20 september 2019

Iets te vanzelfsprekend


In een filmpje dat Joël De Ceulaer maakte en waarin hij zijn recente boek samenvat, zegt hij dit:

'Het derde gebrek van de democratie is dat ze fundamenteel onrechtvaardig kan zijn. Als de wil van de meerderheid niet in toom gehouden wordt door de rechtsstaat, dan kunnen er ongelukken gebeuren. Dan kan het heel slecht aflopen met de rechten van minderheden en individuen. Ik hoef daar in deze tijden geen tekening bij te maken. Dus de macht van de massa, die essentieel is in de democratie, moet worden tegengewerkt door de kracht van de rechtsstaat. Zonder de rechtsstaat, zonder die bescherming van minderheid en individu is de democratie geneigd om onrechtvaardig te worden.'


Vraag is dan waar die rechtsstaat vandaan komt. Is die voorafgaand aan de democratie? Is hij misschien met ondemocratische middelen tot stand gekomen en gunt hij de democratie slechts een beperkte speelruimte? Met wetten die door rechters zijn gemaakt? Of is die rechtsstaat een natuurrechtelijk begrip, een gegeven, een evidentie 'waar geen tekeningetje bij nodig is'?

De Ceulaer komt hier ongewild heel dicht in de buurt van het absolutisme of de oligarchie, of zelfs –wat hem vaker overkomt– van de theologie.

We zullen er Montesquieu en Tocqueville op moeten naslaan, of zelfs de ouden, Plato of Aristoteles en Polybius...
_________
Noot:
Omdat enkele vrienden me zegden dat die 'theologie' niet meteen duidelijk was, voeg ik dit toe:

Theologie is bij Joël nooit veraf (al zal hij dat met verbazing vernemen wellicht). Onze man zou denkelijk bij Joseph de Maistre (hij zou die eens moeten lezen) steun hebben gevonden voor zijn visie dat 'de democratie' in toom moet worden gehouden door ...iets externs, iets van buitenaf, eventueel van bovenaf dus, zoals de Voorzienigheid van Maistre. Anderzijds: misschien volstaat een gouvernement des juges wel voor hem.

15 september 2019

Alweer een nieuwe fobie ontdekt!


Ψηφίζω (psefídzo) betekent, zoals de Bailly hiernaast zegt: stemmen, naar de stembus gaan, kiezen. In Griekenland ging dat met keitjes (psefoi) die in een urne werden gegooid, vandaar.

Of ze in Athene ook peilingen hielden …ik vermoed van niet, maar wellicht kon iemand – of hij moest aan agorafobie lijden – op de agora toch horen wat er zoal leefde onder de burgers.

Wij pakken dat wetenschappelijker aan, en de jongste oefening in het genre zal me dunkt de federale regeringsvorming flink vooruithelpen.

Voor de deftige Vlaamse partijen zal namelijk alles aantrekkelijker zijn dan nieuwe verkiezingen. Een peiling mag dan pijnlijk zijn, een bittere kelk om te drinken, maar bij verkiezingen dreigen amputaties. Zoiets stel je toch graag een jaar of vijf uit?

Ik zou dus, aangezien we in de tijd van de fobieën leven, een nieuw begrip willen invoeren dat in de journalistiek zijn nut kan bewijzen, en dat ook de politicologen minstens een air van wetenschappelijkheid kan bezorgen.

Politici en opiniemakers lijden aan psefidzofobie, een panische angst voor verkiezingen.



9 september 2019

Obsceniteiten in Gent


«Les villes deviennent de plus en plus des lieux touristiquement formatés» schreef laatst Libération: steeds meer worden steden plekken gesneden op maat van de toerist.
Dat is onloochenbaar, en overal zie je stadsbesturen meewerken aan de Disneylandisering. Je hoeft niet naar Barcelona of Dubrovnik om dat te constateren: ook kleine stadjes als Gent (ik zwijg nog over Brugge) zitten opgescheept met stadsbesturen die er alles aan doen om ‘hun’ stad, met haar eeuwenoude schatten ‘te valoriseren’. Zo drukken die onverlaten dat uit. Alsof zij iets afwisten van waarden, of zich er iets aan gelegen lieten liggen.
Ach ja, de bruggenhoofden om horden barbaren te ontvangen zagen we al eerder verschijnen: Amerikaanse hotels, MacDonaldsen, Starbucks, al die kankers hebben zich al lang genesteld in het weefsel van stad. Zo gaan bezetters te werk.
En natuurlijk zitten hun collaborateurs niet enkel bij de stadsbesturen: ook bepaalde middenstanders en immobiliëninvesteerders willen graag meevreten. Cultuur kan hen gestolen worden, om de centjes gaat het.
De foto hierboven toont een leegstaand pand aan het Veerlepleintje, en de kreten die de geldbeluste eigenaar afficheert zijn wat mij betreft obsceen en afkomstig uit een wereld waar fiere Gentenaars op neer moeten kijken.

Over oude tv-koks


Je kunt je afvragen wat ze vroeger dan wél uitzonden, maar er is een tijd geweest dat nog niet elke televisiezender een dagelijks kookprogramma had.
Op de Franse televisie volgde ik dertig-veertig jaar terug elke zaterdagmiddag ‘La vérité est au fond de la marmite’, met Michel Oliver. Die had zijn vader Raymond opgevolgd, de eerste gemediatiseerde sterrenkok.
Tot mijn groot plezier kwam France Culture pas met een reeks van 5 uitzendingen over en met zoon Michel, en daarin vertelde die iets dat hij van zijn vader had geleerd. Elk weldenkend mens zal het met hem eens zijn, en ook veel restaurateurs kunnen er iets van opsteken:

Hij had zijn opvattingen: hij moest helemaal niets weten van opgedirkte schotels. Hij zei – en ik denk dat hij gelijk had, ik pas die techniek toe: ‘Elke seconde die verloren gaat bij de presentatie van een schotel is een seconde verloren voor de kwaliteit als ze bij de cliënt arriveert.’ Tegen die logica is niets in te brengen. Als je een schotel klaar hebt en je besteedt vijf minuten aan de presentatie ervan, komt die lauw op tafel. Of je moet ze weer opwarmen, en dat is geen koken! Koken, dat is de onmiddellijke overdracht. Het is het directe genoegen, meteen. Het is klaar, ik geef het je: aan jou nu.


Il avait des théories: il n’aimait pas du tout le décor dans les plats. Il disait – et je pense qu’il a raison, j’applique cette technique: «Toute seconde perdue à la présentation d’un plat est une seconde perdue pour sa qualité à l’arrivée devant le client.» C’est d’une logique imparable. Si vous terminez un plat que vous passez cinq minutes à le décorer, il arrive tiède. Ou alors il faut le réchauffer, et c’est pas ça la cuisine! La cuisine c’est la transmission immédiate. C’est le bonheur tout de suite, là. C’est fait, je te le donne, c’est à toi.

o-o-o-o-o
Het was altijd Franse keuken natuurlijk, maar hier
per uitzondering een recept om zelf hamburgers te maken.

