Posts tonen met het label Holbach | Paul Henri Thiry d'. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Holbach | Paul Henri Thiry d'. Alle posts tonen

13 mei 2026

Wat wíst Casanova, en wat geloofde hij?

 

Giacomo Casanova mag dan losbandig hebben geleefd, zijn filosofie was dat niet – al sprak hij zichzelf wel eens tegen. In veel opzichten was ze schatplichtig aan de christelijke moraalfilosofie, maar die herinterpreteerde hij vanuit het aristotelisme van Padua* dat leerde dat alleen controleerbare en weerlegbare natuurlijke gegevens een bron van kennis waren, niet de theologie of de metafysica.
Meer dan eens verzekert Giacomo zijn lezer dat hij een christenmens is (zeer aan te raden in die dagen), maar tegelijk verwierp hij zowel de onsterfelijkheid van de ziel als de Heilige Drievuldigheid. Hij onderwierp het geloof aan materialistische kritiek, in de jaren waarin Europa werd overspoeld door de systemen van d’Holbach, Helvétius, Voltaire, die hij goed kende.
Voor Thomas van Aquino was het intellect, en dus de ziel nog onsterfelijk. Samen met Lucretius, vaak geciteerd, verwierp Casanova die gedachte. Maar ook de harde wetenschap wantrouwde hij.
De achtste van de negen dialogen tussen A en B begint zo – en A is natuurlijk Casanova:

B: Maar in de fysica zijn we er toch van overtuigd de waarheid te bereiken?
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.

Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:

Het gewone volk blijft hen in ere houden, al ziet men alledag dat ze hun gelofte alleen lijken te hebben afgelegd om hun naasten voor de gek te houden. Hun ontucht kent geen grenzen, alles op hun weg bezoedelen ze. Maar laten we het kort houden, en voorbijgaan aan de fouten waarvan ze kunnen zeggen dat ze die alleen vanwege hun geloof begaan […] laten we aannemen dat ze hun plicht doen. Laten we veronderstellen dat ze, hun gelofte getrouw, zich nooit met de geringste vleselijke daden bevlekken.
Maar, is het wél of niet waar dat de hele wereld in minder dan een eeuw zou zijn ontvolkt als de hele wereld voornemens was zich in kuisheid aan God te wijden? Zeker wel.
Ziedaar dan de mens, de mooiste loot van de natuur, vernietigd. Ziedaar bijgevolg de Prediker,** die onverholen overtuigde vijand van de natuur, en zie de kuisheidsgelofte, de ware zonde tegen haar. En vertel mij niet dat die vernietiging van de wereld er niet kán komen, omdat het moreel onmogelijk is dat iedereen zich eendrachtig daaraan zou wijden. Dat bewijst niets. Een morele onmogelijkheid vernietigt niet de kracht van een hypothese.
Telkens als je over een levenshouding, welke ook, kunt zeggen dat de menselijke soort eraan ten onder zou gaan als iedereen ze aannam, is het bewezen dat die levenswijze niet deugt, en dat iedereen die ze aanhangt het menselijk geslacht schade toebrengt, al behoort hij er zelf toe.*** Mijnheer de Voltaire is het die zo spreekt, maar ook vóór hem sprak de Rede al vaak in dezelfde zin.
Elke man die zweert zich niet met het vrouwtje te zullen verenigen, zweert dat wat hem betreft hij de menselijke soort te gronde zal richten. Wat is dat voor iemand, zo’n man? Hij is schuldig tegenover de natuur, en als die hem niet bevalt zal hijzelf zeker de maker ervan, God niet bevallen, die hem zijn wetten heeft voorgeschreven in zijn instincten.
Behalve de zelfmoord bestaat er dus geen tegennatuurlijke zonde, op de kuisheidsgelofte na. En wie mij vraagt waarom men onder tegennatuurlijke zonden dan meestal de pederastie verstaat, hem antwoord ik dat men die naam gegeven heeft omdat het altijd al een pekelzonde van de geestelijke stand is geweest, die om die reden passender de Tegennatuurlijken zou moeten heten.

