21 juli 2019

Toerisme als ziekte


'Niemand houdt van een zieke. Ook niet een andere zieke', schreef de onvergetelijke schaakmeester Jan-Hein Donner in een verzamelboekje van zijn columns (Slecht nieuws voor iedereen, Bert Bakker, 1987), en Donner sprak met kennis van zaken.

Hetzelfde kun je ook zeggen over toeristen meen ik.
Niemand houdt van hen, je wil ze niet, al zeker niet in je eigen stad maar ook niet als je elders zélf toerist bent. Het gezicht van weer een bende die achter de opgestoken paraplu van een cicerone aanstrompelt is stuitend en bederft het genoegen van de plaatselijke bewoner. Hij kan zijn eigen stad niet meer zien en moet gedurig het trottoir af voor barbaren die selfies aan het maken zijn.

Bij de besturen van bijvoorbeeld Barcelona, Venetië of Parijs lijkt het besef te groeien dat men te ver is gegaan. We mogen hopen dat ook in provinciesteden als Gent de geesten rijpen.

Niet dat ik zover wil gaan als Stendhal in Rome begin negentiende eeuw, maar ik begrijp wat hij bedoelde.* Hij had een geliefkoosd zinnetje waarmee hij zijn boeken, ook het onderstaande besloot: To the happy few.

Het genot van een reiziger verdwijnt bijna geheel zodra er in het Colosseum andere nieuwsgierigen arriveren. In plaats van zich in sublieme en boeiende dromerijen te verliezen, merkt hij zijns ondanks de belachelijkheden van de nieuwgekomenen, en hem lijken ze er steevast veel te vertonen. Het leven wordt verlaagd tot wat het is in een salon: ongewild luister je toch naar de banaliteiten die ze vertellen. Als het in mijn macht lag, was ik een tiran en liet ik voor de tijd van mijn verblijven in Rome het Colosseum sluiten.

Dès que d'autres curieux arrivent au Colysée, le plaisir du voyageur s'éclipse presque en entier. Au lieu de se perdre dans des rêveries sublimes et attachantes, malgré lui il observe les ridicules des nouveaux venus, et il lui semble toujours qu'ils en ont beaucoup. La vie est ravalée à ce qu'elle est dans un salon : on écoute malgré soi les pauvretés qu'ils disent. Si j'avais le pouvoir, je serais tyran, je ferais fermer le Colysée durant mes séjours à Rome.

Promenades dans Rome (1829)
Édition établie et annotée par Victor Del Litto, Gallimard 1973, xxxi + 874 pp.

_________

* Plus on admire Stendhal et plus on est intelligent (André Suarès).

7 juli 2019

Mooi gesprek over het verse EU-personeel


De gechevronneerde BBC-man Andrew Neil legde de correspondente van France24, Bénédicte Paviot, een paar feiten voor waartegen zij niets, maar dan ook niets wist in te brengen, hoe goed ze het ook meent met de EU. En even later maakte Michael Portillo (ex-Lagerhuislid, nu journalist) het werkje mooi af.
Ik vraag me af of dergelijke onbarmhartige gesprekken ook bij ons op de buis kunnen, met ter vervanging van die arme Bénédicte misschien onze eigen EU-fan, professor dr. Hendrik Vos? Wat zou deze brave Hendrik aan Andrew en Michael geantwoord hebben? Zullen we het ooit te weten komen?

Andrew Neil: Ik begrijp nog altijd niet waarom u denkt dat de EU nu in veiligere, beter zelfs, in optimistischere handen is met een mislukte Duitse defensieminister, een mislukte Belgische eerste minister, een voormalige financiënminister veroordeeld voor schuldig verzuim in een euroschandaal dat over miljoenen pond ging, en een Spaanse politicus die stond te juichen bij de repressie in Catalonië. Waarom is Europa in goede handen bij zulke mensen?
Bénédicte Paviot: Wel, dat is een …een mening, en zoals u vast weet is er kritiek gekomen op Ursula von der Leyen.
Andrew Neil: Zij is de tweede meest …in de poll van Der Spiegel deze maand was zij de op één na minst populaire president …euh politica in Duitsland. Rond haar departement loopt een onderzoek naar corruptieschandalen en netelige defensiecontracten. De Spaanse politicus, de man die nu het buitenland doet voor de EU, is veroordeeld voor handel met voorkennis. Hoe kunnen deze lui, hoe kan Europa’s toekomst veilig in handen van zulke mensen gegeven worden?
Bénédicte Paviot: Ik denk dat het belangrijk is voor ogen te houden dat de defensieminister, die u een ‘mislukte defensieminister’ noemt…
Andrew Neil: Het waren de Duitsers die haar zo noemden.
Bénédicte Paviot: Wel, niet alle Duitsers.
Andrew Neil: De meeste Duitsers wel, inbegrepen het rapport van de Bundestag over het gebrek aan paraatheid van Duitsland. Zestig procent van hun vliegtuigen kunnen niet vliegen, en honderd procent van hun onderzeeërs kunnen niet ter zee. Ze hebben het Duitse leger naar een arctische NAVO-oefening gestuurd met bezemstelen voor geweren! En die vrouw is nu voorzitter van de Europese Commissie.


[om Bénédicte even op adem te laten komen laste ik hier een muziekje in: Ode an die Freude ...wat volgens Karel van het Reve oorspronkelijk Ode an die Freiheit had moeten zijn, maar Schiller, zo vermoedt hij, durfde dat niet aan in het Europa van die dagen]


Michael Portillo: Laat me zeggen dat ik het met Andrew oneens ben. Ik wens Europa niet te zien bloeien want de richting die deze mensen het willen uitsturen, is die naar het Europees federalisme. Ik voel genoeg mee met mijn mede-Europeanen om te denken dat een federale Europese Staat niet het antwoord is, niet voor ons alleen, ook niet voor hen. Iets dat ondemocratisch is, is niet de oplossing voor Duitsland, of voor Frankrijk of Italië, of voor Griekenland. De Grieken weten al dat het voor hen geen antwoord is, want zij zijn door de EU geruïneerd, door het aandringen op het aanvaarden van de euro, waar zij totaal niet in aanmerking voor kwamen, de euro een puur politiek project zijnde. Omdat de EU graag de symbolen van een eenheidsstaat wilde creëren, ontwierpen ze de eenheidsmunt, ontwierpen ze een vlag en ontwierpen ze een nationale hymne, en daarom was het gerechtvaardigd daar geen respect voor te betonen. Zulke dingen doen is verkeerd, want die dingen sturen ons een ondemocratische richting uit…
Bénédicte Paviot: Dat is echt respectloos… een theatertruc.
Michael Portillo: …en daarom kan de aanstelling van lui die ongevoelig zijn voor de Europese bevolking …meen ik in zekere zin een goede zaak zijn, want de revolte tegen deze wereldvreemde elite zal aanhouden.




