Posts tonen met het label Répliques. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Répliques. Alle posts tonen

18 december 2017

Medicamenten voor sociaaldemocraten


In het programma Répliques van laatst zaterdag zaten bij Alain Finkielkraut twee socialisten aan tafel: Bernard Cazeneuve, die onder François Hollande zes maanden eerste-minister was, en Jacques Julliard, journalist en historicus.
Finkielkraut verduidelijkte hun positie: ‘socialisten’ in de betekenis van ‘sociaaldemocraten’ – beide gasten zetten zich inderdaad af tegen de opvattingen van de succesvolle en zeer linkse Jean-Luc Mélenchon. En hij ging verder: Or la sensibilité social-démocrate n'a même pas été représentée lors de la dernière élection présidentielle. Elle n'a même pas été battue, elle a disparu du paysage. Maar de sociaaldemocratische tendens was bij de jongste presidentsverkiezing niet eens vertegenwoordigd. Ze is niet eens verslagen, ze is uit het landschap verdwenen.

Macron haalde in de tweede ronde inderdaad 66% van de stemmen en Marine Le Pen 34%. In de eerste ronde had Benoît Hamon – kandidaat voor de PS – 6,4 % van de stemmen achter zijn naam gekregen, onvoldoende voor de tweede ronde en drie keer minder dan Jean-Luc Mélenchon.

Vandaar de vraag van Finkielkraut: wordt die verhouding definitief, en hoe valt die uitslag uit te leggen?

Jacques Julliard antwoordde als historicus en zag geen reden tot paniek. Wel waren de twee medicamenten die hij voorschreef merkwaardig, een ervan zelfs 'paradoxaal'. Vlaamse journalisten die bij wijze van analyse graag de term ‘de Leider’ gebruiken als ze naar Bart De Wever verwijzen  maar de personencultus rond ‘Steve’ Stevaert destijds flink steunden  zullen vooral aan zijn tweede voorschrift iets hebben. De eerste raadgeving van Julliard lijkt mij dan weer makkelijker gegeven dan opgevolgd.

Je ne suis pas profondément inquiet, je pense simplement que... il faut que les socialistes retrouvent un langage commun avec le peuple, ce qui n’est plus du tout le cas. Il faut aussi qu’ils se trouvent des chefs, et un chef. C’est peut-être un paradoxe de la part d’une mouvance qui a toujours privilégié les idées sur les personnalités. Et pourtant: chaque fois que la gauche a refait son unité, ou est parvenu à l’efficacité, voir au pouvoir, c’était autour d’une personnalité, qui d’ailleurs la plupart du temps ne venait pas de son sein, mais était extérieure. Jaurès n’était pas socialiste à l’origine, Blum encore moins, Mendès-France ne l’était pas, et Mitterrand non plus. C’est un étrange paradoxe celui-là, que je suis bien incapable d’expliquer.


Ik maak me niet diep ongerust, ik denk eenvoudig dat de socialisten een taalgebruik moeten terugvinden dat door het volk gedeeld wordt, wat helemaal niet meer het geval is. En ook moeten ze leiders vinden, en een leider. Dit is misschien paradoxaal voor een beweging die altijd de voorrang heeft gegeven aan ideeën, boven kopstukken. En nochtans: elke keer dat links zijn eenheid heeft hersteld, of doeltreffend werd, of zelfs aan de macht kwam, gebeurde dat rond een persoonlijkheid, die overigens vaak niet uit de eigen rangen kwam, maar van buitenaf. Jaurès was eerst geen socialist, Blum nog minder, ook Mendès-France niet en Mitterrand evenmin. Een vreemde paradox is dat, die ik helemaal niet kan verklaren.

26 juni 2017

Laat de mensenwereld zich in cijfers vatten?


Renaud Camus is de man die de term «le grand remplacement» heeft bedacht, en zelfs als politieke doelstelling geduid. Het spreekt dat hij daarna niet meer aan bod kwam in de grote media. Hij werd zelfs vervolgd voor "racisme". Maar niets hielp: zijn «grand remplacement» werd op talloze plaatsen gebruikt ter aanduiding van de massa-immigratie, de gettovorming enzovoort. Nu is tegen een term die blijkbaar tegemoetkomt aan een behoefte weinig te beginnen, maar dat men de man zelf bleef negeren vond Alain Finkielkraut niet serieus en hij nodigde hem uit in zijn programma Répliques. Daar had Camus een stevige tegenstander aan de demograaf Hervé Le Bras die met cijfers in de hand het met hem helemaal oneens was.
Ik vertaal een fragmentje, waarin Camus een ernstige filosofische twijfel uit:
Ik zou het debat willen opentrekken, en de notie "cijfer" zelf betwisten. Ik ben het grondig eens met de filosoof Olivier Rey [van huis uit wiskundige] die de onderstreept dat cijfers niet bij machte zijn rekenschap te geven van de [menselijke, sociale, beleefde] wereld. De laatste veertig jaar werden wij overspoeld door cijfers. De humane wetenschappen... ik vrees meer en meer dat die een doodlopend straatje zijn, een oxymoron. Er zit een tegenstelling in [de term zelf] en misschien maar gelukkig ook! Een mens zinkt aan alle kanten weg in de cijfers, en die cijfers zijn niet in staat gebleken een beeld te geven van wat er aan de hand is. Niet enkel heeft de sociologie de Franse en Europese bevolking niet gewaarschuwd voor de enorme gebeurtenis die eraan kwam – voor dat gigantische fenomeen dat ik de inwisseling van volk en cultuur noem – maar naarmate dit zich afspeelde heeft ze het ontkend, zij was het ontkenningsmechanisme bij uitstek.




Renaud Camus (10'53"): Alors, j’aurais tendance à élargir le débat si je puis dire, et à contester la notion de chiffre. Moi je suis en accord très profond avec le philosophe Olivier Rey qui souligne l’incapacité du chiffre à rendre compte du monde. Depuis quarante ans nous avons été submergés par les chiffres. Les sciences humaines… je crains de plus en plus que les sciences humaines ne soient une aporie, un oxymore. Il y a une contradi… et tant mieux peut-être! L’homme se dérobe de toutes parts aux chiffres, et les chiffres ont été incapables de rendre compte de ce qui survient. La sociologie, non seulement n’a pas averti la population française et la population européenne de la chose énorme qui se présentait – ce phénomène gigantesque, ce que j’appelle le changement de peuple et de civilisation – mais au fur et à mesure qu’il se déroulait, elle l’a nié, elle a été la dénégation par excellence.

22 maart 2015

Populisme, wat mag het toch zijn?


“Waarom populistisch en gemeen geen scheldwoorden zijn”, heet een boek van Ludo Abicht (Houtekiet 2012), en daarin hij legde hij logischerwijze uit wat de titel zegt. Dit had moeten volstaan, en toch blijven weldenkende, zij het hardleerse journalisten, politici en Vlaamse auteurs begrippen als populistisch welgemutst gebruiken. Niet enkel deze term trouwens, want ook “uiterst rechts”, “fascistisch”, “racistisch” &c. halen zij geregeld uit hun gereedschapskistje.


Aangezien de herhaling behaagt en tot lering strekt –bis repetita placent– kan het misschien geen kwaad om hier een herhalingsles te laten geven door Chantal Delsol (1947), Franse filosofe die zich met de ideeëngeschiedenis inlaat. Recent was zij bij Finkielkraut te gast.
Van haar is: «Le Populisme et les Demeurés de l’Histoire», Paris/Monaco, Le Rocher, 2015 («demeurer» mag hier zowel «wonen» als «overblijven» betekenen, en «un demeuré» is een achterlijke), en eerder schreef ze al «La nature du populisme ou les figures de l'idiot», Les éditions Ovadia, Nice 2008. De stijlfiguren die idioten gebruiken. Blijkbaar kan ook in Frankrijk de herhaling geen kwaad.

