Posts tonen met het label Desmet | Yves. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Desmet | Yves. Alle posts tonen

4 december 2015

Als imbecielen de krijgskunst beoefenen


In Le Monde Diplomatique staat elke maand weer iets interessants. Het is betreurenswaardig dat onze journalisten dit blad nauwelijks lijken te kennen, of er in ieder geval nooit uit citeren. Zouden ze toch moeten doen, zoals Mark Grammens het hen vaak voordeed.
Iemand als Serge Halimi bijvoorbeeld, hun redactiedirecteur, schrijft geregeld dingen waar ik het niet noodzakelijk eens mee ben, maar die wel het geheugen opfrissen. Het blad gebruikt dan ook voetnoten, altijd een bewijs van verstand en intellectuele eerlijkheid. De noten hieronder zijn dus van de auteur zelf  behalve als ze in het zwart staan: dan zijn ze van mij.

Om Halimi even voor te stellen: in 1997 leerde het Franse publiek hem kennen met zijn succesboek –het werd zelfs verfilmd– : «Les Nouveaux Chiens de garde», de nieuwe waakhonden. Daarin bekeek hij nauwgezet de banden tussen journalisten en politici. Hij toonde aan hoe een klein kliekje, hij noemt ze ‘de permanente woordvoerders’, de publieke opinie bepaalt. Halimi beschrijft de serviele, gedweeë, constructieve journalistiek, de journalistiek van de verstandhouding, de journalistiek die uit de hand van de politiek eet, de journalistiek die behaagt en verkoopt. Hij heeft het ook over de wet van de stilte, de censuur die des te efficiënter werkt omdat zij onbenoemd blijft, want: «...soms vallen de belangen van de geldschieters op miraculeuze manier samen met die van de ‘informatie’.»*
En hij gaat het gevecht niet uit de weg. Onder meer met mensen die achter een figuur als Bernard-Henri Lévy aanhollen, zoals bij ons onder meer een Yves Desmet dat deed toen die om bombardementen op Belgrado smeekte, en later op Libië.
Maar ook een brave mens als Tom Naegels zal van hem iets kunnen leren. Meegesleept wellicht door de poëtische benaming, schreef die luttele dagen na het uitbreken van de ‘Arabische Lente’:
‘Waar zijn ze nu? Al die intellectuelen die ons normaal iedere dag minstens één keer donderend voorhouden dat ‘de islam’ nooit democratie zal aanvaarden. Omdat de ‘psychoculturele software van de islamiet’ dat nu eenmaal afwijst. En dat het daarom normaal is dat al die Arabische landen dictaturen zijn. De Profeet zélf was immers een dictator!’
En we mogen hier vanzelfsprekend ook denken aan een Guy Verhofstadt die toen overal in Noord-Afrika spontane democratieën zag ontstaan. Even later zag hij er alweer een in Oekraïne.

Serge Halimi lacht dit soort analisten en politici vierkant uit, onder de titel «L'art de la guerre imbécile» (‘als imbecielen de krijgskunst beoefenen’, of ‘krijgskunst voor dummy’s’, of nog ‘de stompzinnige krijgskunst’: je kunt op zeven manieren vertalen).
Halimi lijkt ervan uit te gaan dat journalisten en politici de wereld maar beter konden zien zoals hij is, en niet zoals hij volgens hen zal, of toch zou moeten zijn. Hier bekijkt hij de dramatische toestand in Libië na Khadaffi:
«Nochtans was het probleem drie jaar geleden al van de baan, toen Bernard-Henri Lévy uitlegde: «In tegenstelling met wat de Cassandra’s voorspelden, is Libië niet uiteengevallen tot een federatie in drie stukken. (…) De Wet van de clans heeft het niet gehaald op de geest van nationale eenheid. (…) Het feit is er nu: Libië, vergeleken bij Tunesië en Egypte, mag doorgaan als een geslaagde Lente – en diegenen die het land hebben geholpen mogen fier zijn op wat zij hebben gedaan.»**  Die trots is volkomen gerechtvaardigd: op Bernard Guetta na, die elke ochtend op France Inter het standpunt van de Quai d’Orsay relayeert, is er niemand die met evenveel zwier fabeltjes vertelt.»***
_________
* Met zijn aanhalingstekens rond ‘information’ verwijst Halimi ongetwijfeld naar Jean Baudrillard, en diens «Ça, c’est de la télé! Ça, c’est de l’information!»: 'De dag dat wij het doodnormaal zullen vinden om te zeggen: ‘Dat is TV! Dat is informatie!’, zal alles er anders uitzien.' (Les Stratégies fatales; Éditions Grasset & Fasquelle, 1983)
** Le Point, 6 december 2012. In datzelfde Le Point schonk Bernard-Henri Lévy ons de 16de november 2015 «Guerre, mode d’emploi», een handleiding voor de oorlog in Syrië…
*** «De Franse president heeft pas toenadering tot Rusland gezocht nadat dit land zijn politiek in verband met Syrië van a tot z had herzien», hield zonder lachen Bernard Guetta vol de 19de november 2015. Men leze ook Pierre Rimbert, «Le théorème de Guetta», in Le Monde diplomatique van november 2008: «Zodra de Europese Unie bij een gebeurtenis betrokken is, komt de interpretatie die Bernard Guetta op France Inter eraan geeft, geheid op deze drie uitgangspunten neer: elk succes laat zich verklaren door Europa; elke mislukking is te wijten aan een gebrek aan Europa; elk succes en elke mislukking vragen om nog meer Europa.»
_________

Nu is mijn vermoeden
dat onze Guy Verhofstadt
een aandachtige luisteraar van Guetta is.


24 mei 2015

Simon Leys over George Orwell


Als we de oudere Simenon buiten beschouwing laten, dan is Simon Leys (1935-2014) moeiteloos de belangrijkste schrijver die België in ongeveer honderd jaar heeft voortgebracht. Een stilist zonder weerga, essayist, vertaler, romancier, en zeker een belangrijke politieke auteur.
In 1984 maakte hij een scherp portret van George Orwell, dat in 2006 prachtig werd heruitgegeven bij Plon: “Orwell ou l’horreur de la politique”.
Leys bewondert Orwell, en verdedigt hem tegen zowel links als nieuwrechts, die beide hem graag willen inpalmen. Links probeert dat met meer recht, zegt Leys, ook al deed Orwell vaak uitspraken die nieuwrechts nu graag hoort. Orwell namelijk pakte in zijn essays zijn vrienden vaak harder aan dan zijn vijanden, en stoorde zich aan de vaagheid en hersenloosheid die bij journalisten en publicisten blijkbaar ook in zijn tijd samengingen met wat wij nu bobo-linksigheid noemen.
“One sometimes gets the impression that the mere words ‘Socialism’ and ‘Communism’ draw towards them with magnetic force every fruit-juice drinker, nudist, sandal-wearer, sex-maniac, Quaker, ‘Nature Cure’ quack, pacifist, and feminist in England”, schreef hij in “The Road to Wigan Pier” (1937, nu bij Penguin Classics).

