7 augustus 2020

Bij Maistre is elke brief een kunstwerk


À Mme de Saint-Réal *
Saint-Petersbourg, 1806

[…]   Zou je toevallig niet graag weten wat die verschrikkelijke straf met de knoet is? In essentie betekent in het Russisch dat woord gewoon zweep. In de handen van de beul is het een speciale zweep, met een nogal korte greep en daaraan eerst een lederen reep en een tweede die iets langer is, gemaakt van het enorm dikke vel van een bepaalde vis, in olie gekookt en geappreteerd. De schuldige, naakt tot het middel, wordt op een schuine plank vastgebonden. De beul die op enige afstand achter hem staat, heft de knoet op die hij met beide handen vasthoudt, maakt bij het benaderen van de patiënt een klein sprongetje en geeft hem een slag op de rug, bovenaan te beginnen; hij gaat wat achteruit en dient hem een tweede slag toe, vlak eronder, zonder ooit te missen. Elke slag doet bloed en vlees de lucht in spatten, en al snel is de ongelukkige nog slechts een bloedig skelet, een soort levende dissectie.

Triste objet où des dieux triomphe la colère. **

Men zegt dat zekere kozak 500 slagen kreeg, en pas acht dagen later stierf; maar dat verhaal lijkt me ongeloofwaardig. Zeker is wel dat als de beul dat wil, hij met luttele slagen kan doden. Daarover zijn er oneindig veel regels en nuances. Vaak doen roebels de armen van de beul verslappen, en laatst nog zagen we een moordenaar die honderd slagen had gekregen zichzelf weer aankleden en zonder hulp in zijn arrenslee stijgen. Om na de strafuitvoering gangreen te vermijden wrijft men hen in met een tampon gedrenkt in zeer sterke brandewijn. De gedachte aan die remedie doet de tanden knarsen. Ik vergat je nog te zeggen dat voorafgaand aan de strafuitvoering men hen op het voorhoofd merkt met een duizendpuntig ijzer, ingewreven met tot poeder gestampt buskruit, hetgeen een onuitwisbaar merkteken oplevert; vervolgens rukt men hen met behulp van een tang beide neusvleugels af, en al enkele dagen na deze zachtmoedige bewerkingen vertrekken ze naar Siberië. Niet zelden zie je er die twee of drie dagen later in staat zijn de reis aan te vatten, en zelfs de dag daarop al; anderen sterven in die tijd.

Aangezien keizerin Elisabeth de doodstraf heeft afgeschaft, stelt men zich tevreden met deze lieflijkheden.

Wat zeg je van mijn pen, die jou deze élégances schrijft? Maar wat zou je ook hebben aan een broer in Rusland, mijn lieve kleine zus, als je niet terdege weet wat de knoet is? Een andere keer vertel ik je wat een bruiloft is. Dat is een sterk verschillende ceremonie, en er komt veel minder bloed bij te pas. Laatst zag ik er nog een die ik heel mooi vond.  [...]

Joseph de Maistre
Correspondance
Les Classiques favoris
Collection dirigée par Maxence Carron
Paris, Les belles Lettres, 2017, 1536 pages
__________

* Zijn lievelingszus Anne (1758-1822), getrouwd met Jacques Alexis Vichard de Saint-Réal (1746-1832).
** 'Droeve rest, waarover de woede der goden triomfeert'
(ik schreef eerst: 'waarin de woede over de goden triomfeert', denkend aan bijvoorbeeld 'triompher des adversaires' maar Racine moet natuurlijk 'colère' als rijmwoord hebben, en dus die wat Latijns aandoende omkering van de woordvolgorde).
Racine, Phèdre, Acte V, Scène I.
[…] À ce mot, ce héros expiré
N'a laissé dans mes bras qu'un corps défiguré
Triste objet, où des dieux triomphe la colère,
Et que méconnaîtrait l'œil même de son père.

30 juli 2020

De leugenachtigheid van The New York Times


Ik vertaal dit artikel (en hoop dat Le Monde diplomatique het mij niet kwalijk neemt) omdat je ook hier journalisten de naam van die Amerikaanse krant altijd met grote eerbied hoort uitspreken... misschien leren ze hier wel iets uit en worden ze wat minder slaafs en idolaat.

De twintigjarige oorlog?

Amerikaanse soldaten van achttien die vandaag strijd gaan leveren in Afghanistan, waren nog niet geboren toen die oorlog uitbrak. In 2012 had Donald Trump de knoop al doorgehakt: ‘Het is tijd om Afghanistan te verlaten.’ * Het staat niet vast dat hij er beter dan zijn voorganger Barack Obama in slaagt zijn doel te bereiken. Elke poging van de Verenigde Staten om zich uit enig land terug te trekken – Syrië, Libië, Korea, Duitsland – doet in Washington een haag van sabels lichten. Meteen slaakt de oorlogslobby de kreet: de Russen zijn daar! de Russen komen! Het militaire budget van de Verenigde Staten (738 miljard dollar in 2020) mag dan meer dan tien keer groter zijn dan dat van Rusland, het belletje van Moskou laten rinkelen volstaat om republikeinen en democraten gezamenlijk hun afgrijzen te laten uitkrijten. En ze weten dat ze daarbij kunnen rekenen op de redactionele steun van de New York Times.