AF : Waarin verschilt de populist van de democraat als hij zich op het volk beroept, Chantal Delsol?
CD : Dank u wel en goede morgen. Ik geloof inderdaad dat er in de voorbije eeuwen, en in de voorbije anderhalve eeuw meerdere malen een objectieve definitie van populisme is gegeven. Wanneer kan men van een objectieve definitie spreken? Wel, als er mensen zijn die op een bepaalde term aanspraak maken. Dit is hier niet het geval. Ongeveer niemand eist hem voor zich op, behalve inderdaad als boutade, maar op een manier…
AF : Misschien als uitdaging?
CD : Ja, als uitdaging of als provocatie…
AF : Zoals tenslotte Marine Le Pen zegt «je suis populiste», net als Mélenchon.*
CD : Mélenchon evengoed, juist, maar je kunt zeggen dat niemand zich erop beroept, dus in wezen is het een belediging, een scheldwoord, het is een woord dat men iemand toeslingert, en dus een subjectieve term. Nu betekent dat nog niet dat er geen achterliggende definities kunnen zijn, maar het lijkt me in dit geval dat de term ons meer leert over diegenen die beledigen dan over de beledigden. Desnoods misschien, allicht zelfs, over de afbakening van wat beiden onderscheidt.
Wat mij betreft, wat ik in mijn boek heb willen doen, is kijken wie “uitgemaakt wordt voor”, want tenslotte wordt men uitgemaakt voor populist. Men is geen populist, men wordt ervoor uitgemaakt. Dus: wie wordt er voor populist uitgekreten, en wie zijn die vele mensen die “worden uitgekreten”? Enkel zo kan men trachten tot een objectieve definitie te komen, in de mate dat zoiets mogelijk zou zijn, we zullen het er straks nog over hebben. Maar wat het volk betreft, u vroeg wat het verschil was tussen het volk van het populisme en het volk van de democraten. Wel: het volk van het populisme is een slecht volk, het volk van de democraten een goed volk. En hierbij houdt het denk ik op, aangezien dit allemaal zeer subjectief is. In wezen is Links volks, en Rechts populistisch. Zo is het toch? Maar goed, dit is een beetje… ik gooi dit op tafel en we zullen het er nog over hebben.
AF : Kortom, de definitie van populisme zegt u, Chantal Delsol, kan niet objectief zijn en…
_________
*Jean-Luc Mélenchon (1951), was senator, minister en EU-parlementslid, verliet in 2008 de PS en stichtte de “Parti de gauche (PG)”. Bij de presidentsverkiezing in 2012 haalde hij 11%.



AF : En quoi l’appel au peuple du populiste diffère-t-il de celui du démocrate, Chantal Delsol?
CD : Merci, bonjour. Je crois qu’effectivement il y a eu dans les siècles, le siècle et demi précédent à plusieurs reprises une définition objective du populisme. Quand peut-on dire qu’il y a une définition objective? Et bien, quand il y a des gens qui se revendiquent d’un terme. Ici ce n’est pas le cas. Pratiquement personne ne s’en revendique, sauf effectivement par boutade, mais d’une manière…
AF : Par défi peut-être?
CD : Ou par défi, voilà, ou par provocation…
AF : Comme Marine Le Pen dit finalement «je suis populiste», de même Mélenchon.
CD : De même Mélenchon, exactement, mais on peut dire que personne ne réclame cela, donc au fond «populisme» c’est une injure c’est une épithète injurieuse, c’est un mot que l’on jette et donc c’est un terme subjectif. Alors ça ne veut pas dire que derrière il ne peut pas y avoir des définitions, mais il me semble que dans ce cas-là c’est un terme finalement qui donne plus de renseignements sur ceux qui injurient que sur ceux qui sont injuriés. À la limite peut-être, probablement d’ailleurs, sur la définition qui peut séparer les deux.
Alors moi, ce que je me suis attachée à faire dans mon livre, c’est regarder qui est «traité de». Parce qu’au fond on est traité de populiste. On n’est pas populiste, on est «traité de». Donc, qui est traité de populiste, et quels sont les liens entre tous ces gens qui sont «traités de»?
Il n’y a que comme ça qu’on peut essayer d’avoir une définition objective, si tant est qu’on puisse l’avoir, on en reparlera tout à l’heure. Mais en ce qui concerne le peuple, vous avez posé la question quelle est la différence entre le peuple du populisme et le peuple des démocrates? Et bien le peuple du populisme c’est un mauvais peuple, le peuple des démocrates c’est un bon peuple. Et comme tout ça est très subjectif, je pense qu'il faut s’arrêter là. Au fond la Gauche est populaire et la Droite est populiste. Au fond c’est quand-même ça, mais enfin bon, c’est un peu… je jette ça sur la table, on va en reparler.
AF : Voilà, donc la définition du populisme dites-vous Chantal Delsol, ne peut pas être objective et…

7 oktober 2014

Le cuistre intégral, de volmaakte kwast


Omdat BHL mij danig tegensteekt, en er blijkbaar nog altijd mensen bestaan die hem een bepaald redeneervermogen toedenken, deze kleine aanvulling op het vorige blog. Het klankfragment komt uit dezelfde uitzending “Répliques”, waarin Coralie Delaume hem voorgeworpen had dat zijn laatste boekje – “son petit texte” zoals hij bescheiden zegt – het voortdurend heeft over “des empires”: het Romeinse Rijk, het Rijk van Karel de Grote, het Heilige Roomse Rijk &c.
Ook Barroso had het over de EU als een imperium. En Delaume geeft grif toe dat, als we niet willen terugkeren tot de stadsstaat, een imperium het enige alternatief is voor de natiestaat. Maar zegt ze: in imperia zijn er noodzakelijk heren en vazallen, en vrijheid van handelen is er voor deze laatsten niet bij. Ook zijn imperia vaak op uitbreiding gesteld.
Het gesprek ging de slechte kant op want BHL kon dit moeilijk ontkennen, en hij zag dat blijkbaar in. Wat nu? Een gezagsargument dan maar.
Waarom niet de definitie van “imperium” zelf aanvallen, met een beroep op een oude tekst? Dan kun je hopen dat je gesprekspartner je binnen de duur van het radiogesprek niet meer zal kunnen vloeren, bijvoorbeeld omdat de tekst die je aanhaalt haar niet fris voor de geest staat (BHL stond die tekst evenmin fris voor de geest, maar dat geeft niet: Bluff your way through Dante and Kantorowitz, zal Bernard-Henri gedacht hebben). Hijzelf hanteert plots een heel specifieke definitie van "imperium":

Moi je l’entends, alors soyons très précis, je ne l’entends pas au sens de Barroso, je l’entends au sens de Dante tel que le commente Kantorowitz. Donc c’est pas un empire impérial, c’est pas un empire agressif, c’est pas un empire qui a vocation à s’étendre, c’est pas un empire qui a vocation à coloniser, c’est une machine à fédérer, à associer des identités qui ne sont pleinement elles-mêmes que lorsqu’elles vont au bout de cette association.



[de term Empire] Ik versta, en laten we heel precies zijn, ik versta hem niet in de betekenis van Barroso, ik versta hem in de zin van Dante, zoals deze door [Ernst] Kantorowitz wordt becommentarieerd. Het is dus geen imperiaal imperium [de uitdrukking van Barroso, die werkelijk niéts betekent, zoals Delaume eerder in het gesprek opmerkte], het is geen agressief imperium, het is geen imperium dat zich geroepen voelt tot expansie [BHL kent blijkbaar de geschiedenis noch de plannen van de EU], het is geen imperium dat op kolonisatie uit is, het is een machine die zoekt te federeren, identiteiten samen te voegen die enkel ten volle zichzelf zijn als zij die associatie voluit aangaan.

Misschien vergeet de Parijse wijsneus toch iets: soms inderdaad wordt Dante aangehaald als zijnde de eerste die de Italiaanse eenmaking voorstond. Dante sprak over die eenheid in De Monarchia, en ook in zijn Brief aan de Florentijnen. BHL wist dat en inderdaad, als je de geschiedenis voldoende oprekt kun je daarin een voorafschaduwing zien van de “Europese eenmaking” onder EU-hegemonie.
De dichter bedoelde echter een soort eenheid in totale onderwerping aan de christelijke monarchie. Dacht BHL nu, in zijn begrijpelijke angst om in de loop van het gesprek kopje onder te gaan, dat hij de EU, “une machine”, hiermee een dienst had bewezen?
Of heeft hij die tekst van Dante niet goed gelezen, zoals hij die andere tekst over “La vie sexuelle d’Emmanuel Kant” ook niet goed gelezen had?
Misschien zal BHL nog een ander boekje van deze laatste auteur willen lezen: "Philosopher, ou l'art de clouer le bec aux femmes"? ...want in die opdracht was hij niet volledig geslaagd bij Finkie.
o-o-o-o-o
Wat BHL allemaal bedoelt met zijn "empire" mag ons koud laten: het betekent simpelweg hegemonie (bv. van de EU). Hegemonie komt van het Griekse ἡγεμονία : «leiding, heerschappij van een Griekse stad of een  staat over de rest van Griekenland» (op zich weer afgeleid van ἡγεμών : «gids, wegwijzer»), en wordt in het Latijn vertaald met «imperium», hoogste gezag.