Leys vertaalt dit citaat met plezier, al maakt hij van “nature cure quack”, “les charlatans homéopathes”, zeker niet een letterlijke vertaling, maar inhoudelijk correct want die charlatanerie was in Engeland toen al breed verspreid.
Een ander citaat dat Leys graag geeft, is: “To recoil from Socialism because so many individual Socialists are inferior people is as absurd as refusing to travel by train because you dislike the ticket-collector’s face.”
Leys' boekje moet nodig eens vertaald worden, want het vervangt voordelig alle analyses die onze weldenkende journalisten bijeenschrijven over het socialisme, en hij is natuurlijk oneindig veel leesbaarder.
En wat een giftige pen die Leys toch had, kun je ook in zijn voetnoten lezen. Voor mij tenminste zijn het op zich al oases in de intellectuele woestijn waarin wij leven. Hier bijvoorbeeld valt hij de Nobelprijswinnaar Claude Simon aan, die Orwell jaren na zijn dood onwaardig had aangepakt: «Notons qu’un de ses tardifs calomniateurs fut l’illisible Claude Simon. Dans ses Géorgiques (1981), la calomnie bête et basse n’est tempérée que par l’inintelligibilité générale de la prose. Mais, à moins d’être un académicien suédois, qui donc voudrait lire Simon?». 
Noteren we dat een van zijn late lasteraars de onleesbare Claude Simon was. In zijn Géorgiques wordt de domme en lage laster enkel door de totale onbegrijpelijkheid van het proza getemperd. Maar wie zou ook, behalve een Zweedse academicus, Simon willen lezen?”
Ik bedacht dit alles deze namiddag, toen ik vanaf het terras van de Oude Vismijn een sloepje de Lieve zag opvaren:


_________
P.S. Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains. (p.73)

9 januari 2015

De kop toont de "redactionele lijn"


Een onschuldige krantenredacteur vertelt vaak meer dan hijzelf beseft, of verondersteld is te vertellen.

Natuurlijk, de titel boven zijn artikel verzint een redacteur niet zelf, en hij is er bijgevolg niet verantwoordelijk voor, maar toch… er is die redactionele lijn waaraan hij zich onderworpen heeft.
In De Morgen zag ik de titel hiernaast. Mooie multiculturele kop, dat zult u beamen.
Maar in de kleine lettertjes van het artikel van de reporter, Stieven Ramdharie, werd die kop vervolgens volledig tegengesproken.
Misschien gaat de eindredactie bij de Zalmkrant ervan uit dat lezers alleen koppen lezen, en geloven zij niet dat er ook lezers bestaan, of dat hun aantal verwaarloosbaar is, die – weliswaar met gebruik van een bril – ook de rest lezen?
Hoe anders kun je verklaren dat hun kop op p.6 zegt dat het om een vermoorde "medemoslim" gaat, terwijl in het artikel staat dat het helemaal niet om een moslim gaat, maar om een ander soort Mustapha? 

Natuurlijk is een eindredacteur bij Charlie Hebdo geen moslim, uilskuikens! Maar dat kun je enkel weten als je het blad al langer dan een week kent ...en bovendien is dat blad in het Frans geschreven.

Hier moeten Charlotte Imbo, of anders Charlie Desmet mij uit de onzekerheid verlossen, of het nu om een slecht artikel gaat, of om een vooringenomen kop.

o-o-o-o-o-o


P.S.  Ik vergat inderdaad nog te zeggen dat, zoals een lezeres hieronder opmerkt, niet enkel de eindredacteur, maar ook Charlie Desmet zelf blijk gaf van ...enige luchthartigheid. Zijn haastige en vooringenomen beweringen over "islamitische slachtoffers" zijn nergens op gesteund. Voor hem zijn feiten  maar dat wisten we al  onbelangrijk tot hinderlijk. Zijn moraliserende bobo-duiding kwijtraken, daar is het hem om te doen.

Nu plots zijn ze 'Charlie'!


Wat is het jaar toch slecht begonnen voor onze journalisten, ik denk dan onder meer aan Charlie Camps, Charlie Desmet en Charlotte Imbo, met hun hypocriete U-bocht die ze zó weer zullen vergeten.

Zij zullen wel met weemoed terugdenken aan de voorbije rustige tijden die ze met zoveel verve wisten te beschrijven, te analyseren en te duiden, en waar er algemeen gesproken niet veel aan de hand was. Natuurlijk, er was Rushdie geweest, Van Gogh, de cartoons, al eens een brandbom bij een onbekend Parijs weekblad enzovoort, maar dat waren geïsoleerde gevallen. Van Gregorius Nekschot, die het zwijgen werd opgelegd (de tekenaar op de site "De Gezonde Roker", van wijlen Theo Van Gogh) hadden ze vanzelfsprekend nooit gehoord, want deftige journalisten lazen dergelijke sites niet, ook niet als iemand hen op het bestaan ervan wees.
Van de dode Van Gogh zeiden ze zelfs dat hij grof was, hij had het toch een beetje aan zichzelf te danken. Toen daarna de moordenaar in de rechtbank verklaarde dat hij volgens de islamleer had gehandeld, namen ze dat niet ernstig. Dat kon immers niet waar zijn.
Op de Franse televisie hoorde ik gisteren een oordeel over de "geïsoleerde gevallen". De specialisten in de uitzending vonden integendeel dat er altijd sprake was van moslimnetwerken, overtuigde mohammedanen. "Les loups solitaires, ce sont des poésies de journalistes". Prachtig Frans zinnetje, dat onze journalisten bij wijze van oefening misschien eens van buiten mogen leren. Het komt hen zeker nog van pas.
Wat was het vroeger toch mooier! Toen Oriana Fallaci stierf – en zij had een boek geschreven, niet over "geïsoleerde gevallen" maar over de islam zelf – toen schreef Patrick Stouthuysen (De Standaard, 27 dec. 2006, p.24) nog dit paragraafje:
"Jammer genoeg zal Fallaci wellicht vooral herinnerd worden om haar laatste boeken, waarin ze ten strijde trekt tegen wat ze de dreigende islamisering van Europa noemt. Fallaci was duidelijk de pedalen kwijt."
Inderdaad maakte Fallaci niet het onnozele journalistieke onderscheid tussen "islamistisch" en "islamitisch", en dat was een doodzonde. Misschien had zij de woorden van die Algerijnse generaal ten tijde van de GIA ernstig genomen: "Cet islam modéré, je ne sais pas de quoi ils parlent". Met zijn "ils" bedoelde de man onze Europese verlichte geesten.
Goed, "de pedalen kwijt" was weliswaar belachelijk maar toch nog enigszins beschaafd uitgedrukt.
Voor een echte beestachtigheid, een walgelijke brutaliteit, konden we vanzelfsprekend terecht bij Charlie Camps.
Die cursiefjes-schrijver, die in de waan verkeert dat zijn artikeltjes in hoofdletters worden afgedrukt, en die heel fier is over het pseudohollandse taaltje dat hij zichzelf heeft aangeleerd, en die een soort van namaak-janmulderachtige droefgeestigheid ten toon spreidt die in zijn geest waarschijnlijk voor sérieux doorgaat, die man mocht toen op de eerste pagina van De Morgen (16 september 2006) het In Memoriam voor Oriana Fallaci schrijven.
Charlie geeft eerst een literaire appreciatie van Fallaci. Zij schreef: "als de eerste de beste Ayaan Hirsi Ali".
Een kleine zandgrondworm mocht het zich toen permitteren om iemand te noemen die wereldwijd wordt geacht om haar fysieke moed, en waar geen tweede exemplaar van bestaat. Hij, die zich enkel in anakoloeten weet uit te drukken, en van wie geweten is dat alle gedachten die zijn geest simultaan kan bevatten makkelijk op een bierviltje gaan.
Maar dat was nog maar een begin. Wie de islam bekritiseerde werd in die mooie tijden, nog als volgt aangepakt in de zalmkrant, via een zatte vlegel: "Oriana Fallaci was doorgeschoten in haat, zelfhaat wellicht. Ik, haar aanbidder, had alleen nog medelijden. Een mildere vorm van verachting. Was het de kanker die haar lichaam doorkliefde?"