Andrew Neil: I still don’t understand why you think the EU is now in safer, even better, optimistic hands, with a failed German defence minister, a failed Belgian prime minister, a former finance minister found guilty of negligence in a multimillion pound euro scandal, and a Spanish politician who’s been a cheerleader for repression in Catalonia. Why is Europe in good hands with people like that?
Bénédicte Paviot: Well, the, that is a …an opinion, and certainly as you know, Ursula von der Leyen has been criticised.
Andrew Neil: She’s the second most… in the Der Spiegel poll last month, she was the second most unpopular president, um …politician in Germany. Her department has been under investigation for corruption scandals and dodgy defence contracts, the Spanish politician who is now the EU’s foreign policy man, was done for insider trading. How can these people, how can Europe’s future be safe in these people’s hands?
Bénédicte Paviot: I think that the important thing to remember is that the ...um defence secretary that you are calling a 'failed German defence secretary'…
Andrew Neil: It was the Germans who called her that.
Bénédicte Paviot: Well, not all Germans.
Andrew Neil: Most Germans do, including the Bundestag report on Germany’s unpreparedness. Sixty percent of their planes can’t fly, a hundred percent of their submarines can’t take to the sea. They sent the German army into the arctic Nato exercise with broomsticks for guns! That’s the woman who is now president of the European Commission.

o-o-o-o-o
Michael Portillo: Let me say that I disagree with Andrew: I don’t want Europe to prosper because the direction in which these people want to lead it is towards European federalism. I have enough feeling for my fellow Europeans to think that a federal state of Europe is not the answer, not only for us, but not for them. Something which is nondemocratic is not the answer for Germany or for France or for Italy, or for Greece. The Greeks already know it’s not the answer for them, because they have been ruined by the European Union, by the insistence on creating a euro for which they were totally unsuitable. The euro being an entirely political project. Because the European Union wanted to create the symbols of a single state, so they created single currency, they created a flag, and they created an anthem, which is why it was right to show disrespect for it. Because these things are wrong things to do, because they take us in a nondemocratic direction…
Bénédicte Paviot: That is just disrespectful… it’s a gimmick.
Michael Portillo: …and therefore the appointment of people who have no sensitivity for the European population, I think in a way may be a good thing because the revolt against this out of touch elite will continue.

2 juli 2019

Het werk aan de ruwe steen


In moreel opzicht heeft Karel De Gucht de laatste jaren vooruitgang geboekt, onmiskenbaar, maar om van een wedergeboorte te spreken is het misschien wat vroeg want helemaal koosjer is zijn gedachtewereld nog niet. Zo gebruikte hij vrijdag bij Ivan De Vadder wat slordig de term ‘racisten’, terwijl hij wellicht bedoelde te zeggen dat er mensen bestaan die de islam afkeuren, of immigratie geordend willen zien verlopen.

Maar kom, over de kiezers van Vlaams Belang zei Karel: ‘Ik toon daar ook respect voor,’ en even later nog eens: ‘Ik verketter die kiezers niet, en ik denk dat men daar inderdaad het gesprek moet mee aangaan.’ – hij zal beseft hebben dat velen hem niet op zijn eerste woord geloven, vandaar die herhaling. Kwaadwilligen zullen hier immers denken aan de episode destijds toen hij Balkenende een Harry Potter had genoemd in een interview met Jan Segers van Het Laatste Nieuws ...en vervolgens ontkende dat hij dat gezegd had. In hoge nood beweerde hij zelfs dat dat interview niet had plaatsgehad.

Zand erover, wellicht waren de mysteriën van Osiris’ wedergeboorte hem nog niet goed uitgelegd, wat zou verklaren hoe hij het kiesvolk van het Belang in die tijd eenvoudigweg ‘mestkevers’ kon noemen – naar de Egyptische kever, de Scarabaeus sacer die in de Osiriscultus een heilige taak had.

Maar die term ‘mestkevers’ neemt Karel niet langer in de mond, een bewijs dat zijn ruwe steen intussen flink is bijgeschaafd. Hoe hij overigens dat ‘gesprek met de kiezers’ wil aangaan en tegelijk de partij van die kiezers wil negeren is niet duidelijk. Karel, die volgens alle media een verstandig man is, zal het antwoord kennen. Misschien denkt hij aan een ‘grand débat national’?

Nu vind ik weer niet dat elk ad hominem en alle beledigingen en invectieven uit het politieke spraakgebruik moeten gebannen worden. Een duidelijke term is vaak een verademing, en woorden verbieden of verbannen is geen nette praktijk. Wel moet men trachten stijlvol te blijven, dat vond tweehonderd jaar geleden Joseph de Maistre toch, een van tijd tot tijd mystiek aangelegde maçon die geen enkel woordgevecht uit de weg ging, ook niet als dat ruwe termen meebracht. À tout seigneur tout honneur, zegt Maistre, en ik meen dat ook Karel De Gucht hier schuchter op de goede weg is.
In een brief schreef Maistre:


Aan M. Deplace, in Lyon.
28 september 1818.

Ik kom terug op enkele van uw opvattingen, naarmate ze me te binnen schieten. In een van uw vorige brieven hebt u me ertoe aangespoord ongegeneerd voor mijn standpunten uit te komen, daarbij evenwel de personen ontziend. U mag ervan overtuigd zijn, mijnheer, dat het hier om een Franse illusie gaat. Die koesteren we allemaal, en u hebt mij al meegaand genoeg gezien, in de regel toch, om niet geschandaliseerd te raken als ik u vertel dat men tegen een opinie niets heeft ondernomen zolang men niet de persoon zelf heeft aangepakt. Nu zeg ik erbij dat in dit soort aangelegenheden zoals in andere, er grote waarheid schuilt in het gezegde: ere wie ere toekomt; voegen we enkel nog toe: zonder slaafs te worden.

À M. Deplace, à Lyon.
28 septembre 1818.
Je reprends quelques-unes de vos idées, à mesure qu'elles me reviennent. Dans une de vos précédentes lettres, vous m'exhortiez à ne pas me gêner sur les opinions, mais à respecter les personnes. Soyez bien persuadé, Monsieur, que ceci est une illusion française. Nous en avons tous, et vous m'avez trouvé assez docile, en général, pour n'être pas scandalisé si je vous dis qu'on n’a rien fait contre les opinions tant qu'on n’a pas attaqué les personnes. Je ne dis pas cependant que, dans ce genre comme dans un autre, il n'y ait beaucoup de vérité dans le proverbe: À tout seigneur tout honneur; ajoutons seulement: sans esclavage.


18 juni 2019

Dat mocht ook eens gezegd worden


De Russische dichter Ossip Mandelstam was arm, zoals het een dichter betaamt, en hij voorzag in zijn levensonderhoud met het vertalen van buitenlandse romans, bijvoorbeeld de Ulenspiegel van Charles de Coster. Dat werk kende in de Sovjetunie een groot succes omdat men in de figuur van Uilenspiegel een soort proletarische rebel zag – hiernaast ziet u een prachtuitgave uit 1922, in de reeks Les Maîtres Belges, maar zelf ben ik nooit verder dan een paar beginhoofdstukken geraakt. Dat rebellen in de Sovjetunie geliefd waren is ook niet helemaal correct. Stalin stelde bepaalde geschriften van Mandelstam niet op prijs en de dichter stierf in een Goelagkamp in 1938. Onderstaande grappig-toornige tekst schreef hij in 1929 in een brief aan het nog jonge sovjet-uitgeverswezen, en ik vertaalde hem noodgedwongen uit het Duits.

In het literaire werkveld is vertalen een van de moeilijkste en verantwoordelijkste taken. In wezen bouwt men op een fundament van vreemd materiaal een zelfstandige woordstructuur. Bij het omwerken van dat materiaal tot een Russische structuur is enorme concentratie vereist, oplettendheid en wilskracht, een brede vindingrijkheid, een frisse geest, een neus voor filologie, een uitgebreid woordklavier, de vaardigheid om zich in een bepaald ritme in te leven, de opbouw van een zin te begrijpen en hem ook te reproduceren – en bij dit alles hoort een strenge beteugeling van het eigen ik. Anders is het gewoon revuetheater. In het vertaalwerk gaat een schadelijke, ongezond nerveuze ontwrichting schuil. Dat werk vermoeit het brein en doet het sterker uitdrogen dan veel andere scheppende arbeid. Als men geen zorg draagt voor een goede vertaler, dan verslijt die bijzonder snel. Voor dit werk is een specifieke profylaxe geboden. Om beroepsziekten bij vertalers te voorkomen zou men daar onderzoek naar moeten doen, hun verzekeringsdekking bieden en geregeld rustpauzes toestaan.