Wat kan die man toch blazen!


Ik vertaal enkele passages uit het wekelijkse programma “Répliques” van France Culture, waarin Alain Finkielkraut deze keer de societyfiguur Bernard-Henri Lévy te gast heeft, samen met de politieke auteur Coralie Delaume. De transcriptie volgt onderaan. Finkielkraut valt in, na geperoreer van BHL waarbij deze het "Europese publiek" verweet dat het te lui is om de zegeningen van de EU te appreciëren.

Alain Finkielkraut: Ja maar toch, om nog eens het beeld van Coralie Delaume te gebruiken, de idee alleszins van die soort religieuze roeping van Europa: het lijkt er wel op dat bijvoorbeeld de concurrentie, de vrije en onvervalste concurrentie onder de Europese leiders het voorwerp is van dit soort religieuze verering. De uitdrukking is afkomstig van Pierre Manent […] Men mag zeggen dat de concurrentie vandaag een dogma is geworden [...] In Europa [Finkielkraut bedoelt: de EU] leeft toch dit idee: hoe minder macht de natiestaten hebben, hoe beter voor iedereen. Dat is economisch zo, en ook moreel. Economie en moraal gaan altijd hand in hand in dit Europa, dat een imperium is geworden van wetgeving, van economie en van…


Zijn laatste woord kan ik niet thuisbrengen. Bernard-Henri Lévy onderbreekt hem omdat hij zijn geparfumeerde bek niet langer kan houden. Vóór u echter denkt, lezer, dat ik aan het schelden ben: dat van die geparfumeerde bek is een verwijzing naar The Independent.
Deze BHL is zoals gezegd een groot voorstander van supranationale instellingen. Niet dat zijn theoretische beschouwingen op stevige of zelfs op enige grond berusten, want zoals iedereen weet, is de man al vaker door de mand gevallen. De laatste keer dat hij zich voor heel Parijs belachelijk maakte, was toen hij in zijn zoveelste boek in alle ernst een volmaakt onbestaande filosoof citeerde. Maar goed, Finkielkraut nodigt uit wie hij wil, en onder zijn bewonderaars mag BHL Sarkozy rekenen, ten tijde van Libië, en hier te lande Verhofstadt en Yves Desmet, ten tijde van de Navobombardementen op Belgrado al.
Luisteren we even naar zijn verwerping van de natiestaat:

BHL: Ik behoor tot diegenen die vinden dat op vrij korte tijd een groot deel van de macht van de naties zou moeten, of moet overgenomen worden door een supranationale instantie. Om tal van redenen. Ten eerste omdat ik denk dat binnen een nationaal kader de democratie niet meer werkt, we moeten daar dus van afraken, dat werkt niet goed genoeg meer, dat werkt niet meer zoals voorheen. [Waar hij dat “voorheen” situeert vertelt de filosoof ons niet]. En de tweede reden is dat, de wereld zijnde wat hij is, en de opstelling der wereldrijken zijnde wat zij bezig is te worden, met de drie grote rijken van het Chinese handelsimperium, het Russische militaire imperium en het ideologische imperium van euh, euh…
AF: Amerikaanse?
BHL: ..de islam. Nee nee, komaan zeg: Amerika is al lang geen imperium meer [de grootteorde van de militaire budgetten in de genoemde landen is BHL allicht onbekend]. Neen, het kalifaat, het islamisme.
AF: Oh ja.
BHL: De drie agressieve imperia. Dit zijn de drie werkelijk imperiale imperia. […] Maar ik meen, en ben bij diegenen die menen – en dat is Europeaan zijn vandaag – […] dat om weerstand te bieden aan de zich vormende wereldmachten, die misschien zullen triomferen, het inderdaad noodzakelijk is dat de naties een deel van hun soevereiniteit opgeven, krachtens een nieuwsoortig contract dat, toegegeven, nog niet gesloten is.
CD: Aan Europa wijst u een nogal verwonderlijke doelstelling toe. Je zou zeggen dat u Europa vooral verwikkeld ziet in een strijd met anderen.
BHL: Ja, want politiek is juist dat, of ook dat.
CD: Wat u dus wilt is een agressief Europa.
BHL: Neen! Een Europa dat in staat is zich te verdedigen. Nee nee, zeker niet agressief.
CD: Dat is verwonderlijk voor een project dat als uitgangspunt precies de wens koesterde om vrede te stichten en in vervulling te laten gaan.
BHL: Anders gezegd, anders gezegd zich te verdedigen tegen diegenen die op oorlog uit zijn vandaag. Europa is niet de enige historische speler in 2014. Er zijn andere grote acteurs, bijvoorbeeld Rusland dat de confrontatie zoekt.
CD: Nee, dat is niet waar. Rusland wenst de confrontatie niet.
BHL: Wat is het dan in Oekraïne behalve een confrontatie? Een militaire confrontatie, een economische confrontatie, een ideologische confrontatie. [BHL is altijd wordy zoals de Engelsen zeggen: praatziek en nadrukkelijk. Zo belet hij zijn tegenspeler het spreken, en koopt hij zichzelf wat tijd om zijn gedachten enigszins te ordenen].
CD: Een burgeroorlog binnen Oekraïne tussen mensen die…
BHL: Hoezo een burgeroorlog binnen Oekraïne?
CD: …tussen mensen die Oekraïens als moedertaal hebben, en mensen met Russisch als moedertaal. Sommigen wensen aansluiting bij Rusland, anderen…
BHL: Alle Oekraïners, alle Oekraïners spreken Oekraïens, alle Oekraïners spreken Russisch. Oekraïne is een taal, euh is een land dat de twee talen spreekt, van de ene kant van het grondgebied tot aan de andere. Maar hoe kun je een burgeroorlog binnen Oekraïne hebben, als je uit bronnen weet, ook Russische, met name moeders van Russische soldaten, dat er vijfduizend soldaten in Russisch uniform vechten in Donetz en Lugansk?
CD: Rusland wil de Russischsprekende provincies van Oekraïne niet [Delaume gaat terecht niet in op de taalkundige wijsheden en andere zekerheden van BHL]. Het heeft gepoogd om de plaatselijke referenda te laten uitstellen, bijvoorbeeld dat van Donbas, het heeft die referenda niet erkend. Ik zie niet goed in… luistert u naar het interview dat Poetin gaf aan ik meen TF1, en misschien Europe1, kortom het was in Frankrijk, net voor de plechtigheden in verband met de ontscheping. Hij zei dat hij er niet van moest weten.
AF: Coralie Delaume, we kunnen onze conversatie niet omvormen tot een discussie over Oekraïne […].

Ja, het ging over de EU natuurlijk, maar Finkielkraut had dit laatste beter aan BHL kunnen zeggen, met zijn witte hemden en zijn openstaande boord altijd (le plus beau décolleté de Paris, zegt men).
Bernard-Henri zou het overigens goed kunnen vinden met Michael Ignatieff. Ook deze man barst van de zekerheden in zijn artikel “The New World Disorder” (The New York Review of Books van 25 september, alleen betalend te lezen):

It no longer matters whether the charge against President Putin is direct incitement of those who shot down the plane or reckless endangerment by supplying them with the weaponry. By reaffirming his support for secession, he has made his choices, and it is up to Western leaders to make theirs. It no longer matters whether the West brought this new Russia upon itself by expanding NATO aggressively to its borders.

Het doet er allemaal niet toe of iets bewezen wordt of niet, zegt deze cynicus.
Gelieve wel in aanmerking te nemen, lezer, dat diezelfde Ignatieff, weliswaar pas na zijn emeritaat, het volgende schreef: Having taught political science myself, I have to say the discipline promises more than it can deliver. In practical politics, there is no science of decision-making.
Dat was in 2007, in The New York Times, en de titel toen was: Getting Iraq Wrong. Het ziet ernaar uit dat zijn politieke onwetenschap sindsdien nog niet veel is opgeschoten.