Deze krant is nu "Charlie"

14 december 2014

Journalistiek zoals het hoort


Niets is de dag van vandaag banaler dan kwaadspreken van de traditionele pers. Iedereen doet het, het is een mode. Eigenaardig genoeg doen ze het soms zelf ook, en betalen er speciaal een ombudsman voor. 
Maar neem nu het hoongelach dat Yves Desmet, toch een man van aanzien in vele kringen, te beurt viel toen hij onthulde dat Fabiola, die ergens vorige week haar kaars had uitgeblazen, katholiek was en royalistisch en ook nog eens belgicistisch. Plots was iedereen zogezegd al lang op de hoogte van die dingen.
Yves zijn scherpe analyse stak, vond ik, juist gunstig af bij de rest van wat we te horen en te lezen kregen. Vaak was dat sentimentele flauwekul als “Fabiola is weer bij Boudewijn” &c.

Ik zag niet de uitvaartdienst die georganiseerd werd, en waar naar het schijnt mooi gezongen werd en met castagnetten geklepperd. Speciaal daarvoor naar Brussel afzakken had ik niet gedaan, en de tv ervoor opendraaien ook niet.
Toch ben ik sinds vanochtend voldoende op de hoogte van wat er gisteren allemaal is omgegaan in Brussel.
Dat komt door een krant, het traditionele medium bij uitstek. In De Tijd, op hun pagina zeven, in een rechthoekje bovenaan, las ik alles wat ik moest weten, en er was zelfs een kleurenfoto bij.
Dat noem ik nu goede journalistiek: droge verslaggeving zonder duiding.

5 juli 2014

Jupilerjournalistiek


Negen malen daags wordt de rechtvaardige beproefd, zei een kerkvader. Ik geloof hem graag, en in zijn tijd zal dat cijfer correct zijn geweest, maar vandaag gaat alles sneller. Wie des ochtends de moeite neemt om een paar kranten in te kijken, mag zich nog voor het uur van de middag onder de rechtvaardigen rekenen.
Wie de geschriften van Yves Desmet leest, mag dit al bij zijn eerste kop koffie.
Zijn jongste artikel helemaal analyseren doe ik niet, lezer. Wie onder de rechtvaardigen gerekend wil worden, moet daar namelijk zelf ook iets voor doen.

Ik meen echter dat we al een derde van de weg kunnen afleggen als we volgende twee zinnen van Yves doorproeven en ons gezamenlijk ergeren aan zijn inhoudelijke leegte (“simpelweg wat gelukkiger”), zijn stilistische zwakte (“vertrouwensbarometers”), zijn ronduit onwaardige en slaafse wensgedachten (“de populariteit van zetelende regeringen verhogen”).
Vanzelfsprekend, we zouden nog een eind weegs kunnen gaan en beproevingen als “Ce n'est pas le moment om de Cassandra van dienst uit te hangen” in stilte over ons heen laten komen, wetend dat wij onze klep moeten houden.
“…in zowat alle landen die nog aan de kwartfinales van het WK deelnemen, lopen mensen simpelweg wat gelukkiger rond dan anders. Voor zover u de gekte nog niet zelf in uw eigen straatbeeld heeft opgemerkt, zie je ook de vertrouwensbarometers stijgen en de populariteit van zetelende regeringen verhogen.”

Aan u om de abdicerende, collaborerende knecht-journalist Desmet helemaal te lezen, rechtvaardige lezer. Bij hem lijkt meer dan één werveltje gebroken, of misschien te ontbreken.

21 april 2014

Le Monde Diplomatique maalt BHL heel fijn


Dezer dagen willen enkele heetgebakerde Russische parlementsleden Michail Gorbatsjov laten vervolgen omdat hij de Sovjet-Unie heeft laten uiteenvallen. Dit mag ons verwonderen want voor doorgewinterde historisch-materialisten als zij is het moeilijk vol te houden dat één man de loop van de geschiedenis zou hebben bepaald. Materiële ontwikkelingen in hun dialectische verbanden bepalen deze loop namelijk.
Laten we gevoeglijk aannemen dat de rechtszaak zal doodlopen, zelfs in het geval dat Gorbatsjov zich een volslagen idioot als advocaat zou uitkiezen.

Ernstiger is wat Gorbatsjov zelf de zeventiende maart aan het persbureau Interfax liet weten, na het referendum in de Krim:
De Krim mag destijds onder de Sovjetwetgeving aan Oekraïne zijn toegevoegd [...], zonder dat de bevolking om haar mening werd gevraagd, vandaag heeft dit volk besloten om deze dwaling recht te zetten. Men moet dit feit erkennen, in plaats van sancties aan te kondigen.

Ik meen niet dat de volkstribuun van het Maidanplein, onze flapuit Verhofstadt dit standpunt graag gelezen zal hebben, waarbij ik voor het gemak even ervan uitga dat hij het gelezen heeft.
Maar in Frankrijk hebben ze een flapuit die nog veel beroemder is, namelijk de zondagsfilosoof Bernard-Henri Lévy. Die man is zoals iedereen weet een pathologische leugenaar, een fantast die graag verslag uitbrengt van gebeurtenissen die hij niet gezien heeft en erger nog, filosofen citeert die nooit hebben bestaan, zoals Jean-Baptiste Botul (1896-1947).
Je vraagt je af hoe mensen een dergelijke kwast nog ernstig kunnen nemen. Nochtans is dit wel het geval. Onder meer bij Libération plaatst men zonder morren geregeld zijn stukken. Nu hebben zij daar ook een goede reden voor: vader Lévy dreef een handeltje in tropische houtsoorten en zodoende erfde zoon Bernard-Henri een paar honderd miljoen, zodat hij met wat zakcentjes zich kon inkopen bij die noodlijdende krant.
Minder begrijpelijk is het echter dat bijvoorbeeld ook Guy Verhofstadt en Yves Desmet hem blijven achternalopen, denk aan Syrië, Libië en daarvoor nog aan Kosovo.