18 augustus 2019

Stendhal als stadsgids


Stendhal was behalve schrijver en atheïst ook diplomaat, en dus moest hij soms enige voorzichtigheid aan de dag leggen. In bijvoorbeeld zijn Promenades dans Rome beschrijft hij de stad, de schilderijen en standbeelden, het Vaticaan enzovoort, zeshonderd bladzijden lang. Maar hij doet dat niet voor ons, lezers: hij is zogenaamd stadsgids voor een kleine compagnie van vier mannen en drie vrouwen, allemaal Parijse kunstliefhebbers die hij moet inwijden in de klassieke schoonheid. Een handige truc want zo kunnen die zeven af en toe iets voor eigen rekening zeggen, een procedé dat ook Heine en Poesjkin soms toepasten. Eén van hen, Frédéric, is juist even oud als Stendhal zelf, en zegt soms onvoorzichtige dingen die de auteur niet in zijn mond zou nemen. Of Stendhal laat andere auteurs aan het woord: M. de Lalande* zei: «Weet u waarom alle priesters ter wereld mij ophemelen? dat is omdat ik een atheïst-jezuïet ben.» Over die jezuïeten is Stendhal ambivalent en voor eigen rekening zegt hij: «Ik zou willen dat een atheïst hun geschiedenis schreef, sine ira et studio.»

Sterk is dat hij standbeelden en schilderijen beschrijft die de lezer nooit gezien heeft, terwijl hij hem toch stevig aan de leiband weet te houden. Dat komt natuurlijk door zijn charme en zijn grote schrijverschap en omdat hij ook voortdurend over om het even wat begint, over politiek, religie, vrouwen, wetenschap, zeden en gewoonten, over filosofie, over auteurs die hij niet kan luchten. Hij vergelijkt ook graag de superieure Romeinen met de bekrompen Parijzenaars die van kunst niets afweten en met elke nieuwe mode meelopen. Vergelijkbaar alweer met de Reisebilder van Heine, die in Italië zijdelings ook vaak over Duitsland spreekt.

Censuur is een prachtig ding voor schrijvers die kunnen schrijven. Van algoritmes als die van Zuckerberg en consorten hebben zij weinig te vrezen.

Het is onbegonnen werk om te citeren uit zo'n dik boek waarin op elke bladzijde iets citeerbaars staat, maar ik geef toch enkele voorbeelden... for the happy few, zoals Stendhal zijn lezers graag noemt. De waarheid van de geschiedschrijving neemt hij hieronder niet al te ernstig, hij wijst erop dat je niet alles mag geloven wat gedrukt staat, en hij vindt de apostel Thomas een waarachtige filosoof.

26 oktober 1827 – Feiten daargelaten die heel dicht bij ons liggen, zoals de bekering van de protestanten door de dragonders van Lodewijk XIV, of onbeduidende zaken zoals de overwinning van Constantijn op Maxentius,** is geschiedenis zoals men zegt niet meer dan een afgesproken fabeltje; men heeft er evenwel geen idee van wat voor waarheid er in die uitspraak zit. Als u ooit in Edinburgh bent of in Kopenhagen, in de best bezochte salons, laat u dan de geschiedenis vertellen van de Terreur, of die van de 18de brumaire.
De nu volgende feiten, en het is mijn plicht die aan mijn vrienden te vertellen, zijn niet minder bewezen of meer romanesk dan alles wat men in de universiteiten gewend is te geloven over de geschiedenis van Frankrijk – niettemin nodig ik het merendeel van de lezers uit vijf-zes bladzijden over te slaan.

[…] Ik vraag excuus voor de dorheid van de voorgaande artikelen. Om mij in geweten te kwijten van de taak van cicerone, zag ik me verplicht veel gissingen te schrappen, meerdere daarvan merkwaardig en zelfs waarschijnlijk; ik zal ze aan het eind van dit werk aan de lezer voorleggen, als zijn oog meer gewend is onderscheid te maken tussen de werken die in verschillende perioden in één ruïne zijn uitgevoerd. Ik zou willen dat de lezer niets op gezag aannam zonder het te verifiëren, en dat hij argwanend stond tegenover alles, zelfs tegenover deze wandelgids. Zaken voetstoots, op het woord geloven mag in de politiek of de moraal vaak comfortabel zijn, maar in de kunst leidt dit regelrecht tot verveling.

[…] Het altaar links toont een schilderij van Spadarino. Het is de heilige Valeria die Sint Martialis haar hoofd brengt terwijl die de mis opdraagt. We kunnen even halt houden bij het schilderij ernaast: Sint Thomas wil de lende van Jezus Christus aanraken (het verwondert mij altijd dat deze grote filosofische daad in kerken wordt vertoond).*** 


_______

Joseph-Jérôme Le François de Lalande (1732-1807), een astronoom die ook een Voyage en Italie had geschreven.
** Flavius Valerius Aurelius Constantinus (272-337) of Constantijn de Grote, versloeg in 312 zijn rivaal Maxentius, die de verdrinkingsdood stierf in de slag bij de Milvische brug. Hij stichtte de stad Nova Roma, die later de naam Κωνσταντινούπολις kreeg, en tegenwoordig Istanboel wordt genoemd.
*** De ongelovige Thomas zei immers, volgens Johannes 20.25: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.

10 augustus 2019

Onvermoede bondgenoten



Gedeeltelijke vertaling van een stuk dat althans voor mij een paar verrassende wendingen bevatte.



EUROFASCISME – Wie er tegen is, 
werkt het misschien juist in de hand


[...] Mogelijk zal binnen enkele jaren Pierre Drieu la Rochelle een profeet blijken te zijn die voorvoelde dat de barbaren op komst waren, en waar het komende fascisme zijn plek zou vinden. Hij collaboreerde met de nazibezetter omdat niet de Duitsers zijn vijanden waren, maar wel de burgerlijke samenleving. Hiermee liep hij vooruit op zijn ‘nationale’ tijd, maar in de ‘postnationale constellatie’ (Habermas) kon zijn tijd wel eens gekomen zijn. Benedikt Kaiser, een van de jonge honden uit Schnellroda (eigenlijk uit Chemnitz), heeft in 2011 Drieu-studie voorgelegd met als titel Eurofaschismus.

Hoe dit fascisme eruit zou kunnen zien heeft Till-Lucas Wessels laten zien in zijn boek europaradikal van 2018 (eveneens bij Antaios verschenen): hij ziet de ‘klassieke burgerlijke nationale staat, die als zelfstandig handelende instantie overal op de terugweg is’ als de grote ‘verliezer’ van de globalisering. Wessels, volstrekt geen conservatief, wil deze zombie helemaal niet meer tot leven wekken maar zoals Habermas de sprong hogerop wagen, en een nieuw Europa tot stand brengen. Dat Habermas geen fascistisch Europa wil maakt niet uit want niettemin kon hij wel eens een wegbereider zijn – samen met liberale imperialisten als Robert Cooper of Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit die hun zinnen hebben gezet op een EU als benevolent imperium.