Alain Finkielkraut: Oui mais, tout de même, pour reprendre encore l’image de Coralie Delaume, l’idée en tout cas d’une sorte de vocation religieuse de l’Europe: il semble bien que la concurrence par exemple, la concurrence libre et non faussée, fasse l’objet parmi les dirigeants européens de cette espèce de vénération religieuse. C’est une expression de Pierre Manent là, qui rejoint votre propre manière de dire Coralie Delaume. Et pourquoi? Donc là, effectivement on laisse faire les choses, mais on a le sentiment que pour les dirigeants européens tout ce qui peut humilier les nations, tout ce qui peut réduire leur marche de manœuvre…
BHL: Mais en quoi la concurrence libre et non faussée […] des nations.
AF: …mais parce que par exemple les services publiques si vous voulez, qui étaient la fierté de certains états sont mis en concurrence les uns avec les autres, et les nations sont obligées si vous voulez d’obéir à cette injonction européenne, ce que les peuples quelquefois ne comprennent pas et on peut se dire que la concurrence est devenue aujourd’hui un dogme, et peut-être que le protectionnisme devrait pouvoir revenir à l’ordre du jour, mais on a peur de formuler cette exigence, parce qu’il y a quand même dans l’Europe cette idée: moins les nations ont de pouvoirs, mieux c’est pour tout le monde. Sur le plan économique et aussi sur le plan moral. L’économie et la morale marchant toujours de pair dans cette Europe devenue empire du droit, de l’économie et de la [?].
BHL: Ça dépend de quoi l’on parle. Le principe de subsidiarité définit, ou en tout cas est en mesure de définir assez strictement ce qui est légitimement du domaine des nations et ce qui doit nécessairement, ou ce qu’il serait mieux de voir accéder aux responsabilités européennes. Donc il y a un partage des choses qui est assez édit. Moi je suis de ceux qui pensent que une grande partie du pouvoir des nations devrait être, ou doit être dans des délais assez brefs, pris en charge par une instance supranationale. Pour des tas de raisons. Premièrement parce que je pense que la démocratie dans le cadre national, ça [ne] marche plus, donc il faut sortir, ça marche plus assez bien, ça marche plus comme avant. Et la deuxième raison c’est que le monde étant ce qu’il est, l’ordre des empires étant ce qu’il est en train de devenir avec ces trois grands empires que sont l’empire commercial chinois, l’empire militaire russe, et l’empire idéologique, euh, euh [AF: américain?] islam. Non, non, enfin, ça fait longtemps que l’Amérique n’est plus un empire! Non: le califat, l’islamisme! [AF: ah, oui] Les trois empires agressifs. Les trois empires véritablement impériaux, ce sont ceux-là. Moi je suis de ceux qui pensent que les nations seules, protégées comme certains, vous dites que certains n’osent le dire, c’est pas vrai: y compris en France vous aviez jusqu’à quelques semaines un ministre de l’économie qui plaidait pour un protectionnisme renforcé et qui plaidait pour un retour à l’ordre des nations d’un tout un tas de questions dont il pensait qu’elles étaient indûment confisquées, usurpées par les instances supranationales. Mais moi je pense, et je suis de ceux qui pensent et c’est ça être européen aujourd’hui, que c’est l’inverse. Que pour résister aux empires en formation, et peut-être triomphants, il faut en effet que les nations abandonnent une part de leur souveraineté, aux termes d’un contrat social de type nouveau, dont je concède qu’il n’est pas encore noué.
AF: Coralie Delaume.
CD: C’est assez étonnant comme objectif ce que vous assignez à l’Europe. On dirait que vous la voulez essentiellement tendue vers la lutte contre d’autres.
BHL: Oui, parce que c’est ça la politique, c’est aussi ça.
CD: Donc ce que vous souhaitez c’est une Europe agressive.
BHL: Non! une Europe qui sache se défendre. Non, non, sûrement pas agressive.
CD: C’est étonnant pour un projet politique qui avait justement pour prémisse le désir de faire, d’accomplir la paix.
BHL: C’est-à-dire, c’est-à-dire de se défendre contre ceux qui veulent la guerre aujourd’hui. L’Europe n’est pas le seul acteur historique en 2014. Il y a d’autres grands acteurs, par exemple la Russie est un acteur qui veut la confrontation.
CD: Non, c’est faux. La Russie ne veut pas la confrontation.
BHL: Que se passe-t-il d’autre en Ukraine qu’une confrontation? Une confrontation militaire, une confrontation économique, une confrontation idéologique.
CD: Une guerre civile interne à l’Ukraine entre des personnes qui sont...
BHL: Comment une guerre civile interne à l’Ukraine?
CD: …entre des personnes qui sont locuteurs de l’ukrainien et des personnes qui sont locuteurs du russe. Certains voulant leur attachement à la Russie, d’autres…
BHL: Tous les Ukrainiens, tous les Ukrainiens parlent l’ukrainien, tous les Ukrainiens parlent russe. L’Ukraine est une langue, est un pays qui parle les deux langues d’un bout à l’autre du territoire, mais comment pouvez-vous dire une guerre civile interne à l’Ukraine quand on sait, y compris de sources russes, mères de soldats russes en particulier: il y a cinq mille soldats sous uniforme russe qui se battent aujourd’hui à Donetz et Lugansk.
AF: Coralie Delaume.
CD: La Russie ne veut pas les provinces russophones de l’Ukraine, elle a tenté de différer les référendums locaux, notamment celui de Donbass, elle n’a pas reconnu ces référendums. Je ne vois pas… vous écoutez l’interview qu’a donnée Poutine, je pense que c’était sur TF1 et peut-être Europe1, enfin, c’était en France, juste avant les cérémonies du débarquement. Il a dit qu’il n’en voulait pas.
AF: Coralie Delaume, on ne peut pas transformer notre conversation en une discussion sur l’Ukraine […].


22 januari 2014

Een retorisch sacochengevecht


Nacira Guénif-Souilamas is een Franse sociologe van Algerijnse komaf, en zaterdag was ze te horen bij Alain Finkielkraut in zijn uitzending Répliques op France Culture. Ze deed daar een opmerkelijke uitspraak, namelijk dat integratie op zich totaal verwerpelijk is.
In Frankrijk moeten alle groepen immigranten, elk met hun eigen waardesystemen en gewoonten naast elkaar kunnen leven, zelfs de autochtone Fransen moeten daarbij hun plaats krijgen. Opmerkelijk breeddenkend want die groep bestaat niet eens echt, hoorden we nog.
Zoals het een sociologe past, ontkende ze behalve het bestaan van autochtone Fransen trouwens ook het bestaan van een Arabisch-islamitische wereld, een begrip dat Finkielkraut even had gebruikt. Zulke tussenkomsten zijn altijd nuttig als je een zinnige dialoog onmogelijk wilt maken. Val de termen zelf aan, verbreed ze, versmal ze, en elk inhoudelijk argument wordt op voorhand al verdacht, of vervalt.
Mooi was verder haar argument dat integratie vroeger wél werkte, met Polen, Italianen, Spanjaarden enzovoort ...omdat Frankrijk toen nog een imperium was. Een argument dat bv. voor België niet zou gelden, maar dat bleef onvermeld. 
Ze bracht ook nog andere retorische trucjes ten gehore, zoals hard roepen en voortdurend de andere gaste in het programma, de vrijzinnige Cathérine Kintzler onderbreken, zodat deze nauwelijks iets gezegd kreeg of réplique kon geven.
Finkielkraut wist niet meer waar zijn hoofd stond. “Terminez, terminez” smeekte hij, je voudrais, est-ce que je peux, je voudrais, alors, alors, s’il vous plaît, je voudrais maintenant reprendre la discussion en main et poser une autre question…”.
Maar dat kunt u beter zelf allemaal ontdekken, lezer, in de podcast.
Ik geef een kort uittrekseltje uit het gesprek, en een vertaling daarvan, zodat u zich alvast een idee kunt vormen. De eerste vraag van Finkielkraut heb ik stevig ingekort, want die was drie keer zo lang, met eerst nog een inleiding over onder meer de hoofddoek:

Alain Finkielkraut: Et puis il y a une question plus générale, qui est celle de l’intégration. Après tout, dans le monde arabo-musulman on ne fait pas dans le détail. En France on a construit énormément de lieux de culte, mosquées et salles de prières musulmans, 2300 il y en a aujourd’hui, alors que c’était 900 en 1985, et il y a plus de lieux de culte musulmans en Seine-Saint-Denis aujourd’hui que de lieux de culte, églises et chapelles catholiques. Dans le monde arabo-musulman on ne construit pas d’églises, et on persécute les chrétiens. Mais la question aussi c’est de savoir, quelle est votre position? Préconisez-vous plutôt l’intégration à travers l’école et l’université, ou plutôt l’inclusion, ce qui en effet amène à une toute autre définition de la culture que l’on transmet, Nacira Guénif?
Nacira Guénif-Souilamas: Tout d’abord, je ne me sens absolument pas comptable de ce qui se passerait dans le monde arabo-musulman, comme vous le nommez, puisque je n’arrive même pas à situer de quoi il s’agit quand on parle de ça. Non, non c’est un peu trop unificateur à mon sens.
Alain Finkielkraut: Bien, il fallait dire pays d’immigrants, de migration coloniale…
Nacira Guénif-Souilamas: Et bien, de fait, oui oui, ce sont des processus historiques vérifiés hein, ce n’est pas juste une de mes lubies. Et puis, par ailleurs, je trouve que effectivement, la discussion sur l’intégration a suffisamment duré, pour le dire comme ça, je pense qu’il faudrait passer à un autre paradigme, effectivement je ne sais pas si la société inclusive serait le bon, mais de fait, l’intégration a été un principe normatif, une injonction qui a échoué, précisément parce que elle recelait dans ses mécanismes mêmes l’échec de tous ceux auxquels elle s’adressait. Autrement dit, dès lors que quelqu'un se voit adressé l’attente, l’injonction, l’ordre de s’intégrer, dans la manière même dont ceci est énoncé et mis en œuvre, pas seulement de manière discursive, mais aussi de manière pratique hein, c’est-à-dire aux guichets des administrations, dans l’ensemble des mécanismes de fonctionnement des rapports sociaux, la personne qui est désignée par l’enjeu d’intégration est vouée à l’échec. Autrement dit c’est une norme…
Alain Finkielkraut: Ça a marché pour les vagues migratoires précédentes…
Nacira Guénif-Souilamas: Mais parce que peut-être la France à l’époque était encore un empire et que du coup les hiérarchisations qui contribuaient à la faire exister dans son prestige et en même temps dans son ordre inégalitaire étaient encore présents. Ces mécanismes-là étaient là, cette structure était encore présente. Le problème c’est la France présente, avec son présent colonial d’une certaine manière, qui ne parvient pas à admettre que, et y compris les descendants d’immigrants coloniaux sont des égaux. Et c’est cela qui est constamment renvoyé à ces personnes à ces groupes à ces segments de la société à travers le discours de l’intégration. Le discours de l’intégration est un discours de minoration, est un discours d’un déni, est un discours d’éviction, et il fonctionne depuis des décennies sur de mode-là, à supposer qu’il ait jamais fonctionné, d’ailleurs ce sera intéressant d’en faire la démonstration. De fait, aujourd’hui c’est devenu une rhétorique mortifère, c’est une rhétorique qui détruit à la fois les groupes, qui détruit les relations, qui dissout les rapports sociaux, et qui a créé beaucoup plus de dissensus et de dissensions à la société française que toute autre doctrine jusqu’à présent. 



Alain Finkielkraut: En dan is er een meer algemene kwestie, namelijk die van de integratie. Après tout, in de Arabisch-muzelmaanse wereld is men van geen kleintje vervaard. In Frankrijk zijn er een enorm aantal cultusruimten gebouwd, moskeeën en muzelmaanse gebedsplaatsen, 2300 zijn er vandaag, terwijl in 1985 het er nog 900 waren. En er zijn in Seine-Saint-Denis vandaag meer islamitische gebedsruimten dan katholieke kerken en kapellen. In de Arabisch-muzelmaanse wereld bouwt men geen kerken, en vervolgt men christenen. Maar de vraag is ook, wat is uw standpunt? Pleit u eerder voor integratie, via school en universiteit, of liever voor inclusie, waarbij wij inderdaad tot een geheel andere definitie komen van de cultuur die wordt overgedragen, Nacira Guénif? 
Nacira Guénif-Souilamas: Vooreerst, ik voel mij absoluut niet verantwoordelijk voor wat er aan de hand zou zijn in de Arabisch-muzelmaanse wereld, zoals u hem noemt, want ik slaag er niet eens in om te snappen waarover het mag gaan als iemand het daarover heeft. Nee nee, dat is mij iets te veel dingen over één kam scheren.
Alain Finkielkraut: Goed, het had moeten zijn landen van immigranten, van koloniale migratie…
Nacira Guénif-Souilamas: Inderdaad, ja ja, dat zijn historisch bewezen ontwikkelingen hè, het is niet zomaar een van mijn grillen. En dan nog, ik vind dat de discussie over integratie inderdaad al lang genoeg heeft geduurd, om het zo te zeggen, en ik denk dat het tijd wordt om naar een ander paradigma over te schakelen, en of de inclusieve maatschappij dan het goede paradigma zou zijn weet ik niet zo, maar zoals het nu staat is integratie een normatief uitgangspunt, een sommatie die gefaald heeft, precies omdat haar mechanisme zelf het falen inhield van allen tot wie zij gericht was.
Anders gezegd, zodra iemand die verwachtingen op zich ziet afkomen, die aanmaningen, bevelen om zich te integreren, door de manier zelf waarop deze worden geformuleerd en gebruikt, niet enkel met woorden, maar ook in de praktijk hè, bijvoorbeeld aan overheidsloketten, door het geheel van de mechanismen van het sociale verkeer is de persoon die voor de uitdaging van de integratie staat tot mislukken gedoemd. Anders gezegd, het is een norm…
Alain Finkielkraut: Die gewerkt heeft bij de vorige migratiegolven… 
Nacira Guénif-Souilamas: Misschien omdat Frankrijk in die tijd nog een imperium was, en daarom de hiërarchische opdelingen nog bestonden die ertoe bijdroegen om het in stand te houden met alle prestige, en tegelijk met zijn ongelijke ordening in rangen. Die mechanismen waren er, die structuur was nog aanwezig. Het probleem is het huidige Frankrijk, met op een bepaalde manier zijn huidige kolonialisme, dat er niet toe komt toe te geven dat allen, inbegrepen de immigranten uit de kolonies gelijken zijn. En dat is wat deze mensen, deze groepen, deze segmenten van de maatschappij voortdurend voor de voeten wordt geworpen door dit integratieverhaal.
Het integratieverhaal is een verhaal van kleinering, is een verhaal van ontkenning, is een verhaal van verdringing, en op die manier werkt het al decennia lang, als we van werken ooit mochten spreken, en het zou trouwens interessant zijn daar eens een bewijs van te leveren. In de praktijk vandaag is het verworden tot dodelijk holle frasen, frasen die tegelijk bevolkingsgroepen kapotmaken, relaties kapotmaken, de maatschappelijke banden verbreken, en die de Franse samenleving meer meningsverschillen en twisten hebben opgeleverd dan om het even welke doctrine tot nog toe.


23 november 2013

Zelfs als het over kunst gaat kan radio interessant zijn


Laatst schreef Mia Doornaert een column in De Standaard, met als titel: "Europa is cultuur". Volkomen juist. Wel maakte Doornaert de fout om volgende grappige uitspraak aan Joseph Goebbels toe te schrijven: "Als ik het woord cultuur hoor, grijp ik mijn revolver". Nu zij geen journaliste meer is, wordt het voor haar stilaan tijd om de goede gewoontes van bloggers over te nemen en bronnen te checken. Meestal legt men Göring die uitspraak in de mond, even verkeerd als Goebbels maar hun twee namen worden door journalisten begrijpelijkerwijs wel eens verward omdat ze met dezelfde letters beginnen. Simpelweg Wikipedia kan hier al goede diensten bewijzen: Hanns Johst (1890-1978): Aus seinem “Schlageter” stammt die fälschlich Hermann Göring zugeschriebene Aussage: „Wenn ich Kultur höre ...entsichere ich meinen Browning“ (1. Akt, 1. Szene).