Sapius a Domino nomina servus habet.****
_______________
      * Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
    ** Het Boek genaamd de Prediker (Statenvertaling) 4:2 Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 4:3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
  *** Casanova ontmoette nooit Kant, en kende ook geen Duits. De kans dat hij hem ooit las is onbestaande. Wel komt hij hier dicht bij diens: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, daß sie ein allgemeines Gesetz werde.Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785).
**** Bedoeld was wellicht saepius: meestal, gewoonlijk. De slaaf draagt meestal de naam van de meester. Wat deze zin hier komt doen wordt niet door de editor Bernardini verklaard. Op de bekende vraag: Discite grammatici cur mascula nomina cunnus, et cur femineum mentula nomen habet – verklaar eens, grammatici, waarom kut mannelijk is en pik vrouwelijk, zou Casanova ooit geantwoord hebben: Disce quod a domino nomina servus habet, weet dat de slaaf zijn naam krijgt van de meester.

Giacomo Casanova
Dialoghi sul suicidio
Saggio introduttivo e cura di
Paolo L. Bernardini
Roma, 2005, Aracne editrice

20 maart 2026

Bluffen is altijd gewaagd, en citeren ook

 

Je zult altijd mensen hebben die graag uitpakken met kennis die zij niet bezitten, en dan bijvoorbeeld met citaten van Einstein of anderen komen aanzetten. Niet alleen rectoren doen dat, ook lieden die zich voordoen als ernstige, betrouwbare journalisten wagen zich aan mooie citaten zonder die te controleren.

Bluffen is menselijk maar gevaarlijk. Niets op tegen, maar je moet het dan wel met verstand doen, en liefst nog met je eigen verstand, zoals we hier kunnen leren van Giacomo Casanova, toen die zich even voor geoloog en econoom uitgaf:

Dezelfde jonge kamerheer die me voor het bal had uitgenodigd stelde me voor aan de verzamelde adel van de stad, toch wat de dames betreft. Maar ik had geen tijd om er een het hof te maken.
De volgende dag dineerde ik bij de heer de Kaiserling, en ik bracht Lambert* naar een jood om hem fatsoenlijk te laten aankleden.
De dag daarop werd ik uitgenodigd aan het hof voor een diner met de hertog, waar ik alleen maar mannen zag.
Deze oude prins liet mij voortdurend aan het woord. Toen het gesprek tegen het eind van het diner op de bodemschatten van het land kwam, en dat zijn alleen mijnen en halfmineralen,** waagde ik te zeggen dat deze rijkdommen onzeker konden worden, afhankelijk van de exploitatie, en om mijn bewering te rechtvaardigen sprak ik over dit onderwerp alsof ik er zowel in theorie als in de praktijk volmaakt bekend mee was.
Een oude kamerheer die de leiding had over alle mijnen van Courland en Semigallia, liet me eerst alles vertellen wat mijn enthousiasme me ingaf maar mengde zich vervolgens in het gesprek en voerde tegenwerpingen aan, al keurde hij alles goed wat ik voor redelijks had gezegd over de bedrijfsvoering, waar het nut van de exploitatie volledig van afhing.
Had ik, toen ik als kenner aan mijn verhaal begon, geweten dat er ook een echte kenner naar me luisterde, dan zou ik zeker veel minder hebben gezegd want ik was zeer onwetend op dit gebied. Maar ik zou erbij hebben ingeboet want dan had ik geen indruk gemaakt.
De hertog zelf was zo goed me als zeer geleerd te beschouwen, en na de maaltijd leidde hij me naar zijn kabinet en vroeg me of ik hem, mocht er geen haast zijn bij mijn reis naar Sint-Petersburg, twee weken van mijn tijd wilde schenken. Ik verklaarde me bereid om zijn wens in te willigen en hij zei me dat dezelfde kamerheer die me had aangesproken, mij zou rondleiden langs alle exploitaties die hij in zijn hertogdom bezat, en of ik zo vriendelijk wilde zijn mijn opmerkingen over de bedrijfsvoering op te schrijven.
Daar stemde ik direct mee in, en mijn vertrek werd vastgesteld op de volgende dag. De hertog, zeer tevreden met mijn bereidwilligheid om aan zijn wens tegemoet te komen, liet de kamerheer meteen roepen. Die verzekerde me bij dageraad voor de deur van mijn herberg te zullen staan in een koets met zes paarden.
Zodra ik thuiskwam pakte ik mijn spullen in, en liet Lambert weten dat hij zich klaar moest maken om met mij mee te gaan, met zijn wiskundekoffertje.*** Toen ik hem vertelde waar het om ging, verzekerde hij me dat hij, hoewel hij geen verstand had van de betreffende wetenschap, mij graag met al zijn kennis van dienst zou zijn.
We vertrokken op het afgesproken tijdstip met z'n drieën in de koets, een bediende zat achterin, en twee anderen reden te paard
voor ons uit, gewapend met sabels en geweren. Om de twee of drie uur kwamen we op een plek waar we van paarden wisselden. Daar verfristen we ons door iets te eten en goede wijn uit de Rijnstreek of uit Frankrijk te drinken, waarvan we een ruime voorraad in de koets hadden.
Tijdens onze reis, die vijftien dagen duurde, stopten we op vijf plaatsen met onderdak voor degenen die in de koper- of ijzermijnen werkten. Ik hoefde geen kenner te zijn om overal iets te noteren en goed te redeneren, vooral over de economie, het belangrijkste onderwerp dat de hertog mij had aanbevolen.
Op de ene plek hervormde ik wat ik nutteloos vond, en op een andere gaf ik opdracht tot uitbreiding van de mankracht om de inkomsten te verhogen. In een belangrijke mijn, waar dertig man aan het werk was, gaf ik opdracht tot de aanleg van een kanaal dat uitmondde in een klein riviertje, en dat hoewel erg kort door de kracht van zijn helling bij de opening van een sluis drie raderen zou aandrijven, waardoor de directeur van de mijn twintig man kon uitsparen. Lambert tekende onder mijn leiding het plan van het bouwwerk perfect uit, mat de hoogtes, tekende de sluis en de raderen, en plaatste zelf de markeringen van de hoogte van het terrein om het kanaal rechts en links af te bakenen tot aan het einde. Door middel van verschillende andere kanalen heb ik grote valleien drooggelegd om in grotere overvloed zwavel en vitriool te verzamelen, waar de gronden die we onderzochten verzadigd van waren.****
Ik keerde terug naar Mitau, verheugd dat ik niet had geposeerd maar geredeneerd, en dat ik een talent in mezelf had ontdekt waarvan ik niet wist dat ik het bezat.
De volgende dag besteedde ik helemaal aan het opschrijven van mijn waarnemingen, en het op groot formaat laten kopiëren van de tekeningen die ik erbij had gevoegd. De dag daarop legde ik al mijn waarnemingen aan de hertog voor, die zich zeer dankbaar toonde.
Tegelijk nam ik afscheid van hem en bedankte hem voor de eer die hij mij had bewezen. Hij zei dat hij me in een van zijn rijtuigen naar Riga zou laten brengen, en mij een brief zou meegeven voor prins Karel, zijn zoon die daar gelegerd was.
De wijze, door ervaring gevormde oude man vroeg me of ik liever een sieraad wilde, of de waarde daarvan in geld. Ik antwoordde hem dat ik van een prins als hij liever het geld zou ontvangen, hoewel ik al heel tevreden was met de eer zijn hand te mogen kussen. Hij gaf me een briefje waarin hij zijn penningmeester opdroeg mij contant vierhonderd Albersthaler uit te keren. Ik ontving deze in Hollandse dukaten, geslagen in de munt van Mitau. De Albersthaler is een halve dukaat waard. Ik kuste de hand van de hertogin en dineerde voor de tweede keer met de heer de Kaiserling.

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013, Tome III, pp. 300-302

_____________
      * Zijn bediende.
    ** Demi-minéraux is een term die in de Encyclopédie niet voorkomt bij Holbach. Minéraux wel, en dat waren dan geen gesteenten of metalen, maar bijvoorbeeld vitriool, sulfer en antimoon (voetnoot in Bouquins).
  *** Koffertje met meet- reken- en tekeninstrumenten.
**** Hier doet Casanova denken aan baron Munchausen. De auteur van die verhalen (1785), Rudolf Erich Raspe, was evenwel een échte geoloog.

