Posts tonen met het label Halimi | Serge. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Halimi | Serge. Alle posts tonen

30 juli 2020

De leugenachtigheid van The New York Times


Ik vertaal dit artikel (en hoop dat Le Monde diplomatique het mij niet kwalijk neemt) omdat je ook hier journalisten de naam van die Amerikaanse krant altijd met grote eerbied hoort uitspreken... misschien leren ze hier wel iets uit en worden ze wat minder slaafs en idolaat.

De twintigjarige oorlog?

Amerikaanse soldaten van achttien die vandaag strijd gaan leveren in Afghanistan, waren nog niet geboren toen die oorlog uitbrak. In 2012 had Donald Trump de knoop al doorgehakt: ‘Het is tijd om Afghanistan te verlaten.’ * Het staat niet vast dat hij er beter dan zijn voorganger Barack Obama in slaagt zijn doel te bereiken. Elke poging van de Verenigde Staten om zich uit enig land terug te trekken – Syrië, Libië, Korea, Duitsland – doet in Washington een haag van sabels lichten. Meteen slaakt de oorlogslobby de kreet: de Russen zijn daar! de Russen komen! Het militaire budget van de Verenigde Staten (738 miljard dollar in 2020) mag dan meer dan tien keer groter zijn dan dat van Rusland, het belletje van Moskou laten rinkelen volstaat om republikeinen en democraten gezamenlijk hun afgrijzen te laten uitkrijten. En ze weten dat ze daarbij kunnen rekenen op de redactionele steun van de New York Times.

De 27ste juni heeft het blad dus een lek vanuit de CIA overgenomen, volgens welk Rusland premies zou hebben uitgekeerd aan Afghaanse opstandelingen voor het doden van Amerikaanse soldaten.** Nu herinnert iedereen zich wel de beslissende rol die de New York Times heeft gespeeld in de maanden voor de Iraakse oorlog door leugens te verspreiden over de massavernietigingswapens van Saddam Hussein.*** De anti-Russische psychose van dit grote liberale dagblad steekt overigens de ogen uit van om het even wie die de termen ‘Rusland’ of ‘Poetin’ in zijn zoekmachine ingeeft.

De Afghaanse scoop – waarbij de New York Times zelf zijn twijfels leek te hebben, acht dagen nadat ze hem hadden uitgebazuind – roept andere vragen op. Wie heeft er belang bij dit soort ‘informatie’, op het moment dat de terugtrekking van de laatste Amerikaanse eenheden ongeveer geregeld was? Hebben de Verenigde Staten overigens enige reden om verontwaardigd te doen als een van hun verklaarde vijanden de Afghaanse opstandelingen zou helpen, terwijl hun geallieerde, Pakistan dat al lang doet, en zijzelf van 1980 tot 1988 gesofisticeerde wapens leverden aan de moedjahedien die in oorlog waren met Moskou, en die dankzij die wapens duizenden Sovjetsoldaten hebben gedood? En tenslotte, hoe valt te verklaren dat de New Yorkse krant, die niet naliet ons te vergasten op lange ontroerende portretten van de drie mariniers die zogenaamd slachtoffer waren van die ‘Russische premies’ – een ervan had een snor en deed aan body building, een andere hield van de film Star Wars, en de derde adoreerde zijn drie dochters… – dan toch ‘vergat’ ons te melden dat een andere Amerikaanse organisatie, de nationale veiligheidsraad NSA, niet het minste geloof hechtte aan de scoop van de CIA?****

Niettemin heeft op 1 juli een brede coalitie van senatoren, republikeinen en democraten, zich beroepen op de ‘revelaties’ van de New York Times om een terugtrekking van de Amerikanen uit Afghanistan te bemoeilijken. Het beste middel om te beletten dat vreemde soldaten er blijven sterven zou nochtans zijn dat ze zich daar niet langer bevonden.
____________


* Twitter, 27 februari 2012.
** Russia offered Afghans bounty to kill US troops, officials say’, The New York Times, 27 juni 2020.
*** Cf. « Fake news, une fausse épidémie ? », Manière de voir, n° 172, augustus-september 2020.
**** ‘NSA differed from CIA, Others on Russia Bounty Intelligence’, The Wall Street Journal, New York, 1 juli 2020.