De 27ste juni heeft het blad dus een lek vanuit de CIA overgenomen, volgens welk Rusland premies zou hebben uitgekeerd aan Afghaanse opstandelingen voor het doden van Amerikaanse soldaten.** Nu herinnert iedereen zich wel de beslissende rol die de New York Times heeft gespeeld in de maanden voor de Iraakse oorlog door leugens te verspreiden over de massavernietigingswapens van Saddam Hussein.*** De anti-Russische psychose van dit grote liberale dagblad steekt overigens de ogen uit van om het even wie die de termen ‘Rusland’ of ‘Poetin’ in zijn zoekmachine ingeeft.

De Afghaanse scoop – waarbij de New York Times zelf zijn twijfels leek te hebben, acht dagen nadat ze hem hadden uitgebazuind – roept andere vragen op. Wie heeft er belang bij dit soort ‘informatie’, op het moment dat de terugtrekking van de laatste Amerikaanse eenheden ongeveer geregeld was? Hebben de Verenigde Staten overigens enige reden om verontwaardigd te doen als een van hun verklaarde vijanden de Afghaanse opstandelingen zou helpen, terwijl hun geallieerde, Pakistan dat al lang doet, en zijzelf van 1980 tot 1988 gesofisticeerde wapens leverden aan de moedjahedien die in oorlog waren met Moskou, en die dankzij die wapens duizenden Sovjetsoldaten hebben gedood? En tenslotte, hoe valt te verklaren dat de New Yorkse krant, die niet naliet ons te vergasten op lange ontroerende portretten van de drie mariniers die zogenaamd slachtoffer waren van die ‘Russische premies’ – een ervan had een snor en deed aan body building, een andere hield van de film Star Wars, en de derde adoreerde zijn drie dochters… – dan toch ‘vergat’ ons te melden dat een andere Amerikaanse organisatie, de nationale veiligheidsraad NSA, niet het minste geloof hechtte aan de scoop van de CIA?****

Niettemin heeft op 1 juli een brede coalitie van senatoren, republikeinen en democraten, zich beroepen op de ‘revelaties’ van de New York Times om een terugtrekking van de Amerikanen uit Afghanistan te bemoeilijken. Het beste middel om te beletten dat vreemde soldaten er blijven sterven zou nochtans zijn dat ze zich daar niet langer bevonden.
____________


* Twitter, 27 februari 2012.
** Russia offered Afghans bounty to kill US troops, officials say’, The New York Times, 27 juni 2020.
*** Cf. « Fake news, une fausse épidémie ? », Manière de voir, n° 172, augustus-september 2020.
**** ‘NSA differed from CIA, Others on Russia Bounty Intelligence’, The Wall Street Journal, New York, 1 juli 2020.

29 juli 2020

Majesteitsschennis


Je kunt tegenwoordig geen gazet meer openslaan of je ziet een ‘Open brief’, gericht aan deze of gene. Het schrijven van open brieven is een manie van nogal wat mensen die zichzelf als ‘publiek intellectueel’ zien, of als ‘opiniemaker’ – om dat ridicule woord ook eens te gebruiken. Meestal zijn het journalisten, auteurs, acteurs, politicologen, agogen, pedagogen, psychologen, sociologen &c.
Brieven van wetenschappers komen veel minder voor lijkt me. Van een viroloog bijvoorbeeld zag ik er nog geen; ik zal die gemist hebben.

Maar ook op de sociale media staat de open brief in volle bloei, niet enkel in kranten. Kenmerkend voor het genre is dat iemand rechtstreeks wordt geviseerd – soms, maar niet altijd de geadresseerde zelf – want zo’n brief formuleert gewoonlijk een klacht of zelfs een aanklacht.

Zo klaagde Émile Zola in 1898 met zijn «Lettre au président de la République», gericht aan Félix Faure, onder meer een reeks generaals en mandatarissen-pennenlikkers aan. Telkens ging daarbij ‘J’accuse’ aan hun namen vooraf, zeven keer in totaal, en de hoofdredacteur van l’Aurore plaatste J’Accuse...! dus als grote kop, six colonnes à la une. Zola beschuldigde onder meer generaal Billot van ‘lèse-humanité’ en van ‘lèse-justice’, want die kerel had om lage politieke redenen de bewijzen van Dreyfus’ onschuld weggemoffeld.
En al zijn vandaag de meeste open brieven hulpeloos slecht geschreven, velen lijken zich toch een kleine Zola te wanen.

Nu dacht ik bij het lezen van dat ‘lèse-humanité’ aan een zesenzestig jaar oudere tekst van Heinrich Heine: zijn Vorwort bij de Französische Zustände van 1832, ook een brief als je wil.
Heine spreekt van de ‘beleidigte Volksmajestät’ – een neologisme dat bij de Duitse vorsten en bij Metternich niet in de smaak viel – en hij gebruikt vier keer ‘ich klage sie an’, ‘j’accuse’ dus.

De Franse vertaling van dat voorwoord (in: De la France, Gerhard Höhn et Bodo Morawe, Gallimard 1994) geeft dit:
«…je les accuse d’abus de la confiance du peuple ; je les accuse du crime de lèse-nation, je les accuse de haute trahison envers le peuple allemand ; je les accuse !»