Das Übersetzen ist eine der schwierigsten und verantwortungsschwersten Arten literarischer Arbeit. Es ist im wesentlichen die Schaffung einer selbständigen sprachlichen Struktur auf der Grundlage eines fremden Materials. Die Umschaltung dieses Materials auf eine russische Struktur erfordert eine ungeheure Konzentration, Aufmerksamkeit und Willensanstrengung, reiche Erfindungsgabe, geistige Frische, philologisches Gespür, eine große Wortschatzklaviatur, die Fähigkeit, sich in einen Rhythmus hineinzuhören, die Zeichnung eines Satzes zu erfassen und die auch wiederzugeben – und all dies bei strengster Zügelung des eigenen Selbst. Andernfalls ist das bloße Stegreifdarbietung. Im Akt des Übersetzens verbirgt sich eine an der Gesundheit zehrende nervliche Zerrüttung. Diese Arbeit ermüdet das Gehirn und trocknet es mehr aus als viele andere Arten schöpferischer Arbeit. Wenn man für einen guten Übersetzer nicht Sorge trägt, nutzt er sich sehr schnell ab. Hier ist eine arbeitsspezifische Prophylaxe notwendig. Man müßte die Berufskrankheiten der Übersetzer erforschen und ihnen vorbeugen, den Übersetzern Versicherungsschutz gewähren, ihnen regulären Verschnaufpausen zugestehen.

13 juni 2019

Het Vrije Woord komt uit Québec


Voor mij is veel Amerikaans een lelijk soort Engels, maar Surinaams weer een mooi soort Nederlands, en Afrikaans ook en Québecs een mooi soort Frans. Akkoord, soms ontsnapt je iets: bij de onderstaande tekst bijvoorbeeld ontgingen me enkele woordjes, maar de Québecse filosoof Mathieu Bock-Côté is ook zonder deze interessant genoeg, en zijn lofzang op de literatuur zal alvast de mensen van de Arkprijs interesseren, want Bock-Côté heeft het over de Vrijheid van Gedachte, en laat nu Het Vrije Woord, de vrucht daarvan, net een concept zijn waar dat comité zich niets bij kan voorstellen.
(Het volledige gesprek ziet u op YouTube)

Philippe Bilger: Om er een naam aan te geven, wat is voor u de tegenpool van de conservatieve denktrant?
Mathieu Bock-Côté: Het progressisme. Het progressisme dat het fundamentalisme van de moderniteit is. Ik zal preciseren: het gaat niet om alle maatregelen die zich op het progressisme beroepen, dus op de sociaaldemocratie, op een bepaald socialisme. Mij jagen maatregelen van sociale herverdeling, van economische herverdeling geen schrik aan. Maatregelen die ongelijkheden corrigeren zijn vaak noodzakelijk. Goed, daar stoor ik me dus niet aan. Waar ik me wel aan stoor is dat antropologisch progressisme dat er hoofdzakelijk in bestaat ons te vertellen dat de mens zich moet bevrijden, moet losrukken van alle overleveringen, van elk erbij horen, om zodoende zich op een dag over te geven aan het waanbeeld dat hij zichzelf heeft gemaakt. Het individu zou dan zelf zijn eigen schepper worden, zijn… en vandaar – men merkt het in de gendertheorie – die wil om mannelijkheid en vrouwelijkheid uit te wissen, want dat zouden enkel sociale en tijdsgebonden constructen zijn afhankelijk van omstandigheden, om op die manier het feit weg te vlakken dat wij desalniettemin in een seksueel gedifferentieerde mensheid ter wereld komen, dat wij een afstamming aanvaarden, zaken die onze eigen grillen of wensen overstijgen. In dat licht is als filosofie het progressisme een logica van de desincarnatie die ertoe neigt de deconstructie tot het uiterste te drijven. Daarom dus verzet ik mij ertegen.

Philippe Bilger: Excuus voor deze lichte contradictie, maar zijn niet, in de mate dat zij voorspelbaar zijn, de conservatieve zowel als de progressistische denkwijzen ten gronde losgekoppeld van de vrijheid van denken?
Mathieu Bock-Côté: Welnee! Want voor mij is de vrijheid van denken… laat ik een precisering aanbrengen die me essentieel lijkt. Ik denk dat elke gemeenschap een progressistische en een conservatieve pool nodig heeft. En dat zeg ik niet om mezelf grootmoediger voor te doen dan ik ben: ik meen dat in het menselijk hart aspiraties woelen die even tegenstrijdig als legitiem zijn. De mens heeft kosmopolitisme nodig en geworteldheid. Hij heeft vrijheid nodig en autoriteit. Hij heeft gelijkheid nodig en verschillen. Een gemeenschap heeft links nodig en rechts nodig. Welnu, de kunst van de politiek – en hier verlaten we dan het terrein van de zuivere politieke filosofie – de kunst van de politiek bestaat erin al naargelang de eigen tijd aan die behoeften een antwoord te geven door er met verstand een hiërarchie in aan te brengen, en die is in de loop van de tijd weer verschillend, om zo tegemoet te komen aan de heersende verzuchtingen van het menselijk hart, verzuchtingen die altijd contradictoir zullen zijn, want opnieuw – zo conservatief ben ik hierin nog wel – in het hart van de mens zit onvermijdelijk zowel goed als kwaad, en het is een lange weg eer men met behulp van de beschaving het onderscheid weet te maken tussen het ene en het andere.
Ik meen dus dat beide polen nodig zijn, en dus moet men… de hele kunst van de politiek bestaat erin een vertaling te bieden… een voorlopige synthese te maken die men onvermijdelijk geregeld weer zal moeten bijstellen. Dit gezegd zijnde, wat betreft de vrijheid van denken, nee, ik vind niet… en vanzelfsprekend zal een man die een bepaald intellectueel systeem aanhangt …ongeveer kun je wel raden wat die zal denken. Maar laat me zeggen dat elk van de kampen zijn genieën heeft, en dus ben ik gekant tegen elke vorm van dogmatische beslotenheid in een denksysteem dat onafwendbaar een neiging tot verstening zal vertonen. Er zijn aan beide kanten bijzonder voortreffelijke auteurs wier oeuvre uitstijgt boven hun eventuele ideologie die ons misschien op de zenuwen gaat. Ik denk dat je in alle kampen begenadigde auteurs aantreft en je moet die werken tegemoet treden die ons intellectueel, of weerspreken of beantwoorden aan andere affecten en andere passies, of aan een andere denkwijze, ik bedoel aan een andere denkwijze dan die waar wij spontaan toe geneigd zijn. Zo bekeken is de literatuur wellicht de magnifiekste leerschool van de vrijheid, want zij dwingt ons buiten onszelf op weg te gaan – en al zal ons dat wellicht niet anders doen stemmen als er verkiezingen aankomen, niettemin biedt zij de mogelijkheid om niet exclusief binnen de eigen categorieën te blijven denken in een referentiesysteem dat alleen naar zichzelf verwijst.