6 maart 2019

Reis door de voorgewende waarheid


De stukken van Serge Halimi in Le Monde diplomatique lees ik altijd met plezier, en soms met nog meer plezier dan anders. Dat Halimi Bernard-Henri Lévy niet kan rieken of zien speelt hierbij een rol, dat wil ik niet ontkennen. Als steenrijke erfgenaam (zijn vader deed in tropisch hout) heeft deze BHL de taak op zich genomen de wereld te begiftigen met zijn politiek-filosofische inzichten, en dat was volgens velen niet nodig.
Nu hoef ik die man niet voor te stellen, want als chouchou van alle reguliere journalisten en vele politci is hij van de buis niet weg te slaan. Dat hij een narcistische fantast en fabulator is, valt blijkbaar niet iedereen op maar verstandige lui lachen hem gewoon uit.
Wat Halimi doet is de hypocrisie aanvallen van mensen die graag het begrip fake news in de mond nemen, maar zelf het met de feiten niet zo nauw nemen. Dat zijn er natuurlijk wel meer dan enkel onze BHL. In Duitsland heb je bijvoorbeeld Robert Menasse, en ook de redactie van France Inter gaat niet vrijuit, maar ik vertaal enkel het stukje over BHL:


De voorbije dertig jaar mogen ‘achterstand’, ‘hervorming’ en ‘openheid’ de sleutelbegrippen zijn geweest van de dominante denktrant, ‘fake news’ lijkt de nu heersende obsessie beter te resumeren. Er is trouwens een rode draad die beide perioden met elkaar verbindt: alleen valse berichten die ingaan tegen de partij van de hervorming en de opening stuiten bij beroepsjournalisten en liberale bewindvoerders op verontwaardiging. In de Verenigde Staten en Duitsland, zowel als in Frankrijk hebben deze laatsten de strijd tegen de ‘infox’* verheven tot een politieke prioriteit van eerste rang. ‘De opkomst van valse berichten,’ heeft de heer Emmanuel Macron ter gelegenheid van zijn nieuwjaarswensen aan de pers uitgelegd, ‘is vandaag niet los te zien van de fascinatie voor het illiberalisme.’ Intussen bloeit wel de traditionele desinformatie. De voortdurend weerkaatste echo daarvan bezorgt haar een soort waarachtigheid – zonder evenwel de ‘duiders’ tot enige ijver aan te zetten.