Bij Le Monde Diplomatique weten ze alleszins beter, en in hun jongste nummer werd BHL lelijk gemaltraiteerd door de auteur Olivier Zajec, onderzoeker aan het Institut de stratégie comparée (ISC) in Parijs. Zajec brengt onder de titel 'L'obsession antirusse' een stuk waarin hij uitlegt wat de beweegredenen van Poetin zouden kunnen zijn en waarom die zich terecht of onterecht gebruuskeerd voelt.

Ik geef eerst een paar alinea's van de Franse tekst, en dan vertaal ik die, in het besef dat Zajec het stiletto zwieriger hanteert, vooral met zijn kleine zinnetje over de arme BHL. La petite phrase qui tue, waar de Fransen zo goed in zijn. Eerst geeft Zajec aan dat, als het wat moeilijker zaken betreft, vele Westerse politici en journalisten enkel nog in theologische, manicheïstische schema's kunnen denken:

Ces dernières semaines, le traitement médiatique des événements en Ukraine en a apporté la confirmation : pour une partie de la diplomatie occidentale, les crises ne trahissent plus une asymétrie entre les intérêts et les perceptions d'acteurs doués de raison, mais constituent autant d'affrontements ultimes entre le Bien et le Mal où se joue le sens de l'histoire.
La Russie se prête à merveille à cette scénarisation, qui a le mérite de la simplicité.'
[De manier waarop de media de gebeurtenissen in Oekraïne de jongste weken hebben behandeld, bevestigt dit: voor een deel van de Westerse diplomatie zijn crisissen niet langer uitingen van uiteenlopende belangen en zienswijzen van partijen die met rede begiftigd zijn, maar telkens weer finale botsingen van Goed en Kwaad waarbij de loop van de geschiedenis op het spel staat.
Rusland past wonderwel in dit scenario, dat de verdienste van de eenvoud heeft.]

En dan bespreekt hij de stommiteit van de nieuwe Oekraïense regering, die meteen het Russisch wilde verbieden:
M. Poutine ne pouvait rêver mieux que cette ineptie pour enclencher sa manœuvre criméenne. L'insurrection qui a mené à la chute de M. Ianoukovitch (élu en 2010), puis la sortie de la Crimée russophone du giron de Kiev n'est donc que la dernière manifestation en date de la tragédie culturelle consubstantielle à cette Belgique orientale qu'est l'Ukraine. Á Donetsk comme à Simferopol, les Ukrainiens russophones sont en général moins sensibles qu'on ne le dit à la propagande du grand frère russe : la décrypter avec une ironie fataliste est devenu une seconde nature. Leur aspiration à un véritable État de droit et à la fin de la corruption est la même que celle de leurs concitoyens de Galicie. M. Poutine sait tout cela. Mais il sait aussi que ses populations, qui tiennent à leur langue, n'échangeront pas Alexandre Pouchkine et les souvenirs de la «grande guerre patriotique» –nom soviétique de la seconde guerre mondiale– contre un abonnement à La Règle du jeu, la revue de Bernard-Henri Lévy. En 2011, 38% des Ukrainiens parlaient russe à la maison. Or la décision aventureuse et revancharde du 23 février a soudainement rendu le discours de Moscou véridique : pour l'Est ukrainien, le problème n'est pas que le nouveau gouvernement du pays soit parvenu au pouvoir en renversant le président élu, mais bien que sa première décision ait été de faire courber la tête à la moitié de ses concitoyens.
[Om zijn manoeuvre in de Krim op gang te brengen, kon dhr. Poetin zich niets beters dromen dan deze stommiteit. De opstand die heeft geleid tot de val van dhr. Janoekovitsj (verkozen in 2010), met daarop de uittreding van de Krim uit de schoot van Kiev, is dus niets meer dan de jongste uiting van de culturele tragedie, die eigen is aan dit België van het Oosten dat Oekraïne heet. In Donetsk, zowel als in Simferopol zijn de Russischsprekende Oekraïners meestal minder gevoelig dan men wel zegt voor de propaganda van de grote Russische broer: deze met een berustende ironie ontcijferen is een tweede natuur geworden. Hun verlangen naar een waarachtige Rechtsstaat, en naar het verdwijnen van de corruptie, verschilt niet van dit van hun Galicische medeburgers. Dhr. Poetin weet dit allemaal. Maar hij weet ook dat die volken, die aan hun taal gehecht zijn, Alexander Poesjkin en de herinneringen aan de «grote vaderlandse oorlog» –de sovjetbenaming voor de Tweede Wereldoorlog– niet zullen inruilen voor een abonnement op La Règle du Jeu, het blad van Bernard-Henri Lévy. In 2011 spraken 38% van de Oekraïners thuis Russisch. Maar nu heeft de riskante en revanchistische beslissing van 23 februari het Russische discours plots geloofwaardig gemaakt: voor Oost-Oekraïne is het probleem niet zozeer dat de nieuwe regering aan de macht is gekomen door de gekozen president af te zetten, maar wel dat het haar eerste beslissing was om de helft van hun medeburgers het hoofd te doen buigen.]

En laat me besluiten: nu het Journaal van Mark Grammens niet meer bestaat, waarin hij zo vaak de lof zong van Le Monde Diplomatique, wil ik graag vermelden dat behalve het bovengenoemde artikel er nog veel meer lezenswaardigs te vinden is in hun aprilnummer. Twee titels maar: Bonapartisme ou Constituante, met als verduidelijking 'Un cadre politique légal mais illégitime', een scherpe bespreking van het Verdrag van Lissabon en het EU-parlement, dat er geen is (van André Bellon, oud-voorzitter van de Franse Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken).
En verderop (van Frédéric Lordon, auteur en econoom) nog een artikel over de EU: Un peuple européen est-il possible? met ter verduidelijking 'La machine Bruxelloise s'emballe' (slaat op hol).
Hopelijk vindt onze bevlogen ex-premier tijdens zijn kiescampagne nog een rustig moment om ook deze beide auteurs van antwoord te dienen.


8 juni 2013

Deiectus aquae


Al wie het onderwijsdebat van de vorige dagen en weken met vrucht wilde volgen, kon niet om een aantal natuurkundige termen heen. Meestal waren deze afkomstig uit de hydraulica. Doorstroming, instroom en uitstroom moest je vlot kunnen gebruiken, onverschillig of je in je jeugd nu Grieks en Latijn had gedaan of A3.

Ook watervallen (deiectus aquae) kwamen ter sprake. Dit is een wat complexer begrip dan de eerste drie, die tenslotte ook in de loodgieterij niet onbekend zijn. Wat we ons moeten voorstellen is dat een hooggelegen hoeveelheid water op een catastrofale manier naar beneden komt.
Als er nu bovenaan voldoende instroom is, zal zo’n waterval blijven werken, en anders valt ze stil. Van beide fenomenen zijn er in de natuur voorbeelden.