„…kraft meiner Machtvollkommenheit als öffentlicher Sprecher erhebe ich gegen die Verfertiger dieser Urkunde meine Anklage und klage sie an des gemißbrauchten Volksvertrauens, ich klage sie an der beleidigten Volksmajestät, ich klage sie an des Hochverrats am deutschen Volke, ich klage sie an!“ 
Er volgden in de Duitse staten en Oostenrijk strafrechtelijke veroordelingen en genadeloze censuur. Heine kon het grondgebied niet meer betreden.

Nu denk ik dat Zola Heine moet hebben gelezen, zijn artikelen waren immers ook in Franse kranten en tijdschriften verschenen, en naast dat herhaalde 'ich klage an!' lijkt de nieuwvorming lèse-humanité, wel erg op Heines Volksmajestät.

Dus mogen onze briefschrijvertjes zich eventueel ook een kleine Heine wanen, tenminste als ze zoals hij aan het eind van hun leven kunnen zeggen: „Mein Verbrechen war nicht der Gedanke, sondern die Schreibart, der Stil.“

________
noot van 30 juli: het lezen waard, over de even verbreide gewoonte van velen (altijd dezelfden dient gezegd) om petities te ondertekenen.

23 juli 2020

The Global Good Award


Hier is ook iets dergelijks aan de hand hoor ik, maar in Frankrijk was dat al eerder het geval: de affaire Adama Traoré. Die man was een Malinese drugdealer, een maand uit de gevangenis, en bij zijn arrestatie vier jaar geleden overleed hij. Wellicht door hartfalen, want van politiegeweld is geen bewijs gevonden.
Er is nu, na de dood van George Floyd, weer flink wat beweging in de zaak gekomen, en de halfzus van Adama, Assa Traoré, weet de media goed te bespelen. Zelfs kreeg zij steun van zekere Rihanna, een popzangeres, en in het land van Uncle Sam werd haar de Global Good Award toegekend.

De Franse strafpleiter Régis de Castelnau, vroeger lid van, en advocaat van de Franse communistische partij, denkt het zijne over de rol van de media in deze kwestie, en zei gisteren dat die media liegen, noch min noch meer (maar ik heb geen zin om het te vertalen: transcriptie was al werk genoeg):

Le 22 juillet 2020
REACnROLL
Pour Régis de Castelnau, le mensonge entretenu (et même renforcé depuis quelques jours) autour de l'affaire Adama Traoré montre l'état inquiétant dans lequel se trouve aujourd'hui notre presse.



Juste quelques observations sur ce qui s’est passé à Beaumont-sur-Oise à l’occasion de la manifestation organisée conjointement par le Comité Adama et les Verts, et rejointe par la France insoumise et le Parti Communiste français. Je dis ça parce que un certain nombre de leurs élus, parlementaires ou élus locaux, étaient présents ceints de leur écharpe dans cette manifestation. Alors, ma réflexion elle est sur la difficulté qu’il y a à imposer le réel dans l’espace public. La réalité, la vérité.

On a bien vu qu’à l’occasion de la résurgence de cette affaire – qui est ancienne, elle a quatre ans – on avait essayé d’imposer à l’opinion publique un mensonge, une imposture. Pour importer en France ce qui s’est passé aux États-Unis après la mort de George Floyd, on a prétendu qu’on avait nous aussi notre George Floyd et que Adama Traoré était une victime du racisme systémique français par l’intermédiaire de sa police. C’est tout simplement faux. C’est simplement faux pour deux raisons.

La première c’est que Adama Traoré n’a pas été interpellé parce qu’il était noir, ça n’était pas un contrôle au faciès du tout. Il a été interpellé, enfin, les gendarmes ont essayé de l’interpeller et ont fini par le rattraper pour des raisons ayant avoir avec la délinquance de la famille. C’est pas… ils ne sont pas venu par hasard, ou ils ne patrouillaient pas, non non, ils étaient venu pour arrêter son frère, ils l’ont vu lui, qui a essayé d’échapper à l’arrestation pour une bonne raison, c’est qu’il était porteur d’argent et de quantités de drogues qui montraient bien que un mois après sa sortie de prison – prison précédente qu’il avait fait – il était en train de se livrer à un trafic de drogue.

Première contrevérité, ça n’était pas un contrôle au faciès parce que noir : c’est le contrôle ou l’arrestation d’un délinquant. Deuxième mensonge, deuxième contrevérité, c’est que effectivement il n’a jusqu’à présent  pas été établi une seule seconde, hein, en quatre ans, malgré trois expertises, malgré des investigations assez importantes, il n’a pas été établi que le décès d’Adama Traoré était dû à la violence exercée contre lui par les policiers.

Donc, malgré ça on continue à nous servir ce scénario. Et qui continue à le faire ? C’est assez impressionnant d’ailleurs, parce que la sœur d’Adama Traoré a été complètement iconisée hein, elle est sur toutes les chaînes de télévision où elle vient dire n’importe quoi – des mensonges, et je vais y revenir – et elle est en première page de tous les magazines appartenant à l’oligarchie, à la presse oligarchique, ce qui est quand même très significatif. Mais ça n’arrache pas un froncement de sourcils à tous ceux qui se prétendent de gauche, voire de gauche radicale comme la France insoumise, qui se prétendent soucieux des intérêts des couches populaires, et soucieux de leur condition sociale, et qui font alliance à cette occasion avec la partie médiatique du, entre guillemets, « grand capital ».
Donc ce mensonge, il est difficile de le faire arriver, de le faire pérenniser dans l’espace public, euh, pour deux raisons, je pense.

