Posts tonen met het label Bracke | Siegfried. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bracke | Siegfried. Alle posts tonen

23 februari 2017

La danse des canards



Die media met hun nepnieuws
doen niet veel meer dan kwekken
de lezer kijker luisteraar
moet thuis maar dubbeltsjekken



22 november 2016

Taal is (bijna) alles


In de podcast van De Morgen hoorde ik Siegfried Bracke iets zeggen dat me zeer beviel. Het ging over de gebrekkige arbeidsparticipatie van allochtonen bij ons:

– Maar natuurlijk allez, ge weet toch wat het probleem is, hè? Het probleem is zelfs bij die hoger opgeleiden een taalprobleem! Dat is onnoemelijk groot hè! Een partij ...ge zijt toch nog altijd bij Groen, hè Jos? [Geysels]
– Ik zit hier als een individu natuurlijk hè!
– Ok, Groen is de promotor van de thuistaal. Waar ge dus het idee koestert dat je allochtone mensen beter Nederlands gaat leren spreken door het minder te gebruiken. Wat is me dát voor een redenering!



Nu is dat op zich geen bijzonder nieuw inzicht, taal staat vanzelfsprekend niet los van identiteit, ze is daar zelfs een bepalend deel van, naast religie, culturele traditie, ook erfelijkheid enzovoort. En behalve die erfelijkheid worden de andere zaken in taal uitgedrukt. Het is zelfs zo dat als je een taal goed leert, Engels, Frans, Duits, Latijn, Grieks of wat dan ook, dat je dan een beetje moet gaan denken als een Engelsman, Fransman of Duitser, of als een oude Romein of Athener. Of liever, je moét dat niet, je kunt eenvoudig niet anders, de taal zelf brengt je zover. Het gaat dan wel om een taal goed leren: zolang iemand enkel wat pidgin hanteert blijft zijn identiteit ongeveer wat ze was.

Maar die uitspraak beviel me zozeer, omdat ik Siegfried enkele jaren geleden iets hoorde verkondigen waar de haren mij toen bij te berge rezen:



Als de uitdrukking intussen niet zo journalistiek versleten was, zou ik zeggen dat we hier met voortschrijdend inzicht te maken hebben.

4 januari 2016

We zijn het nu gelukkig allemáál eens


“Ik bewonder de moed en de gedrevenheid die Geert Hoste heeft gehad om aan de weg te timmeren”, lees ik bij Siegfried Bracke.

Dat is heel mooi van Geert, dat hij zo ijverig timmert en zich daar goed bij voelt, en ik wens hem proficiat met zijn betrekkelijk nieuwe inzichten, maar vijftig jaar geleden had Tom Lehrer het in zijn album That Was The Year That Was al over dit soort engagement: “It takes a certain amount of courage to get up in a coffeehouse or a college auditorium and come out in favor of the things that everybody else in the audience is against, like peace and justice and brotherhood and so on.”
Is dat niet buitengewoon merkwaardig? Dat een ‘komiek’ vindt dat hij dat openbaar moet zeggen? verklaart Hoste over zijn eigen woorden, maar ik weet niet of hij bij dat 'komiek' met zijn wijs- en middelvingers naast zijn oren heeft staan krullen.
Het grote verschil tussen Hoste en Lehrer is – het zal hier meteen zijn opgevallen – dat Lehrer grappig is: “We are the folk song army / Everyone of us cares / We all hate poverty, war, and injustice / Unlike the rest of you squares.”:



____________
The tune don't have to be clever,
And it don't matter if you put a coupla extra syllables into a line.

30 december 2014

Wat nu broodnodig heet, was voor kort nog te mijden


In het Knack-interview met Siegfried Bracke vandaag, staan enkele verwonderlijke dingen. Zo las ik dat Theodore Dalrymple 'zijn beste tijd heeft gehad'. Dit moet een journalistiek atavisme van Bracke zijn, want Dalrymple is een soort filosoof en geen potje yoghurt waar een vervaldatum op gedrukt staat. Bedoeld wordt allicht dat hij niet meer 'hot' zou zijn, niet meer in de mode, althans volgens de journalistieke logica die alles wat eergisteren is gebeurd of geschreven als onbelangrijk beschouwt. Om helemaal eerlijk te zijn: Siegfried voegde daaraan toe dat Dalrymple wel iets goeds had gezegd destijds. Spons hierover dus, passons.