Nog maar net van die verschrikkelijke nationale staat afgekomen, maken zij er werk van een nog veel grotere staat op poten te zetten, met politieke mogelijkheden die helemaal naar de smaak van nieuwrechts zijn. Ook Wessels meent: ‘op het wereldtoneel kan alleen een geïnstitutionaliseerde gemeenschap van de Europese volkeren werkdadig en blijvend ingrijpen en zich met een positieve visie tegen de hegemoniale aanspraken van Oost en West verzetten.’ Zo veel Europese ijver aan de rechterzijde kan velen verwonderen, maar dat het fascisme aartsconservatief zou zij behoort dan ook tot de rampzaligste clichés erover. Het wil niet terug, maar voorwaarts om de cyclus te volvoeren (dat heeft het bij Julius Evola geleerd), en dus moet het in elk nieuw tijdvak een sport hoger stappen, tot het ooit helemaal globaal wordt en van daaruit aan zijn grote inkrimping* kan beginnen.

Het dilemma zit hem hier, dat men om dit opdoemende onheil nog te verhinderen precies dat moet doen dat het waarschijnlijk nog in de kaart speelt: bij de Europese verkiezingen, of die voor de Bundestag, voor de linkse of liberale partijen stemmen die zo goed als allemaal voor de uitbouw van soevereine Europese instellingen staan. Tegen hun wil in zouden precies de grote EU-voorvechters als Macron en Habermas diegenen die zij bestrijden in de stijgbeugels kunnen helpen: om de problemen van de ‘onomkeerbaar’ geglobaliseerde wereld (Habermas) op te lossen, klimmen zij een sport hoger op de ladder van de politieke eenmaking, en zorgen voor een rijk van 500 miljoen zielen waar de Eurofascisten zich vingers en duim bij aflikken.

Die weten niet waar ze dat geluk aan verdiend hebben, want zelf hadden ze het nooit voor elkaar gebracht. Alles staat dan netjes voor hen klaargezet – met een direct gekozen EU-president en een parlement met totale budgetbevoegdheid (waarmee dan ook een afgebleekt, maar wel heel-Europees, supranationaal socialisme kan ingevoerd worden) – en dan moeten ze enkel nog één verkiezing winnen en de zaak is rond. Pulse of Europe of de Junge Europäische Föderalisten zullen dan wellicht beschouwd worden als de heruitgave van de eveneens Duitse studenten-eenheidsbeweging van de negentiende eeuw, die ook toen tegen de »Kleinstaaterei« te velde trok en onderweg haar liberalisme vergat (vandaar ook dat het ‘eenheid en recht’ klonk, en pas daarna ‘vrijheid’); maar dan is het te laat en zal iedereen zich afvragen hoe men die gelijkenis over het hoofd heeft kunnen zien.
 ________
* ‚Superkontraktion’ is een begrip uit de organische scheikunde dat het onomkeerbare proces van krimp beschrijft (bijvoorbeeld van te warm gewassen wol). Het wereldbeeld is cyclisch.

21 juli 2019

Toerisme als ziekte


'Niemand houdt van een zieke. Ook niet een andere zieke', schreef de onvergetelijke schaakmeester Jan-Hein Donner in een verzamelboekje van zijn columns (Slecht nieuws voor iedereen, Bert Bakker, 1987), en Donner sprak met kennis van zaken.

Hetzelfde kun je ook zeggen over toeristen meen ik.
Niemand houdt van hen, je wil ze niet, al zeker niet in je eigen stad maar ook niet als je elders zélf toerist bent. Het gezicht van weer een bende die achter de opgestoken paraplu van een cicerone aanstrompelt is stuitend en bederft het genoegen van de plaatselijke bewoner. Hij kan zijn eigen stad niet meer zien en moet gedurig het trottoir af voor barbaren die selfies aan het maken zijn.

Bij de besturen van bijvoorbeeld Barcelona, Venetië of Parijs lijkt het besef te groeien dat men te ver is gegaan. We mogen hopen dat ook in provinciesteden als Gent de geesten rijpen.

Niet dat ik zover wil gaan als Stendhal in Rome begin negentiende eeuw, maar ik begrijp wat hij bedoelde.* Hij had een geliefkoosd zinnetje waarmee hij zijn boeken, ook het onderstaande besloot: To the happy few.

Het genot van een reiziger verdwijnt bijna geheel zodra er in het Colosseum andere nieuwsgierigen arriveren. In plaats van zich in sublieme en boeiende dromerijen te verliezen, merkt hij zijns ondanks de belachelijkheden van de nieuwgekomenen, en hem lijken ze er steevast veel te vertonen. Het leven wordt verlaagd tot wat het is in een salon: ongewild luister je toch naar de banaliteiten die ze vertellen. Als het in mijn macht lag, was ik een tiran en liet ik voor de tijd van mijn verblijven in Rome het Colosseum sluiten.

Dès que d'autres curieux arrivent au Colysée, le plaisir du voyageur s'éclipse presque en entier. Au lieu de se perdre dans des rêveries sublimes et attachantes, malgré lui il observe les ridicules des nouveaux venus, et il lui semble toujours qu'ils en ont beaucoup. La vie est ravalée à ce qu'elle est dans un salon : on écoute malgré soi les pauvretés qu'ils disent. Si j'avais le pouvoir, je serais tyran, je ferais fermer le Colysée durant mes séjours à Rome.

Promenades dans Rome (1829)
Édition établie et annotée par Victor Del Litto, Gallimard 1973, xxxi + 874 pp.

_________

* Plus on admire Stendhal et plus on est intelligent (André Suarès).

7 juli 2019

Mooi gesprek over het verse EU-personeel


De gechevronneerde BBC-man Andrew Neil legde de correspondente van France24, Bénédicte Paviot, een paar feiten voor waartegen zij niets, maar dan ook niets wist in te brengen, hoe goed ze het ook meent met de EU. En even later maakte Michael Portillo (ex-Lagerhuislid, nu journalist) het werkje mooi af.
Ik vraag me af of dergelijke onbarmhartige gesprekken ook bij ons op de buis kunnen, met ter vervanging van die arme Bénédicte misschien onze eigen EU-fan, professor dr. Hendrik Vos? Wat zou deze brave Hendrik aan Andrew en Michael geantwoord hebben? Zullen we het ooit te weten komen?

Andrew Neil: Ik begrijp nog altijd niet waarom u denkt dat de EU nu in veiligere, beter zelfs, in optimistischere handen is met een mislukte Duitse defensieminister, een mislukte Belgische eerste minister, een voormalige financiënminister veroordeeld voor schuldig verzuim in een euroschandaal dat over miljoenen pond ging, en een Spaanse politicus die stond te juichen bij de repressie in Catalonië. Waarom is Europa in goede handen bij zulke mensen?
Bénédicte Paviot: Wel, dat is een …een mening, en zoals u vast weet is er kritiek gekomen op Ursula von der Leyen.
Andrew Neil: Zij is de tweede meest …in de poll van Der Spiegel deze maand was zij de op één na minst populaire president …euh politica in Duitsland. Rond haar departement loopt een onderzoek naar corruptieschandalen en netelige defensiecontracten. De Spaanse politicus, de man die nu het buitenland doet voor de EU, is veroordeeld voor handel met voorkennis. Hoe kunnen deze lui, hoe kan Europa’s toekomst veilig in handen van zulke mensen gegeven worden?
Bénédicte Paviot: Ik denk dat het belangrijk is voor ogen te houden dat de defensieminister, die u een ‘mislukte defensieminister’ noemt…
Andrew Neil: Het waren de Duitsers die haar zo noemden.
Bénédicte Paviot: Wel, niet alle Duitsers.
Andrew Neil: De meeste Duitsers wel, inbegrepen het rapport van de Bundestag over het gebrek aan paraatheid van Duitsland. Zestig procent van hun vliegtuigen kunnen niet vliegen, en honderd procent van hun onderzeeërs kunnen niet ter zee. Ze hebben het Duitse leger naar een arctische NAVO-oefening gestuurd met bezemstelen voor geweren! En die vrouw is nu voorzitter van de Europese Commissie.


