31 oktober 2018

Journalistieke gedachtepolitie


Het is waar dat Serge Halimi van Le Monde diplomatique en Edwy Plenel van Mediapart geen dikke vrienden zijn, maar dat levert vaak mooie stukjes op, zoals in het november-nummer van LMd. 
Edwy Plenel, die u misschien nog zag samen met Jean-Jacques Bourdin in het grote interview met Macron, wordt hier te kijk gesteld als een flic, terwijl hij zichzelf voor journalist houdt. Tegelijk wordt ook de sport van het petitietekenen belachelijk gemaakt. U kent dat wel: een aantal intellectuelen, meestal goedmenende professoren uit de zachte sectoren, gevolgd door een aantal cultuurmensen en anderen, tekenen een petitie van een of andere krant of organisatie, en halen zo een wit voetje in de media, die op deze manier hun eigen publiciteit verzorgen, niet door het nieuws te verslaan, maar door het zelf te maken: 

Pierre Rimbert
Het gaat om een klein zinnetje, verdronken in een woordenvloed, een paar woorden slechts, niets bijna, maar het onthulde toch wat er achter de schermen omgaat in een fabriek: die van het publieke debat. Op 17 oktober beantwoordt het Parijse parlementslid Danièle Obono de vragen van Mediapart.
Dat onderhoud, ook als video verspreid, loopt vlotjes tot plots de journaliste Pauline Graulle het parlementslid sommeert: ‘Drie kranten, Mediapart, Politis en Regards hebben een oproep gelanceerd die ruim ondertekend werd, eerst door intellectuelen, door mensen uit de civiele samenleving, en daarna door politici. Ik meen dat Clémentine Autain als enige verkozene van La France insoumise [‘oproerig Frankrijk’, de linkse beweging van Mélenchon] de oproep heeft ondertekend. Maar waarom hebt u niet getekend?’
Het verbaast mevrouw Obono nu dat Mediapart haar ondervraagt over dat ‘Manifest voor de opvang van migranten’, door Mediapart gelanceerd. De journaliste dringt aan: ‘Het heeft ons verbaasd dat u bij een dergelijk onderwerp niet heeft gesigneerd.’
Mevrouw Obono, militante van de praktijk die in het parlement in de eerste linie streed tegen de immigratiewet die daar in de lente ter discussie stond, heeft de zaak van de immigranten hardnekkiger verdedigd dan velen van de ondertekenaars. ‘Al het werk dat wij de afgelopen maanden verzet hebben kan niet worden herleid tot het al dan niet ondertekenen van een petitie,’ pleitte zij. Te meer daar de volgens haar ‘gebrekkige’ tekst nalaat de verantwoordelijkheden van de regering aan te klagen. Maar door hem niet te tekenen ‘werden wij op één hoop gegooid, ook door Mediapart, met wat journalisten en commentatoren hebben benoemd als antimigratie-links. Een bijzonder heftige aanval!’
En dan werpt de interviewster haar dit onthutsende argument voor de voeten: ‘Als u die oproep had getekend, was er niet al die herrie geweest.’
Anders gezegd, het had volstaan dat de députée zich aan de politieke agenda van die informatie-site had onderworpen, en er was een eind gekomen aan de tormenten.
Spoelen we even terug: Mediapart lanceert met enkele andere kranten een petitie die bol staat van de goede intenties, maar wel voldoende vaag blijft om steun te vinden bij een reeks van ‘intellectuelen, creatieven, wijkmilitanten, syndicalisten en vooral burgers’ met uiteenlopende gevoeligheden. Vervolgens mediatiseren de bladen die de zaak in gang hebben gestoken hun eigen initiatief, en brengen het in de actualiteit. Eens de petitie zich in het centrum van het publieke debat heeft gewerkt, maakt ze tweets los, posts en stellingnames die het antagonisme tussen ondertekenaars en niet-ondertekenaars dramatiseren.
Aan het eind wordt de weerspannigen gevraagd hun houding te rechtvaardigen, waarbij men suggereert dat een weigering om zich te voegen, onoorbare connecties wil verdoezelen. ‘Wie de petitie ondertekent, wordt van zijn aansprakelijkheden ontlast,’ vat mevrouw Obono het samen, terwijl we ‘meerdere weken zowat voor bruin-roden versleten werden!’
Had zij zich naar de sommaties geschikt en ondertekend ‘dan was er niet al die herrie geweest.’… Tekenen, of we kloppen erop: deze vorm van journalistiek heeft waarachtig veel weg van een politiecommissariaat.



12 oktober 2018

Het oprukken der wantsen


In het Radionieuws van 5 uur hoorde ik dat de wants oprukt in onze streken, terwijl zij volgens de journaliste van dienst traditioneel in zuidelijker contreien verblijft. Nu wist ik niet dat insecten ook tradities onderhielden, maar de precieze betekenis van woorden is voor het jonge volkje onbelangrijk.
En we hoorden in dat nieuws ook een bioloog die ons voorhield dat we geen schrik moesten hebben, want wantsen zijn ‘eigenlijk onschuldige beestjes’.