Wat Bracke daarna antwoordde op de vraag van Jan De Meulemeester – of was het nu Simon Demeulemeester? die twee namen samen zijn verwarrend voor een lezer – was een stuk eigenaardiger. Hun vraag was:
Kan je stellen: onze naoorlogse welvaartstaat is erin geslaagd de meest pijnlijke vormen van armoede uit te sluiten. Behalve die onder nieuwkomers, onder allochtonen.

'Dat heeft te maken met hoe wij onze migratie niet hebben geregeld. En dat heeft dan weer alles te maken met de verziekelijking ervan door het Vlaams Blok. Zij hebben belet dat een broodnodige maatschappelijke discussie gevoerd werd.'

Nu zou ik van de Kamervoorzitter graag vernemen hoe één partij al de andere partijen kan beletten een 'broodnodige discussie' te voeren. Lachwekkend is die kreet, een flauwe drogredenering die door iedereen doorgeprikt zal worden wiens geheugen twee-drie decennia ver reikt. Er wáren toen namelijk geen partijen die deze broodnodige discussie wilden voeren, op één na.
Men vond het toen vooral broodnodig om erover te zwijgen, journalisten en politici zoals gewoonlijk in één front. Het enige begripje dat die samen konden bedenken was 'cordon sanitaire'.
Ik zou de Voorzitter willen aanraden om nu Enoch Powell eens te lezen, maar dan spreken we niet meer over twee decennia, maar over een halve eeuw geleden.

"The supreme function of statesmanship is to provide against preventable evils. In seeking to do so, it encounters obstacles which are deeply rooted in human nature. One is that by the very order of things such evils are not demonstrable until they have occurred: at each stage in their onset there is room for doubt and for dispute whether they be real or imaginary. By the same token, they attract little attention in comparison with current troubles, which are both indisputable and pressing: whence the besetting temptation of all politics to concern itself with the immediate present at the expense of the future. Above all, people are disposed to mistake predicting troubles for causing troubles and even for desiring troubles: "If only," they love to think, "if only people wouldn't talk about it, it probably wouldn't happen."

De hoogste taak van staatsmanschap bestaat erin om voorzieningen te treffen tegen voorkoombare kwalen. Bij die betrachting ontmoet zij obstakels die diep geworteld zijn in de menselijke natuur. Eén daarvan is dat zulke kwalen uiteraard niet aantoonbaar zijn alvorens zij zich hebben voorgedaan: in elk stadium van hun opdoemen is er plaats voor twijfel en voor dispuut, of het om werkelijkheid gaat of om inbeelding. Ergo trekken zij weinig aandacht naast de actuele bekommernissen, die zowel onbetwistbaar zijn als dringend: vandaar de hardnekkige neiging van alle politiek om zich met het onmiddellijke nu bezig te houden, ten koste van de toekomst. Bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken van problemen, of zelfs het zoeken van problemen: "Als men" willen ze graag denken, "als men er maar niet over praat, dan gebeurt het wellicht niet."

Zeker de laatste zin moet de vriendengilde van journalisten en politici broodnodig nog een tweede keer lezen, en nu met al hun aandacht erbij.

27 april 2014

Taal en identiteit. Amateurfilosofie in een debat.


Ik vraag mij af of ergens in de geschiedenis, van de Sumeriërs en de Grieken tot vandaag, er een filosoof te vinden is die met de stelling "Taal heeft niets met identiteit te maken" op de proppen is gekomen. Een filosoof hoeft eigenlijk niet, een astroloog of paragnost is ook goed. Zelfs een politicoloog kan dienen.
De omgekeerde stelling komt wel vaak voor, weten we. Een voorbeeldje uit vele. Wat te denken van deze overweging van Jules Destrée, in 1912?

Een taal is een schat die in de loop der tijden is opgehoopt door een menselijke gemeenschap, die daar de herinneringen en echo's van haar zeden, overtuigingen en smarten in heeft opgeborgen. Bij hen die haar spreken roept zij verwarde impressies op, die verwijzen naar de weifelende onzekerheden van het stamelend kind op de moederschoot, en verder nog naar verwantschappen met verre voorvaderen. Die gehechtheid aan de taal heeft iets geheimzinnigs, want zij hangt minder samen met ons redeneervermogen dan met ons diepe onbewuste. Pas als men het probleem van die kant bekijkt, denkt men aan haar miljoenen subtiele wortels die doordringen in het verste verleden en begrijpt men het sacrale karakter van een taal, en hoe delicaat de kwesties zijn die haar gebruik oproept, hoe onoplosbaar ook met enkel de middelen van het verstand.