Philippe Bilger : Pour la nommer, quel est le contraire selon vous de la pensée conservatrice?
Mathieu Bock-Côté : Le progressisme. Le progressisme, qui est ce fondamentalisme de la modernité. Le progressisme. Et là je précise: non pas toutes les mesures qui se réclament du progressisme, donc de la social-démocratie, d’un certain socialisme. Moi, des mesures de redistribution sociale, des mesures de redistribution économique, ne me font pas peur, elles sont nécessaires bien souvent, des mesures de correction des inégalités, très bien : ce n’est pas à cela que je m'en prends. Ce à quoi je m’en prends c’est cette anthropologie progressiste qui consiste essentiellement à nous dire que l’homme doit s’affranchir, s’arracher à tous les héritages, à toutes les appartenances, pour devenir un jour, se livrer au fantasme de l’auto-engendrement. Donc, l’individu deviendrait à lui-même son propre créateur, son… et ça, on le voit dans la théorie du genre, c’est la volonté d’abolir le masculin et le féminin, qui ne seraient plus que des constructions sociales, temporaires, circonstancielles, pour abolir le fait que nous naissons néanmoins dans une humanité sexuée, que nous sommes dans une filiation que nous assumons, quelque chose qui va au-delà des celles des caprices de notre volonté. Et de ce point de vue, le progressisme comme philosophie, est une logique de désincarnation qui a tendance à aller jusqu’au bout de la déconstruction. Voilà pourquoi je m’y oppose.

Philippe Bilger : Au fond, et pardon pour cette légère contradiction, la pensée conservatrice, comme la pensée progressiste, ne sont-elles pas, dans la mesure où elles sont prévisibles, déconnectées de la liberté de pensée ?
Mathieu Bock-Côté : Ah non ! Parce que la liberté de pensée pour moi… alors je fais une précision qui me semble essentielle. Je crois que toute cité a besoin d’un pôle progressiste et d’un pôle conservateur. Alors je ne dis pas ça pour paraître plus magnanime que je ne le suis: je crois que le cœur humain est traversé d’aspirations contradictoires mais également légitimes. L’homme a besoin de cosmopolitisme et d’enracinement. Il a besoin de liberté et il a besoin d’autorité. Il a besoin d’égalité et de différence. Une cité a besoin d’une gauche et besoin d’une droite. Or, l’art politique – et là on quitte le domaine effectivement de la pure philosophie politique – l’art politique consiste selon les époques à répondre à ces besoins, en les hiérarchisant intelligemment, et c’est pas toujours de la même manière d’une époque à l’autre, pour répondre aux aspirations présentes dans le cœur de l’homme, aspirations toujours contradictoires, parce que de ce point de vue, encore une fois, je suis assez conservateur sur ça, il faut que le bien et le mal soient mélangés dans le cœur de l’homme et c’est un long travail de discernement que d’être capable de distinguer l’un de l’autre, c’est [xxx] aidés par la civilisation. Donc je crois que ces pôles sont nécessaires, et ensuite il faut… l’art politique consiste à traduire… à construire une synthèse, inévitablement provisoire, qu’il faudra remettre à neuf régulièrement. Cela dit, sur la liberté de pensée, non je …évidemment ensuite un homme qui a un système intellectuel …on divine à peu près ce qu’il va penser. Mais je suis contre toute forme d’enfermement dogmatique dans un système mental qui a tendance inévitablement à se pétrifier parce que en dernière instance, je dirais qu’il y a des génies dans chaque camp. Il y a des auteurs absolument remarquables dans chaque camp, dont l’œuvre dépasse même l’idéologie qui peut nous agacer lorsqu’ils y adhèrent. Je pense que des penseurs de grand talent on trouve dans tous les camps, et il faut aller à la rencontre de ces œuvres qui soit nous contredisent intellectuellement, ou répondent à d’autres affects ou à d’autres passions, ou un autre imaginaire, c'est-à-dire un autre imaginaire que celui auquel on adhère spontanément. Et de ce point de vue, la littérature est probablement la plus belle école de liberté, parce qu’elle nous force à voyager au-delà de nous-mêmes – ce qui ne nous amènera probablement pas à voter autrement lorsque viendront les élections – mais néanmoins c’est la possibilité de ne pas penser exclusivement à travers ses propres catégories, dans un système autoréférentiel.

5 juni 2019

Joseph de Maistre en Montesquieu


Montesquieu (1689-1755), de Verlichtingsfilosoof, vijand van het absolutisme en bewonderaar van de Engelse staatsordening, hield er ook enkele opvattingen op na die vandaag onder de brede noemer ‘discriminatie’ vallen. Sommigen zouden hem nu zelfs fobisch noemen, of toch minstens weinig gastvrij.
Joseph de Maistre (1753-1821) was juist een vijand van de Verlichting en verdediger van het absolutisme. Hier citeert deze gevreesde polemist Montesquieu, en stelt hem een paar praktische vragen:

Sur le protestantisme
Lausanne en Turijn, 1796-1798, postume publicatie in 1870 in:
Œuvres inédites du comte Joseph de Maistre

Montesquieu heeft gezegd, op die belerende toon die bij zijn gevoel van superioriteit past: “Het zou een heel goede burgerlijke regel zijn, mocht de Staat niet de vestiging van weer een andere religie dulden, als hij tevreden is met de religie die er al gevestigd is.
Ziedaar dus het grondprincipe van politieke wetten betreffende religie. Als men bij machte is al dan niet een nieuwe religie tot een Staat toe te laten, dan moet men de vestiging ervan beletten; is ze eenmaal gevestigd, dan moet men ze tolereren.”*

Had ik in de tijd van die grote man geleefd, dan had ik hem een paar vragen willen stellen. Ten eerste, wat is een in de Staat gevestigde religie? Als een sekte zoekt binnen te dringen in een land, dan stopt ze niet nederig bij de grens en laat ze niet van daaruit vragen of men haar wil ontvangen. Ze sluipt in stilte binnen als een reptiel, ze verspreidt haar dogma’s in het duister, buiten het weten van de soeverein om, en plots richt ze zich brutaal op, caput a cœli regionibus ostendens.** Is ze dan gevestigd?

Dat bedoelde Montesquieu wellicht niet te zeggen: indien wel was er geen reden om het onderscheid te maken. Deze grote man bedoelt dus te spreken over een legale toelating steunend op een positieve wet, of op een stilzwijgend gedogen blijkend uit tijdsverloop en verjaring. Tot op dat moment is ze niet gevestigd, en hoeft men niet te dulden dat ze zich vestigt; maar hoe? Dat zou mijn tweede vraag zijn en ze lijkt mij wel belangrijk. Zal men hen per manifest verzoeken de Staat te willen verlaten? Ik vrees dat die methode niet werkt. Om aan het voorschrift van Montesquieu te voldoen zal men zal dus moeten bevelen, dwingen en straffen. Maar tot op welk punt is gestrengheid toegestaan, en van waar af wordt ze misdadig? Wat we met zekerheid kunnen zeggen is dat elke nutteloze gestrengheid misdadig is, en elke gestrengheid onschuldig als ze noodzakelijk is. Wat men eveneens met volle zekerheid mag stellen is dat de reactie van de soeverein die zich teweerstelt evenredig moet zijn met de actie van de vijand die aanvalt. Uitgaand van dit principe, dat onaanvechtbaar is, zal men noodgedwongen heel wat minder deernis voelen bij de grote gewelddaden die in werkelijkheid slechts ongelukken waren. Bekijk dat lijk op de openbare weg: de moordenaar staat ernaast; hij wekt uw algehele verontwaardiging op; maar zodra u hoort dat die moordenaar een vreedzame reiziger is, en de andere een struikrover was die het slachtoffer werd van wettige zelfverdediging, dan verdwijnt uw medelijden. Het recht in bredere zin blijft immer ongewijzigd. Over de morele rechtvaardiging van maatregelen waarmee een soevereiniteit zich na een aanval verdedigt, moet men niet oordelen naar dezer gestrengheid maar naar hun noodzakelijkheid. Alles wat achterwege had kunnen blijven is crimineel; maar alle verschrikkingen die men zich kan voorstellen zijn toegelaten als er geen ander verdedigingsmiddel voorhanden was.
____________
* De l'Esprit des Loix, 1. XXV, ch. x. (Genève, 1748)
**‘…en toont vanuit de hemelse sferen haar akelige kop’.
Lucretius, De Natura Rerum, Liber I, 63-65:
                                                           …sub religione
                   quae caput a caeli regionibus ostendebat
                  horribili super aspectu mortalibus instans
…superstition, which displayed her head from the regions of heaven, lowering over mortals with horrible aspect. (Loeb – W. H. D. Rouse, revised by Martin F. Smith)  …une religion dont le visage, se montrant du haut des régions célestes, menaçait les mortels de son aspect terrible. (Les Belles Lettres – Alfred Ernout).