Vaak geloof ik biologen, meestal zelfs, maar dat ‘eigenlijk’ wekte mijn achterdocht en dus ben ik in dit geval geneigd – wat dat steken en bijten betreft – eerder Heinrich Heine te volgen die in zijn gedicht Atta Troll, Caput XI, een heel andere boodschap gaf. Het zijn de ergste vijanden van de mens, gevaarlijker dan de toorn van duizend olifanten! Heine sprak over een Gasthaus waar niet enkel het eten slecht was, maar waar ook wantsen huisden:

Und ein Seitenstück der Küche
War das Bett. Ganz mit Insekten
Wie gepfeffert – Ach! die Wanzen
Sind des Menschen schlimmste Feinde.

Schlimmer als der Zorn von tausend
Elefanten ist die Feindschaft
Einer einz'gen kleinen Wanze,
Die auf deinem Lager kriecht.

Mußt dich ruhig beißen lassen –
Das ist schlimm – Noch schlimmer ist es,
Wenn du sie zerdrückst: der Mißduft
Quält dich dann die ganze Nacht.

Ja, das Schrecklichste auf Erden
Ist der Kampf mit Ungeziefer,
Dem Gestank als Waffe dient –
Das Duell mit einer Wanze!

En eerder al, in een brief aan een vriend had de jonge Heine blijk gegeven van zijn afkeer voor deze indringers. Hij vergelijkt ze met een even grote, en misschien nog grotere vijand die zich ook in muurspleten en oude bedsteden ophoudt:

Dieser endliche Sturz des Chr[istentums] wird mir täglich einleuchtender. Lange genug hat sich diese faule Idee gehalten. Ich nenne das Chr[istentum] eine Idee, aber welche! Es giebt schmutzige Ideenfamilien, die in den Ritzen dieser alten Welt, der verlassen Bettstelle des göttlichen Geistes, sich eingenistet, wie sich Wanzenfamilien einnisten in der Bettstelle eines Polnischen Juden. Zertritt man eine dieser Ideen-Wanzen, so läßt sie einen Gestank zurück, der jahrtausendelang riechbar ist. Eine solche ist das Chr[istentum], das schon vor achtzehnhundert Jahren zertreten worden, und das uns armen Juden seit der Zeit noch immer die Luft verpestet.
Brief an Immanuel Wohlwill, d.1.April.1823
in: Friedrich Hirth, Heinrich Heines Briefwechsel
Erster Band, 1914, S.202

Heine was in zijn jonge tijd er dus van overtuigd dat de dagen van het christendom geteld waren. Flaubert dacht daar toen anders over: de samenleving zal verdrinken in negentien eeuwen stront.




noot van 26 oktober: ook Tsjechov, zelf dokter zijnde (de geneeskunde was zijn wettige vrouw, de literatuur zijn maîtresse), geeft de dichter Heine gelijk: niet enkel des nachts, maar zelfs tijdens een per definitie korte zonsverduistering bijten die beesten de slapende mens. 

9 oktober 2018

Intellectuele eisen stelt Zinzen niet


Luisteren we even naar wat Walter Zinzen wist in de badinerende, en dus ernstige politieke uitzending van Ivan De Vadder met die twee ouwe knarren. Een programma dat al cult wordt genoemd terwijl het nog loopt:

Als Louis Tobback iemand uitkiest …hij heeft een neus voor politiek talent, dat heeft hij in het verleden bewezen: Frank Vandenbroucke was zijn ontdekking. Als hij nu zegt die Mohamed Ridouani – hij heeft het in de uitzending trouwens herhaald – dat is dé man die we nodig hebben …mij zou hij overtuigen.



Zinzen dus wel, maar mij niet en wel hierom: deze Mohamed heeft geen bagage. Hij vertelt veel maar weet weinig. Ik signaleerde dat al in het gezegende jaar 2009, want toen schreef die Ridouani een lachwekkend stukje in De Standaard, en ik gaf daarop deze commentaar.
Misschien is dat gebrek van die man aan Walter ontgaan, of hij weet het niet meer, of  hij vindt het onbelangrijk dat een politicus niets van geschiedenis afweet en zomaar uit zijn nek kletst.