Destrée ziet blijkbaar wel een verband tussen taal en identiteit.

Of Heinrich Heine die in 1830, zoals vele Duitse vrije geesten toen, zichzelf een min of meer vrijwillige ballingschap in Parijs had opgelegd, en de tweede helft van zijn leven in een Frans taalbad doorbracht. In een van zijn reisbeschrijvingen, het ging over Normandië herinner ik me, vertelt hij dat een boerenkar zijn pad kruiste, met daarop gezeten een grote familie, vader, moeder en kinderen met heel hun hebben en houden. Emigranten die in een Noord-Franse haven een boot wilden vinden naar godweet welk land, een ander land waar het beter was.
En Heinrich kreeg de tranen in de ogen toen hij hen een Duits dialect hoorde praten, een taal die hij zo lang al niet meer had gehoord. En hij deed het niet, maar wilde hen in een opwelling zeggen: keer toch naar huis terug, waar je in je eigen taal kunt leven en jezelf kunt zijn.

Hij schreef vaker over zijn exil, en over zijn verbanning uit de taal die hem had gemaakt tot wat hij was. Zo ook in zijn gedenkboek (1840) voor Ludwig Börne.
Deze Börne (Juda Löb Baruch) was samen met Heine de scherpste journalist van zijn tijd, een vriend-vijand van hem, ook uitgeweken naar Parijs en daar jong gestorven:

Glücklich sind die, welche in den Kerkern der Heimat ruhig hinmodern... denn diese Kerker sind eine Heimat mit eisernen Stangen, und deutsche Luft weht hindurch, und der Schlüsselmeister, wenn er nicht ganz stumm ist, spricht er die deutsche Sprache!... [...] Ihr habt vielleicht einen Begriff vom leiblichen Exil, jedoch vom geistigen Exil kann nur ein deutscher Dichter sich eine Vorstellung machen, der sich gezwungen sähe, den ganzen Tag französisch zu sprechen, zu schreiben und sogar des Nachts am Herzen der Geliebten französisch zu seufzen! Auch meine Gedanken sind exiliert, exiliert in eine fremde Sprache.
[Gelukkig zijn zij die in de kerkers van de heimat rustig wegrotten... want die kerkers zijn een heimat met ijzeren stangen, en daar waait Duitse lucht door, en de cipier, als die niet volkomen stom is, spreekt de Duitse taal!... [...] Van lijfelijke ballingschap kunt u zich wellicht een idee vormen, maar van geestelijke ballingschap kan zich enkel een Duitse dichter een voorstelling maken als die zich gedwongen ziet om de hele dag Frans te spreken en te schrijven, en 's nachts aan de boezem van zijn geliefde zelfs in het Frans te zuchten! Ook mijn gedachten zijn in ballingschap, in ballingschap in een vreemde taal.]

Misschien nog duidelijker was Heine in zijn "Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland" (1834), waar hij Luther looft en zegt dat die man het Duitse volk een lijf, een identiteit heeft gegeven:

Dieser Martin Luther gab uns nicht bloß die Freiheit der Bewegung, sondern auch das Mittel der Bewegung, dem Geist gab er nämlich einen Leib. Er gab dem Gedanken auch das Wort. Er schuf die deutsche Sprache. Dieses geschah, indem er die Bibel übersetzte. In der Tat, der göttliche Verfasser dieses Buches scheint es ebensogut wie wir andere gewußt zu haben, daß es gar nicht gleichgültig ist, durch wen man übersetzt wird, und er wählte selber seinen Übersetzer und verlieh ihm die wundersame Kraft, aus einer toten Sprache, die gleichsam schon begraben war, in eine andere Sprache zu übersetzen, die noch gar nicht lebte.
[Deze Maarten Luther schonk ons niet enkel bewegingsvrijheid [het katholicisme is voor Heine een kwelling], maar ook het instrument daartoe. Aan de geest gaf hij een lichaam namelijk. Hij schonk ook het Woord aan de gedachte. Hij schiep de Duitse taal. Dit geschiedde doordat hij de Bijbel vertaalde. Inderdaad, de goddelijke Steller van dit Boek schijnt evengoed als wij allemaal geweten te hebben dat het een heel verschil maakt door wie je vertaald wordt, en hij zocht zich zelf een vertaler uit, en verleende hem de wonderbaarlijke kracht om uit een dode taal, die als het ware al begraven was [het Hebreeuws], te vertalen naar een andere taal, die nog niet in leven was.] 