[om Bénédicte even op adem te laten komen laste ik hier een muziekje in: Ode an die Freude ...wat volgens Karel van het Reve oorspronkelijk Ode an die Freiheit had moeten zijn, maar Schiller, zo vermoedt hij, durfde dat niet aan in het Europa van die dagen]


Michael Portillo: Laat me zeggen dat ik het met Andrew oneens ben. Ik wens Europa niet te zien bloeien want de richting die deze mensen het willen uitsturen, is die naar het Europees federalisme. Ik voel genoeg mee met mijn mede-Europeanen om te denken dat een federale Europese Staat niet het antwoord is, niet voor ons alleen, ook niet voor hen. Iets dat ondemocratisch is, is niet de oplossing voor Duitsland, of voor Frankrijk of Italië, of voor Griekenland. De Grieken weten al dat het voor hen geen antwoord is, want zij zijn door de EU geruïneerd, door het aandringen op het aanvaarden van de euro, waar zij totaal niet in aanmerking voor kwamen, de euro een puur politiek project zijnde. Omdat de EU graag de symbolen van een eenheidsstaat wilde creëren, ontwierpen ze de eenheidsmunt, ontwierpen ze een vlag en ontwierpen ze een nationale hymne, en daarom was het gerechtvaardigd daar geen respect voor te betonen. Zulke dingen doen is verkeerd, want die dingen sturen ons een ondemocratische richting uit…
Bénédicte Paviot: Dat is echt respectloos… een theatertruc.
Michael Portillo: …en daarom kan de aanstelling van lui die ongevoelig zijn voor de Europese bevolking …meen ik in zekere zin een goede zaak zijn, want de revolte tegen deze wereldvreemde elite zal aanhouden.




Andrew Neil: I still don’t understand why you think the EU is now in safer, even better, optimistic hands, with a failed German defence minister, a failed Belgian prime minister, a former finance minister found guilty of negligence in a multimillion pound euro scandal, and a Spanish politician who’s been a cheerleader for repression in Catalonia. Why is Europe in good hands with people like that?
Bénédicte Paviot: Well, the, that is a …an opinion, and certainly as you know, Ursula von der Leyen has been criticised.
Andrew Neil: She’s the second most… in the Der Spiegel poll last month, she was the second most unpopular president, um …politician in Germany. Her department has been under investigation for corruption scandals and dodgy defence contracts, the Spanish politician who is now the EU’s foreign policy man, was done for insider trading. How can these people, how can Europe’s future be safe in these people’s hands?
Bénédicte Paviot: I think that the important thing to remember is that the ...um defence secretary that you are calling a 'failed German defence secretary'…
Andrew Neil: It was the Germans who called her that.
Bénédicte Paviot: Well, not all Germans.
Andrew Neil: Most Germans do, including the Bundestag report on Germany’s unpreparedness. Sixty percent of their planes can’t fly, a hundred percent of their submarines can’t take to the sea. They sent the German army into the arctic Nato exercise with broomsticks for guns! That’s the woman who is now president of the European Commission.

o-o-o-o-o
Michael Portillo: Let me say that I disagree with Andrew: I don’t want Europe to prosper because the direction in which these people want to lead it is towards European federalism. I have enough feeling for my fellow Europeans to think that a federal state of Europe is not the answer, not only for us, but not for them. Something which is nondemocratic is not the answer for Germany or for France or for Italy, or for Greece. The Greeks already know it’s not the answer for them, because they have been ruined by the European Union, by the insistence on creating a euro for which they were totally unsuitable. The euro being an entirely political project. Because the European Union wanted to create the symbols of a single state, so they created single currency, they created a flag, and they created an anthem, which is why it was right to show disrespect for it. Because these things are wrong things to do, because they take us in a nondemocratic direction…
Bénédicte Paviot: That is just disrespectful… it’s a gimmick.
Michael Portillo: …and therefore the appointment of people who have no sensitivity for the European population, I think in a way may be a good thing because the revolt against this out of touch elite will continue.

2 juli 2019

Het werk aan de ruwe steen


In moreel opzicht heeft Karel De Gucht de laatste jaren vooruitgang geboekt, onmiskenbaar, maar om van een wedergeboorte te spreken is het misschien wat vroeg want helemaal koosjer is zijn gedachtewereld nog niet. Zo gebruikte hij vrijdag bij Ivan De Vadder wat slordig de term ‘racisten’, terwijl hij wellicht bedoelde te zeggen dat er mensen bestaan die de islam afkeuren, of immigratie geordend willen zien verlopen.

Maar kom, over de kiezers van Vlaams Belang zei Karel: ‘Ik toon daar ook respect voor,’ en even later nog eens: ‘Ik verketter die kiezers niet, en ik denk dat men daar inderdaad het gesprek moet mee aangaan.’ – hij zal beseft hebben dat velen hem niet op zijn eerste woord geloven, vandaar die herhaling. Kwaadwilligen zullen hier immers denken aan de episode destijds toen hij Balkenende een Harry Potter had genoemd in een interview met Jan Segers van Het Laatste Nieuws ...en vervolgens ontkende dat hij dat gezegd had. In hoge nood beweerde hij zelfs dat dat interview niet had plaatsgehad.

Zand erover, wellicht waren de mysteriën van Osiris’ wedergeboorte hem nog niet goed uitgelegd, wat zou verklaren hoe hij het kiesvolk van het Belang in die tijd eenvoudigweg ‘mestkevers’ kon noemen – naar de Egyptische kever, de Scarabaeus sacer die in de Osiriscultus een heilige taak had.

Maar die term ‘mestkevers’ neemt Karel niet langer in de mond, een bewijs dat zijn ruwe steen intussen flink is bijgeschaafd. Hoe hij overigens dat ‘gesprek met de kiezers’ wil aangaan en tegelijk de partij van die kiezers wil negeren is niet duidelijk. Karel, die volgens alle media een verstandig man is, zal het antwoord kennen. Misschien denkt hij aan een ‘grand débat national’?

Nu vind ik weer niet dat elk ad hominem en alle beledigingen en invectieven uit het politieke spraakgebruik moeten gebannen worden. Een duidelijke term is vaak een verademing, en woorden verbieden of verbannen is geen nette praktijk. Wel moet men trachten stijlvol te blijven, dat vond tweehonderd jaar geleden Joseph de Maistre toch, een van tijd tot tijd mystiek aangelegde maçon die geen enkel woordgevecht uit de weg ging, ook niet als dat ruwe termen meebracht. À tout seigneur tout honneur, zegt Maistre, en ik meen dat ook Karel De Gucht hier schuchter op de goede weg is.
In een brief schreef Maistre:


Aan M. Deplace, in Lyon.
28 september 1818.