In het onderwijsdebat echter, worden die termen in overdrachtelijke zin gebruikt, figuurlijk, metaforisch. Met de natuur, hoe interessant ook, zullen wij ons verderop dus niet meer bezighouden. Onthouden we vooral dat een waterval niet altijd naar behoren functioneert.

De degoutante uitspraak van Yves Desmet, over de “scholen voor de elite, waar dan de kinderen van Bart De Wever naartoe zullen gaan” werd hem door vriend en vijand kwalijk genomen. Het getuigt van weinig stijl om zoiets te zeggen, vinden ze. Een gebrek van de persoonlijkheid zelf, en bijgevolg ongeneeslijk.

Ik ben eerder geneigd om samen met Aristoteles die uitspraak aan een apaideusia toe te schrijven, een onopgevoedheid. Als er in de tijd van Yves Desmet een goed werkende waterval was geweest, dan hadden we aan hem nu misschien een uitmuntende kok, en had hij zijn broek niet moeten verslijten in de Latijnse, en later in de afdeling der “communicatie-wetenschap”, zoals bekend een vergaarbak aan de buitenmuur van vele universiteiten.
Dat zijn Latijnse studiën hem grotendeels zijn voorbijgegaan, en de jonge Yves wellicht beter kok was geworden, moet ik vanzelfsprekend toelichten.

Hij mocht, als oud-leerling van de historica Els Witte, bij haar emeritaat een toespraak houden en haar het “liber amicorum” overhandigen. Het is een hele eer om zoiets te mogen doen en je vertelt dan niet om het even wat.
Nu was er een kleine complicatie: het boek heette in dit geval niet gewoon liber amicorum, maar god weet waarom liber alumnorum.

De dag na die feestelijke uitreiking werd Yves gevraagd om voor de radio de rol en betekenis van Els Witte toe te lichten in een interviewtje. Het gesprek ging niet rechtstreeks maar werd vooraf opgenomen –toevallig door uw dienaar– en halverwege vroeg de journalist: “Wat betekent dat eigenlijk: alumnorum?”  Zulke dingen worden er achteraf uitgeknipt.
En je zou inderdaad denken dat iemand die de dag daarvoor een boek overhandigd heeft gewoon weet wat de titel ervan betekent, of het minstens zou hebben opgezocht om zijn speech te kunnen schrijven.
"Ja ...dat weet ik niet", antwoordde Yves.
Zo snel als de bliksem duwde ik op de intercom-knop, en zei in één adem: “genitief mannelijk meervoud van alumnus hij die gevoed is”.
Yves zijn gezicht betrok.
Toen ze de studio uitkwamen, voelde ik mij zedelijk verplicht om kennis te maken: "Mijn naam zal u niets zeggen, maar u kent me misschien van de blog victacausa?"
"Oh, zo hebben we elkaar dan eens ontmoet", zei Yves en verdween, ook als de bliksem.


9 februari 2013

Ex abundantia


Een rechtgeaarde persoon zal het betreuren, maar dat neemt niet weg dat er mensen bestaan die twijfels hebben bij het niveau en de bekwaamheid van onze Vlaamse journalisten.
Ik vraag mij af: wat kan zulke twijfelaars bezielen?
Nemen wij die kwestie laatst van de hypothetische loketjanet in Antwerpen. Dat was een onderwerp dat onze Vlaamse journalisten perfect lag, en ik wil de eerste nog zien die iets kan aanmerken op de analyses die Sturtewagen en Desmet daarbij ten beste gaven.
Ja, van Naegels kwam er iets lelijks, maar dat is een zeur.

En ook op een iets lager niveau dan dat van de hoofdredacties waren er mooie analyses. Luisteren wij bijvoorbeeld even naar Joël De Ceulaer, de man van de mindfulness of mondvolheid, die niettemin stevig staat in zijn geloof dat hij ongelovig is, en die ook even geloofde zelf hoofdredacteur te zullen worden van een weekblad maar sindsdien veel naar zijn tv kijkt. Zo veel zelfs dat hij tenslotte er zelf op kwam, gezeten achter zijn pc en voor zijn boekenkast.

Het is spijtig lezer, dat wij hier enkel klank hebben want het bewegende tv-beeld met al die kraaknette, ongeschonden ruggetjes van zijn boeken was sterker:



Bon, zonder beeld dan: iedereen is blij mag ik ongetwijfeld zeggen, als hij een mooie verbogen vorm te horen krijgt zoals "ten overvloede" want met verbuigingen gaat het vaak mis. En toch, hier had ik Joël liever "ex abundantia" horen gebruiken.
Zijn redenering staat als een huis, daar gaat het niet over, en een kleine week geleden was ze ook nog geen irrelevantie, maar zoals een dichter zei: "in het Latijn, kan het niet gelogen zijn".
Joël zijn bewijs ten overvloede had erbij gewonnen als hij even naar de taal van Vermeersch en De Wever had teruggeschakeld.

o-o-o-o-o

noot van 12 februari: ten behoeve van diegenen die met een IPad lezen, en dus geen mp3-bestanden kunnen horen, transcribeer ik wat Joël vertelt in het bovenstaande klankfragment:
"Bart De Wever, de burgemeester van Antwerpen, en de belangrijkste partijvoorzitter, euh voorzitter van de grootste partij van Vlaanderen, verlegt een grens in het neutraliteitsdebat, en het neutraliteitsdebat zal in onze diverse samenleving alleen maar belangrijker worden. Dat is een van de redenen waarom die uitspraken bijzonder nieuwswaardig waren. Het feit dat we er al vijf dagen over bezig zijn, bewijst dat, euh ten overvloede ook hé."
Ik zou ook de andere redenen voor die nieuwswaardigheid graag van hem vernomen hebben, maar dat is wellicht voor een volgend interview.


10 februari 2010

Lang leve de filosoof Jean-Baptiste Botul

.
Het is deplorabel maar waar. Wie meent dat er in de filosofie nooit eens gelachen kan worden heeft gelijk. En die eindeloze ernst en droefgeestigheid van filosofen gaat een mens op den duur tegenstaan.
Uitzonderingen op de regel zijn er altijd, zo leert ons de filosofie, en dus bestaan er toch ook grappige filosofen. Schopenhauer is een goed voorbeeld, maar Augustinus in zijn tijd kon ook geestig uit de hoek komen. En Baltasar Gracián niet te vergeten, al vermaande deze jezuïet juist diegenen die voortdurend geestigheden willen verkopen. Dan word je aan het eind niet meer ernstig genomen, waarschuwde hij. Er zijn nog voorbeelden te noemen, maar algemeen gesproken vormen filosofen toch een trieste, zeurderige bende, zelfs als ze het over hun zogenaamd vrolijke wetenschap hebben.