Bernard-Henri Lévy

Als chroniqueur van Point bestempelt Bernard-Henri Lévy al wie hem niet aanstaat – die lijst is oneindig – als nazi’s. In december 2010 was hij zo content over een wapenfeit van hem dat hij het feit zelf niet verifieerde, en hij de journalist Bernard Cassen van Le Monde diplomatique met de extreemrechtse, moslimvijandige pamflettist Pierre Cassen verwarde. Het weekblad weigerde een recht op antwoord te publiceren, en werd door 17de correctionele kamer (vonnis van 23 april 2013) veroordeeld hier gevolg aan te geven. De rechtbank onderstreepte ‘de onvoldoende ernst en het ontbreken van enige grond’ bij Bernard-Henri Lévy, ‘het gewicht en het geweld’ van zijn diffamatie, vond dat ‘voor hem men het vermoeden van goede trouw niet kon laten gelden’ en legde Point ook 3500 euro boete op. Niettemin heeft in hetzelfde blad, op 7 februari laatst, deze vervalser de idee gelanceerd van een ‘wall of shame’ (muur der schaamte), die ‘in real time de fake news-berichten zou oplijsten die wereldwijd het rampzaligst waren.’ BHL nodigt ‘de mensen van het Web’ uit ‘met een tekst, een video of een werk voor de dag te komen dat door zijn kracht van waarheid of grappigheid de meest schadelijke fake news-berichten zou doen verglazen.’
Hier loopt Bernard-Henri Lévy enig risico... Liever dan de lijst van zijn oplichterijen in herinnering te brengen – een volle pagina van dit blad zou daartoe niet volstaan** – kunnen we het bij zijn laatste kuren houden. Zijn werkstuk L’Empire et les cinq rois (Grasset, 2018) [Het Keizerrijk en de vijf koningen] werd in de Verenigde Staten vertaald, net op het moment dat dit land Iran tracht te verstikken. Vorig jaar hebben Patrick Cohen (Europe1, 30 maart), Ali Baddou (France Inter, de 1ste april...) en Laurent Ruquier (France2, de 7de april), die zo op precisie en fact checking gesteld zijnde Franse journalisten, hem een ‘ongelooflijk vertelsel dat maar weinigen bekend is’ laten opdissen. In 1935, vertelde ons de essayist, ‘heeft nazi-Duitsland aan de Perzen de deal van de eeuw voorgesteld. Ze zeiden hen: “We zullen samen (...) een mooi avontuur opzetten, en de wereld domineren.” En de Iraniërs gingen erop in.’ En ziedaar hoe volgens hem Perzië van naam veranderde en Iran werd, het land van de Ariërs.
Bij meerdere Iranspecialisten gingen meteen kreten van verontwaardiging op. In de mate dat enkele dagen daarop BHL er weer andere aanriep, waarvan er op hun beurt enkelen vol afschuw zagen dat ze bij deze gevaarlijke kwakkel betrokken konden raken en de analyses loochenden die de chroniqueur hen toedichtte.*** De Engelstalige uitgave van zijn werk, enkele weken geleden verschenen, voegt bijgevolg een bewijsstuk toe dat de auteur voor onweerlegbaar houdt, ‘een artikel uit de New York Times van 26 juni 1935’. Dat bewuste artikel heeft het evenwel over een ‘suggestie’ van de Duitse ambassade, maar zonder verwijzing naar enige bron ter staving van die – overigens nogal vage – verklaring voor de naamsverandering. In geen geval besluit het artikel, zoals BHL wel volhoudt, dat het gaat om ‘een bevel van Berlijn aan de Iraanse ambassade, dat overgemaakt werd aan de sjah.’
En dat artikel van de New York Times, verschenen in hun rubriek ‘Reizen-Cruises-Excursies’, vermeldt het Iraanse geval tussen vele andere – Santo Domingo was Ciudad Trujillo geworden; Smirna, Izmir; Christiana, Oslo enzovoort. Dit wat betreft de onbestaande bewijskracht van het tekstje van honderdvijftig woorden waar Bernard-Henri Lévy zich aan vastklampt als een mossel aan zijn rots. De auteur ervan is dood, en onze zelfverklaarde Irandeskundige is niet eens in staat zijn bewijsstuk precies te situeren, want het artikel van de New York Times, bestemd voor de liefhebbers van grote trektochten, werd de 26ste januari 1936 gepubliceerd, niet de 26ste juni 1935.****
En welk verband bestaat er dan wel tussen de beslissing van de sjah van 1935 en de huidige Islamitische Republiek Iran, het mikpunt van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Israel? Een overduidelijk verband volgens BHL: ayatollah Rouhollah Khomeiny zou in 1979, toen hij de macht greep, geweigerd hebben om weer terug te grijpen naar de naam Perzië omdat er in zijn entourage drie figuren zaten, ‘theoretici die volkomen gefascineerd waren door de Heideggeriaanse denkwereld.’ Hoe weet hij dat? Dankzij ‘een van de cameramannen van [zijn] film, een intellectueel met een solide filosofische cultuur.’
Al sinds 1978, en zonder uitzondering, hebben alle Franse presidenten Bernard-Henri Lévy ontvangen en hem gehoor verleend. Aangezien hij nu met de regelmaat van een metronoom Emmanuel Macron bewierookt, zou deze laatste er goed aan doen hem een onderzoeksopdracht in verband met fake news toe te vertrouwen.
______
* Lees: Halimi: Tous Nazis!
** Lees ons omvattende dossier.
*** « Ardavan Amir-Aslani : “N’en déplaise à BHL, la Perse n’est pas devenue l’Iran pour faire plaisir à Hitler !” », L’Opinion, Paris, 23 mai 2018.
**** Oliver McKee junior, « Change of Santo Domingo to Trujillo City recalls others », The New York Times, January 26 1936.

