Posts tonen met het label Cohen | Patrick. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cohen | Patrick. Alle posts tonen

6 maart 2019

Reis door de voorgewende waarheid


De stukken van Serge Halimi in Le Monde diplomatique lees ik altijd met plezier, en soms met nog meer plezier dan anders. Dat Halimi Bernard-Henri Lévy niet kan rieken of zien speelt hierbij een rol, dat wil ik niet ontkennen. Als steenrijke erfgenaam (zijn vader deed in tropisch hout) heeft deze BHL de taak op zich genomen de wereld te begiftigen met zijn politiek-filosofische inzichten, en dat was volgens velen niet nodig.
Nu hoef ik die man niet voor te stellen, want als chouchou van alle reguliere journalisten en vele politci is hij van de buis niet weg te slaan. Dat hij een narcistische fantast en fabulator is, valt blijkbaar niet iedereen op maar verstandige lui lachen hem gewoon uit.
Wat Halimi doet is de hypocrisie aanvallen van mensen die graag het begrip fake news in de mond nemen, maar zelf het met de feiten niet zo nauw nemen. Dat zijn er natuurlijk wel meer dan enkel onze BHL. In Duitsland heb je bijvoorbeeld Robert Menasse, en ook de redactie van France Inter gaat niet vrijuit, maar ik vertaal enkel het stukje over BHL:


De voorbije dertig jaar mogen ‘achterstand’, ‘hervorming’ en ‘openheid’ de sleutelbegrippen zijn geweest van de dominante denktrant, ‘fake news’ lijkt de nu heersende obsessie beter te resumeren. Er is trouwens een rode draad die beide perioden met elkaar verbindt: alleen valse berichten die ingaan tegen de partij van de hervorming en de opening stuiten bij beroepsjournalisten en liberale bewindvoerders op verontwaardiging. In de Verenigde Staten en Duitsland, zowel als in Frankrijk hebben deze laatsten de strijd tegen de ‘infox’* verheven tot een politieke prioriteit van eerste rang. ‘De opkomst van valse berichten,’ heeft de heer Emmanuel Macron ter gelegenheid van zijn nieuwjaarswensen aan de pers uitgelegd, ‘is vandaag niet los te zien van de fascinatie voor het illiberalisme.’ Intussen bloeit wel de traditionele desinformatie. De voortdurend weerkaatste echo daarvan bezorgt haar een soort waarachtigheid – zonder evenwel de ‘duiders’ tot enige ijver aan te zetten.