Ik kom terug op enkele van uw opvattingen, naarmate ze me te binnen schieten. In een van uw vorige brieven hebt u me ertoe aangespoord ongegeneerd voor mijn standpunten uit te komen, daarbij evenwel de personen ontziend. U mag ervan overtuigd zijn, mijnheer, dat het hier om een Franse illusie gaat. Die koesteren we allemaal, en u hebt mij al meegaand genoeg gezien, in de regel toch, om niet geschandaliseerd te raken als ik u vertel dat men tegen een opinie niets heeft ondernomen zolang men niet de persoon zelf heeft aangepakt. Nu zeg ik erbij dat in dit soort aangelegenheden zoals in andere, er grote waarheid schuilt in het gezegde: ere wie ere toekomt; voegen we enkel nog toe: zonder slaafs te worden.

À M. Deplace, à Lyon.
28 septembre 1818.
Je reprends quelques-unes de vos idées, à mesure qu'elles me reviennent. Dans une de vos précédentes lettres, vous m'exhortiez à ne pas me gêner sur les opinions, mais à respecter les personnes. Soyez bien persuadé, Monsieur, que ceci est une illusion française. Nous en avons tous, et vous m'avez trouvé assez docile, en général, pour n'être pas scandalisé si je vous dis qu'on n’a rien fait contre les opinions tant qu'on n’a pas attaqué les personnes. Je ne dis pas cependant que, dans ce genre comme dans un autre, il n'y ait beaucoup de vérité dans le proverbe: À tout seigneur tout honneur; ajoutons seulement: sans esclavage.


18 juni 2019

Dat mocht ook eens gezegd worden


De Russische dichter Ossip Mandelstam was arm, zoals het een dichter betaamt, en hij voorzag in zijn levensonderhoud met het vertalen van buitenlandse romans, bijvoorbeeld de Ulenspiegel van Charles de Coster. Dat werk kende in de Sovjetunie een groot succes omdat men in de figuur van Uilenspiegel een soort proletarische rebel zag – hiernaast ziet u een prachtuitgave uit 1922, in de reeks Les Maîtres Belges, maar zelf ben ik nooit verder dan een paar beginhoofdstukken geraakt. Dat rebellen in de Sovjetunie geliefd waren is ook niet helemaal correct. Stalin stelde bepaalde geschriften van Mandelstam niet op prijs en de dichter stierf in een Goelagkamp in 1938. Onderstaande grappig-toornige tekst schreef hij in 1929 in een brief aan het nog jonge sovjet-uitgeverswezen, en ik vertaalde hem noodgedwongen uit het Duits.

In het literaire werkveld is vertalen een van de moeilijkste en verantwoordelijkste taken. In wezen bouwt men op een fundament van vreemd materiaal een zelfstandige woordstructuur. Bij het omwerken van dat materiaal tot een Russische structuur is enorme concentratie vereist, oplettendheid en wilskracht, een brede vindingrijkheid, een frisse geest, een neus voor filologie, een uitgebreid woordklavier, de vaardigheid om zich in een bepaald ritme in te leven, de opbouw van een zin te begrijpen en hem ook te reproduceren – en bij dit alles hoort een strenge beteugeling van het eigen ik. Anders is het gewoon revuetheater. In het vertaalwerk gaat een schadelijke, ongezond nerveuze ontwrichting schuil. Dat werk vermoeit het brein en doet het sterker uitdrogen dan veel andere scheppende arbeid. Als men geen zorg draagt voor een goede vertaler, dan verslijt die bijzonder snel. Voor dit werk is een specifieke profylaxe geboden. Om beroepsziekten bij vertalers te voorkomen zou men daar onderzoek naar moeten doen, hun verzekeringsdekking bieden en geregeld rustpauzes toestaan.

Das Übersetzen ist eine der schwierigsten und verantwortungsschwersten Arten literarischer Arbeit. Es ist im wesentlichen die Schaffung einer selbständigen sprachlichen Struktur auf der Grundlage eines fremden Materials. Die Umschaltung dieses Materials auf eine russische Struktur erfordert eine ungeheure Konzentration, Aufmerksamkeit und Willensanstrengung, reiche Erfindungsgabe, geistige Frische, philologisches Gespür, eine große Wortschatzklaviatur, die Fähigkeit, sich in einen Rhythmus hineinzuhören, die Zeichnung eines Satzes zu erfassen und die auch wiederzugeben – und all dies bei strengster Zügelung des eigenen Selbst. Andernfalls ist das bloße Stegreifdarbietung. Im Akt des Übersetzens verbirgt sich eine an der Gesundheit zehrende nervliche Zerrüttung. Diese Arbeit ermüdet das Gehirn und trocknet es mehr aus als viele andere Arten schöpferischer Arbeit. Wenn man für einen guten Übersetzer nicht Sorge trägt, nutzt er sich sehr schnell ab. Hier ist eine arbeitsspezifische Prophylaxe notwendig. Man müßte die Berufskrankheiten der Übersetzer erforschen und ihnen vorbeugen, den Übersetzern Versicherungsschutz gewähren, ihnen regulären Verschnaufpausen zugestehen.

13 juni 2019

Het Vrije Woord komt uit Québec


Voor mij is veel Amerikaans een lelijk soort Engels, maar Surinaams weer een mooi soort Nederlands, en Afrikaans ook en Québecs een mooi soort Frans. Akkoord, soms ontsnapt je iets: bij de onderstaande tekst bijvoorbeeld ontgingen me enkele woordjes, maar de Québecse filosoof Mathieu Bock-Côté is ook zonder deze interessant genoeg, en zijn lofzang op de literatuur zal alvast de mensen van de Arkprijs interesseren, want Bock-Côté heeft het over de Vrijheid van Gedachte, en laat nu Het Vrije Woord, de vrucht daarvan, net een concept zijn waar dat comité zich niets bij kan voorstellen.
(Het volledige gesprek ziet u op YouTube)

Philippe Bilger: Om er een naam aan te geven, wat is voor u de tegenpool van de conservatieve denktrant?
Mathieu Bock-Côté: Het progressisme. Het progressisme dat het fundamentalisme van de moderniteit is. Ik zal preciseren: het gaat niet om alle maatregelen die zich op het progressisme beroepen, dus op de sociaaldemocratie, op een bepaald socialisme. Mij jagen maatregelen van sociale herverdeling, van economische herverdeling geen schrik aan. Maatregelen die ongelijkheden corrigeren zijn vaak noodzakelijk. Goed, daar stoor ik me dus niet aan. Waar ik me wel aan stoor is dat antropologisch progressisme dat er hoofdzakelijk in bestaat ons te vertellen dat de mens zich moet bevrijden, moet losrukken van alle overleveringen, van elk erbij horen, om zodoende zich op een dag over te geven aan het waanbeeld dat hij zichzelf heeft gemaakt. Het individu zou dan zelf zijn eigen schepper worden, zijn… en vandaar – men merkt het in de gendertheorie – die wil om mannelijkheid en vrouwelijkheid uit te wissen, want dat zouden enkel sociale en tijdsgebonden constructen zijn afhankelijk van omstandigheden, om op die manier het feit weg te vlakken dat wij desalniettemin in een seksueel gedifferentieerde mensheid ter wereld komen, dat wij een afstamming aanvaarden, zaken die onze eigen grillen of wensen overstijgen. In dat licht is als filosofie het progressisme een logica van de desincarnatie die ertoe neigt de deconstructie tot het uiterste te drijven. Daarom dus verzet ik mij ertegen.