27 juni 2018

De Prins krijgt kuren


Serge Halimi, de redactiedirecteur van Le Monde diplomatique, heeft telkens weer een mooi hoofdartikel. In het julinummer (dat straks in de kiosk ligt) neemt hij Emmanuel Macron op de korrel, die graag censuur zou instellen maar die naam niet wil horen.
Macron is natuurlijk niet de enige die dat zou willen: censuur is hét thema van onze tijd, alleen zie ik niet in wat hij nog meer kan verlangen dan wat hij al heeft... een meer dan volgzame pers.

Na zijn comfortabele verkiezing tot president van de Republiek, met medewerking van de zo goed als verzamelde Franse media, vraagt Emmanuel Macron dat zijn parlementaire meerderheid hem een wet klaarstooft tegen de verspreiding van ‘valse geruchten’ in verkiezingsperiodes. Misschien is hij zijn volgende campagne al aan het voorbereiden.

De tekst die binnenkort goedgekeurd zou moeten worden, verraadt tegelijk dat regeringen blind blijven voor de tegenkantingen die zij ontmoeten en – in één adem – hun neiging om voortdurend dwangmiddelen te verzinnen die daar korte metten mee kunnen maken.
Je moet inderdaad al bijziend zijn om te blijven geloven dat de overwinningen van de antisysteempartijen en -programma’s (Donald Trump, de Brexit, het Catalaanse referendum, de Vijfsterrenbeweging in Italië…) zelfs maar marginaal te wijten zijn aan de verspreiding van valse geruchten door autoritaire regimes.
Al meer dan een jaar wil de Amerikaanse pers verbeten, maar zonder een begin van bewijs aantonen dat de president van de Verenigde Staten zijn verkiezing te danken heeft aan door Vladimir Poetin verzonnen ‘fake news’. Mijnheer Macron lijkt door dezelfde soort obsessie bezeten.

In die mate dat hij hoopt deze te bezweren met een apparaat dat even nutteloos is als gevaarlijk. [...]

De rest leest u in juli zelf maar, lezer, want het bovenstaande valt nog net onder het citaatrecht, denk ik.

3 februari 2018

Le Monde diplomatique over Harvey Weinstein


In Le Monde diplomatique staan elke maand wel dingen die je in andere publicaties niet vindt, en aangezien Mark Grammens er niet meer is om de lof van dat blad te zingen, moet een ander het doen.

Een van de artikels die mij in het februarinummer sterk bevielen was van de hand van de Amerikaanse auteur en journalist Thomas Frank: La gauche selon Harvey Weinstein. De man dus over wie u eindeloos veel hebt gelezen in andere bladen, maar zijn artikel herkauwt niet wat u allang weet.

Thomas Frank publiceerde eerder onder meer ‘Pourquoi les pauvres votent à droite’, en binnenkort verschijnt ‘Pourquoi les riches votent à gauche’, beide bij Agone – Contre-feux en voorzien van een voorwoord van Serge Halimi, redactiedirecteur van Le Monde diplomatique.
Genoemd artikel gaat over de democraat-en-filantroop Weinstein:

In 2012 koopt hij de rechten voor het Amerikaans grondgebied van Serment de Tobrouk [De Eed van Tobroek], een documentaire gemaakt door een elegant gekleed gaande Franse essayist, Bernard-Henri Lévy, en bedoeld om op de internationale scène de vernietiging van het regime van Mouammar Kadhafi in 2011 te promoten – een vernietiging die in de Verenigde Staten beter bekend staat als ‘Hillary’s Oorlog’, waarvan Libië zeven jaar later nog altijd niet bekomen is.