Maar daar gaat het nu niet om: de stelling in haar column is zoals gezegd volkomen juist, en ze wordt door iedereen onderschreven die niet zelf op het Schumanplein werkt. Dus ook door Régis Debray, zoals hieronder te lezen. De uitzending Répliques van Finkielkraut waaruit dit fragment komt, ging eigenlijk over "kunst", bijvoorbeeld over de onnozele Opblaashondjes van zekere Jeff Koons en dergelijke dingen. De alhier befaamde Mosselpot van Jan Hoet (en enigszins ook van Marcel Broodthaers) kwam niet ter sprake bij Finkielkraut, maar ook  zonder dat was het vanmorgen toch weer interessant, en Mia Doornaert zal met genoegen haar stelling horen bijtreden:

Régis Debray: Excusez-moi, mais là il faut revenir à Malraux. Malraux est un homme qui a interrogé sa culture à travers la culture des autres et notamment la culture de l’Orient. Il faut rappeler que le musée imaginaire de Malraux est un musée mondial. Or il se trouve que la Renaissance n’a pas été ottomane que je sache. Elle a été italienne. Et c’est la Renaissance qui a vu la naissance de la notion d’art, de beauté, de critique d’art, d’histoire de l’art. Monsieur Erdoğan ne doit pas être très sensible à notre notion d’art, avec ce qu’elle implique d’originalité individuelle, de culture des profondeurs, de singularités. Le régime de singularité pour lui n’existe pas, donc monsieur Erdoğan, pour qui le culturel ne fut qu’un petit intermède occidental entre deux stades du cultuel, revient à son culte et considère que un culte doit en remplacer un autre, et que ce que nous avons appelé culture, n’a pas eu de place comme un moment historique significatif. Voilà donc quelque chose qui peut remettre, relativiser notre indignation ou notre stupeur devant cette incroyable métamorphose. Mais vous savez, moi, il y a un mot que j’aime bien –excusez-moi je le dois à Spengler, qui a très mauvaise réputation– c’est le mot de « pseudomorphose » qui est un terme de cristallographie. C’est-à-dire qu’il y a des minéraux qui gardent un aspect, une enveloppe extérieure mais dont la structure a changé complètement. On a une pseudomorphose de l’école par exemple. C’est vrai que ça s’appelle encore éducation et école: c’est autre chose. On a une pseudomorphose de l’état. On parle de l’état, bon, mais on ne voit pas que derrière la façade tout a changé. C’est plus le même mobilier. Donc, n’utilisons pas tous azimuts une notion très occidentale et très singulière qui est celle d’art.
Alain Finkielkraut: Alors d’accord Régis Debray, vous dites, relativisons notre indignation, parce que notre civilisation n’est pas universelle. Elle a –je vais reprendre un terme qui vous est cher– elle a des frontières. Et elle doit le savoir. La frontière c’est en effet l’apprentissage de la modestie avant d’être une attitude d’exclusion…
Régis Debray: …et la reconnaissance de l’autre en tant qu’autre.
Alain Finkielkraut: …en tant qu’autre. Très bien, mais cela veut dire que une frontière passe entre l’Europe et la Turquie.
Régis Debray: Oui, absolument.
Alain Finkielkraut: Donc l’intégration de la Turquie dans l’Union Européenne serait tout de même une chose assez étrange, et demanderait à l’Europe de se séparer définitivement –il est vrai que ses fonctionnaires y œuvrent déjà– de la civilisation Européenne. Et tant qu’il y a en Europe une civilisation Européenne qui en fait la substance, en fait la définition, la frontière existe et monsieur Erdoğan se charge de nous le rappeler tous les jours.
Régis Debray: Je ne suis pas, comme vous Européocentrique, mais je constate qu’effectivement le monde ottoman et le monde turque n’a rien à faire dans l’Europe.
Alain Finkielkraut: Je ne suis pas Européocentrique, je suis Européen!
Régis Debray: Je disais ça pour vous taquiner, mon cher. Non mais c’est… je suis d’accord avec vous, il y a là une frontière entre le monde ottoman. Qu’est-ce que la Turquie a apporté à l’Europe centrale et balkanique qu’elle a dominée pendant des siècles? Pas grand-chose. En tout cas pas d‘œuvres d’art majeures en dehors des minarets.
Alain Finkielkraut: Bien mais écoutez, nous en restons là sur ce sujet…
Jean Clair: ...Hautement géopolitique et donc polémique… revenons à nos moutons.
Alain Finkielkraut: …ce sujet très explosif et sur lequel j’aurai l’occasion de revenir dans d’autres émissions bien sûr.




3 maart 2013

Adolescentie op hoge leeftijd


Ik zou niet weten hoe het komt, maar om de één of andere reden ben ik ervan overtuigd dat de meeste mensen, politici, journalisten en anderen die vandaag hoog opgeven van het pamfletje “Indignez-vous!” van wijlen Stéphane Hessel, datzelfde pamfletje helemaal niet gelezen hebben of zelfs maar gezien, ook al is het in ongeveer zevenenzeventig talen vertaald.

Met nog grotere zekerheid beweer ik dat ze niet het antwoord van Orimont Bolacre“J’y crois pas!” in handen zullen hebben gehad (Renaud Camus, Éditions David Reinharc, 2011).
Zo gaat het met morele verontwaardiging in groep. De leden kunnen zich beter niet bekommeren om teksten, en hoeven zich alleen collectief ergens over te verontwaardigen, of ergens achter te staan.

Bij Alain Finkielkraut op France Culture, in zijn uitzending Répliques van zaterdagochtend, was het onderwerp: "L'autorité en démocratie". Bij hem gaat het altijd om teksten –Finkielkraut nodigt nooit analfabeten uit– en een van zijn gasten, Pierre-Henri Tavoillot, maître de conférences en philosophie politique à l'Université de Paris-Sorbonne, had gisteren ook een opmerking over dat pamfletje van Hessel.
Ik transcribeer wat hij zegt (in de uitzending vanaf 23'30") maar vertaal niet, enerzijds omdat ik te lui ben, en anderzijds omdat Frans geen probleem mag zijn voor mensen die hoog oplopen met Hessel:



D’une certaine façon nous sommes dans une situation que j’aurais tendance à qualifier de “abus de contrepouvoir”. Non pas abus de pouvoir, mais abus de contrepouvoir. Je pense que l’intellectuel a une responsabilité majeure dans cette affaire. L’intellectuel et notamment –pardon d’en parler après le décès de Stéphane Hessel– mais l’intellectuel qui s’indigne, et qui est dans une logique effectivement d’indignation et de contestation a une responsabilité pourquoi ? Parce que l’indignation, c’est une logique de simplification. C’est une logique un peu adolescente qui consiste à dire que le pouvoir est méchant. Et même, c’est une logique un peu réactionnaire qui consiste à dire: c’était beaucoup mieux à l’époque de la résistance, parce qu’il y avait de vrais salauds. Et bien, les vrais salauds sont toujours là. Il faut tout simplement les identifier. Et donc je trouve que c’est une logique où l’intellectuel ne joue pas son rôle, qui n’est pas de simplifier le monde: qui est de clarifier la complexité du monde. De ce point de vue-là, c’est tellement facile de dire qu’il y a des salauds, de dire qu’il y a des complots, on dit dans l’ombre. Il y a comme une forme de dopage intellectuel dans cette affaire. Un dopage intellectuel parce que voilà: on a la clé de la compréhension intégrale du monde à partir de l’identification d’un petit complot ou d’un petit groupe.
______________________

noot van 4 maart: luister ook naar wat Finkielkraut zegde bij Élisabeth Lévy, want op zijn beurt zegt ons dat veel over het niveau van het intellectuele debat op Franse cultuurzenders. Finkielkraut mag complexloos verwijzen naar de literaire canon, zonder vrees dat iemand hem elitair of onbegrijpelijk zou vinden:

Lévy:
Vous pensez, vous pensez que la demande de panthéonisation a une simple chance d’aboutir?
Finkielkraut: Ah non! non, non, je pense que l’on n'ira pas jusque là. Mais en même temps, si vous voulez, je passe ma vie, moi qui ne demanderais rien d’autre que d’être très optimiste, à être surpris par ce qui arrive, et à constater, comme l’aurait dit Racine, que mon malheur passe mon espérance, donc...

Andromaque (1667) Acte V, scène 5

26 mei 2012

De vraag is al pijnlijk genoeg

.

Zaterdag zaten bij Alain Finkielkraut, in zijn uitzending Répliques, Elisabeth Lévy, chef van het magazine Causeur, en Laurent Joffrin van de Nouvel Observateur. Hieronder een uittrekseltje, enkel een vraag van Finkielkraut, met twee kleine tussenwerpseltjes van de nieuwe observator.


Je reprends d’abord le titre d'Elisabeth Lévy: «La Gauche contre le Réel». Alors je vais vous donner un exemple, peut-être ridicule, et vous allez me ramener dans les cordes, mais voilà, j’ai vu quelque chose le soir de l’élection, à la Bastille. J’ai vu beaucoup de drapeaux étrangers, et même, des témoins m’ont dit qu’il n’y avait pratiquement que des drapeaux étrangers, et c’était (Alors voilà, on va parler de ça) l’élection nationale. Moi je ne sais pas ce qu’il faut en penser. J’aurais aimé que les journalistes (Mais vous savez bien que factuellement…), de quelque bord qu’ils soient, le notent, s’interrogent, réfléchissent, demandent. Peut-être que c’est anodin, peut-être que ça ne l’est pas. Je, je dis simplement que précisément on s’est plus ou moins arrangé pour ne pas voir ce qu’on voit, car on ne veut pas faire le jeu du Front National. Il y a des réalités qui ne sont pas nécessairement bonnes à dire. En tout cas, moi je vous pose la question.