Philippe Bilger: Excuus voor deze lichte contradictie, maar zijn niet, in de mate dat zij voorspelbaar zijn, de conservatieve zowel als de progressistische denkwijzen ten gronde losgekoppeld van de vrijheid van denken?
Mathieu Bock-Côté: Welnee! Want voor mij is de vrijheid van denken… laat ik een precisering aanbrengen die me essentieel lijkt. Ik denk dat elke gemeenschap een progressistische en een conservatieve pool nodig heeft. En dat zeg ik niet om mezelf grootmoediger voor te doen dan ik ben: ik meen dat in het menselijk hart aspiraties woelen die even tegenstrijdig als legitiem zijn. De mens heeft kosmopolitisme nodig en geworteldheid. Hij heeft vrijheid nodig en autoriteit. Hij heeft gelijkheid nodig en verschillen. Een gemeenschap heeft links nodig en rechts nodig. Welnu, de kunst van de politiek – en hier verlaten we dan het terrein van de zuivere politieke filosofie – de kunst van de politiek bestaat erin al naargelang de eigen tijd aan die behoeften een antwoord te geven door er met verstand een hiërarchie in aan te brengen, en die is in de loop van de tijd weer verschillend, om zo tegemoet te komen aan de heersende verzuchtingen van het menselijk hart, verzuchtingen die altijd contradictoir zullen zijn, want opnieuw – zo conservatief ben ik hierin nog wel – in het hart van de mens zit onvermijdelijk zowel goed als kwaad, en het is een lange weg eer men met behulp van de beschaving het onderscheid weet te maken tussen het ene en het andere.
Ik meen dus dat beide polen nodig zijn, en dus moet men… de hele kunst van de politiek bestaat erin een vertaling te bieden… een voorlopige synthese te maken die men onvermijdelijk geregeld weer zal moeten bijstellen. Dit gezegd zijnde, wat betreft de vrijheid van denken, nee, ik vind niet… en vanzelfsprekend zal een man die een bepaald intellectueel systeem aanhangt …ongeveer kun je wel raden wat die zal denken. Maar laat me zeggen dat elk van de kampen zijn genieën heeft, en dus ben ik gekant tegen elke vorm van dogmatische beslotenheid in een denksysteem dat onafwendbaar een neiging tot verstening zal vertonen. Er zijn aan beide kanten bijzonder voortreffelijke auteurs wier oeuvre uitstijgt boven hun eventuele ideologie die ons misschien op de zenuwen gaat. Ik denk dat je in alle kampen begenadigde auteurs aantreft en je moet die werken tegemoet treden die ons intellectueel, of weerspreken of beantwoorden aan andere affecten en andere passies, of aan een andere denkwijze, ik bedoel aan een andere denkwijze dan die waar wij spontaan toe geneigd zijn. Zo bekeken is de literatuur wellicht de magnifiekste leerschool van de vrijheid, want zij dwingt ons buiten onszelf op weg te gaan – en al zal ons dat wellicht niet anders doen stemmen als er verkiezingen aankomen, niettemin biedt zij de mogelijkheid om niet exclusief binnen de eigen categorieën te blijven denken in een referentiesysteem dat alleen naar zichzelf verwijst.



Philippe Bilger : Pour la nommer, quel est le contraire selon vous de la pensée conservatrice?
Mathieu Bock-Côté : Le progressisme. Le progressisme, qui est ce fondamentalisme de la modernité. Le progressisme. Et là je précise: non pas toutes les mesures qui se réclament du progressisme, donc de la social-démocratie, d’un certain socialisme. Moi, des mesures de redistribution sociale, des mesures de redistribution économique, ne me font pas peur, elles sont nécessaires bien souvent, des mesures de correction des inégalités, très bien : ce n’est pas à cela que je m'en prends. Ce à quoi je m’en prends c’est cette anthropologie progressiste qui consiste essentiellement à nous dire que l’homme doit s’affranchir, s’arracher à tous les héritages, à toutes les appartenances, pour devenir un jour, se livrer au fantasme de l’auto-engendrement. Donc, l’individu deviendrait à lui-même son propre créateur, son… et ça, on le voit dans la théorie du genre, c’est la volonté d’abolir le masculin et le féminin, qui ne seraient plus que des constructions sociales, temporaires, circonstancielles, pour abolir le fait que nous naissons néanmoins dans une humanité sexuée, que nous sommes dans une filiation que nous assumons, quelque chose qui va au-delà des celles des caprices de notre volonté. Et de ce point de vue, le progressisme comme philosophie, est une logique de désincarnation qui a tendance à aller jusqu’au bout de la déconstruction. Voilà pourquoi je m’y oppose.

Philippe Bilger : Au fond, et pardon pour cette légère contradiction, la pensée conservatrice, comme la pensée progressiste, ne sont-elles pas, dans la mesure où elles sont prévisibles, déconnectées de la liberté de pensée ?
Mathieu Bock-Côté : Ah non ! Parce que la liberté de pensée pour moi… alors je fais une précision qui me semble essentielle. Je crois que toute cité a besoin d’un pôle progressiste et d’un pôle conservateur. Alors je ne dis pas ça pour paraître plus magnanime que je ne le suis: je crois que le cœur humain est traversé d’aspirations contradictoires mais également légitimes. L’homme a besoin de cosmopolitisme et d’enracinement. Il a besoin de liberté et il a besoin d’autorité. Il a besoin d’égalité et de différence. Une cité a besoin d’une gauche et besoin d’une droite. Or, l’art politique – et là on quitte le domaine effectivement de la pure philosophie politique – l’art politique consiste selon les époques à répondre à ces besoins, en les hiérarchisant intelligemment, et c’est pas toujours de la même manière d’une époque à l’autre, pour répondre aux aspirations présentes dans le cœur de l’homme, aspirations toujours contradictoires, parce que de ce point de vue, encore une fois, je suis assez conservateur sur ça, il faut que le bien et le mal soient mélangés dans le cœur de l’homme et c’est un long travail de discernement que d’être capable de distinguer l’un de l’autre, c’est [xxx] aidés par la civilisation. Donc je crois que ces pôles sont nécessaires, et ensuite il faut… l’art politique consiste à traduire… à construire une synthèse, inévitablement provisoire, qu’il faudra remettre à neuf régulièrement. Cela dit, sur la liberté de pensée, non je …évidemment ensuite un homme qui a un système intellectuel …on divine à peu près ce qu’il va penser. Mais je suis contre toute forme d’enfermement dogmatique dans un système mental qui a tendance inévitablement à se pétrifier parce que en dernière instance, je dirais qu’il y a des génies dans chaque camp. Il y a des auteurs absolument remarquables dans chaque camp, dont l’œuvre dépasse même l’idéologie qui peut nous agacer lorsqu’ils y adhèrent. Je pense que des penseurs de grand talent on trouve dans tous les camps, et il faut aller à la rencontre de ces œuvres qui soit nous contredisent intellectuellement, ou répondent à d’autres affects ou à d’autres passions, ou un autre imaginaire, c'est-à-dire un autre imaginaire que celui auquel on adhère spontanément. Et de ce point de vue, la littérature est probablement la plus belle école de liberté, parce qu’elle nous force à voyager au-delà de nous-mêmes – ce qui ne nous amènera probablement pas à voter autrement lorsque viendront les élections – mais néanmoins c’est la possibilité de ne pas penser exclusivement à travers ses propres catégories, dans un système autoréférentiel.