Bernard-Henri Lévy

Als chroniqueur van Point bestempelt Bernard-Henri Lévy al wie hem niet aanstaat – die lijst is oneindig – als nazi’s. In december 2010 was hij zo content over een wapenfeit van hem dat hij het feit zelf niet verifieerde, en hij de journalist Bernard Cassen van Le Monde diplomatique met de extreemrechtse, moslimvijandige pamflettist Pierre Cassen verwarde. Het weekblad weigerde een recht op antwoord te publiceren, en werd door 17de correctionele kamer (vonnis van 23 april 2013) veroordeeld hier gevolg aan te geven. De rechtbank onderstreepte ‘de onvoldoende ernst en het ontbreken van enige grond’ bij Bernard-Henri Lévy, ‘het gewicht en het geweld’ van zijn diffamatie, vond dat ‘voor hem men het vermoeden van goede trouw niet kon laten gelden’ en legde Point ook 3500 euro boete op. Niettemin heeft in hetzelfde blad, op 7 februari laatst, deze vervalser de idee gelanceerd van een ‘wall of shame’ (muur der schaamte), die ‘in real time de fake news-berichten zou oplijsten die wereldwijd het rampzaligst waren.’ BHL nodigt ‘de mensen van het Web’ uit ‘met een tekst, een video of een werk voor de dag te komen dat door zijn kracht van waarheid of grappigheid de meest schadelijke fake news-berichten zou doen verglazen.’
Hier loopt Bernard-Henri Lévy enig risico... Liever dan de lijst van zijn oplichterijen in herinnering te brengen – een volle pagina van dit blad zou daartoe niet volstaan** – kunnen we het bij zijn laatste kuren houden. Zijn werkstuk L’Empire et les cinq rois (Grasset, 2018) [Het Keizerrijk en de vijf koningen] werd in de Verenigde Staten vertaald, net op het moment dat dit land Iran tracht te verstikken. Vorig jaar hebben Patrick Cohen (Europe1, 30 maart), Ali Baddou (France Inter, de 1ste april...) en Laurent Ruquier (France2, de 7de april), die zo op precisie en fact checking gesteld zijnde Franse journalisten, hem een ‘ongelooflijk vertelsel dat maar weinigen bekend is’ laten opdissen. In 1935, vertelde ons de essayist, ‘heeft nazi-Duitsland aan de Perzen de deal van de eeuw voorgesteld. Ze zeiden hen: “We zullen samen (...) een mooi avontuur opzetten, en de wereld domineren.” En de Iraniërs gingen erop in.’ En ziedaar hoe volgens hem Perzië van naam veranderde en Iran werd, het land van de Ariërs.
Bij meerdere Iranspecialisten gingen meteen kreten van verontwaardiging op. In de mate dat enkele dagen daarop BHL er weer andere aanriep, waarvan er op hun beurt enkelen vol afschuw zagen dat ze bij deze gevaarlijke kwakkel betrokken konden raken en de analyses loochenden die de chroniqueur hen toedichtte.*** De Engelstalige uitgave van zijn werk, enkele weken geleden verschenen, voegt bijgevolg een bewijsstuk toe dat de auteur voor onweerlegbaar houdt, ‘een artikel uit de New York Times van 26 juni 1935’. Dat bewuste artikel heeft het evenwel over een ‘suggestie’ van de Duitse ambassade, maar zonder verwijzing naar enige bron ter staving van die – overigens nogal vage – verklaring voor de naamsverandering. In geen geval besluit het artikel, zoals BHL wel volhoudt, dat het gaat om ‘een bevel van Berlijn aan de Iraanse ambassade, dat overgemaakt werd aan de sjah.’
En dat artikel van de New York Times, verschenen in hun rubriek ‘Reizen-Cruises-Excursies’, vermeldt het Iraanse geval tussen vele andere – Santo Domingo was Ciudad Trujillo geworden; Smirna, Izmir; Christiana, Oslo enzovoort. Dit wat betreft de onbestaande bewijskracht van het tekstje van honderdvijftig woorden waar Bernard-Henri Lévy zich aan vastklampt als een mossel aan zijn rots. De auteur ervan is dood, en onze zelfverklaarde Irandeskundige is niet eens in staat zijn bewijsstuk precies te situeren, want het artikel van de New York Times, bestemd voor de liefhebbers van grote trektochten, werd de 26ste januari 1936 gepubliceerd, niet de 26ste juni 1935.****
En welk verband bestaat er dan wel tussen de beslissing van de sjah van 1935 en de huidige Islamitische Republiek Iran, het mikpunt van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Israel? Een overduidelijk verband volgens BHL: ayatollah Rouhollah Khomeiny zou in 1979, toen hij de macht greep, geweigerd hebben om weer terug te grijpen naar de naam Perzië omdat er in zijn entourage drie figuren zaten, ‘theoretici die volkomen gefascineerd waren door de Heideggeriaanse denkwereld.’ Hoe weet hij dat? Dankzij ‘een van de cameramannen van [zijn] film, een intellectueel met een solide filosofische cultuur.’
Al sinds 1978, en zonder uitzondering, hebben alle Franse presidenten Bernard-Henri Lévy ontvangen en hem gehoor verleend. Aangezien hij nu met de regelmaat van een metronoom Emmanuel Macron bewierookt, zou deze laatste er goed aan doen hem een onderzoeksopdracht in verband met fake news toe te vertrouwen.
______
* Lees: Halimi: Tous Nazis!
** Lees ons omvattende dossier.
*** « Ardavan Amir-Aslani : “N’en déplaise à BHL, la Perse n’est pas devenue l’Iran pour faire plaisir à Hitler !” », L’Opinion, Paris, 23 mai 2018.
**** Oliver McKee junior, « Change of Santo Domingo to Trujillo City recalls others », The New York Times, January 26 1936.

20 juni 2018

Over kunst gesproken, en over cultuurradio


Kan men ongevoelig zijn voor kunst ? vroeg Patrick Cohen – presentator van het ochtendjournaal bij Europe1 – aan de filosoof Raphaël Enthoven. Enthoven levert elke dag een korte bijdrage, en deze keer besprak hij de vragen van 'le bac', het nationale baccalaureaatsexamen. De vraag van Cohen kwam dus uit dat examen, want evengoed in tijden van voetbal kan er bij het ochtendnieuws op Europe1 een stukje filosofie af. Ze hebben er ook het materiaal voor natuurlijk, want welke filosoof hier zou, om te beginnen wat verbaliteit betreft, in de buurt van Enthoven komen?