2 juni 2019

Angela's dankrede afgekraakt


Op dertig mei werd Angela Merkel doctor honoris causa van Harvard, en bij die gelegenheid sprak ze natuurlijk een dankrede uit. Edo Reents van de Frankfurter Allgemeine kwam niet onder de indruk. Zelf ook doctor zijnde (hij promoveerde op een proefschrift over de Schopenhauer-receptie bij Thomas Mann) sprak hij zelfs van ‘ein intellektuell niederschmetterndes Niveau’, intellectueel terneerslaand dus.
Blijkbaar had Reents de lat hoger gelegd, zoals dat nu heet. Nochtans had Angela groot succes met haar rede, want zonder diens naam te noemen had ze kritiek geleverd op Trump en dat was het Harvardpubliek niet ontgaan.
Eén zinnetje aan het begin van Reents’ artikel nam me helemaal voor de man in:

Sie sagt nichts eigentlich Falsches, bestimmt nur Gutgemeintes; aber schon, dass sie sich nicht entblödet, einem mit Hermann Hesses „Jedem Anfang wohnt ein Zauber inne“- Kitsch zu kommen, verheißt Schlimmes.

[Iets ronduit verkeerds zegt ze niet, en beslist meende ze het allemaal goed; maar alleen al dat ze zich niet geneerde om met de Hermann Hesse-kitsch van ‘Elk begin heeft zijn betovering’ uit te pakken voorspelde weinig goeds.]

Nu was deze Hermann Hesse een auteur die in de hippietijd bij universiteitsstudenten geweldig in trek was. Je kon nauwelijks een café betreden of iemand begon over Siddhartha of Der Steppenwolf. Zelf las ik die dingen niet, bladerde wel eens in een exemplaar dat mij werd voorgelegd, maar een Wodehouse of zelfs nu en dan enkele bladzijden Schopenhauer bevielen mij meer. Want zoals Karel van het Reve opmerkte: je kunt ook een hekel hebben aan een schrijver die je nooit gelezen hebt.

Eén ding misschien: Angela Merkel is vandaag ongeveer afgeserveerd, en de FAZ schreef nooit zo negatief over haar toen ze nog schitterde aan het Duitse firmament.

20 mei 2019

Te duidelijk willen zijn maakt een wat dommige indruk


Voor de term «braderie» geeft de Robert op bladzijde 546 van deel I – dat logischerwijze de letters A, B en C behandelt – de definitie die u hiernaast kunt lezen. Bij een braderie, meent de Robert, gaat het om een publiek evenement en hij volgt hierin de Larousse van 1856.

Spreken over een «braderie publique», zoals het Gentse stadsbestuur meent te moeten doen, is dus lichtjes belachelijk maar wel gewichtig en typisch voor een bestuur dat aan logorroe lijdt en graag een zelfverzonnen woordje Frans laat horen.

Erger is dat ze evengoed en beter «braderij» hadden kunnen zeggen, want als we een etymologisch woordenboek ter hand nemen lezen we: Foire annuelle dans les villes flamandes et du nord de la France, où l'on vend à des prix inférieurs à la normale certains articles (vêtements ou objets usagés) ; emprunté au m. néerl. braderie « rôtisserie, restaurant à bon marché » ; terme formé à partir du rad. de braden « rôtir » (brader) et du suff. fr. –erie (VERDAM).

Vrij vertaald: gebraden worsten, vodderijen en winkeldochters op straat verkopen, daar komt het op neer.

Het is een oorspronkelijk Nederlands woord, vroede bestuurderen, en dus is er geen reden om chic te doen en onnozelweg te paraderen met een huisbereide Franse uitdrukking …die in het Frans niet voorkomt.

Onthouden jullie het voor volgend jaar? Het is gewoon braderie, of duugeweun een braaderaaie, een typisch negentiende-eeuws Gents woord, een substantief dat het zonder adjectief kan stellen.

16 mei 2019

De weerzinwekkende lafheid van journalisten


Ik vertaal het slot van een artikel in Le Monde diplomatique van deze maand. Auteur is de advocaat Juan Branco, die samen met enkele confraters de verdediging van Julian Assange opneemt. Een andere verdediging heeft die niet meer aangezien de perskoelies die eerst nog enthousiast zijn onthullingen publiceerden omdat ze daar wel brood in zagen, nu als kuikens en als rechtgeaarde journalisten onder de vleugels van hun politieke voorzeggers terugkruipen.

Toen op 11 april 2019 Assange werd gearresteerd bij de ambassade van Ecuador, wat een schending inhield van alle internationale conventies betreffende asielrecht, toen hebben de westerse redacties, van de Washington Post over Le Monde of nog de Guardian en de New York Times, zich bijzonder vreesachtig tot zelfs vijandig getoond. Het lot van een journalist die al bijna zeven jaar gevangen zat op twintig vierkante meter, zonder open lucht of zonlicht, onderworpen aan maandenlange complete afzondering, in levensomstandigheden die aan marteling grenzen, en dat alles omdat hij zijn werk had gedaan… dat beroert hen niet. Assange mag er verzwakt uitzien, zijn gezicht aangevreten door de eenzaamheid, hij is geen der hunnen meer.

Een naïeve ziel zou het vreemd kunnen vinden dat een man die een aantal van de belangrijkste misdaden van de XXIste eeuw publiek heeft gemaakt, er moederziel alleen voorstaat als er solidariteit verlangd wordt. Voetje bij voetje en totaal berooid als hij was heeft hij de in de geschiedenis belangrijkste bibliotheek van de machtsapparaten samengesteld, en daarbij een exploot verricht waar geen van zijn concurrenten op kan bogen: nooit heeft hij, bij de miljoenen documenten die hij heeft geopenbaard, ook maar de minste valse informatie gepubliceerd! Dat belet Le Monde niet om te oordelen: «Julian Assange is geen vriend van de mensenrechten»,* of Médiapart om in een titel te spreken over zijn «aftakeling»,** of The Economist om zich te verheugen over zijn gevangenzetting.***

Om die breuk met de mediawereld te begrijpen, moet men in aanmerking nemen dat de moderne journalistiek functioneert binnen een bourgeois-kader, in een informatiemarkt, een concurrentiële omgeving waar overleven enkel mogelijk is door tegen de machthebbers aan te schurken. Er zijn verschillende modellen. Organen als Médiapart in Frankrijk, die ogenschijnlijk meer tegen de grenzen aanstoten, bedrijven een «onthullingsjournalistiek»  die gemene streken en verraad herkauwen zonder het systeem ter discussie te stellen waarbinnen die media vastzitten. Daarin verschillen ze niet van de reguliere journalistiek zoals belichaamd door instituties als Le Monde, de Guardian of de New York Times.