5 juni 2019

Joseph de Maistre en Montesquieu


Montesquieu (1689-1755), de Verlichtingsfilosoof, vijand van het absolutisme en bewonderaar van de Engelse staatsordening, hield er ook enkele opvattingen op na die vandaag onder de brede noemer ‘discriminatie’ vallen. Sommigen zouden hem nu zelfs fobisch noemen, of toch minstens weinig gastvrij.
Joseph de Maistre (1753-1821) was juist een vijand van de Verlichting en verdediger van het absolutisme. Hier citeert deze gevreesde polemist Montesquieu, en stelt hem een paar praktische vragen:

Sur le protestantisme
Lausanne en Turijn, 1796-1798, postume publicatie in 1870 in:
Œuvres inédites du comte Joseph de Maistre

Montesquieu heeft gezegd, op die belerende toon die bij zijn gevoel van superioriteit past: “Het zou een heel goede burgerlijke regel zijn, mocht de Staat niet de vestiging van weer een andere religie dulden, als hij tevreden is met de religie die er al gevestigd is.
Ziedaar dus het grondprincipe van politieke wetten betreffende religie. Als men bij machte is al dan niet een nieuwe religie tot een Staat toe te laten, dan moet men de vestiging ervan beletten; is ze eenmaal gevestigd, dan moet men ze tolereren.”*

Had ik in de tijd van die grote man geleefd, dan had ik hem een paar vragen willen stellen. Ten eerste, wat is een in de Staat gevestigde religie? Als een sekte zoekt binnen te dringen in een land, dan stopt ze niet nederig bij de grens en laat ze niet van daaruit vragen of men haar wil ontvangen. Ze sluipt in stilte binnen als een reptiel, ze verspreidt haar dogma’s in het duister, buiten het weten van de soeverein om, en plots richt ze zich brutaal op, caput a cœli regionibus ostendens.** Is ze dan gevestigd?

Dat bedoelde Montesquieu wellicht niet te zeggen: indien wel was er geen reden om het onderscheid te maken. Deze grote man bedoelt dus te spreken over een legale toelating steunend op een positieve wet, of op een stilzwijgend gedogen blijkend uit tijdsverloop en verjaring. Tot op dat moment is ze niet gevestigd, en hoeft men niet te dulden dat ze zich vestigt; maar hoe? Dat zou mijn tweede vraag zijn en ze lijkt mij wel belangrijk. Zal men hen per manifest verzoeken de Staat te willen verlaten? Ik vrees dat die methode niet werkt. Om aan het voorschrift van Montesquieu te voldoen zal men zal dus moeten bevelen, dwingen en straffen. Maar tot op welk punt is gestrengheid toegestaan, en van waar af wordt ze misdadig? Wat we met zekerheid kunnen zeggen is dat elke nutteloze gestrengheid misdadig is, en elke gestrengheid onschuldig als ze noodzakelijk is. Wat men eveneens met volle zekerheid mag stellen is dat de reactie van de soeverein die zich teweerstelt evenredig moet zijn met de actie van de vijand die aanvalt. Uitgaand van dit principe, dat onaanvechtbaar is, zal men noodgedwongen heel wat minder deernis voelen bij de grote gewelddaden die in werkelijkheid slechts ongelukken waren. Bekijk dat lijk op de openbare weg: de moordenaar staat ernaast; hij wekt uw algehele verontwaardiging op; maar zodra u hoort dat die moordenaar een vreedzame reiziger is, en de andere een struikrover was die het slachtoffer werd van wettige zelfverdediging, dan verdwijnt uw medelijden. Het recht in bredere zin blijft immer ongewijzigd. Over de morele rechtvaardiging van maatregelen waarmee een soevereiniteit zich na een aanval verdedigt, moet men niet oordelen naar dezer gestrengheid maar naar hun noodzakelijkheid. Alles wat achterwege had kunnen blijven is crimineel; maar alle verschrikkingen die men zich kan voorstellen zijn toegelaten als er geen ander verdedigingsmiddel voorhanden was.
____________
* De l'Esprit des Loix, 1. XXV, ch. x. (Genève, 1748)
**‘…en toont vanuit de hemelse sferen haar akelige kop’.
Lucretius, De Natura Rerum, Liber I, 63-65:
                                                           …sub religione
                   quae caput a caeli regionibus ostendebat
                  horribili super aspectu mortalibus instans
…superstition, which displayed her head from the regions of heaven, lowering over mortals with horrible aspect. (Loeb – W. H. D. Rouse, revised by Martin F. Smith)  …une religion dont le visage, se montrant du haut des régions célestes, menaçait les mortels de son aspect terrible. (Les Belles Lettres – Alfred Ernout).

2 juni 2019

Angela's dankrede afgekraakt


Op dertig mei werd Angela Merkel doctor honoris causa van Harvard, en bij die gelegenheid sprak ze natuurlijk een dankrede uit. Edo Reents van de Frankfurter Allgemeine kwam niet onder de indruk. Zelf ook doctor zijnde (hij promoveerde op een proefschrift over de Schopenhauer-receptie bij Thomas Mann) sprak hij zelfs van ‘ein intellektuell niederschmetterndes Niveau’, intellectueel terneerslaand dus.
Blijkbaar had Reents de lat hoger gelegd, zoals dat nu heet. Nochtans had Angela groot succes met haar rede, want zonder diens naam te noemen had ze kritiek geleverd op Trump en dat was het Harvardpubliek niet ontgaan.
Eén zinnetje aan het begin van Reents’ artikel nam me helemaal voor de man in:

Sie sagt nichts eigentlich Falsches, bestimmt nur Gutgemeintes; aber schon, dass sie sich nicht entblödet, einem mit Hermann Hesses „Jedem Anfang wohnt ein Zauber inne“- Kitsch zu kommen, verheißt Schlimmes.

[Iets ronduit verkeerds zegt ze niet, en beslist meende ze het allemaal goed; maar alleen al dat ze zich niet geneerde om met de Hermann Hesse-kitsch van ‘Elk begin heeft zijn betovering’ uit te pakken voorspelde weinig goeds.]

Nu was deze Hermann Hesse een auteur die in de hippietijd bij universiteitsstudenten geweldig in trek was. Je kon nauwelijks een café betreden of iemand begon over Siddhartha of Der Steppenwolf. Zelf las ik die dingen niet, bladerde wel eens in een exemplaar dat mij werd voorgelegd, maar een Wodehouse of zelfs nu en dan enkele bladzijden Schopenhauer bevielen mij meer. Want zoals Karel van het Reve opmerkte: je kunt ook een hekel hebben aan een schrijver die je nooit gelezen hebt.

Eén ding misschien: Angela Merkel is vandaag ongeveer afgeserveerd, en de FAZ schreef nooit zo negatief over haar toen ze nog schitterde aan het Duitse firmament.