"Taal heeft enorm veel, en bijna alles met identiteit te maken", lijkt mij een redelijke, misschien zelfs verstandigere stelling dan de ontkenning ervan.



Siegfried Bracke: Het idee om taal gelijk te stellen met identiteit, of zelfs taal te verheffen tot een van de belangrijke factoren van identiteit, dat is één achterhaald, en twee fout. Dat is nooit zo geweest. Voor alle duidelijkheid: Maeterlinck dat is een element –die schreef in het Frans zoals u weet– dat is een element van de Vlaamse cultuur, en dus taal heeft met identiteit niets te maken. Het is best denkbaar dat ge Franstalig zijt en tegelijk flamingant. Ja?
De Standaard: Hoe definieert u die…
Siegfried Bracke: Dus identiteit heeft niets te maken met taal, niets te maken met godsdienst, niets te maken met geschiedenis. Dat is het dus niet.
De Standaard: Hoe bepaalt u dat dan wel?
Bert Anciaux: Dat heeft daar allemaal mee te maken denk ik. Identiteit heeft te maken met taal, heeft te maken met godsdienst, heeft te maken met je afkomst.
Siegfried Bracke: Nee, nee, sorry.
Bert Anciaux: Natuurlijk wel.
Siegfried Bracke: Dat is niet mijn identiteit. Nee, absoluut niet.
Bert Anciaux: Jij hebt je identiteit uit de kast gekozen of zo? (applaus)
Siegfried Bracke: Nee, ah nee nee nee (applaus) nee nee. Je zit, je zit op een traditie, en op een cultuur en op een geschiedenis, en die is wat ze is… ja
Bert Anciaux: hm hm
Siegfried Bracke: ...maar op dit moment is met permissie gezegd een blad als De Standaard véél meer identiteitsbepalend dan de taal, het Nederlands. En het Nederlands is het enige wat we, wat we daar mee doen is een nuttig middel om aan die verbinding een communicatieve uitweg te geven.


23 januari 2012

2007 is al lang geleden

.
"Het wordt wel vaker gezegd: kijk afwisselend naar de journaals van VRT en RTBf, en je krijgt een totaal ander beeld van dit land."


.
Een waar woord van Lieven Verstraete deze week in Terzake maar, als u het mij vraagt dan was zijn bewering toch minder ter zake dan ze dat vijf jaar geleden nog was. Ik zal dit uitleggen.
.
Op 21 juli 2007 was er in de Sint Goedele in Brussel een Te Deum – dat is namelijk altijd zo op de nationale feestdag. Albert Coburg verschijnt daar dan, met zijn vrouw en zijn wettige kinderen, en alle grote namen van de Belgische politiek verschijnen daar ook, op een paar zonderlingen na die dit met hun geloof niet in overeenstemming kunnen brengen.
Mogelijk lezer, kunt u zich niet meer alle Te Deums van de voorbije vijf jaren levendig voor de geest halen, maar in 2007 gebeurde daarbij iets speciaals, alleszins toch volgens de lui van de RTBf.
Op de monumentale trappen van de Sint Goedele had die omroep een stelletje goddelozen neergezet –en waarom hun namen niet noemen? het waren Jean-Michel Moulin en de beruchte Christophe Deborsu– met als enige opdracht de binnentredende kerkgangers lastig te vallen.
Yves Leterme kwam nu aangestapt, en hem overvielen zij met de vraag waar die datum van 21 juli wel mocht op slaan? Dat wist Yves niet. Nog niet verzadigd, vroegen de nieuwswolven hem lacherig om dan misschien even de Brabançonne aan te heffen. Dat ging helaas ook mis, zoals intussen iedereen weet.
.
Ik zou deze pijnlijke herinneringen hier niet te berde brengen, als mij niet diezelfde avond twee dingen hadden getroffen.
Om te beginnen kijk ik ongaarne naar de televisie, omdat het leven te kort is, maar naar de radio luister ik continu en zeker naar het VRT-nieuws: een dag als een andere daar, verslag van het Te Deum in Brussel, applaus voor de Vorst, weerbericht, verkeersinformatie.
Tot goed zeven uur ’s avonds was ik mij nergens van bewust, maar dan zette ik het journaal van de RTBf-televisie aan, zoals ik dat toen bijna elke dag deed want ik wilde graag vernemen hoe het met de Belgische politiek werkelijk stond, en om de een of andere reden vond ik hun journaal soms een tikkeltje informatiever.
Dat journaal was die avond zo goed als uitsluitend gewijd aan de zangprestatie van de toekomstige premier. Voor alle zekerheid luisterde en keek ik nog even naar de VRT. Volslagen niéts over de vaderlandse geschiedenis, noch over de vocale kunsten.
.
In die dagen was Siegfried Bracke nog de grote baas bij het Nieuws, en omdat wij als Gentenaars elkaar kenden, en in de gangen oenderien altijd Geints klaptegen, stuurde ik hem een SMS-je met de vraag wat er miljaar aan de hand was. De RTBf geeft niets, schreef ik, behalve die Marseillaise van Leterme, en de VRT geeft alles, behalve juist dat.
Nu zat Siegfried –ik was vergeten dat de 21ste juli in de vakantie valt– toen in New York. Hij wist van toeten noch blazen, maar belde direct naar de RTBf-redactie en vervolgens naar zijn eigen redactie.
En daar, het is niet anders, wist men evengoed van niets. Men was zich van geen kwaad bewust, er was niet het minste kwaad opzet in het spel, en zeker geen beschermingsmaneuver rond Leterme (wat ik met mijn paranoïde geest eerst nog als mogelijke verklaring had geopperd): nee, geen enkele VRT-journalist keek toen, vijf jaar geleden naar de RTBf. Dat was niet de gewoonte.
Sindsdien is dat wel anders, maar toch: t
wee democratieën.
.