La première c’est que les journalistes ne font pas leur travail. Quand on voit, sur tous les plateaux où elle est reçue, pas un seul de ses interlocuteurs capable de la contredire, capable de la contrarier.  Quand elle vient dire : « Mes frères sont des détenus politiques. », mais c’est inouï! Ils ont tous fait l’objet – pour leurs incarcérations –  de condamnations pour des infractions crapuleuses. Rackets et extorsion de fonds sur femme vulnérable, ça n’est pas très reluisant. Non, non, elle vient dire : ce sont des détenus politiques, c’est une inversion, ce sont eux les victimes. Et personne ne bouge. C’est quand même assez extraordinaire.

La deuxième raison, c'est que des gens dont on pourrait attendre un minimum de rationalité, un minimum de lucidité, continuent à nourrir tout ça, hein. Donc la manifestation de Beaumont-sur-Oise c’était ça. Nous avons eu Esther Benbassa, bon, on sait très bien qu’en l’affaire-là elle n’est pas sérieuse, mais plein d’autres sont venus, ensuite ils sont sur les réseaux, j’ai vu Aude Lancelin twitter, et venir effectivement nourrir cette histoire, et par conséquent une imposture et un mensonge. C’est quand même assez extraordinaire d’en arriver là ! Je me demande comment ensuite peut-on parler à ces gens ? Comment peut-on s’expliquer puisque lorsqu’on leur donne des faits, lorsqu’en bon matérialiste on leur donne l’accès au réel, ils le refusent. Ils sont dans la foi, ou bien le calcul, c'est encore pire. Ou bien le calcul cynique, ce qui est encore pire : je pense qu’en ce qui concerne un certain nombre d’élus du PCF ou de la France insoumise, il y a aussi du clientélisme.

Autre exemple de cette défaillance du réel, enfin, dans l’appréhension du réel, c’est l’histoire des investigations que ‘enfin’ la justice aurait décidé. C’est un mensonge là aussi. La justice elle a fait son boulot depuis quatre ans. Elle a ordonné des expertises qui ont toutes conclu à une mort n’ayant pas pour origine la violence de la gendarmerie. Elles ont démontré, les expertises, mais aussi les témoignages etcetera, que ces violences n’avaient pas eu lieu.
Malgré ça, on vient nous dire que le travail n’avait pas été fait, et on nous annonce triomphalement dix-sept nouvelles investigations. Alors de bonne foi les gens disent : ah, c’est pas bon, ah, ce n’est pas trop tôt qu’ils s’y mettent enfin.
Non, mais attendez : ces dix-sept investigations dont on nous dit que ‘enfin’ la justice accepterait de ne pas se préoccuper d’abord de la raison d’état, c’est faux. Ce sont dix-sept demandes qui ont été faites par l’avocat de la partie civile – ce qui est son droit le plus stricte, hein : dans une procédure contradictoire la défense peut demander des actes, le parquet peut demander des actes, et la partie civile peut demander des actes. Donc, l’avocat de la partie civile a fait ces demandes-là, ces dix-sept demandes, dans le contexte actuel et parce que assuré que si certaines avaient été rejetées – parce que le juge a un pouvoir d’appréciation – s’il l’avait rejeté bien évidemment ça aurait été immédiatement un tollé des belles âmes. Eh bien, il l’a accepté hein.
Ça va prendre beaucoup de temps, ça n’apportera rien au dossier d’aujourd’hui, mais ce qui me frappe quand même, c’est cette présentation mensongère. C’est une péripétie de procédure qu’on présente comme un virage qui serait la conséquence de la pression politique et médiatique exercée par tous ceux qui soutiennent le comité Adama aujourd’hui. Ça n’est pas vrai. Ça n’est pas vrai.

Voilà, c’était juste pour rappeler quand même quelques éléments, quelques évidences, et même ce qui était de cette difficulté à faire passer le réel, à imposer la vérité. Celle-ci est en décomposition, il n’y a pas que ce dossier, il n’y a pas que dans cette affaire hein, c’est de plus en plus souvent le cas : la vérité se décompose, hein, au travers d’un relativisme, alors on sait que ce sont des juxtapositions de récits, et ce sera à ceux qui seront les plus violents dans la façon de l’imposer, que le récit sera retenu. Donc, tout ça n’est pas très-très bon pour notre fonctionnement démocratique.
_________
Noot: De criminele familie Traoré, moet nu een toontje lager zingen. Maar wie helemaal hun bek moeten houden zijn de 'deftige' media...

18 juli 2020

Nantes 2020


Vanaf het eerste moment, toen de Notre-Dame nog in volle vlam stond, en niemand de kathedraal al had betreden, wisten de autoriteiten en media te melden dat het niet om opzettelijke brandstichting ging. Die helderziendheid was opmerkelijk aangezien we nu, anderhalf jaar later nog geen enkele oorzaak van de brand kennen.

In Nantes is dat anders. Er zijn drie bewezen brandhaarden en dat wegbabbelen of ondersneeuwen kan ook de meest welwillende politicus of journalist niet.
Pierre Sennès, procureur van Nantes, zei immers dat het om misdadig opzet gaat:
'Wij onderzoeken vanzelfsprekend of er bij de uitgangen van de kathedraal, en in heel omgeving sporen zijn van braak; of iemand in de kathedraal kan zijn binnengedrongen door nachtelijke inbraak.'