De omschrijving die mijnheer Weinstein erbij geeft, illustreert welke hoogten van nadrukkelijkheid en pedanterie iemand in één paragraafje kan bereiken:

Deze buitengewone film laat de ongelooflijke moed van BHL zien, en de krachtdadigheid van oud-president Nicolas Sarkozy, en tegelijk belicht hij het onschatbare leiderschap van president Barack Obama en van staatssecretaris Hillary Clinton. Hij laat het Amerikaanse publiek toe een blik te werpen achter de coulisses, waar de regering van ons land en die van Frankrijk hebben samengewerkt om een eind te stellen aan het uitmoorden van onschuldige burgers, en er op briljante manier in geslaagd zijn een regime omver te werpen.’

Dat leverde hem een toegenegen wederwoord van Bernard-Henri Lévy op:
‘Ik heb een diepe achting voor Harvey Weinstein. Meer dan voor zijn succesvolle filmwerk, is hij voor mij in de eerste plaats de man die in de Verenigde Staten Amnesty International heeft gelanceerd, die tegen de doodstraf heeft geageerd, en in Amerika een der weinigen is die de strijd heeft gevoerd tegen diegenen die Polanski wilden lynchen.’ – de maker van Chinatown en Rosemary’s Baby, die vervolgd wordt voor de verkrachting van een dertienjarige.

6 november 2017

Journalistiek met een echt gezicht


Het gaat goed met Le Monde diplomatique, en directeur Serge Halimi kan schitterende cijfers voorleggen. Hij deed dat ook, onder de titel: Appeler une victoire par son nom. Het gaat om echte cijfers, abonnementen (90.456 in december 2016), gedrukte exemplaren (gemidddeld 156.586 in 2016), digitale abonnementen op hun archief (35.417 eind september 2017) enzovoort. Geloofwaardige cijfers dus, geen clicks of fantasietjes zoals we die hier kennen. Ze hebben natuurlijk een groot taalgebied.

Dat blad lees ik al langer dan van gisteren en hun zeven euro betaal ik elke maand graag. Oneens kun je het zijn, maar je wordt nooit gedegouteerd. Eigenlijk ken ik geen blad dat ermee te vergelijken is. Het is gedistingeerd. Er staan geen foto's in, en geen reclame – of het moest zijn voor een boek waar je geen zin in hebt, of voor een moeilijke intellectuele film die je niet zult gaan zien. Je wordt als lezer dus niet beledigd.
Zij kunnen het zich bijgevolg veroorloven om de gewone krantenboeren en hun journalisten op de korrel te nemen. Daarom vertaal ik een grappig stukje uit het artikel van Halimi:

Tegen de reëel bestaande journalistiek* heeft Le Monde diplomatique niet enkel de akte van beschuldiging opgesteld (kapitalistische concentratie, pensée unique, ingekapselde burgerlijkheid, verstandhouding en zelfvoldaanheid). Wij hebben er ook een andere professionele praktijk tegenovergesteld. Onze kritiek ten laste van de journalistiek, die elke maand te lezen staat, beperkt zich niet tot de verwerping van de liberale en Europese insteek van zo goed als alle media. Want onze “confraters” hebben het op den duur begrepen: het diskrediet dat rust op de lompe politicus die zijn voorgekauwde lesje opzegt, tast de reputatie aan – en bijgevolg de marktwaarde – van de pers die hem als zijn buikspreker begeleidt.
De hoofdredacties hebben dan besloten om een nieuwe beroepskracht naar voren te schuiven, die wij evenzeer verwerpen, namelijk die van de neutrale reporter, zonder ideologie, “de ontcijferaar”, “de geheimschriftlezer” aan wie men niets wijsmaakt, die van de ene overtuiging naar de andere fladdert en voorgeeft zich nooit te engageren.
Zijn vakkundigheid bestaat erin “kleine, echte feitjes” uit te zoeken, en deze zonder commentaar te presenteren; en een voorkeur te hebben voor “dingen die hij gezien heeft” (zeker als ze aangrijpend zijn), eerder dan voor een beargumenteerde analyse van sociale of internationale verbanden; en in het uitbannen, uit het gebied van de informatie, van ideeën die extreem bevonden worden, terwijl tegelijk andere ideeën (te weten, de zijne) het alfa en omega van elk “debat” moeten worden. Op die manier moet het gezoem aanhouden, en is de fictie van het pluralisme veiliggesteld.
__________