5 mei 2010

Een falsetstem ontbrak nog in deze kleine opera


Na de machtige samenzang te hebben gehoord van Walter Pauli van De Morgen, Geert Buelens van De Standaard en David Van Reybrouck van bij Phara, waren alle toehoorders het er over eens dat dit trio een eenheid van klank bezit die zelden wordt bereikt. Bij momenten hadden velen de indruk maar één stem te horen. Alsof de drie heren uit één keel zongen.
Maar zoals de wereld is – hier en daar waren er ook lui die van een bepaalde vlakheid gewaagden. Wat volgens hen ontbrak, was nog een falsetstem om het geheel meer reliëf te geven.

Tot deze kleine groep behoorde ook Kurt van Eeghem, de hooggewaardeerde operakenner.
Ook hij vond dat Siegfried Bracke het verdiend had, om na zijn 30-jarige VRT-carrière niet door een trio, maar door een volwaardig kwartet te worden bezongen.
Kurt liet het niet bij die kritiek, maar heeft zélf gezorgd voor dat kleine extraatje. En het dient erkend: door de toevoeging van zijn prachtige, beweeglijke, gevoelige, geschakeerde, aandoenlijke, fenomenale, bij wijlen faustisch snelle, en alles bijeen soms nog verstaanbare kopstemmetje, heeft het werk hoorbaar aan kracht gewonnen!


.

4 september 2005

Wolfgang Schäuble zegt wat u denkt

.
De International Herald Tribune gaf vorige week een interview met Wolfgang Schäuble, misschien de volgende minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek, mocht Angela Merkel de verkiezingen winnen en kanselier worden.
Schäuble vertelt niets schokkends, maar hij vertolkt wel wat de meeste Europeanen denken over de Turkse toetreding tot de EU.

(ik las het artikel toevallig op een andere blog, die zich voornamelijk met juridische zaken inlaat)
Speciaal wat Schäuble vertelt over het Amerikaanse standpunt inzake Turkijes toetreding zou ik graag ter lectuur willen aanbevelen aan Karel De Gucht, want ik hoor onze zelfverzekerde minister nog vorige week in Terzake zeggen aan de journalist (die iets had gesuggereerd over Amerikaanse druk): “Zo is het helemaal niet, mijnheer Bracke!”.
Welnu, ik kan mij niet inbeelden dat Schäuble slechter op de hoogte zou zijn van het Amerikaanse standpunt dan onze man.