Benieuwd of we nog veel zullen vernemen over wat er is gebeurd in Nantes (van Parijs zullen we natuurlijk niets meer vernemen). Bij CNews hadden ze vanmorgen een studiogast die er geen doekjes om wond. 

Denis Jaquet : Ik kan enkel als burger reageren. Maar we zien almaar meer tekenen, en die zijn nu eens tegen personen of tegen vertegenwoordigers van het gezag gericht, dan weer tegen symbolen. Ik mag u toch herinneren, na de golf van aanslagen de laatste jaren, dat om een synagoge te betreden men op een bepaald moment de bescherming nodig had van twee militairen of politieagenten die voorop liepen. Mensen die willen bidden of een dienst bijwonen moeten zich tweemaal omdraaien voor ze naar binnen gaan, en voelen zich pas veilig als ze twee bewapende en zwaarbewapende politiemannen 24 uur op 24 erbij hebben. Zover zijn we gekomen en al mag men niet per se… of mag men niet te ver gaan, toch kan men er niet omheen…
Patrice Boisfer (Cnews) : Of vooruitlopen.
…een ogenblik te denken aan de steeds sterker wordende tegenstellingen tussen de gemeenschappen waaruit… waaruit ons land is samengesteld, en die tot dit soort situaties leiden. Op een bepaald moment zal men het beestje bij zijn naam moeten noemen, zonder daarbij in uitschuivers te vervallen die natuurlijk politiek van aard zijn.



Pierre Sennès : Nous recherchons bien évidemment, auprès des issues de la cathédrale et tout autour de la cathédrale, s’il y a eu des traces d’effraction, si quelqu’un aurait pu s’introduire par effraction dans la cathédrale pendant la nuit.
***
Denis Jaquet : Moi je ne peux réagir que comme citoyen. Voilà c’est des signes qui se multiplient, et soit il sont vers des personnes ou des représentants de l'autorité, soit ils sont vers des symboles. Je vous rappelle quand même qu'avec toute cette vague d’attentats ces dernières années à un moment donné pour aller dans une synagogue il fallait être protégé par deux militaires ou deux policiers qui sont devant. Les gens qui veulent prier ou pratiquer leur culte aujourd’hui sont obligés de se retourner deux fois avant d’entrer, et se sentent en sécurité que quand ils ont deux policiers armés et lourdement armés qui sont 24 heures sur 24. On est arrivé là donc on ne peut pas forcément… ou pas aller trop loin mais on ne peut pas éviter…
Patrice Boisfer (Cnews) : Aller trop vite.
…un moment de réflexion sur ces oppositions de plus en plus fortes entre les communautés qui.. qui composent notre pays et qui aboutissent à ce type de situations. Il va falloir appeler à un moment donné un chat un chat sans tomber dans des dérives bien évidemment politiques.

10 juli 2020

Was vroeger alles beter?


In elk geval vond in zijn tijd Stendhal niet alles even goed:

Ik vraag verlof om volgende pijnlijke waarheid voor te leggen, als staal van de treurige dingen die ik niet publiceer: ik heb een vermaard ziekenhuis gezien waar men oude en zieke mensen opneemt voor de rest van hun dagen. Men begint dan met hen de flanellen borstrok die ze lang gewend waren af te nemen, want zegt de econoom, flanel vraagt te veel tijd om het te wassen en te laten drogen. In 1837 had dit ziekenhuis, op negentien gevallen van longziekten, negentien overlijdens. Ziedaar een staaltje dat in Duitsland onmogelijk is.

Je demande la permission de présenter, comme échantillon des choses tristes que je ne publie pas, cette vérité douloureuse: j'ai vu un hôpital célèbre, où l'on reçoit, pour le reste de leurs jours des personnes âgées et malades. On commence par leur ôter le gilet de flanelle auquel elles sont accoutumées depuis longtemps, parce que, dit l'économe, la flanelle est trop longue à laver et à faire sécher. En 1837, sur dix-neuf maladies de poitrine, cet hôpital a eu dix-neuf décès. Voilà un trait impossible en Allemagne.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

8 juli 2020

Geen peis en vree in Frankrijk


Een nieuwe regering vormen is goed en wel, en in Frankrijk gaat dat snel met hun republikeinse monarchie, maar ook daar lijkt nog niet alles koek en ei.

Het grootste syndicaat van de Franse magistratuur, USM (Union syndicale des magistrats) is verontwaardigd over de benoeming als Grootzegelbewaarder (minister van justitie) van de linkse advocaat (soms ook acteur) Éric Dupond-Moretti.

Céline Parisot, voorzitter van dat syndicaat* liet het volgende weten: ‘De benoeming van een figuur die zoveel verdeeldheid zaait, en magistraten in die mate veracht, is een oorlogsverklaring aan de magistratuur.’

Er liggen weer mooie debatten in het verschiet!

__________
* Ik wist niet eens dat magistraten ook syndicaten hadden.

2 juli 2020

Fillon moest hangen


De commentaren en vooral de terzijdes van advocaat Régis de Castelnau bij wat er omgaat in de Franse gerechtelijke wereld zijn vaak grappig.

Zo is er de affaire François Fillon, ex-premier en favoriet bij de laatste presidentsverkiezingen, die uitgeschakeld werd via een in-staat-van-beschuldiging-stelling waarbij verwonderlijk grote haast werd gemaakt. De betaalde job die hij zijn vrouw Penelope had bezorgd werd als fictief bestempeld.