* Halimi speelt natuurlijk met een eertijds vaste uitdrukking: die van het reëel bestaande communisme, dat evenwel hier en daar verschilde van het theoretische ideaalbeeld.

28 februari 2017

Is een hoofdartikel noodzakelijk een zedenpreekje?


(het is niet omdat we het zo gewoon zijn dat het ook een natuurwet is)

Het maandblad Le Monde Diplomatique geniet een status zoals maar heel weinig bladen. Directeur daar is al bijna tien jaar Serge Halimi, een linkse journalist die van zijn oriëntering geen geheim maakt. Voor zijn tijd bij Le Monde Diplomatique was Halimi professor aan de université Paris VIII  (had gedoctoreerd in Berkeley en zou zich dus met reden Amerikaspecialist mogen noemen). Verder was hij medeauteur van een boek met de sprekende titel «L'Opinion, ça se travaille» (Agone, 2000 ~ De publieke opinie kun je bewerken), over het nepnieuws dat de gevestigde media verspreidden ten tijde van de oorlog in Kosovo, en de smerige en kruiperige rol die zij toen speelden.
Mainstreamjournalisten vandaag spreken graag over fake news, en daar doen anderen wel aan maar zijzelf niet. Helaas, en in mensentaal: van nepnieuws zijn ze blijkbaar nooit vies geweest.

Maar wat ik wilde vertellen was iets anders. Halimi schrijft altijd het hoofdartikel natuurlijk, en vaak neemt hij geen blad voor de mond. In het maartnummer zeker niet:
« L’expérience est une école sévère, mais aucune autre n’instruira les imbéciles. » Mort en 1790, Benjamin Franklin, qui inventa le paratonnerre, ne pouvait prévoir l’existence de l’Union européenne… Celle dont les expériences n’ont aucun effet sur l’instruction.
[“De ervaring is een strenge leerschool, maar geen andere kan imbecielen iets bijbrengen.” In 1790 is Benjamin Franklin gestorven, en hij had de bliksemafleider wel uitgevonden maar heeft nooit het bestaan van de Europese Unie kunnen voorzien... daar waar ervaring geen enkel effect heeft op het leerproces.]
Een aanhef naar mijn hart, en Halimi mag weer zeven keer dingen schrijven die mij misschien minder bevallen. Ik raad iedereen aan, in het bijzonder vanzelfsprekend president Herman Van Rompuy, om ook het vervolg te lezen. Halimi is grappig, en er zal in Rhode-Saint-Genèse wel een kiosk zijn waar het blad te koop is vanaf morgen.
Trouwens, nog op hun eerste pagina hebben ze een artikel van een Californische prof, Perry Anderson, en die begint zo: Pas de flonflons pour célébrer le soixantième anniversaire du traité de Rome et du Marché commun, le 25 mars. La bannière européenne a perdu son éclat, tant les politiques de l’Union se sont révélées désastreuses.
[Geen feestgedreun bij de zestigste verjaardag van het Verdrag van Rome de 25ste maart. Het Europese vaandel is fel verschoten, zo desastreus zijn de beleidsingrepen van de Unie gebleken.]

Maar we zijn geen onmensen, en dat artikel mag onze Herman een paar dagen links laten liggen.