Ik haal eerst de titel aan van [het boek van] Elisabeth Lévy: “Links tegen de werkelijkheid in”. Ik zal u daar een voorbeeld van geven, belachelijk misschien, en dan slaat u me de touwen in, maar kijk, ik heb iets gezien op de verkiezingsavond, bij de Bastille. Veel vreemde vlaggen heb ik gezien, en zelfs zegden getuigen mij dat er zo goed als alleen vreemde vlaggen waren, en dat was (Ja kijk, daar zullen we het over hebben) de nationale [presidents-]verkiezing. Wat je daarvan moet denken weet ik niet. Wat ik graag had gezien was dat de journalisten (Maar u weet heel goed dat feitelijk…), van welke kant ook, dit hadden opgemerkt, bij zichzelf hadden overlegd, bedenkingen gemaakt, vragen gesteld. Misschien stelt dit niets voor, maar misschien toch wel. Ik, ik zeg eenvoudigweg dat men min of meer overeen is gekomen, om niet datgene te zien wat er te zien was, want men wil het Front National niet in de kaart spelen. Er zijn feiten die niet noodzakelijk geschikt zijn om verteld te worden. In elk geval, ik stel u de vraag.
.

12 mei 2012

Beschaving, en de zichtbaarheid van de vrouw

.
Voor vertalen was er even geen tijd, maar een transcriptie maakt onderstaande Franse tekst alvast citeerbaar. Dat is nuttig, want het intellectuele debat, zoals dat bij Finkielkraut elke zaterdagmorgen plaatsheeft, ontbreekt bij ons. Bij ons hoor je wel vaak debatten tussen mensen die het met elkaar eens zijn. In andere landen is dat niet noodzakelijk zo. Op de site van France Culture is de volledige uitzending beschikbaar (Les livres pour patrie), want er kwamen behalve de uittrekseltjes hieronder nog wel meer interessante thema's aan bod.
Grappig was dat Finkielkraut, die gewoonlijk geen woorden tekortkomt, plots twijfelde hoe je de naam van Mme de Staël uitspreekt. Herkenbaar probleem, en echte radio. Eerst dat grapje en dan serieus:



Jan Leyers definieerde Europa ooit heel goed, namelijk als die beschaafde plek op de wereld waar ook vrouwen op café kunnen gaan. Hun zichtbaarheid is er geen halsmisdaad. Finkielkrauts genodigde zaterdag, de filosofe Mona Ozouf, plaatste die definitie in een historisch perspectief, en zij zag de oorsprong van deze loffelijke beschavingsvorm in Frankrijk. Daar heb ik nog een kleine kanttekening bij.



Alain Finkielkraut: Michel Del Castillo s'inscrit dans la longue corde de ces écrivains venus d’ailleurs, de Hume à Henry James, en passant par Henri Heine, pour lesquels la France est femme, une terre que le long commerce entre les sexes a façonnée et polie. France donc, patrie littéraire et patrie féminine.
Mona Ozouf: Oui, mais ce que je veux dire c’est qu’il est vrai que lorsqu’on lit les récits des voyageurs étrangers en France, à partir du dix-septième siècle, dix-huitième, dix-neuvième, chaque fois, ce qui frappe les voyageurs étrangers en France c’est la visibilité féminine. Les femmes sont partout, elles sont partout, elles sont dans les occupations, elles attèlent les carrioles, elles vendent des violettes dans la rue, enfin que sais-je. Visibles partout et d’autre part, c’est la mixité des activités qui frappe tous les étrangers. Donc je pense qu’on peut dire en effet que la France est un pays féminin.



Mona Ozouf: Mais, mais cela étant dit, je pense que depuis fort longtemps, s’était établi en France un commerce entre les sexes plus plus aimable, plus heureux, plus civilisé que dans beaucoup d’autres pays. Et ce n’est pas un thème que j’invente, c’est le thème de Mme de Staël, tout au long de son œuvre. Mais effectivement pourquoi est-ce que c’est un mauvais cas? Parce que ça semble, comment dire, protester contre l’idée que l’indifférenciation entre les sexes est un bien. Or c’est à cette extrémité-là que mon féminisme n’est pas du tout prêt d’aller, car je ne crois nullement l’indifférenciation souhaitable. Je crois, pour tout vous dire, que ce qui fait le prix de l’existence des femmes en France, c’est de pouvoir jouer sur deux tableaux, très différents. Le tableau de leur féminité, c'est-à-dire qu’une femme peut parfaitement être attentive à son apparence, et désirer plaire, sans pour autant se penser comme une femme-objet, comme une serine, et par ailleurs parce que c’est un calcul très rationnel. Condorcet l’a très bien dit. Condorcet a dit que quand le destin des femmes dépend de leur apparence, il est tout à fait rationnel pour les femmes de s’en préoccuper.*
Bien. Donc les femmes peuvent cultiver en France cette féminité-là. Mais par ailleurs, dans la France républicaine, l’individu est un individu qui a ses droits parce qu’il est dénué de ses qualités personnelles. Par conséquent la femme peut aussi se penser comme un sujet neutre du droit. Et c’est la possibilité me semble-t-il pour les femmes de, selon les contextes et selon les situations, de jouer sur la différence précieuse, sur la différence féminine précieuse, qui, si elle n’existait pas, tout le romanesque de l’existence se volatilise d’un coup, et en même temps se penser comme un, comme le sujet du droit, dénué de qualités.

____________________
* Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat, marquis de Condorcet (1743-1794) zal deze uitspraak gedaan hebben nadat hij, zoals elke Europese intellectueel toen, Ferdinando Galiani's Della Moneta had gelezen. Daarin staat net hetzelfde, en toen dat boek verscheen was Condorcet amper zeven. Pas onlangs werd Della Moneta in het Frans vertaald, zoals hieronder te zien, en hier heb ik die passage weer naar het Nederlands omgezet:

Passion des femmes pour la beauté
et combien celle-ci est raisonnable
Toutefois, si chez l'homme le désir de paraître crée de l'attirance pour les productions les plus belles et les plus rares de la nature, chez les femmes et chez les enfants, la très ardente passion de paraître beaux fait apprécier ces objets au plus haut point. Les femmes, qui constituent la moitié de l'espèce humaine, et qui sont destinées, ou entièrement ou en très grande partie, à la propagation de l'espèce ainsi qu'à notre éducation, n'ont d'autre prix et mérite que l'amour qu'elles éveillent chez l'homme. Et comme celui-ci dépend presque entièrement de leur beauté, leur plus grand souci est d'apparaître belles aux yeux des hommes. Combien les ornements y contribuent est un fait reconnu unanimement; donc, si la valeur chez les femmes tire son origine de leur charme et celui-ci de leur beauté, cette valeur s'accroît avec les ornements, et alors il est par trop évident que nécessairement la valeur de ces objets est très grande dans l'idée qu'elles s'en font.
Ferdinando Galiani
De la Monnaie/Della Moneta

Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Éd. Economica, Paris, 2005, p.75

18 maart 2012

Problemen bij hemianopsie

.
Alors justement, je voudrais parler de la difficulté de constituer ce récit, ou cette perspective commune. On sent aujourd’hui, et la gauche l’incarne bien sûr, un besoin très fort de justice sociale, une exaspération devant la montée des inégalités économiques. Mais il y a aussi une très forte anxiété identitaire, donc peuple social et peuple national mêlés, face à l’extraordinaire mutation démographique qu’a connue notre pays, comme les autres pays Européens dans les trente dernières années, et plus précisément face au défi que représente l’islamisme. Or il me semble que le discours dominant légitime, orchestre, accompagne ce besoin de justice sociale, et incrimine l’anxiété identitaire. Tout ce qui relève de l’anxiété identitaire est du populisme, dès lors que c’est repris par les responsables politiques. Cette définition du populisme vous satisfait-elle, ou pensez-vous qu’il incombe, et qu’il incomberait notamment à la gauche de prendre en charge ces deux versions de la sensibilité populaire, Jean-Pierre Le Goff ?