20 mei 2019

Te duidelijk willen zijn maakt een wat dommige indruk


Voor de term «braderie» geeft de Robert op bladzijde 546 van deel I – dat logischerwijze de letters A, B en C behandelt – de definitie die u hiernaast kunt lezen. Bij een braderie, meent de Robert, gaat het om een publiek evenement en hij volgt hierin de Larousse van 1856.

Spreken over een «braderie publique», zoals het Gentse stadsbestuur meent te moeten doen, is dus lichtjes belachelijk maar wel gewichtig en typisch voor een bestuur dat aan logorroe lijdt en graag een zelfverzonnen woordje Frans laat horen.

Erger is dat ze evengoed en beter «braderij» hadden kunnen zeggen, want als we een etymologisch woordenboek ter hand nemen lezen we: Foire annuelle dans les villes flamandes et du nord de la France, où l'on vend à des prix inférieurs à la normale certains articles (vêtements ou objets usagés) ; emprunté au m. néerl. braderie « rôtisserie, restaurant à bon marché » ; terme formé à partir du rad. de braden « rôtir » (brader) et du suff. fr. –erie (VERDAM).

Vrij vertaald: gebraden worsten, vodderijen en winkeldochters op straat verkopen, daar komt het op neer.

Het is een oorspronkelijk Nederlands woord, vroede bestuurderen, en dus is er geen reden om chic te doen en onnozelweg te paraderen met een huisbereide Franse uitdrukking …die in het Frans niet voorkomt.

Onthouden jullie het voor volgend jaar? Het is gewoon braderie, of duugeweun een braaderaaie, een typisch negentiende-eeuws Gents woord, een substantief dat het zonder adjectief kan stellen.

16 mei 2019

De weerzinwekkende lafheid van journalisten


Ik vertaal het slot van een artikel in Le Monde diplomatique van deze maand. Auteur is de advocaat Juan Branco, die samen met enkele confraters de verdediging van Julian Assange opneemt. Een andere verdediging heeft die niet meer aangezien de perskoelies die eerst nog enthousiast zijn onthullingen publiceerden omdat ze daar wel brood in zagen, nu als kuikens en als rechtgeaarde journalisten onder de vleugels van hun politieke voorzeggers terugkruipen.

Toen op 11 april 2019 Assange werd gearresteerd bij de ambassade van Ecuador, wat een schending inhield van alle internationale conventies betreffende asielrecht, toen hebben de westerse redacties, van de Washington Post over Le Monde of nog de Guardian en de New York Times, zich bijzonder vreesachtig tot zelfs vijandig getoond. Het lot van een journalist die al bijna zeven jaar gevangen zat op twintig vierkante meter, zonder open lucht of zonlicht, onderworpen aan maandenlange complete afzondering, in levensomstandigheden die aan marteling grenzen, en dat alles omdat hij zijn werk had gedaan… dat beroert hen niet. Assange mag er verzwakt uitzien, zijn gezicht aangevreten door de eenzaamheid, hij is geen der hunnen meer.

Een naïeve ziel zou het vreemd kunnen vinden dat een man die een aantal van de belangrijkste misdaden van de XXIste eeuw publiek heeft gemaakt, er moederziel alleen voorstaat als er solidariteit verlangd wordt. Voetje bij voetje en totaal berooid als hij was heeft hij de in de geschiedenis belangrijkste bibliotheek van de machtsapparaten samengesteld, en daarbij een exploot verricht waar geen van zijn concurrenten op kan bogen: nooit heeft hij, bij de miljoenen documenten die hij heeft geopenbaard, ook maar de minste valse informatie gepubliceerd! Dat belet Le Monde niet om te oordelen: «Julian Assange is geen vriend van de mensenrechten»,* of Médiapart om in een titel te spreken over zijn «aftakeling»,** of The Economist om zich te verheugen over zijn gevangenzetting.***

Om die breuk met de mediawereld te begrijpen, moet men in aanmerking nemen dat de moderne journalistiek functioneert binnen een bourgeois-kader, in een informatiemarkt, een concurrentiële omgeving waar overleven enkel mogelijk is door tegen de machthebbers aan te schurken. Er zijn verschillende modellen. Organen als Médiapart in Frankrijk, die ogenschijnlijk meer tegen de grenzen aanstoten, bedrijven een «onthullingsjournalistiek»  die gemene streken en verraad herkauwen zonder het systeem ter discussie te stellen waarbinnen die media vastzitten. Daarin verschillen ze niet van de reguliere journalistiek zoals belichaamd door instituties als Le Monde, de Guardian of de New York Times.

Assange heeft gebroken met deze beide modellen. Als auteur van een theorie over  «wetenschappelijke journalistiek» heeft hij zich afgewend van de praktijken van wat hij beschouwt als een stiel van verstandhouding, en naarmate hij steeds belangrijkere documenten openbaar maakte, heeft hij geleerd zich ver te houden van om het even welk machtsapparaat. Hij volstond ermee gegevens te publiceren die nauwlettend van bronnenmateriaal waren voorzien, getrieerd en geanalyseerd, nadat ze gefilterd waren door middel van een geanonimiseerd platform, waarvan alleen hij de sleutel heeft. Alle informatie die op zijn platform voorkomt is voorzien van een onbewerkte bron, wat aan om het even wie  toelaat de echtheid ervan na te gaan en die zelf te bemachtigen, wat de privileges ongedaan maakt die de journalistieke kaste zich heeft toegeëigend.

In die mate inzetten op de collectieve intelligentie werpt de principes van onze tijd overhoop. Nog afgezien van het onmiddellijke effect van de openbaarmaking, maakt dit een gedeelde kritische kijk mogelijk, ver van elke vorm van meeheulen. WikiLeaks werd een soort metamedium, verpletterde elke concurrentie en wekte een intense jalousie op.

De radicaliteit van die aanpak van Assange laat geen enkele vorm van compromis met de bestaande instituties toe. Ze bedreigt bijgevolg een mediatieke wereld die zich heeft genesteld in het comfort dat het aanschurken tegen de machthebbers biedt. En ze verontrust de traditionele machtsapparaten die vrezen dat hun misdaden elk moment aan het licht kunnen worden gebracht. Nadat hij in de westerse wereld ongewild een dissident was geworden, zag de Australische outsider zich logischerwijze achtereenvolgens van verkrachting beschuldigd, van antisemitisme, complotisme, en zelfs van afhankelijkheid van de Russische geheime dienst. Acht jaar na zijn plotse verschijning komt hij, die eerst een held was, nu op het moment van zijn arrestatie de enen voor als een «absolutist van de transparantie»**** en anderen weer als een «vijand van de vrijheid».*****
___________
* La trajectoire ambivalente de Julian Assange, Le Monde, 14-15 avril 2019.
** Jérôme Hourdeaux, Julian Assange, l’histoire d’une déchéance, Mediapart, 11 avril 2019.
*** Julian Assange: journalistic hero or enemy agent?, The Economist, Londres, 12 avril 2019.
**** La trajectoire ambivalente de Julian Assange, op. cit.
***** Profession journaliste, ontmoeting met Fabrice Arfi, Bibliothèque publique d’information, Paris, 17 avril 2019.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html