Assange heeft gebroken met deze beide modellen. Als auteur van een theorie over  «wetenschappelijke journalistiek» heeft hij zich afgewend van de praktijken van wat hij beschouwt als een stiel van verstandhouding, en naarmate hij steeds belangrijkere documenten openbaar maakte, heeft hij geleerd zich ver te houden van om het even welk machtsapparaat. Hij volstond ermee gegevens te publiceren die nauwlettend van bronnenmateriaal waren voorzien, getrieerd en geanalyseerd, nadat ze gefilterd waren door middel van een geanonimiseerd platform, waarvan alleen hij de sleutel heeft. Alle informatie die op zijn platform voorkomt is voorzien van een onbewerkte bron, wat aan om het even wie  toelaat de echtheid ervan na te gaan en die zelf te bemachtigen, wat de privileges ongedaan maakt die de journalistieke kaste zich heeft toegeëigend.

In die mate inzetten op de collectieve intelligentie werpt de principes van onze tijd overhoop. Nog afgezien van het onmiddellijke effect van de openbaarmaking, maakt dit een gedeelde kritische kijk mogelijk, ver van elke vorm van meeheulen. WikiLeaks werd een soort metamedium, verpletterde elke concurrentie en wekte een intense jalousie op.

De radicaliteit van die aanpak van Assange laat geen enkele vorm van compromis met de bestaande instituties toe. Ze bedreigt bijgevolg een mediatieke wereld die zich heeft genesteld in het comfort dat het aanschurken tegen de machthebbers biedt. En ze verontrust de traditionele machtsapparaten die vrezen dat hun misdaden elk moment aan het licht kunnen worden gebracht. Nadat hij in de westerse wereld ongewild een dissident was geworden, zag de Australische outsider zich logischerwijze achtereenvolgens van verkrachting beschuldigd, van antisemitisme, complotisme, en zelfs van afhankelijkheid van de Russische geheime dienst. Acht jaar na zijn plotse verschijning komt hij, die eerst een held was, nu op het moment van zijn arrestatie de enen voor als een «absolutist van de transparantie»**** en anderen weer als een «vijand van de vrijheid».*****
___________
* La trajectoire ambivalente de Julian Assange, Le Monde, 14-15 avril 2019.
** Jérôme Hourdeaux, Julian Assange, l’histoire d’une déchéance, Mediapart, 11 avril 2019.
*** Julian Assange: journalistic hero or enemy agent?, The Economist, Londres, 12 avril 2019.
**** La trajectoire ambivalente de Julian Assange, op. cit.
***** Profession journaliste, ontmoeting met Fabrice Arfi, Bibliothèque publique d’information, Paris, 17 avril 2019.

12 mei 2019

Een aanslag op Europa


Bij Groen heeft men kennelijk geen idee van de prijs van een boek. Laten we zeggen een Penguinnetje, een Livre de poche: je zit al vaak aan tien euro. Het afgebeelde pocketje hiernaast van amper vierhonderd bladzijden, kost tien pond. En we zwijgen over de prachtige dingen van Van Oorschot waar je toch ook niet buiten kunt, of van Laffont of Budé enzovoort.

Heel voorzichtig geschat heb je voor vijfduizend euro zo’n twee- à driehonderd boeken. Misschien is dat voor Groen een bibliotheek, maar bij ‘het verfijnde deel van de mensheid, dat niet in het dierlijke bestaan zit ondergedompeld maar zich wijdt aan de bedenkingen van de geest’ heet dat een Ikeakastje.

En dan mogen ze nog van hun eigen stompzinnigheid geschrokken zijn, en met rode kaakjes iets brabbelen over een ‘verzekerde waarde’, het kwaad is geschied. Boeken zijn wat Europa tot Europa maakt, en een belasting op het bezit ervan is een aanslag. Wij hebben nu eenmaal meer dan één boek.

Helaas, bij Groen zijn ze in hun geborneerde, zegedolle clubje:

       Stunn'd and worn out with endless chat,
       Of Will did this, and Nan said that.*

Dat soort conversatie kan het inderdaad zonder boeken stellen.

________
* Om nog even David Hume te citeren, die dit versje van onbekende oorsprong aanhaalt om te illustreren hoe armoedig een gedachtewereld kan worden zonder boeken.

23 april 2019

Een gedurfde lofzang op Alain Delon


Voor we luisteren naar de lofzang op Alain Delon, die Sonia Mabrouk op Cnews ten beste gaf, moeten we misschien even de doodzonden van Delon opsommen: ooit verklaarde die dat hij sympathie voelde voor Jean-Marie Le Pen, en zelfs vriendschappelijk met hem omging, en dat “extreemrechts tenslotte toch rechts was”, en dat men rekening moest houden met de stemmen van miljoenen. Stemmen voor hem deed hij niet want er waren nogal wat punten in diens programma die hem niet bevielen. Ook voor Marine stemt hij niet: bij de jongste presidentsverkiezingen nam hij niet de moeite zich naar het kieslokaal te begeven.
Eén doodzonde volstaat voor de eeuwige Verdoemenis, maar hij liet het niet bij één: “Vroeger kon je op straat mannen en vrouwen onderscheiden. Nu weet je niet meer wie wat is. En men laat je verstaan dat leven met iemand van de andere sekse hetzelfde is als leven met iemand van dezelfde sekse. Kijk, ik heb niks tegen het homohuwelijk, het laat me koud, maar kinderen adopteren kan voor mij niet.”
Anderzijds financierde Delon een film van Joseph Losey (Monsieur Klein) die bekend stond om zijn communistische sympathieën en in Hollywood aan de deur was gezet. En hij speelde in films van Visconti, ook communistisch gezind. En bij de burgemeestersverkiezingen in Parijs steunde hij de PS-kandidate Anne Hidalgo, met wie hij bevriend is.
De lof van zo iemand zingen is niet gebruikelijk in de media, want al leveren Visconti, Losey en Hidalgo hem misschien een paar goede punten op, dat eindrapport van Delon blijft natuurlijk slecht.
Nu is de Frans-Tunesische Sonia Mabrouk zelf ook niet overal even graag gezien. Over de terugkeer van IS-figuren naar Frankrijk zei ze bijvoorbeeld, dat je volstrekt nooit kunt weten of ze enigszins betrouwbaar zijn als ze zich berouwvol tonen. En over die IS-kinderen: “Wij weten niet hoe we die kinderen zouden kunnen desindoctrineren (“désendoctriner”). Persoonlijk heb ik nooit geloofd in dat deradicaliseren. Voor mij is dat zand in de ogen strooien.”

Hiermee zal duidelijk zijn dat een lofzang op Delon afsteken tegelijk een gedurfd journalistiek standpunt inhoudt.

Sonia Mabrouk: U bent het symbool van de onrust. Wij hier zitten in een televisiestudio en we weten dat dat soms wat veilig aanvoelt. Soms laten wij ons onderdompelen – niet Pascal – maar soms laten wij ons afglijden op het hellend vlak van het conformisme, van de politieke correctheid. En door uw woorden, door uw uitdrukkingen, uw uitlatingen, haalt u dit wereldje overhoop. Als losse pijlen schiet u uw woorden af, en laat u de politieke correctheid barsten. Sommigen bevalt dit bijgevolg niet. Sommigen durven hun beklag doen terwijl ze… weten die wel wat u allemaal hebt gedaan? En zoals daarnet Pascal Praud zei: al was dat nog maar een derde van …ach kom. Dus, bedankt voor dat alles, want zoveel mensen zijn er niet die deze rust verstoren. Nogmaals bedankt, Alain Delon.
Alain Delon: U bent het die ik dank, voor wat u zei en voor de manier waarop u dat zei. Dat raakt me enorm.
Sonia Mabrouk: Die onrust stelt ook bepaalde vragen, want u bent nu eenmaal een acteur en observator van ons tijdvak. En u bekijkt het ...niet met een nostalgische blik, want sommigen denken dat het om nostalgie gaat, wat vals is. Als u dat goedvindt zou ik zeggen dat u het bekijkt met gezond verstand. En dat behoort tot de waarden die vergeten zijn geraakt, dat gezonde verstand van hier – zelf ben ik niet hier geboren, maar ben wel aan dat Franse gezonde verstand verknocht. Het is een van die waarden die men is gaan minachten, die men als oubollig heeft weggezet. En we vinden die terug in uw commentaren. Dus, mogen wij u in alle nederigheid zeggen, blijf vooral zoals u bent, want we houden van uw gezond verstand.