Eerst merkt de Herald Tribune op dat Angela Merkel in grote lijnen niet de confrontatie met Washington wil, maar juist samenwerking. En nu vertaal ik:

Wat internationale politiek betreft lijkt Turkije het enige grote punt te zijn waar de regering Bush en Merkel niet in dezelfde richting kijken. Washington beschouwt Turkije als een belangrijke strategische bondgenoot en heeft bij herhaling de EU aangemaand om zo snel als mogelijk toetredingsonderhandelingen te beginnen. In tegenstelling met Schröder, die altijd een trouwe supporter van de Turkse toetreding tot de EU is geweest, dringt Merkel aan op het toekennen van een “bevoorrecht bondgenootschap”.
Toen hem werd gevraagd waarom aan Turkije, eens het alle politieke, economische en mensenrechtencriteria van de EU zou hebben vervuld, niet een volledig lidmaatschap zou worden verleend, voerde Schäuble aan dat dit de verdere integratie van Europa kon ondergraven.
“Wat ons met zorg vervult zijn de grenzen van Europa en het draagvlak voor de Europese integratie, bij Europeanen. Zij zullen zich niet thuis voelen in een Europa dat grenst aan Iran en Irak. Europa zal ophouden te bestaan als de grenzen van de EU zich uitstrekken tot Iran en Irak."
Schäuble wierp ook de vraag op naar Turkijes identiteit.
“Voor een stuk is Turkije Europa, net als Rusland,” zei hij, “maar een veel groter deel van zowel Turkije als Rusland is beslist niet Europa. Daarom zou ook Rusland nooit echt kunnen integreren in de EU.”
Bij een bezoek aan Washington vorige maand, zei Schäuble, had hij gepoogd om het standpunt van zijn partij inzake Turkije uit te leggen aan minister van buitenlandse zaken Condoleezza Rice. “Ik heb haar verteld dat wij, wat betreft het strategische belang van Turkije het Amerikaanse standpunt delen. Wat Turkije betreft moeten wij uiterst omzichtig te werk gaan, in het besef van de verantwoordelijkheden van de beslissing die wij treffen. Ik had de indruk dat Condoleezza Rice voor mijn argumenten begrip kon opbrengen .”

In geen geval, zei Schäuble, zou een regering-Merkel “een halt toeroepen aan het aanknopen van toetredingsonderhandelingen tussen de EU en Turkije. En wij zullen ons houden aan de beslissing van de Europese Raad, dat het resultaat van deze onderhandelingen open moet blijven. De onderhandelingen kunnen op zijn minst wel 10 jaar duren. Binnen 10 jaar kunnen de zaken er heel anders uitzien”.

_________________________



P.S. Voor een anti-democratische politicus als De Gucht is de mening van de Europese burger natuurlijk niet in tel. In De Standaard zegt hij dat zowel de toetreding van Turkije, als de "Europese Grondwet" er moéten en zullen komen. Niet eens argumenten die hemzelf intellectueel belachelijk maken schuwt onze man: Luxemburg, met zijn ocharme 220.000 kiezers heeft "ja" gezegd (en dat was geen massaal ja, het verschil tussen ja en neen bedroeg een goeie 28.000 stemmen!), en dat volstaat om door te gaan met de grondwet.
Karel moet goede maatjes zijn met die andere anti-democraat Juncker: "Si c'est oui, nous dirons donc : on poursuit ; si c'est non, nous dirons : on continue !"
Nog wel interessant in dit verband vond ik dat de scherpe Standaardjournalisten, in casu barones My Doormat en zekere Bart Beirlant, volgende vraag voor Karel hadden bedacht (het ging over Iran): "Waarom zou een fundamentalistische dictatuur zich iets aantrekken van haar bevolking?"
"Waarom zou zelfs een democratische politicus zich daar iets aan gelegen laten?", was eerder mijn vraag geweest maar ik ben geen baron.
Nu weet ik dat het niet van een goed karakter getuigt om de zwakheden van iemand aan te halen ...maar wat antwoordde Karel op die vraag?
Wel...onze Buitenlandse zei: "Ik denk dat vooral in de buitenlandse politiek het ideologische aspect veel minder speelt dan the hard facts of life. Politici, zeker zij die het buitenlandse beleid sturen, zijn meestal veel rationeler dan op het eerste gezicht lijkt. Dat is mijn overtuiging."
Dit gezegd door iemand die zelf op Buitenlandse Zaken zit...le ridicule ne tue pas! en heeft hij ook historische feiten achter de hand om zijn stelling te staven? Maar goed, hard facts zijn bijvoorbeeld de uitslagen van de referenda in Nederland en Frankrijk. En facts of life slaat bij Engelssprekenden meestal op de bijtjes en de bloemetjes, maar waarschijnlijk bedoelt Karel hier iets als Realpolitik. De Gucht haalt twee gezegden door elkaar, en dat is nogal typisch voor zijn flauwe amalgaamdenken. Hij komt nog eens met het bekende liedje van wij praten niet over lidmaatschap, maar over het aanknopen van onderhandelingen. Kijk, waar zouden die onderhandelingen dan anders over gaan? ...dat soort van sofismen is nu juist afgestraft in de referenda! Maar De Gucht heeft niets geleerd... net zomin als hij uit het vreemdelingenstemrecht en uit de woordbreuk rond BHV iets heeft geleerd. Hij kan zich ook "niet indenken" dat "Europa" op zijn gegeven woord zou terugkomen zei hij eerder... hierbij net doend alsof dat "woord" werd gegeven door mensen met een democratisch mandaat! Neen: als er al iets is beloofd, dan is dat tersluiks gebeurd, buiten de burgers om. Bij bv BHV daarentegen hadden de politici wél een belofte gedaan, voor de verkiezingen, en zij hadden dus een duidelijk mandaat, maar achteraf kwamen hij en anderen met geestigheidjes als resultaatverbintenis versus inspanningsverbintenis voor de pinnen. Daarom noem ik hem een antidemocraat.
Ook zijn woordje meestal verontrust mij enigszins. Veronderstel dat de vliegmaatschappij Sabena een slogan bedenkt als: "Onze piloten zijn meestal niet dronken". Wie vliegt dan nog mee, buiten misschien onze Karel?
Verder debiteert hij frazen als: "ik denk dat Iran constant balanceert tussen ratio en ideologie".
Hier moet je bijna veronderstellen dat hij iets verstandigs vertelt dat je zelf nog niet helemaal doorhebt! Wat mag Karel bedoelen? ik zou het bijgot niet weten... Daarvoor moest hij eerst die begrippen ratio en ideologie eens uitleggen. Karel gebruikt die zo ontwapenend naief.