5 oktober 2018

Rik Torfs heeft gelijk


Soms hoor je op tv een verstandig woord. Vaak ben ik geneigd om die bewering tegen te spreken, heb dat ook al vaak gedaan, maar ik hoorde net iets van Rik Torfs dat me beviel:



Is hij schuldig of niet? We weten dat op dit moment niet. In principe ben je onschuldig tot de schuld is bewezen. Zo zou het voor een rechtbank zijn. Hier zitten we eigenlijk voor een schouwspel, waarbij de vraag van de meeste toeschouwers is: wie zou nu gelijk hebben? Dat is niet iets juridisch of zo: wie geloven we nu het meest? Wel, dat vind ik een heel gevaarlijke zaak, omdat dat een aantal principes van de rechtstaat in het gedrang brengt, als men dat verder ook nog gaat toepassen in de rechtszaken en in andere zaken. Als men niet meer zegt bijvoorbeeld, volgens een Latijns citaat, actori incumbit probatio, hij die iets wil bewijzen moet het bewijs leveren, maar als men zegt: de twee partijen staan op gelijke voet, en we kiezen voor de meest geloofwaardige, dat vind ik een geweldig gevaar voor de rechtsstaat op lange termijn.

'Op lange termijn' was een overbodige toevoeging, maar de rest kunnen veel journalisten in hun zak steken.

2 oktober 2018

Slechte lectuur voor Walter Zinzen


Bij Ivan De Vadder hoorde ik Walter Zinzen vragen: ‘Wat heeft een hoofddoek met de Verlichting te maken?’ Verbluffend dat een intellectueel dat niet weet. Van een Steve Stevaert, die het destijds had over ‘da lapke stof’, kunnen we dat nog aanvaarden, maar niet van een Zinzen, van wie we toch mogen denken dat hij enige lectuur achter de kiezen moet hebben, ook al lijkt zijn onwetendheid in dit specifieke geval te wijzen op een lauwe, of misschien zelfs geborneerde leeslust.

Laat dat Walter echter niet tot wanhoop brengen: zijn achterstand valt in een paar uurtjes op te halen, en hier zelfs in een paar minuutjes.
Bas les Voiles! en Que pense Allah de l’Europe? zijn twee kleine boekjes, in 2003 en 2004 bij Gallimard verschenen, waarmee de Iraans-Franse antropologe Chahdortt Djavann hem kan helpen.

Een van deze boekjes begint zo: ‘Tien jaar heb ik de hoofddoek gedragen. Het was de hoofddoek of de dood. Ik weet waarover ik spreek.’

Je sais de quoi je parle’ …dat kan niet iedereen haar nazeggen vrees ik. En ik weet wel dat we bij ons hier ook een Vlaams-Iraanse hebben, Darya Safai, maar haar citeer ik niet want zij is lid van de N-VA, en dat is enkel ‘nog tot nader order een democratische partij’ volgens Walter, en ik wil zijn gevoeligheden niet storen, enkel hem met de nodige tact en omzichtigheid iets bijbrengen.
Laten we het dus bij Djavann houden:

Nog nooit heeft er een onschuldige hoofddoek bestaan, zonder specifiek belang. De hoofddoek heeft altijd betekend dat de vrouw aan de man is onderworpen, dat een juridisch statuut haar in de moslimwereld ontbreekt, dat zij gereduceerd wordt tot een seksueel object dat men zich kan toe-eigenen. […]
Fundamenteel betekent de hoofddoek vandaag wat hij voorheen betekende. En er zijn maar drie manieren om met het verleden om te gaan: het willen overstijgen, het willen behouden of er terug naartoe willen. De progressisten, de conservatieven en de reactionairen vormen drie onverzoenlijke gedachtestromingen. En de fundamentalistische reactionairen mogen nog zo hun best doen om van deze drie discours een mengelmoes te maken en zich als revolutionairen voor te doen, zij zullen altijd de belichaming blijven van de meest achterlijke en gesegregeerde opvattingen in de menselijke samenleving.

Maar misschien heeft Walter Zinzen op tv wel enkele meisjes zien verklaren dat zij vrijwillig hun hoofddoekjes dragen? In journalistieke straatinterviewtjes zie je ze wel vaker, en ook bij sociologen komen ze voor. Chahdortt Djavann zegt – alvast over die sociologen:

Door te steunen op de getuigenis van enkele jonge meisjes die graag willen uitleggen dat hun ‘vrijwillige’ keuze voor de hoofddoek puur persoonlijk is, gaan zij compleet voorbij aan de eerste vereiste van om het even welke sociologische beschrijving van maatschappelijke problemen: representativiteit bij staalneming. Die sociologen ontbreekt het ook aan elementair gezond verstand als zij de stereotiepe verklaringen van meisjes in volle puberteit voor zoete koek slikken en letterlijk nemen, en ze als typerend voorstellen, zonder acht te slaan op hun leeftijd of familiale situatie. En op grond van een paar van dergelijke getuigenissen voelen ze zich gerechtigd een maatschappelijk fenomeen ‘wetenschappelijk’ te verklaren, een Europees fenomeen om precies te zijn.
Professionele fout? Zeker. Naïviteit? Waarom niet, waarschijnlijk wel. Medeplichtigheid? Ja, dat ook, zeker in een aantal gevallen. En dan laten we nog buiten beschouwing dat naïviteit en medeplichtigheid zich in verschillende verhoudingen laten mengen.



http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html