Dan is het avontuur dat de filosoof Bernard-Henri Lévy deze week overkwam een welkome afwisseling. Weliswaar gaat het bij Bernard-Henri niet om een geestigheid die hijzelf zo bedoeld had (waartegen Gracián immers waarschuwt), maar helaas om een onbedoelde beestigheid, om pure bêtise.
Zeker, de lezers hier weten dat BHL strikt genomen geen filosoof is, maar in de wereld rondom ons zijn er nog velen die denken van wel. Yves Desmet bijvoorbeeld loopt hoog op met de man, en als hij iets van hem hoort dan herhaalt hij dat ook, ook al werd er dertig jaar geleden al ernstig gewaarschuwd voor die jongen. Vidal-Naquet schreef in 1979 dat hij in hem niet meer zag dan “un médiocre candidat au baccalauréat”. Hij staafde dat met enkele afgrijselijke, beschamende, bloedstollende blunders van BHL, feiten die de man niet kent, zaken die hij verdraait. Maar misschien werd Vidal-Naquet niet op alle redacties goed gelezen.

Nu heeft deze BHL zonet weer een boekje gepubliceerd, en onvervaard neemt hij daarin niets minder dan de Aufklärung zelf op de korrel, meer bepaald dus Immanuel Kant.
Ik heb zijn boekje niet gelezen, het is er pas morgen, en ik weet bijgevolg niet of hij ook de modeterm “verlichtingsfundamentalisme” bezigt, maar aangezien BHL eerder al partij koos voor de UCK van de moslims in Kosovo, en luidkeels Amerikaanse bombardementen op Belgrado afriep en goedkeurde (met even later applaus van Desmet vanzelfsprekend), zou de term althans van enige suite dans les idées getuigen.

In een boekje dat ik wél gelezen heb, lang geleden, en dat Pieter Bas heet, vertelt Godfried Bomans dat onder Leidse studenten het nog eens voorkwam dat laat op de avond in de sociëteit iemand uitriep: “Kant kletst!”, en dan veel bijval oogstte.
Iets dergelijks heeft nu BHL in Parijs ondernomen, maar helaas voor hem en voor zijn bewonderaars liet Bernard-Henri het niet bij een zatte kreet in een café.

Ter staving van zijn aanval op Kant zoekt BHL steun bij een andere filosoof (op zich een eerbaar en aanbevelenswaardig procedé), namelijk bij de relatief onbekende Jean-Baptiste Botul (1896-1947), auteur van o.m. La vie sexuelle d'Emmanuel Kant (conférences «retrouvées» par Frédéric Pagès), vertaald als Das sexuelle Leben des Immanuel Kant, een Reclam-boekje. Van deze auteur Pagès verschenen meer werken, bijvoorbeeld Landru, précurseur du féminisme: Correspondance inédite, 1919-1922, of Métaphysique du mou, waarin Botul de aard van het begrip “malsheid”, of “weekheid” ontrafelt:

En 1938 Botul crée et explore le concept de mouïté. Il en tire des idées étonnantes, qui bouleversent la phénoménologie ambiante, sur l’Être, le néant, la charcuterie, le fromage, les seins des femmes, le transport des valises et les années trente.
In 1938 creëert en onderzoekt Botul het concept 'weekheid'. Hij puurt er verbluffende ideeën uit, die de doordeweekse fenomenologie overhoophalen betreffende het Zijn, het Niet-zijn, de charcuterie, de kaas, de borsten der vrouwen, het transporteren van valiezen en de jaren dertig.

Dat alles moet voor BHL zeer overtuigend geklonken hebben, en blakend van zelfvertrouwen schrijft hij over Kant:

Ou bien encore Kant, le prétendu sage de Königsberg, le philosophe sans vie et sans corps par excellence, dont Jean-Baptiste Botul a montré, au lendemain de la Seconde Guerre mondiale, dans sa série de conférences aux néo-kantiens du Paraguay que leur héros était un faux abstrait, un pur esprit de pure apparence - et cela à deux titres au moins: le concept de monde nouménal où s’entend l’écho d’une jeunesse spirite, vécue parmi les ombres et les limbes, dans un royaume d’êtres énigmatiques et accessibles par la seule télépathie; l’idée, ensuite, des catégories de l’entendement, la manie du transcendantal, l’obsession de catégories rigides fonctionnant comme un corset et qui semblent parfois là pour contenir une folie souterraine, donner forme au flux chaotique des sensations, faire barrage à la confusion mentale dont les biographes savent, aujourd’hui, qu’elle le menaçait plus qu’aucun autre - Kant, ce fou furieux de la pensée, cet enragé du concept, dont toute la Critique de la raison pure pourrait se lire, dans ce cas, comme le récit d’un drame intime, une autobiographie secrète et cryptée…Pourquoi est-ce que je dis tout cela ?...

Of nog Kant, de zogenaamde wijze van Königsberg, bij uitstek de filosoof zonder lijf en zonder leven, van wie Jean-Baptiste Botul heeft aangetoond, vlak na de Tweede Wereldoorlog, in zijn reeks voordrachten voor de neo-Kantianen van Paraguay, dat hun held een abstracte vervalsing was, een loutere schim en verschijning – en dat om minstens twee redenen: het concept van de noumenale wereld [Platoons-Kantiaanse term voor “idee”, een “Ding an sich”, dat we ons enkel geestelijk kunnen voorstellen, los van zijn zintuiglijke verschijningsvormen of fenomenen], waarin wij de echo kunnen horen van het spiritisme van zijn jeugd, die hij beleefde tussen schaduw en schemer, in een koninkrijk van raadselachtige wezens die zich enkel telepathisch lieten benaderen; vervolgens de idee van de categorieën der rede [van de ratio, het vernuft], de manie van het transcendentale, de obsessie met strakke categorieën die als een korset functioneerden, en die er soms enkel lijken te zijn om een ondergrondse gekte in toom te houden, om vorm te geven aan de chaotische stroom van gewaarwordingen, een dam op te werpen tegen die geestelijke verwarring, waar de biografen vandaag van weten dat deze hem meer dan wie ook bedreigde – Kant, die razende gek van de gedachte, die bezetene van het concept, wiens hele Kritiek van de Zuivere Rede je kunt lezen als, in dit geval, het relaas van een innerlijk drama, een geheime en versleutelde autobiografie …Waarom vertel ik dit alles? …

Ja, waarom vertelt BHL zoveel? .omdat hij niet wist dat zijn filosoof Jean-Baptiste Botul, een verzonnen personage was van een echte filosoof, en journalist bij de Canard Enchaîné,. Frédéric Pagès* ?
Of misschien gewoon omdat hij zijn geparfumeerde bek niet kan houden?
_____________________
* «Il n’a jamais été établi explicitement que Botul n’a pas existé et il n’est donc pas à exclure qu’un jour, l’histoire rende raison à Bernard-Henri Lévy», commentait hier Frédéric Pagès.
"Er is nooit ondubbelzinnig aangetoond dat Botul niet heeft bestaan, en dus kun je niet uitsluiten dat op een dag de geschiedenis Bernard-Henri Lévy gelijk geeft", was gisteren de commentaar van Frédéric Pagès.



le quistre intégral

22 november 2009

Al die willen te kaperen varen

.
Als hij zag dat zijn makkertjes op de speelplaats met elkaar slaags raakten, dan wierp de nochtans tenger gebouwde Domenico Savio (1842–1857) zich dapper tussen de partijen, en stak hij een kruisbeeld in de hoogte. .Zijn tussenkomsten hadden vaak een gunstig effect, en zo werd Domenico de jongste heilige in de categorie niet-martelaren (hij stierf aan een longontsteking).

