite.

De mensen zijn dat lang vergeten, ze liggen daar niet wakker van? Misschien, maar wantrouwen hoeft niet altijd op precieze herinneringen te steunen, overgebleven vaagheden kunnen ruimschoots volstaan.

De tsaren en hun collega prins Metternich hebben censuur altijd openlijk censuur genoemd. Om van de pausen te zwijgen, die met hun commissie “Propaganda Fidei” zelfs een woord aan onze taalschat hebben toegevoegd.
Ieder wist in die dagen waar het op stond, schrijvers én lezers. Zo schreven bijvoorbeeld Heine en Poesjkin allebei, onafhankelijk van elkaar zelfs ironische lofdichten op hun censoren. Zij wisten, en hun lezers wisten dat niet alles kon gezegd worden, en zij maakten daar geen geheim van. Die beminde censor heeft mijn stijl gevormd, zei Heine, en zonder hem had ik nooit treffelijk leren schrijven ...ik zou niet weten wat ik zonder hem had aangemoeten, en ik had nog om het even wat op papier gezet! Ook Poesjkin heeft zulke dingen gezegd, en de prachtigste lofdichten geschreven. En hun teksten kennen we nog. De officiële dichters uit die tijd zijn aan de horizont verdwenen, meteen al in hun eigen levensjaren. Er was toen nog geen TV, maar iedereen wist dat hún praatjes al te netjes pasten bij de plaatjes.

Ook vandaag: columnisten van deftige kranten schrijven zo verschrikkelijk slecht! zo cliché en tranerig en saai. Ik zal ook even: zij kleuren binnen de lijntjes, gaan nooit te kort door de bocht en houden ons bij de les. Eeuwige kleuters als Reynebeau of Nimmegeers, of die jonge jongen, Tom heet hij, met zijn roman die niemand zal lezen want de ongetwijfeld beste bladzijde hebben we in voorpublicatie al mogen proeven: allemaal eindeloze droefheid en Nul voor Opstel. Om goed te schrijven zitten zij te warm en te veilig. The Reader over your Shoulder is een onbekend begrip.[**]
Misschien begint er ooit een week met een artikel in mijn krant, vol lof over de censor, over zijn deugdzame bedoelingen, over zijn mildheid en wijsheid, over zijn algehele treffelijkheid. Dat wordt voor de redacteurs van de Belangsite een Zwarte Maandag.
____________________
[*] Ook al kon ik mijzelf goed herkennen in de resultaten van een recente enquête waaruit bleek dat de doorsneeconsument in meer dan één winkel zijn inkopen doet (de mens leeft niet van brood alleen!), en dat hij vaak ook om een plastic wegwerpzakje verzoekt als hij zijn eigen onverwoestbare boodschappentas thuis heeft laten staan.

[**]
En ze gebruiken te veel adjectieven ... l’adjectif affaiblit souvent le substantif, quoiqu’il s’y rapporte en cas, en nombre et en genre. (lettre de Voltaire à d’Alembert du 25 mars 1765)

22 februari 2005

De Standaard, Overstekend Wild, Hagenpreken met Steve; Reynebeau als "maître à penser", deel 2.

.
Bij het ontwikkelen van een gedachtegang zal een zorgvuldige denker vermijden om zijn argumentatie kracht bij te zetten door een beroep te doen op etymologische afleidingen. Dat is een goede stelregel. Al doen wij het allemaal wel eens, op etymologie steunen is meestal weinig zinvol. Iemand zei ooit dat etymologie als argument zelfs bijzonder verdacht is, en vooral in zwang bij mensen die graag alles tot een systeempje herleiden, van autoriteit houden, rotsvast geloven in de onveranderlijkheid der dingen, kortom blijk geven van een “closed mind”.

Reynebeau wil graag rotsvast geloven dat het woord “religie” afkomstig is van het Latijnse “religare”, samenbinden: het woord zegt het zelf, hoor je hem denken. Nu, zoals hijzelf dat graag uitdrukt: dit is wat kort door de bocht.

De etymologie van het woord religie is twijfelachtig. Cicero dacht dat het terugging op “relegere”, herlezen, opnieuw lezen, vandaar: riten in acht nemen. Latere, christelijke auteurs verkozen inderdaad “religare”, samenbinden …maar enigszins circulair wilden zij door deze veronderstelde etymologie juist hun visie kracht bijzetten, dat godsdiensten mensen en gemeenschappen samenhouden.

Robert Graves, de eigenzinnige vertaler van Apuleius, Lucanus en Suetonius, en auteur van de Claudius-boeken, had nog een andere uitleg: religie kwam van “rem legere”, de (juiste) zaak kiezen, de gepaste handeling stellen. Hij geeft een voorbeeld. Toen bij een aardbeving het Forum Romanum plots een diepe scheur vertoonde kon een heldhaftige Romeinse soldaat verhinderen dat de scheur verder liep, door bij wijze van offergave er resoluut zelf in te springen: een adequate reactie. Hetzelfde effect had die soldaat ook tegen een geringere prijs kunnen bereiken door een offerdier, bijvoorbeeld een kip erin te gooien. Twee bij uitstek religieuze daden: de juiste, irrationele, magische handeling wordt gesteld.

Geen van deze etymologieën heeft mijn voorkeur: ik weet er niet genoeg van. Marc Reynebeau kent geen twijfel.
Om op zijn column terug te komen, behalve de constatatie van zijn op niets gesteunde zekerheid, en zijn licht naïeve wijsneuzerigheid, zie ik niet in wat voor informatie er te halen valt uit volgende zin:
"Daarin zijn zingevingsystemen, godsdienstige en andere, niet langer elkaars concurrenten, maar partners in een dialoog die, naar de etymologische betekenis van het woord religie, de maatschappij samenbindt en tot een gemeenschap maakt."


Voor zijn geestloze geroddel
Krijgt hij menigmaal een klap,
Voor zijn wekelijks gebroddel
Zelfs een dagelijkse hap.


(vrij naar Poesjkin, en zijn vertaler Boland)
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html