Eliane Houlette, ex-chef van het Nationaal Parket Financiën, verklaarde nu begin juni dat tijdens de kiescampagne het gerecht 'geïnstrumentaliseerd' was door de uitvoerende macht. Dit werd vandaag in alle toonaarden ontkend door Cathérine Champrenault, procureur-generaal van Parijs. Geen sprake van inmenging, op geen enkel moment en nooit!

Goed, intussen is Emmanuel Macron veilig en wel president, maar Castelnau draagt notre ami Macron niet in het hart, en Fillon al evenmin. Wel vindt hij de veroordeling tot vijf jaar cel, waarvan twee jaar effectief, onverteerbaar. Ze dient ter rechtvaardiging van de spoed die men zette tijdens de kiescampagne: la fuite en avant is zijn oordeel. En hij maakt daarbij een grappige opmerking die toch weer enige twijfel zaait:

Het Nationaal Parket Financiën had extreem strenge vorderingen afgeleverd nadat het zich voordien al zeer offensief had getoond, want ter inleiding van zijn vorderingen wees het erop dat onder het ancien regime misbruik van overheidsgeld bestraft werd met ophanging. Dat zorgde voor een bepaalde ambiance.


Le Parquet national financier avait pris des réquisitions extrêmement sévères après avoir eu une attitude très offensive, puisqu’il avait commencé ces réquisitions en rappelant que sous l’ancien régime le détournement de fonds publics était puni de la pendaison. Cela mettait une certaine ambiance.

28 juni 2020

Een weemoedig, prachtig liedje


Leopold II
Jef Elbers


Ik zag nen aave man, 'et s'ôeves langst de strôet
een zwette redingotte, ne lange witten bôed
Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi
Ik ken ni zaine nôem, k'nôem em Leopold II

Ik em ma afgevroegd as ek em zu zag goen
Wôe goet em heine en wôe komt em vandoen
en wôe vui wandelt, om middernacht op strôet,
kuining Leopold II me zaine witten bôed?

En vantaaid blaaift em stoen en schud em me zain huufd
Et es persees of hij nog ni geluuft
da dad echt Brussel es wa dad em rond em zeet
Zain uuge weudde ruud, hij eit te vuil verdreet...

Verdreet ouver zain stad dee afgebrouke weud,
Het es iene chantier en et es e gruut steut,
Wôe da na parkings stoen, dôe spelden em as kind
De nachte weudde kôud en oeile dôet de wind.

Wa da vuiroeitgang es, da kan em ni verstoen
De gôeie joere dei zain allang gedoen
En ouverdag es er te vuil lawaait,
Allien de nacht es nog 'lak in den taait.

Wannier den ochend gloêt, dèn raidt den iesten tram
En dui de stad, lupt er nen aave man
Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi
Ik ken ni zaine nôem, k'nôem em Leopold II



24 juni 2020

Geen Engelse leenwoorden in het Frans!


Met dat woord 'touriste' had Stendhal blijkbaar tegen de muur van deze recensent gepist:*

Artikel uit La Gazette de France
van vrijdag 27 juli 1838.

« MEMOIRES D’UN TOURISTE »,
par l'auteur du Rouge et Noir
Deux volumes in-8°, prix 15 fr.
Chez Ambroise Dupont, rue Vivienne, 7

Elk in zijn eigen huis! elk zijn eigen taal! als men de gruwel kent Fransman te zijn, zoals de korporaal van de karikatuur zegt,** dan moet men zich maar bij Frankrijk houden, en als men daar een wandeling maakt moet men zich wandelaar noemen, reiziger, flaneur, of zo u wil handelsreiziger, ijzerverkoper op tournee als u dat bent.*** Dat is allemaal beter dan een benaming ontlenen aan het Engels, dat bastaardidioom, dat mengsel van ontkracht Duits en verminkt Frans.

Tourist, in die gearrangeerde en bijeengegraaide taal, wil zeggen een reiziger, een individu, vitterig of niet, scepticus of gelovige, royalist of republikein, geestig of dom, mooi of lelijk, in slobkousen of gelaarsd, die voor zijn plezier of voor zaken een rondreis maakt in zijn land of bij de buren, en werkelijk, was het nodig om het Kanaal over te steken om die activiteit uit te drukken? Als men een reis maakt, kan men dat dan niet in goed Frans zeggen?

Ik zou nog gaan geloven dat de anglomanie blijft voortduren... En waarom niet ook? Er zijn tenslotte ook mensen die nog bij Diderot zijn blijven steken, bij M. de Voltaire, bij de koffie met room, bij de charta’s en het constitutionele bewind!

Touriste! onverteerbaar vind ik touriste vooraan in een Frans boek. Dit gezegd zijnde is het met die titel misschien zoals met de buitenissige uithangborden die men kiest om de aandacht van de klant te trekken. Het zij zo, al is het kwalijk bij onze droevige buren op zoek te gaan naar originaliteit. Is er inderdaad een volk dat minder origineel is in zijn kunst, zijn taalgebruik, zijn maatschappijvorm, en met uitzondering van hun met rum geflambeerde plumpudding, Shakespeare en hun boksers, deze drie plompe typeringen van dat buldogvolk, wat hebben ze wel dat van hen persoonlijk is? [...]****
_________

* Félix Vallotton; het onderschrift zegt: Dat zul je wel afleren, varken, tegen mijn muur pissen!
** «Avoir l’honneur d’être Français», werd hier «avoir l’horreur». Die woordspeling valt meen ik niet te behouden. Over welke karikatuur het gaat is onbekend, maar Napoleon zei ooit: «Mais je m'arrête; tant d'horreurs font rougir d'être Français !» Zijn bijnaam was «le petit caporal».
*** Stendhal beschreef zijn reis door Frankrijk, als was hij een ijzerhandelaar. Een zakenreis dus, met talloze terzijdes evenwel.
**** De recensent M.B. gaat nog even door: hier staan bijna vierhonderd woorden vertaald, maar hij schreef er vijfduizend.