Je pense que la difficulté... moi, j’espère, j’espèrerais que la gauche le prenne en compte. La question de fond, c’est les outils d’analyse de la gauche, qui l’a profondément marquée au cours de son histoire. Il y a d’emblée une lecture des phénomènes sociaux sous un angle économico-social qui tend à devenir hégémonique. Il y a une grande difficulté, une grande difficulté à gauche, à penser la dimension anthropologique culturelle. Je pense que fondamentalement, au-delà de ça, quand on parle économique et social, ça c’est du solide, on est rassuré. Eh, mais dès qu’on touche à ces questions identitaires, immédiatement arrive la question d’une identité substantielle. Identité… faux choix terrible: identité substantielle ayant toujours existé, de tous temps intouchable, et de l’autre côté fuite en avant. Nous sommes passés de… le solide d’un côté, le liquide de l’autre si vous voulez. Et, choisissez votre camp! C’est précisément quelque chose, moi qui viens de cette gauche-là, que j’ai du mal si vous voulez, à admettre ça: d’où cette espèce de fuite en avant ?
Deuxièmement, en ce qui concerne l’islam : il y a un débat réel à avoir dans la société, on ne peut pas le nier. La question, c’est comment les politiques s’en emparent. Je pense qu’il faut distinguer le débat intellectuel qui doit demeurer libre, il n’y a pas de questions taboues. Ce qui me fait peur, encore aujourd’hui, à gauche –il y a une forme de politiquement correcte d’une autre libération de la parole à droite, qui me fait peur aussi– mais à gauche il y a, ce qui m’inquiète, c’est le retour de cette gauche qui empêche un libre débat, confrontation, argument sur argument, pour immédiatement pratiquer le chantage: vous êtes dans un camp. Qu’on le veuille ou non, depuis les années quatre-vingt, la gauche morale, l’a emporté sur la …morale, moraliste l’a emporté sur la gauche sociale, mais elle n’a pas fait que ça : elle a cadenassé le débat intellectuel, et les débats refoulés reviennent, si j’ose dire par la fenêtre à partir du moment où la société est cadenassée, avec ce qu’il faut appeler des associations qui sont devenues la police de la parole, et qui ont une fonction : je suis tout à fait pour le tissu associatif, mais il faut s’interroger sur un certain nombre d’associations, et il ne suffit pas de valoriser en soi la dynamique associative, de débats etcetera, qui ont une fonction. Surveillez les paroles et portez plainte ! Je ne dis pas qu’il ne faut pas combattre ces paroles xénophobes etcetera. Je pense qu’il faut laisser la société une liberté, y compris par la polémique dure, par les arguments. Mais, arrêtez d’appeler sans arrêt par la loi. Or l’islam mérite effectivement une question. Moi, la façon dont les politiques s’en emparent: il y a à la fois aucun problème d’un côté, et de l’autre côté une façon de jouer, de le mettre au centre sans arrêt qui est proprement insupportable, et on va effectivement sur le terrain du Front National, en… d’ailleurs en jouant sur un double tableau. Il s’agit de récupérer les électeurs du Front National, mais pas seulement : il s’agit de lancer le stimuli dans lequel la gauche bête, moralisante va s’engouffrer et qui va en même temps le dénoncer moralement et va contribuer à creuser le fossé de cette gauche avec les couches populaires. C’est exactement ce qui s’est passé, et jusqu’à présent les hameçons lancés par la droite ont globalement marché.

. . . . .  
(Voor de volledige uitzending van gisteren klikt u op Répliqueswaar bovenstaand fragment begint op 31’19” )

Alain Finkielkraut: …Precies, over die moeilijkheid om een gemeenschappelijk verhaal of perspectief te bieden wilde ik het hebben. Vandaag voelt men, en links belichaamt dit vanzelfsprekend, een sterke vraag naar sociale rechtvaardigheid, een grote ergernis over de toenemende economische ongelijkheid. Maar of we de bevolking nu vanuit een sociaal of een nationaal standpunt bekijken, er leeft ook een zeer sterke bezorgdheid over identiteit, als gevolg van de buitengewone demografische veranderingen die ons land, net als de andere Europese landen de laatste dertig jaar heeft gekend, en meer bepaald als gevolg van de uitdaging die het islamisme vormt. En nu komt het mij voor dat het dominante discours deze hang naar sociale rechtvaardigheid legitimeert, orkestreert, begeleidt, en de bezorgdheid rond identiteit criminaliseert. Alles wat onder ongerustheid over identiteit valt, wordt populisme zodra de politiek verantwoordelijken die bezorgdheid overnemen. Kunt u zich vinden in deze definitie van populisme, of vindt u het een plicht –een plicht die met name links zou moeten toekomen– om die beide uitingen van de gevoeligheden van het volk ernstig te nemen, Jean-Pierre Le Goff?

Jean-Pierre Le Goff: Ik denk dat de moeilijkheid …ik hoop, of mag hopen dat links dit ter harte neemt. De kernvraag zit in het instrumentarium dat links bij zijn analyses gebruikt, en dat in de loop van de geschiedenis een diepe stempel heeft gedrukt. Dat sociale fenomenen van meet af aan vanuit een socio-economische hoek bekeken worden, is een visie die ertoe neigt snel overheersend te worden. Men heeft het er lastig mee, erg lastig bij links, om de cultureel-antropologische kant van de zaak door te denken. En nog afgezien daarvan, ten gronde denk ik, dat zolang zij over economie en politiek praten, ze vaste grond onder de voet voelen en zich gerustgesteld weten. Ha, maar op het moment dat men identiteitsvragen aanraakt, dan volgt onmiddellijk daarop de vraag naar wat identiteit wezenlijk is. Identiteit… een verschrikkelijk vals dilemma: een wezenlijke identiteit die altijd heeft bestaan, onwrikbaar en van alle tijden, en aan de andere kant de vlucht vooruit. We komen van de …vaste grond aan één kant, en drijfzand aan de andere zo u wilt. En: partij kiezen nu! Dat is nu precies wat ik, komende van dit links, maar moeilijk kan aanvaarden, ziet u. Vanwaar toch dit soort vlucht vooruit?
Ten tweede, wat betreft de islam: de samenleving heeft nood aan een echt debat, dat kan men niet loochenen. De vraag is, hoe politici zich dit eigen maken. Ik denk dat men het intellectuele debat moet vrijwaren, het moet vrij blijven, er zijn geen vragen waarop een taboe rust. Wat mij ook vandaag nog bij links beangstigt –er bestaat een soort politieke correctheid rond een andere invulling van het vrije woord bij rechts, wat mij ook beangstigt– maar aan de linkerzijde, wat mij daar verontrust is de terugkeer van dat links, dat het vrije debat belet, de confrontatie, argument tegen argument, en dat onmiddellijk overschakelt op chantage: “Jij zit in een bepaalde hoek”. Of men het nu wil of niet, al sinds de jaren tachtig heeft moreel links het gehaald …moreel: moralistisch links heeft het gehaald op sociaal links. Maar daar lieten ze het niet bij: zij hebben het intellectuele debat afgegrendeld, en de debatten die buiten de deur werden gehouden komen, als ik het zo mag zeggen, door de ramen weer naar binnen zodra een maatschappij achter grendels zit, door middel van verenigingen die een woordpolitie zijn geworden, en die ook een taak hébben: ik waardeer het sociale weefsel, maar we moeten ons vragen stellen bij een aantal verenigingen, en het volstaat niet dat we een waarde op zich toekennen aan de dynamiek van vereniging, aan debatten &cetera. Die hebben een functie: houd toezicht op de bewoordingen, en dien klacht in!
Ik beweer niet dat men xenofobe termen &cetera niét moet bestrijden. Wat ik denk, is dat men een samenleving de vrijheid moet laten, met inbegrip van harde polemieken, met argumenten. Maar houd ermee op, om onophoudelijk met rechtszaken aan te komen.
Tenslotte roept de islam echt wel vragen op. Voor mij is dit de manier waarop politici hiermee omgaan: tegelijk is er enerzijds geen enkel probleem, en aan de andere kant maakt men er een spel van om de islam voortdurend centraal te plaatsen, wat gewoon ondraaglijk is, en men begeeft zich inderdaad op het terrein van het Front National, waarbij men trouwens …dubbel spel speelt.
Het gaat erom de kiezers van het Front National terug te winnen, maar niet enkel dat: het gaat erom prikkels uit te sturen waarop zich dan het domme, moraliserende links stort, wat hen tegelijkertijd moreel zal verraden, en ertoe bijdragen om de kloof uit te diepen tussen dit links en de brede lagen van de bevolking. Dat is exact hoe het is gegaan, en algemeen gesproken heeft  het lokaas dat rechts uitwerpt zijn uitwerking niet gemist.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html