18 december 2015

Amnesie als journalistiek wapen


In 1997 schreef Pierre Bourdieu de inleiding bij het boekje “Les nouveaux chiens de garde” van de journalist Serge Halimi, dat hier vorige keer ter sprake kwam. Ik was vergeten dat Bourdieu de inleiding had geschreven, maar vond het boekje terug bij de – weinig succesvolle – herordening van mijn bibliotheek. 
En wat Bourdieu schrijft is interessant. Halimi had namelijk methodisch geregistreerd wat er, bijvoorbeeld op radio en tv, zoal verteld werd in nieuwsuitzendingen en dergelijke. Zulke mededelingen zijn heel vluchtig en verdwijnen makkelijk in het niets. Tegenwoordig is dat niet meer zo – alhoewel – omdat we nu veel kunnen herbekijken of beluisteren op het web, maar in 1997 moest er nog iemand gevonden worden die alles in een boekje bijeenbracht.
Dat zorgvuldige opschrijfwerk van Halimi, zegt Bourdieu, had als effect dat de journalistieke praktijk een van zijn onzichtbare steunpilaren was kwijtgeraakt: de amnesie namelijk, die bij journalisten niet minder groot is dan bij hun publiek. Door dit geheugenverlies valt het niet op dat er in hun vertellingen voortdurend inconsequenties en onsamenhangendheden voorkomen, en zo komen journalisten moeiteloos weg met elke ommezwaai of kazakdraaierij: « Ce travail d'archiviste a pour effet de ruiner un des supports invisibles de la pratique journalistique, l'amnésie qui n'est pas moins grande chez les journalistes que chez leurs lecteurs et qui autorise en permanence les inconséquences et les incohérences, voire les virevoltes et les volte-face. »
Maar waarom, vraagt Bourdieu, zouden ook journalisten niet eens ter verantwoording geroepen mogen worden voor wat ze allemaal vertellen en verteld hebben? Zij die zelf zo graag en zo vaak met morele veroordelingen klaar staan?
De tekst van Halimi zelf doorbladerde ik weer even, en hij is inderdaad bijzonder sterk, nog altijd, en vele oude affaires herinner ik me nu weer, maar wie weet nog wie Chazal, Ockrent, Elkabbach, Drucker, Poivre d’Arvor of Sinclair waren?


4 december 2015

Als imbecielen de krijgskunst beoefenen


In Le Monde Diplomatique staat elke maand weer iets interessants. Het is betreurenswaardig dat onze journalisten dit blad nauwelijks lijken te kennen, of er in ieder geval nooit uit citeren. Zouden ze toch moeten doen, zoals Mark Grammens het hen vaak voordeed.
Iemand als Serge Halimi bijvoorbeeld, hun redactiedirecteur, schrijft geregeld dingen waar ik het niet noodzakelijk eens mee ben, maar die wel het geheugen opfrissen. Het blad gebruikt dan ook voetnoten, altijd een bewijs van verstand en intellectuele eerlijkheid. De noten hieronder zijn dus van de auteur zelf  behalve als ze in het zwart staan: dan zijn ze van mij.