Postscriptum: Na een clemente reprimande van mijn goede vriend Jan, geoloog, zie ik nu klaar in dat ik noch Casanova, noch Raspe geoloog had mogen noemen. Die discipline bestond in de XVIIIde eeuw nog niet. Wel mag ik zeggen dat Casanova zich uitgaf voor mijnbouwkundige, bodemkundige desnoods, en Raspe was een mineraloog/petrograaf.

15 maart 2011

Over Parijse Schipperskwartieren

.
De Duitse auteur Philipp Blom heeft groot succes met zijn boek A Wicked Company, vertaald als Het verdorven genootschap, hier eerder besproken. Dat boek beschrijft het achttiende-eeuwse salon van baron d'Holbach, waar vrijdenkers uit heel Europa elkaar troffen.

Een buitenbeentje onder de gasten daar, en bij Blom een randfiguur was de abbé Ferdinando Galiani. Die was secretaris van de ambassadeur van Napels, maar na tien jaar dienst werd hij door zijn koning teruggeroepen, en dat speet hem verschrikkelijk want naast Parijs was Napels een vergeten gat vond hij. Deze ongelukkige gang van zaken leverde voor ons wel een schitterende en jarenlange correspondentie op met al zijn Parijse vrienden. Veel van die brieven zijn bewaard en gepubliceerd, en zij vormen een bijzonder charmante encyclopedie van hun tijd.
Vorige week lazen we hier hoe kolonel al-Gaddafi over prostitutie denkt. Een probleem van de stad zei hij. In het Parijs van de achttiende eeuw dacht men er net zo over, en men overwoog om de rosse buurten te saneren en die industrie in een soort Eros-hotel te centraliseren.
Rétif de la Bretonne, bekend van onder meer zijn erotische romans, liet hierover in 1769 anoniem een boek verschijnen onder de titel: “De pornograaf, of opvattingen van een man van de wereld over een reglement voor de prostituees, om het onheil te voorkomen dat door het statuut der publieke vrouwen veroorzaakt wordt, met historische noten ter staving.”

Louise d’Épinay, de lievelingscorrespondente van Galiani, gelooft niet erg in zijn voorstellen, en zij schrijft:
À Paris ce 29 7bre 1769.
Mon charmant abbé, […] is het niet ongelooflijk dat een man met stijl, ideeën, die zijn talen kent en de zeden van oude tijden, zijn tijd doorbrengt met het taxeren van de sletten van het Koninkrijk, dat hij hen klasseert, een tarief voor hun charmes opstelt, een gebouw voor hen wil neerzetten en er een regel invoeren, zo doordacht dat geen enkele stichter van een klooster hem dit ooit heeft voorgedaan.
Als een vorst dit project zou uitvoeren, uit zorg voor de gezondheid van zijn onderdanen, dan zal de zekerheid van het veilige genot, samen met de zin voor luxe, het aantal vrijgezellen oneindig doen toenemen, en de galanterieën voor de overige vrouwen zullen uitdoven. De oude zeden gelden dan weer: de vrouwen blijven binnenshuis en de mannen gaan naar het cabaret. Onze liefdesdichters bezingen de deugdzaamheid van Laïs; redenaars en historici loven deugdzame echtgenotes en moeders; de filosofen vermanen de jongelui, zoals Cato dat deed: macte virtute esto huc melius juvenes descendere quam alienas permolere uxores. (Bravo, flink zo! jonge kerels kunnen beter daar afstappen, dan dat ze andermans vrouwen met hun stamper bewerken)
Mme d'Épinay citeert hier vrij uit Horatius’ Satiren, en zij besluit: Winnen we daar wel iets bij? Vertelt u me dat eens abbé?
Y gagnerait-on? Dites-moi cela l'abbé?
Ferdinando Galiani
Louise d’Épinay
Correspondance I, 1769-1770
Les Éditions Desjonquères, 1992

Stukje verschenen in de Knack van 16 maart

Sermonum, Liber primus II, 30: “macte virtute esto” inquit sententia dia Catonis: “nam simul ac venas inflavit taetra libido, huc iuvenes aequum est descendere, non alienas permolere uxores.”
"Een zegen op uw goede daad," luidt Cato's eerbiedwaardige uitspraak; "want als schandelijke passie de aderen heeft doen zwellen, is het goed dat jongemannen hierheen komen, in plaats van te knoeien met andermans vrouwen."


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html