Op die pleuris na, lijkt de wat oudere Yves Desmet nu een gelijkaardige rol te willen spelen. De methode die Yves aanwendt is vanzelfsprekend niet meer die van StDomenico. Ook vrees ik dat Yves de hemel er niet mee inkomt. Wel kan te zijnen gunste aangevoerd worden dat tenminste zijn hart bloedt, als hij ziet hoe zijn makkertjes Etienne, Benno, Paul en vele anderen in twist en tweespalt raken, maar dat verschoont nog niet het gebruik van alle middelen.

Het zou ons te ver leiden lezer, om heel Yves zijn strategisch arsenaal bloot te leggen. Daartoe zouden wij zijn essay, de vele antwoorden daarop, en tenslotte weer zijn stukje van gisteren moeten doorploegen. Daar hebben u noch ik de tijd voor. We beperken ons tot zijn gebruik van twee kunstgreepjes.

Een goede retorische truc is het, als je merkt dat je in een debat aan het kortste eind zult trekken, om de argumenten van de tegenstander tot de jouwe te maken. Je roept dan: “Dat heb ik zelf altijd al gezegd!”. En ja, Yves Desmet wees op zijn bijna-martelaarschap na die “kutmarokkaantjes” van hem. Nog even, en hij had geschreven: .Die Wunden klaffen, es verströmt mein Blut. Ein Posten ist vakant!

Een nog betere truc is het, om meteen het vocabularium zelf van de twist, alle gebruikte termen naar eigen hand te zetten. Je geeft die termen dan een betekenis die verschilt van wat iedereen er altijd al onder verstond.
Laten we ons beperken tot de bespreking van de term “kaping”. Goossens sr. had ergens opgemerkt dat het migratiethema “gekaapt was” door, wat hij noemt de rechterzijde.

De Nederlandse jurist Grotius bespreekt deze term al, en oorspronkelijk vond hij kaping, tenminste in open water, een Natuurrecht. Later, toen Engeland de eerste macht ter zee was geworden, herzag hij zijn mening en vond hij het een misdaad. Omstandigheden veranderen, en het is geen misdaad om van mening te veranderen.
Maar wat gelukkig Hugo De Groot nooit heeft overwogen, was om de term kaping te gebruiken, als er in volle zee en zonder vijandelijke bedoelingen een stuurloos en onbemand schip werd geënterd en naar de haven gesleept, waarop enkel wat verstekelingen zaten. En dat doet Goossens wel (in zijn onschuld neem ik aan).

Helaas valt Yves Desmet hem bij, weliswaar na enig tegenstribbelen, want hij geeft ootmoedig toe dat het migratieschip door de welmenende bemanning inderdaad vrijwillig was verlaten:

Daarmee doet [Goossens] zichzelf , en de hele linkerzijde, groot onrecht aan, want zij hebben het debat wel degelijk jarenlang beheerst en gestuurd.
Ook in zijn essay vorige week zei Desmet nog over de migratieproblemen:
“Dat punt is zeer lang onbespreekbaar geweest, […]”.
Maar dan wordt de verleiding Yves plots te sterk, en stapt hij mee in de Goossense on-taal:
Paul Goossens, de vrijwel voltallige linkerzijde en trouwens ook bovengetekende, hebben die blinde vlek jarenlang gekoesterd en zo toegestaan dat het migratiedebat inderdaad door anderen gekaapt is.
Na “jongeren”, “diversiteit”, “cultuur”, “vriend”, "fobie" en zovele andere woorden, kunnen we niet toelaten dat de PC-journalisten, of ze slim zijn of dom, nu ook het woord “kaping” kapen.
.

17 november 2009

De halve maan schijnt door de bomen

.
Wie, zoals Yves Desmet, een essay van drieduizend vierhonderd vijfendertig woorden begint met .“Het langzaam de kop opstekende islamdebat in dit landje…”, geeft meteen twee zaken te kennen: ten eerste dat hij pas uit een lange slaap is ontwaakt, en ten tweede dat hij graag verkleinwoordjes gebruikt, misschien in de hoop dat hijzelf dan wat groter lijkt.
Wat Desmet verwijt aan diegenen die al een poos hun warme bedje uit zijn gekomen, is dat ze onder het raam van zijn slaapkamer islamieten staan uit te schelden. Zo kan hij niet verder dutten. Heel begrijpelijk.

Zelf is Desmet in het jaar onzes Heeren 2002 ook even klaarwakker geweest, deelt hij ons fier mee:
Dat punt is zeer lang onbespreekbaar geweest, zoals ik zelf mocht ervaren in april 2002, toen ik het, jaren voor de huidige islamcritici zich outten, al had over de problemen van de rot-Marokkaantjes in de grootstad.
Maar Yves moet zijn 3435 woorden met een wat suffe kop geschreven hebben, want in 2002 had hij het niet over “rot-Marokkaantjes” maar over “kutmarokkaantjes”, een scheldterm die hij uit Nederlandse kranten opgevist zal hebben toen –dat woord hadden ze ginds op overschot, en het was er op zijn retour. Onze zevenslaper meent nu dat hij een pionier is geweest, en zijn lezers jaren geleden al wakker heeft geschud.

Ja, journalisten en correct citeren! .Dat zijn aparte werelden. Iets verderop citeert hij niet zichzelf, maar Sami Zemni, een wetenschapper, zoals men politicologen wel eens noemt:
Als mensen van links, zoals Benno Barnard en Wim Van Rooy, beginnen te schrijven dat Philip Dewinter gelijk heeft over de islam, wordt het gevaarlijk.
Volgens slaapdronken Desmet kun je dit aldus samenvatten:
Zoiets hebben Barnard en Vermeersch vooreerst nooit geschreven, en hun islamkritiek meteen gelijkschakelen aan…
Goed, de schuld ligt hier gedeeltelijk bij Barnard, die inderdaad veel schrijft, en dan werk je bij sommigen verwarring in de hand.