We kunnen de vraag helaas niet ontlopen: is dit een verstandige man of een gezwollen kikker?

7 april 2005

Rik Van Cauwelaert en Guido Gezelle

.
Logebroeder” is een woord waar vele Vlamingen een diepe veneratie voor hebben. Het woord is geen kerklatijn maar het staat op dezelfde hoogte.
Ik las nu in het blad “Knack” –die Engelse titel wordt meestal halfbegrepen, ook op de redactie denk ik, maar dat is een historie waar ik u verder niet mee wil vervelen: in de tijd dat dat blad werd gesticht gingen nog de liedjes van de Beatles voor kosmische openbaringen door, en het was dus maar normaal dat Halbwüchsigen voor een Engels-klinkende titel kozen– in dat blad Knack dus las ik een artikeltje, vijfhonderd woorden of zo, van de hand van Rik Van Cauwelaert, hoofdredacteur. (6 april, p.38)
Behalve het genoemde woord “logebroeder” staat er nog, in volgorde: “vrijmetselaarsloges”, “georganiseerde vrijzinnigheid”, “achtbare meesters”, “loge”, “medebroeders”, “ateliers”, “loge-instanties”, “broeders”, en als afsluitend rijm nogmaals “logebroeder”. Ruw geschat is dat 2 procent van het artikel.
Dit is misschien een gelegenheid om het psychiatrische woord "fixatie" te gebruiken. Het kan zelfs meer dan 2 procent zijn, want zelf ben ik geen ingewijde noch geïnteresseerde, en dus sla ik wellicht bepaalde termen over.
Guido Gezelle in zijn tijd vertoonde soms ook die fixatie, maar dat was toen nog beter te verklaren, en bovenal, Gezelle was dan grappig, alleen in zijn omschrijvingen al : framasons, matsenaars, metsenaarsdiendere, vryheidhaters, liberaters, averechtsen, koolbranders, progressisten, herbakkers, jakebyns, solidairen, schoeljedairen, den grooten oosten, de gedoken klomp, ’t gedoken gewichte dat alles doet scheef gaan. Én in zijn analyses: [...] dat er in ons land alreeds vier duizend vrymetselaarslogiën bestaan. Er zyn maar 86 steden [...] Te Brussel alleen tellen ze tien duist framassons en honderd duist heel ’t land door [...] de francmaçonnerie werkt met handen en voeten om al wat goed en waar is te vernielen [...] het onderaardsch en donker gespuis, dat de wereldhorloge altyd tracht te doen scheef gaan [...] In Vlaanderen wilt men vlaamsch, en te Moorseele Moorseelsch, maar geen vreemd gespuis dat alles naar de bakkerye zou slepen om het te herbakken. Iedereen kent uwen stryd tegen den godsdienst en uwen haat op de priesters. [...] Waar zy hunne jaarlykse (donker) messen en andere diensten doen verrichten en wete ik niet juist: ’t is ievers in den oosten, zegt men, dat de bazen wonen: de dienders zouden moeten in den westen convoelje houden [= sluikvergadering van slecht volk — Frank Baur]. Gezelle zat inderdaad soms op een weer, maar hij kon schrijven en bleef onder de 2%-norm!