‘Wat hierbij interessant is’, antwoordde Enthoven, ‘is dat esthetiek, ‘aesthesis’ de gevoeligheid zelf aanduidt.* Ongevoelig zijn voor kunst zou dan contradictoir zijn, bijna een oxymoron. Wat paradoxaal lijkt in deze opgave is dat de voorwaarden voor een ongevoeligheid voor kunst niet bij het individu liggen, dat net als iedereen over gevoeligheid beschikt. Je kunt niet ongevoelig zijn voor kunst terwijl je wel gevoelig bent voor liefde, voor haat, voor begeerten als u wil. Als je voor dergelijke zaken wel gevoelig bent, hoe dan ongevoelig blijven voor de kunst?
Wel, misschien is de “oplossing” tussen aanhalingstekens, of toch het alternatief, te zoeken aan de kant van de kunst zelf. Wat is het dat in kunst ervoor zorgt dat je er na enige tijd ongevoelig voor wordt? Hier liggen twee klippen: militantisme, en naar mijn oordeel de eigentijdse kunst. Anders gezegd: aan een kant de kunst die strijdt, en aan de andere een kunst die nadenkt. Deze twee soorten kunst spreken onze gevoeligheid niet aan, en dus hebben wij niet de kans die te ervaren. In het ene geval richt ze zich tot onze opinies, als het om militante kunst gaat, en in het andere geval tot ons begripsvermogen, als het hedendaagse kunst betreft. Het zijn dus twee soorten kunst die ofwel ons engagement opeisen, ofwel ons verstand. Zij laten onze ongevoeligheid niet enkel toe, maar stellen die voorop. Naar mijn mening, impliceren ze ongevoeligheid met andere woorden.
Een kunst die me aan het nadenken wil zetten, die me wil doen denken, of een kunst die me een moraal wil voorhouden, is een kunst die mij per definitie onberoerd laat. Vraag is dan natuurlijk of het nog om kunst gaat.’

Patrick Cohen beoordeelde dit antwoord op de examenvraag met: ‘Très, heu, très complet.’
__________
* Alexander Gottlieb Baumgarten vormde in 1750 ‘Ästhetik’, naar het Griekse αίσθάνομαι, aisthanomai: voelen, gewaarworden. ‘La science du sentiment’, zei later Charles Maurras, wat Le Robert als voorbeeld geeft.



Patrick Cohen: Peut-on être insensible à l’art ?
Raphaël Enthoven: Ce qui est intéressant ici, c’est que esthétique,‘aesthesis’, désigne la sensibilité elle-même donc être insensible à l’art ce serait contradictoire, ce serait presque un oxymore. Ce qui est intéressant dans ce sujet, paradoxalement c’est qu’il me semble que les conditions d’insensibilité à l’art, reposent non pas sur l’individu, qui a une sensibilité comme tout le monde. On ne peut pas être insensible à l’art tant qu’on est sensible à l'amour, ou qu’on sensible est à la haine, ou qu’on est sensible aux désirs, si vous voulez. Tant qu’on est sensible à des choses comme ça, comment être insensible à l'art ?Alors peut-être là « la solution » entre guillemets, ou en tout cas l’alternative est à chercher du côté de l’art lui-même. Qu’est-ce qui dans l’art fait que au bout d’un moment on y devient insensible ? Il y a deux écailles ici : le militantisme et à mon avis l’art contemporain. C’est-à-dire d’un côté un art qui lutte, et de l’autre côté un art qui pense. Ces deux arts-là ne s’adressant pas à notre sensibilité, c’est-à-dire à ce qu’on n’a pas le choix d’éprouver, mais s’adressant dans un cas à nos opinions, quand l’art est militant, ou bien, dans l’autre cas à notre intelligence, quand l’art est contemporain, c’est-à-dire ces deux formes d’art qui nous demandent soit de nous engager, soit de penser, non seulement permettent l’insensibilité, mais à mon avis, en tout cas en ce qui me concerne, présupposent l’insensibilité, c’est-à-dire impliquent pour ma part l’insensibilité. Un art qui essaye de me faire réfléchir, qui essaye de me faire penser, ou un art qui essaye de me faire la morale est un art qui par définition me rend insensible. La question est évidemment de savoir si c’est toujours de l’art.
Patrick Cohen: Très, heu, très complet.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html