Laten we daarom een ander citaat bekijken, dat Yves misschien wél goed heeft:
"Het is merkwaardig", liet professor Mark Elchardus onlangs optekenen, "hoe mensen die twintig jaar geleden nog migranten waren, en tien jaar geleden allochtonen, nu uitsluitend als moslims worden aangesproken, zonder dat er eigenlijk iets aan hun leefwereld en overtuiging is veranderd."
Hier zou ik de goede professor erop willen wijzen, dat de meeste waarnemers wel degelijk een verschuiving zien in de overtuigingen en gedragingen van de Maghrebijnen en Turken die zich hier hebben gevestigd. Er is onmiskenbaar sprake van radicalisering, en daar zijn ook redenen voor. Vooreerst is die groep nu veel en veel talrijker dan Desmet ons graag wil laten geloven:
Volgens demografische berekeningen van het Planbureau zal in 2030 ongeveer 5 procent van de Belgische bevolking van Marokkaanse of Turkse oorsprong zijn.
Dit is een manifeste leugen, misschien tot stand gekomen door het trucje met de term “nieuwe Belgen” toe te passen op de kinderen van allochtonen. Die blijven dan netjes buiten de statistieken. In werkelijkheid is het percentage allochtonen vandaag een stuk hoger dan de ridicule 5% van het Planbureau. Als een journalist zulke cijfers al ernstig neemt, wordt een zinnig gesprek moeilijk.
En ten tweede brengt dat mee dat die mensen zich ook als groep gaan opstellen, met groepsrechten, ingaande tegen die van de bestaande maatschappij, en overigens tegen het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Maar daar blijft het niet bij. Desmet verwijt aan mensen die daadwerkelijk iets hebben gelezen over de islamdat zij over de islam iets gelezen hebben:
Barnard en Vermeersch argumenteren vaak op basis van een exegese van Koranfragmenten. In dat boek vind je inderdaad nogal gruwelijke voorschriften en fragmenten, dat heeft het met het Oude Testament gemeen
Zoals op Desmet na iedereen weet, bevat het Oude Testamenthij zal dat nog niet vaak ter hand genomen hebben, vermoed ik– …bevat het histories en verhalen over wat vroeger was gebeurd. Die vertellingen kunnen inderdaad wreed zijn. Maar voorschriften zijn het niét, en dat is het verschil met de koran –die Yves evenmin al vaak heeft gezien, vermoed ik.
In de koran namelijk, zijn zulke wreedheden gedragsregels, geboden, voorschriften. En die worden ook opgevolgd, niet in de eerste plaats door de achterlijke islamieten in hun thuislanden (dar al islam), maar wel door diegenen die in het Westen (dar al harb: het huis van de oorlog) een opleiding genoten hebben. Misschien kan de brave Elchardus hier ten behoeve van Yves wel een illustratie geven? al zal hij dan noodgedwongen over een gedragsverandering bij de islamieten moeten spreken.

God! Desmet is te repetitief om hem volledig onder handen te nemen, en om hem ernstig te nemen is hij te slordig.
Wat moet je als lezer bijvoorbeeld denken, als je hem naïef ziet schrijven:
De moslimcultuur rond het Alhambra was in de vroege middeleeuwen de meest vooruitstrevende en open samenleving die er destijds bestond, en het katholicisme was niet zo lang daarna verantwoordelijk voor de inquisitie.
Dat die mooie en verdraagzame cultuur van Andalusië enkel een vroom XVIIIde E.'s verzinsel is, weet ongeveer iedereen die al eens een boek heeft gelezen dat niet van Lucas Catherine afkomstig is.
Maar dat de Vroege Middeleeuwen zó laat vielen, wist werkelijk nog niemand.

Het is moeilijk praten met iemand die de betekenis van zijn eigen termen niet snapt.
.

17 januari 2009

Zat van onrust

.
De laatste tijd merk je het op ongeveer elke bladzijde van onze kwaliteitskranten: onder de kwaliteitsjournalisten is onrust gevaren. Je voelt dat er soms rillingen lopen over de kwaliteitsruggen.
Nu, journalisten zijn mensen als iedereen, en de mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust, wist Job al. Ook is het begrijpelijk dat die onrust in de eerste plaats hun eigen positie betreft, hun inkomen, aanzien en status. Maar zulke overwegingen zijn gelukkig enkel een vertrekpunt, wellicht een gevolg van de verhoging van hun klassebewustzijn, zoals die bij elke economische crisis plaatsheeft. Geheel volgens de leer.
Hun diepere bekommernissen evenwel zijn van elke baatzucht vrij, en wat je integendeel opmerkt is een waarachtige morele verontwaardiging. Als Vierde Macht heb je verantwoordelijkheden namelijk, en niemand mag beletten dat deze macht naar behoren haar werk doet. Als een journalist iets geconstateerd heeft, dan moet hij daar ongehinderd verslag van kunnen doen. Als een Yves Desmet bijvoorbeeld ziet dat laatst in Brussel een vredesbetoging enigszins ontsierd werd –tegen het eind toch– door kat-en-muis-spelletjes met de politie, dan moet hij dat feit zonder meer kunnen melden. Dat is gelukkig ook gebeurd.

De overheid moet zelfs gedogen, en dat is gelukkig ook gebeurd, dat minder gekwalificeerde reporters hun verslag doen – bv die van die andere Kobbegemse krant, die volhielden dat er méér aan de hand was dan hun kwaliteitscollega had menen te zien, en dat er grote vernielingen waren, en ongeveer honderd aanhoudingen.
Maar ergens moet wel een grens worden getrokken. Bloggers bijvoorbeeld, of sites zoals GeenStijl: dat gaat velen te ver. Sunt denique fines. Al was het maar omdat die kereltjes hun taal vaak slecht beheersen, wat toch weer een soort vervuiling meebrengt.
Steven De Foer wijdt een paar minipaginaatjes van De Standaard aan deze kwestie. Hij bespreekt de neologismen van GeenStijl, en ten behoeve van de eenvoudigen onder ons verklaart hij er ook enkele.
Bashen, zegt Steven, is agressief aanpakken, beledigen. Hakbar is een extremistische moslim, een verbastering van Allah Akbar. Lutser is iets tussen loser en prutser. Fappen is een onomatopee voor masturberen.
Dat laatste vond ik eigenaardig. Onomatopee is een moeilijke term – Grieks woord natuurlijk, όνοματο-ποία, dat als ik het goed heb wijzelf pas in de XVIde E. uit het Frans hebben overgenomen. Het betekent dus woordvorming. Meer bepaald is een onomatopee een geluidnabootsend woord zegt Van Dale, die het verder bij onschuldige voorbeelden als tiktak en koekoek houdt.
Het voorbeeld dat De Foer geeft lijkt mij gewaagder. Ik ken de lichamelijke functies van de man onvoldoende om hier te kunnen oordelen, maar mijn vermoeden is dat hij het woord onomatopee niet goed heeft begrepen.
Bij bloggers zou zulke onwetendheid zelfs voorspelbaar zijn, maar ook bij kwaliteitsjournalisten is ze vergeeflijk. Griekse termen komen niet zo vaak voor, en de term dysfemisme gebruikte De Foer overigens wél correct, zij het zonder verklaring deze keer (ruwe term, δύς-φήμη, cf. het bekendere eufemisme, dat ook Yves Desmet ongetwijfeld zal begrijpen), en tenslotte kennen zijn oudere collega’s, ik denk aan een Bernard Bulcke, die de EU zo genegen is, niet eens de Nederlandse woorden.
In een reclameartikeltje voor het nieuwste pamflet van Verhofstadt had die het over irritant lang gerokken discussies op menig Europese raden. Ik heb het natuurlijk niet over die drukfout (menige en ook Europese Raad in het enkelvoud was beter), maar over het verleden deelwoord van onze kwaliteitsjournalist.

.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html