Deze Rik Van Cauwelaert kent u wellicht beter als de ernstige man die op KanaalZ wekelijks te zien is in ernstige gesprekken met Vlaamse "topmanagers". U kent het soort wel: Real Software, Lernout&Hauspie, Picanol, j’en passe. Rik kent ze allemaal, en hij voert zijn gesprekken op een voet van gelijkheid. He is in the know, zoals ze bij Knack zeggen. Die KanaalZ-kwestie is voor hun hoofdredacteur hoogstens een Schnabbel, en niemand weet of hij daarvoor wordt vergoed.
Nu meen ik dat Van Cauwelaert in zijn artikeltje een sterker argument had gehad, als hij niet op die weer van de Loge was blijven steken. Dat was namelijk helemaal niet zijn onderwerp. Rik wilde het feit aanvallen dat een VRTjournalist een debat had geleid of gemodereerd tussen twee politici, en dat dat debat was ingericht door een veroordeelde partij. (In tweede orde stoorde het hem dat die journalist daar een betaling voor zou hebben ontvangen.)
Hij schrijft: "En die partij werd – voor wie het vergeten mocht zijn – vorig jaar in Gent veroordeeld wegens racisme". En iets verderop herhaalt hij (bis repetita placent is zijn devies) : "... de wegens racisme veroordeelde partij...".
Wat Van Cauwelaert al direct vergeet is dat niet die partij is veroordeeld, maar enkele vzw's. Een spijtige slordigheid voor een beroepsman, op de rand van het journalistieke fatsoen. Het spreekt vanzelf dat Van Cauwelaert het arrest goedkeurt, en dat hij zich niets gelegen laat liggen aan de negatieve commentaren die erbij verschenen, ook van ongebonden juristen. Verder zou ik hem eens willen horen vertellen of een dergelijk vonnis, en de wet waarop het steunt, ook in de ons omringende landen mogelijk zou zijn. En of hij zulke wetgeving in het algemeen gesproken een gunstige zaak vindt voor de burgerlijke samenleving. [*]
Ook zit er een kleine inconsequentie in zijn vaststelling dat Dedecker dat debat met Dewinter "met een straatlengte" heeft gewonnen. Daar moeten met andere woorden vrije meningen verkondigd zijn? Was het debat dan toch niet zo verwerpelijk?
Maar kom, Rik spreekt liever over die geheimzinnige loge. Hier kan Gezelle hem echter geruststellen: Zyt maar gerust, Deze van hier boven gebiedt en bestiert alles; het kwaad zwemt wel nu en dan ne keer boven, ja’t, maar ’t is om het ongeloof en de ondeugd ne keer loon naar werken te geven; onthoudt het vriendjes: God slaat om te genezen, en steken de framaçons en de revolutiemakers voor eenigen tyd den kop boven, ’t en zal voor niet lange zyn, ze zullen al gauw gedaan hebben met zaaijen, want roert Garibaldi, Mazzini etc., aan onzen Heiligen vader Pius IX, Dezen van hier boven zal al gauw hunne schelmeryen verpletteren, en hun achteruit doen trekken.

Guido Gezelle
Proza uit ‘T JAER 30
in: Proza en Varia
dundrukuitgave van 1951, NV De Standaardboekhandel
tekstbezorging: Prof.Dr.Frank Baur

[*] On peut avoir des lois mauvaises; il ne suffit pas de dire qu'une loi est une loi, pour dire qu'elle est bonne; voilà une des fautes des économistes. Ils établissent le despotisme légal. Dieu nous en préserve, si les lois sont mauvaises, et souvent elles le sont.
(Ferdinando Galiani, 1771)

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html