(35'30")


Sonia Mabrouk : Vous êtes le symbole de l’intranquillité. Nous sommes ici sur un plateau de télévision et on sait ce que c’est parfois d’être tranquille. Nous sommes parfois baignés – pas Pascal – mais parfois on se laisse glisser sur la pente du conformisme, du politiquement correct. Et par vos mots, par vos paroles, par vos propos vous bousculez ce monde-là. Vous envoyez vos mots comme des flèches desserrées et vous venez fendiller le politiquement correct. Alors ça ne plaît pas à certains. Certains osent se plaindre alors qu’ils ne… savent-ils tout ce que vous avez fait ? Et comme l’a dit tout à l’heure Pascal Praud, si on avait fait le, le tiers… allez. Eh bien, merci pour tout cela, parce qu’il n y a pas beaucoup de gens qui bousculent cette intranquillité. Merci encore, Alain Delon.
Alain Delon : Merci à vous, à ce que vous dites et à …la manière dont vous le dites. Ça me touche énormément.
Sonia Mabrouk : Cette intranquillité aussi, elle pose certaines questions, parce que vous êtes forcément un acteur en notre époque, et un observateur. Vous la regardez avec des yeux, non pas nostalgiques, parce que certains pensent que c’est de la nostalgie. C’est faux. Moi je dirais que vous la regardez, si vous êtes d’accord, avec bon sens. Et ce sont ces valeurs-là qu’on a oubliées, ce bon sens bien de chez nous – moi je ne suis pas née ici, mais j’adhère à ce bon sens français. C’est l’une des valeurs qu’on a méprisées, qu’on a ringardisées. Et on la retrouve dans vos propos. Alors, modestement, est-ce qu’on peut vous dire: restez surtout comme vous êtes, parce qu’on aime votre bon sens.

15 april 2019

Maar nu spreken we over de wereld als geheel

Nunc enim sermo de toto est

Het is al erg genoeg dat de dag van de poëzie aan mijn aandacht was ontsnapt, maar voor de filosofie is er gelukkig een hele maand de tijd, en hier dus een stukje Heine: geen lacherig gedoe over gemeenplaatsen, maar een grappig, ernstig woord:


Men zegt dat nachtelijke spoken schrikken als zij het zwaard van een scherprechter zien – hoezeer moeten zij dan niet schrikken als men hen Kants »Kritik der reinen Vernunft« voorhoudt! Dat boek is het zwaard waarmee in Duitsland het deïsme de kop werd afgeslagen.

Eerlijk gezegd, Fransozen, in vergelijking met ons Duitsers zijn jullie kalm en bezadigd. Hoogstens hebben jullie een koning weten dood te maken, en die had zijn hoofd al verloren vooraleer jullie hem van zijn kop ontdeden. En daarbij moesten jullie dan zoveel trommelen en schreeuwen en met de voeten stampen dat heel de aardbol dooreenschudde.


Men bewijst Maximiliaan Robespierre werkelijk te veel eer door hem met Immanuel Kant te vergelijken. Maximiliaan Robespierre, het grote burgermannetje van de Rue Saint-Honoré, kreeg inderdaad aanvallen van vernieldrift als het koningschap ter sprake kwam, en de stuiptrekkingen van zijn regicide epilepsie waren dan schrikbarend genoeg; maar zodra het de Allerhoogste gold, wiste hij het witte schuim weer van zijn lippen, waste het bloed van zijn handen, trok zijn blauwe zondagse kostuum met de blinkende knoopjes aan, en speldde nog een tuiltje bloemen op zijn brede borststuk.

De levensgeschiedenis van Immanuel Kant is moeilijk te beschrijven. Immers, hij had noch een leven noch een geschiedenis. Hij leefde een mechanisch geordend, bijna abstract vrijgezellenbestaan, in een stil, afgelegen steegje van Koningsbergen, een oude stad aan de noordoostgrens van Duitsland. Ik meen niet dat de grote klok van de kathedraal aldaar met nog minder passie en regelmaat dan haar landgenoot Immanuel Kant haar publieke dagtaakje volbracht. Opstaan, koffiedrinken, schrijven, college geven, eten, wandelen, alles had zijn eigen moment, en de buren wisten dat de klok precies op halfvier stond als Immanuel Kant in zijn grijze rokkostuum, met zijn rietstokje in de hand zijn huisdeur uitkwam en naar de kleine Lindenlaan wandelde, die men ter wille van hem nu de Filosofengang noemt. Acht maal liep hij die op en af, in alle seizoenen, en als het weer somber was of als donkere wolken regen voorspelden, dan zag men zijn dienaar, de ouwe Lampe, angstig bezorgd achter hem aan lopen met een lange paraplu onder de arm, als een toonbeeld van de Voorzienigheid.


Wat een merkwaardig contrast tussen het uitwendige leven van die man, en zijn verwoestende, wereldvermorzelende gedachten! Waarlijk, hadden de burgers van Koningsbergen een vermoeden gehad van de volle betekenis van die gedachten, dan zouden zij een veel afgrijselijkere schrik voor die man hebben gehad dan voor een scherprechter, een scherprechter die alleen mensen terechtstelt – maar die brave lieden zagen in hem niets anders dan een professor Filosofie, en als hij op het gestelde uur voorbij kwam gewandeld, groetten zij hem vriendelijk en stelden op hem zelfs hun zakhorloges gelijk.

Immanuel Kant, die grote verwoester in het rijk van de geest, mag in het terrorisme Maximiliaan Robespierre dan ver overtroffen hebben, toch vertoonde hij met hem grote gelijkenissen die tot een vergelijking van beide mannen nopen. Om te beginnen zien we bij beiden dezelfde onverbiddelijke, snijdende, poëzieloze nuchtere eerlijkheid. Dan zien we bij beiden hetzelfde talent voor wantrouwen, alleen wendt de ene dat enkel tegen gedachten aan en noemt hij het kritiek, terwijl de andere het tegen mensen aanwendt en als republikeinse deugd betitelt. Allebei evenwel behoren zij in de hoogste graad tot het type van de kleinburger – de Natuur had hen voorbestemd om koffie of suiker af te wegen, maar het Lot wilde dat zij andere zaken afwogen, en het legde bij de ene een koning, en bij de andere een god op de weegschaal...

En zij gaven het correcte gewicht!

Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland (1852)
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben
Ernst Elster, 1893, vierter Band, SS. 249-50


9 april 2019

'Ik heb geprobeerd Greta Thunberg te interviewen'


De ferventste verdedigers van het ‘klimaat’
kennen geen snars van het ‘klimaat’
Marc Reisinger*
(vandaag in Causeur)

Ik wilde weten of de klimaatspijbelaars wisten waar ze het over hadden. Ik zocht Greta Thunberg en een paar van haar bewonderaars op, en toen wist ik het.
____

In februari trok er een klimaatmars door Brussel, met aan het hoofd Greta Thunberg. Ik was daar ook, en na enkele vragen aan jonge deelnemers daagde het me dat ze niet eens het abc kenden van de zaak waarvoor ze betoogden: de opwarming van het klimaat. De week daarop interviewde ik een leraar die zijn leerlingen aanzette om te manifesteren voor het klimaat: hij wist er niet meer van dan de studenten.

Uitgaand van de stelling dat het beter is zich tot God te richten eerder dan tot zijn heiligen, besloot ik vragen te stellen aan Greta Thunberg zelf. Ik nam het vliegtuig (ja, ik beken…) naar Stockholm en wilde haar treffen voor het Zweedse Parlement, waar zij iedere vrijdag haar schoolstaking houdt. Pech, ze had de trein naar Berlijn genomen om daar te manifesteren.

Als Greta Thunberg haar mutsje licht…
Koppig als ik ben nam ik de week daarop weer het vliegtuig (ja…). Stockholm is tenslotte een erg mooie stad. Victorie : Greta is deze vrijdag op haar post. Ze keuvelt met een klein groepje jonge Fransen, en ik wacht mijn beurt af om haar aan te spreken:
‘Ik heb u gezien in Brussel, er was een hoop volk… Ik hoorde dat u de jongelui suggereerde om het klimaat te bestuderen. Als u dat goedvindt, zou ik een kort gesprekje daarover op prijs stellen…’
Ze knikt met haar mutsje op, maar ik merk dat ze schuw is, niet op haar gemak: mijn indruk is dat ze wel ja zégt, maar neen denkt. Op dat moment licht ze haar mutsje. Dat is een signaal. Ogenblikkelijk verschijnt er een blonde dame van ongeveer vijftig, met een zwarte bril en een gemaakte glimlach, die van achter mijn rug de scene had gadegeslagen:
‘Hallo, het spijt me, maar we hebben nog wat te doen nu. Ik moet haar meenemen, dank u.’
Einde interview. Een zwartgeklede lijfwacht – op de video ziet u dat die mij ook in de gaten hield – begeleidt hen naar enkele meter verderop: dat ‘wat te doen’ was Greta beschutting bieden voor mijn vragen.

Allen achter Greta
In tegenstelling tot de jonge manifestanten in Brussel heeft Greta op geen enkele vraag geantwoord. Wat ik voor me zag was een uitgeblust klein meisje, passieloos, gemanipuleerd door onrustwekkende figuren, een geterroriseerd kind.
Ze werd geprogrammeerd voor apocalyptische en uitdagende speeches van een paar minuten in het bijzijn van de groten der aarde. Misschien zal men haar ‘selectief mutisme’ in verband brengen met autisme, maar dan valt wel op dat ze welwillend antwoordde op de (anekdotische) vragen die de jongelui voor mij haar stelden.
Wel een merkwaardige klimaatleidster die niet aanvaardt dat men haar een vraag over het klimaat stelt. Enkel eerbiedig buigen mag, en daar doet de grote wereld gretig aan mee: Angela Merkel, Emmanuel Macron, Jean-Claude Juncker, de jury van de Nobelprijs, wanneer volgt de Paus?

De klimaatreligie
Een paar uur later kwam ik weer aan dezelfde plek voorbij, Greta stond er nog altijd, tussen een paar mensen. Haar lijfwachten waren afgelost door twee nieuwe gorilla’s. Op een onmerkbaar teken neemt ze haar bord «SKOLSTREJK FÖR KLIMATET» en als een automaat gaat ze postvatten tegen de reling van de rivier voor een groepsfoto met kinderen. Het publicitaire ballet is uitstekend geregisseerd…

Ik werd er al van beschuldigd jonge manifestanten ‘in de val te lokken’. Vandaag zal ik misschien van heiligschennis beschuldigd worden. Wat ik zie, is een menigte van blinden, geleid door een blinde, zoals in het evangelie.**

____________
* Psychiater en antropoloog; auteur van Opération Merah en Lacan l'insondable.
** Lukas 6:39 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?

8 april 2019

Populisme en opportunisme


Eerder al kwam William Hazlitt (1778-1830) hier aan bod.
Liberty is short and fleeting, a transient grace that lights upon the earth by stealth and at long intervals – But power is eternal.*

Vrijheid is kort en vluchtig, een voorbijgaande gunst die steels en bij grote tussenpozen op aarde neerstrijkt – Maar macht is eeuwigdurend.

Bij het gedachtestreepje last Hazlitt enkele verzen van Robert Burns (1759–1796) in. Onderaan kan u die lezen – in een iets andere volgorde want wellicht citeerde Hazlitt uit zijn hoofd – en u zult ze ook met het juiste accent horen zeggen door David Sibbald, maar eerst iets anders.

Allerlei instanties nemen zich vandaag voor om die vluchtigheid van de vrijheid nog wat in de hand te werken, te beginnen bij de vrijheid op het web. De EU wil dat, Macron wil dat, Zuckerberg van Facebook en Dorsey van Twitter ook, en er zijn nog wel meer machthebbers die dat willen. Natuurlijk hebben deze lieden de beste bedoelingen. Ze wensen fake news tegen te gaan, populistische praat uit te bannen, de Russen tegen te houden enzovoort. Ook moet de toegelaten woordenschat bijgesteld worden, en houden ze van huisbereide fact checking. Kortom, ze willen de informatie graag wat gestroomlijnder zien, en deze vooral in de handen laten van enkele grote spelers en vertrouwde mediagroepen.


Ze haten het als de gewone burger op populaire sites zomaar kan vertellen wat hij dagelijks zelf ziet of denkt. Beter kunnen ernstige mensen hem vertellen wat hij diént te zien en te denken.
Een recent voorbeeld van dat laatste was wat Charles Michel over de volkenmoord in Rwanda vertelde. Daar moet al een soort populisme bij gespeeld hebben, meende Charles. Die term kan tien jaar geleden nog niet in dat aandoenlijke kopje van hem hebben gezeten, maar toch kan het geen kwaad, zal zijn speechschrijver gedacht hebben, om ook bij de herdenking van een volkenmoord de term populisme te laten vallen. Dat getuigt misschien niet van goede smaak, eerder van schaamteloosheid en opportunisme, maar zoiets kleurt toch altijd af op de dingen die ons vandaag bezighouden.

Nee, wat vrijheid betreft kun je beter de overdenkingen van Hazlitt lezen, en de prachtige teksten van Burns horen, liever dan dat onbeschaamde, geestloze, nergens op slaande gebazel van een Belgisch ministertje.




But pleasures are like poppies spread,
You seize the flower, its bloom is shed;
Or like the snow falls in the river,
A moment white – then melts for ever;
Or like the borealis race,**
That flit ere you can point their place;
Or like the rainbow's lovely form
Evanishing amid the storm.-

________
* What is the People? And who are you that ask the question? One of the people. (1817) in: Selected Writings, edited with an Introduction and Notes by Jon Cook, Oxford World's Classics, 1991. 
Hazlitt hield blijkbaar van de constructie met een korte slotzin. In zijn essay The Pleasure of Hating, schrijft hij: Love turns, with a little indulgence, to indifference or disgust: Hatred alone is immortal. Dat laatste, grappige zinnetje is spreekwoordelijk geworden.
** 'rays': stralen van de Aurora Borealis (deze voetnoot is uitsluitend bestemd voor de enkele, hier wellicht per ongeluk verzeilde simpele ziel die bij het woord 'borealis' reflexmatig aan racisme zou denken).

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html