Om Halimi even voor te stellen: in 1997 leerde het Franse publiek hem kennen met zijn succesboek –het werd zelfs verfilmd– : «Les Nouveaux Chiens de garde», de nieuwe waakhonden. Daarin bekeek hij nauwgezet de banden tussen journalisten en politici. Hij toonde aan hoe een klein kliekje, hij noemt ze ‘de permanente woordvoerders’, de publieke opinie bepaalt. Halimi beschrijft de serviele, gedweeë, constructieve journalistiek, de journalistiek van de verstandhouding, de journalistiek die uit de hand van de politiek eet, de journalistiek die behaagt en verkoopt. Hij heeft het ook over de wet van de stilte, de censuur die des te efficiënter werkt omdat zij onbenoemd blijft, want: «...soms vallen de belangen van de geldschieters op miraculeuze manier samen met die van de ‘informatie’.»*
En hij gaat het gevecht niet uit de weg. Onder meer met mensen die achter een figuur als Bernard-Henri Lévy aanhollen, zoals bij ons onder meer een Yves Desmet dat deed toen die om bombardementen op Belgrado smeekte, en later op Libië.
Maar ook een brave mens als Tom Naegels zal van hem iets kunnen leren. Meegesleept wellicht door de poëtische benaming, schreef die luttele dagen na het uitbreken van de ‘Arabische Lente’:
‘Waar zijn ze nu? Al die intellectuelen die ons normaal iedere dag minstens één keer donderend voorhouden dat ‘de islam’ nooit democratie zal aanvaarden. Omdat de ‘psychoculturele software van de islamiet’ dat nu eenmaal afwijst. En dat het daarom normaal is dat al die Arabische landen dictaturen zijn. De Profeet zélf was immers een dictator!’
En we mogen hier vanzelfsprekend ook denken aan een Guy Verhofstadt die toen overal in Noord-Afrika spontane democratieën zag ontstaan. Even later zag hij er alweer een in Oekraïne.

Serge Halimi lacht dit soort analisten en politici vierkant uit, onder de titel «L'art de la guerre imbécile» (‘als imbecielen de krijgskunst beoefenen’, of ‘krijgskunst voor dummy’s’, of nog ‘de stompzinnige krijgskunst’: je kunt op zeven manieren vertalen).
Halimi lijkt ervan uit te gaan dat journalisten en politici de wereld maar beter konden zien zoals hij is, en niet zoals hij volgens hen zal, of toch zou moeten zijn. Hier bekijkt hij de dramatische toestand in Libië na Khadaffi:
«Nochtans was het probleem drie jaar geleden al van de baan, toen Bernard-Henri Lévy uitlegde: «In tegenstelling met wat de Cassandra’s voorspelden, is Libië niet uiteengevallen tot een federatie in drie stukken. (…) De Wet van de clans heeft het niet gehaald op de geest van nationale eenheid. (…) Het feit is er nu: Libië, vergeleken bij Tunesië en Egypte, mag doorgaan als een geslaagde Lente – en diegenen die het land hebben geholpen mogen fier zijn op wat zij hebben gedaan.»**  Die trots is volkomen gerechtvaardigd: op Bernard Guetta na, die elke ochtend op France Inter het standpunt van de Quai d’Orsay relayeert, is er niemand die met evenveel zwier fabeltjes vertelt.»***
_________
* Met zijn aanhalingstekens rond ‘information’ verwijst Halimi ongetwijfeld naar Jean Baudrillard, en diens «Ça, c’est de la télé! Ça, c’est de l’information!»: 'De dag dat wij het doodnormaal zullen vinden om te zeggen: ‘Dat is TV! Dat is informatie!’, zal alles er anders uitzien.' (Les Stratégies fatales; Éditions Grasset & Fasquelle, 1983)
** Le Point, 6 december 2012. In datzelfde Le Point schonk Bernard-Henri Lévy ons de 16de november 2015 «Guerre, mode d’emploi», een handleiding voor de oorlog in Syrië…
*** «De Franse president heeft pas toenadering tot Rusland gezocht nadat dit land zijn politiek in verband met Syrië van a tot z had herzien», hield zonder lachen Bernard Guetta vol de 19de november 2015. Men leze ook Pierre Rimbert, «Le théorème de Guetta», in Le Monde diplomatique van november 2008: «Zodra de Europese Unie bij een gebeurtenis betrokken is, komt de interpretatie die Bernard Guetta op France Inter eraan geeft, geheid op deze drie uitgangspunten neer: elk succes laat zich verklaren door Europa; elke mislukking is te wijten aan een gebrek aan Europa; elk succes en elke mislukking vragen om nog meer Europa.»
_________

Nu is mijn vermoeden
dat onze Guy Verhofstadt
een aandachtige luisteraar van Guetta is.


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html