21 juni 2020

Waarom altijd die slangen?


Wat Stendhal ook schrijft...  hij schrijft het zo mooi.

Aangezien alle religies, met uitzondering van de ware, die van de lezer, gebaseerd zijn op de angsten van de velen en de handigheid van enkelingen, lag het nogal voor de hand dat gewiekste priesters het serpent uitkozen als embleem van terreur. De slang komt inderdaad al bij de eerste woorden in het verhaal van alle religies voor.
Zij heeft als voordeel de verbeelding te doen verstommen, veel meer dan de arend van Jupiter, het lam van het christendom of de leeuw van Sint Marcus. Voor haar spreekt het zonderlinge van haar vorm, haar schoonheid, het vergif dat ze meedraagt, de fascinatie die zij oproept, haar altijd onverwachte en soms verschrikkelijke verschijning. Om deze redenen heeft de slang bij alle religies intrede gedaan, maar de eer haar Oppergod te zijn kreeg zij van geen enkele.

Toutes les religions, excepté la véritable, celle du lecteur, étant fondées sur la peur du grand nombre et l'adresse de quelques-uns, il est tout simple que des prêtres rusés aient choisi le serpent comme emblème de terreur. Le serpent se trouve en effet dans les premiers mots de l'histoire de toutes les religions.
Il a l'avantage d'étonner l'imagination bien plus que l'aigle de Jupiter, l'agneau du christianisme ou le lion de saint Marc. Il a pour lui l'étrangeté de sa forme, sa beauté, le poison qu'il porte, son pouvoir de fascination, son apparition toujours imprévue et quelquefois terrible; par ces raisons le serpent est entré dans toutes les religions, mais il n'a eu l'honneur d'être le Dieu principal d'aucune.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

16 juni 2020

De korte aandachtsspanne


Stendhal mocht dan wel klagen in 1837, maar je vraagt je af of het vandaag veel beter is.

Toute exposition exacte est horriblement difficile avec les Français actuels. La dose d'attention que les lecteurs accordent à une phrase imprimée a bien diminué depuis que les auteurs ne relisent plus les phrases qu'ils envoient à l'impression.

Met die Fransen van vandaag valt elke exacte uiteenzetting vreselijk moeilijk. De dosis aandacht die lezers geven aan een gedrukte zin is een stuk kleiner geworden sinds de auteurs de zinnen die ze laten drukken niet meer nalezen.

Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

13 juni 2020

Iconoclasten aan het werk


Het is me wat met die standbeelden die overal van hun voetstuk tuimelen, in navolging van wat er in de VS gebeurt. In Engeland willen sommigen Churchill nu weg, en bij ons zelfs Piet Hein (zijn naam is klein, zijn daden benne groot).
Omdat de uitleg van een wat oudere historica, Mona Ozouf misschien iets kan bijbrengen aan jongelui die zich erover beklagen dat ze geen geschiedenisles hebben gehad, vertaal ik een stukje uit een gesprek dat de journaliste Anne-Elisabeth Lemoine met haar had op TV5.
Zij vroeg aan Ozouf of ze onverschillig bleef voor de nogal plotse morele opstoot bij de jonge beeldenstormers:

Mona Ozouf: Nee, onverschillig niet, maar wel met grote reserves. Evengoed als ik er alle begrip voor heb als een volk dat door een afschuwelijke periode van despotisme is gegaan het standbeeld van een folteraar van zijn sokkel haalt – dat kan ik best begrijpen – ben ik er integendeel niet helemaal van overtuigd dat het een bijzonder gelukkig idee is om onze publieke ruimte van haar oude standbeelden te ontdoen. Ten eerste omdat voor mijn part ik niet graag zou leven in een land waar de straten geen namen hebben maar enkel nummers. Ik geloof dat men er zich vaak onvoldoende rekenschap van geeft, welke historische diepgang een volk meekrijgt van het enkele feit te wandelen tussen standbeelden en door straten die namen dragen. Problematisch is overigens dat als men ons verleden absoluut wil uitzuiveren, en dus alleen nog volmaakt vlekkeloze figuren op onze pleinen wil overhouden, er een enorme verhuis zal plaatshebben. En daartegen ben ik gekant, ik ben ertegen gekant dat wij een volk zouden worden zonder beelden, zonder standbeelden enzovoort. Verdienen die standbeelden dan… natuurlijk houdt het plaatsen van een standbeeld op een bepaalde plek een viering in, het is ook een hommage. Maar die hommage kan, hoe zou ik het zeggen, gemotiveerd worden, gecorrigeerd worden, kan betwist worden.
Het voorbeeld dat men mij altijd geeft is natuurlijk dat van mijn dierbare Jules Ferry, aan wie wij niet alleen de gratis en verplichte lagere school, de lekenschool te danken hebben, maar ook alle vrijheden waar we nu mee leven. Want voor de luttele zes jaren dat hij aan de macht was, zijn we hem de persvrijheid verschuldigd, de ochtendkrant, wat voor krant we ook kopen, de syndicale vrijheid, de verkiezing van de burgemeesters, een kapitaal punt in het Franse leven. Dat alles zijn wij hem verschuldigd en we profiteren er nog van.
Maar, zegt men ons, hij was een kolonisator. Inderdaad hij was zonder omwegen een kolonisator, maar hij was geen kolonialist. Deze kolonisator waar men vandaag zo sterk mee afrekent, is iemand die overal in Algerije scholen heeft opgericht, scholen die hij met een koosnaampje ‘mijn dochters’ noemde, die scholen van Algerije. Het is iemand die, toen hij een lesopvraging door een schooljuf bijwoonde van een kleine Mohammed, en zij had natuurlijk haar beste leerling naar voren geroepen voor die gezagsdragers, Jules Ferry, de inspecteur van de academie, en zij vroeg hem: ‘Mohammed, kun je aan deze heren zeggen wat Frankrijk is?’ En Mohammed antwoordt: ‘Dat is onze moeder, mijnheer.’ En Jules Ferry noteert in zijn zakagenda: ‘Arm papegaaitje, zeg liever onze stiefmoeder.’ Tot zover die kolonialist.
Met de aantekeningen van Ferry, oordeelkundig uitgeknipt, zou men een magnifiek antikolonialistisch pamflet kunnen maken. Overigens, als voornaamste vijanden had hij toch de kolonisten die zich verzetten tegen scholen voor de kleine moslims, tegen de scholen waar Jules Ferry onderricht in de Arabische cultuur en geschiedenis wilde invoeren.
Ziet u, mensen zijn wat ingewikkelder. We moeten die ingewikkeldheid in ons bestaan proberen in te passen.
Anne-Elisabeth Lemoine : Ingewikkeldheid of complexiteit?
Ozouf: Beide.
Lemoine : Beide?
Ozouf: Beide, want onverhoeds worden ze oppervlakkig en binair. En wat ons wacht aan het eind van die brutalisering is, zo vrees ik, een autoritair regime. Dus moeten we de complexiteit accepteren. Dus ben ik voor commentaren en rectificaties. Dat men rectificaties op gedenkplaatjes zet en commentaar levert. Daar ben ik allemaal voor, maar niet voor het verhuizen van de beelden die onze steden bevolken.




Mona Ozouf: Non, pas indifférente, très réservée quand même. Autant je comprends parfaitement le déboulonnement de la statue d’un tortionnaire par un peuple qui vient de vivre une période affreuse de despotisme, je comprends ça très bien. En revanche je ne suis pas absolument sûre que démeubler notre espace des statues anciennes soit une très bonne idée. D’abord parce que je n’aimerais pas du tout pour ma part vivre dans un pays où les rues n’ont pas de noms, et simplement des numéros. Je crois qu’on ne se rend pas compte assez souvent de la profondeur historique que donne à un peuple le fait de se promener à travers des statues et dans des rues qui portent des noms. Et par ailleurs, le problème c’est que s’il faut absolument purifier tout notre passé, c’est-à-dire ne garder sur nos places que des êtres absolument parfaits, il va y avoir quand même un déménagement considérable. Et je suis hostile à cela, je suis hostile au fait que nous devenions un peuple sans images, sans statues et cætera. Alors ces statues méritent-elles… évidemment il y a un célébration dans le fait de poser une statue dans un endroit, il y a aussi un hommage. Mais l’hommage peut être, comment dire, justifié, il peut être corrigé, il peut être contesté. L’exemple qui m’est constamment proposé, c’est bien entendu l’exemple de mon cher Jules Ferry, à qui on doit non seulement l’école primaire gratuite et obligatoire, et laïque, mais auquel nous devons toutes les libertés sur lesquelles nous vivons. Parce que dans les six petites années où il a exercé le pouvoir, ce que lui devons c’est la liberté de la presse, c’est le journal du matin quelqu’il soit que nous achetons, c’est la liberté syndicale, c’est l’élection des maires, point capital de la vie française. Nous lui devons tout ça, nous vivons encore là-dessus. Alors, il a été nous dit-on un colonisateur. Il a été en effet un colonisateur sans état d’âme, il n’a pas été un colonialiste. Ce colonisateur maintenant pourfendu est quelqu’un qui a fait des écoles partout en Algérie, des écoles qu’il appelait tendrement ‘mes filles’, les écoles d’Algérie. C’est quelqu’un qui, assistant à une interrogation d’un petit Mohammed par une maîtresse qui avait fait venir évidemment son meilleur élève, et qui demande au meilleur élève devant les autorités, Jules Ferry, l’inspecteur d’académie : « Mohammed, peux-tu dire à ces messieurs ce que c’est que la France ? » Et Mohammed répond: « Monsieur, c’est notre mère. » Et Jules Ferry note dans son carnet : « Pauvre petit perroquet, dis plutôt notre marâtre. » Voilà le colonialiste. Avec les xxx de Ferry, judicieusement découpés, on peut faire un magnifique pamphlet anticolonialiste, d’ailleurs il a comme ennemis principaux les colons, arc-boutés contre les écoles aux petits musulmans, et aux écoles où Jules Ferry veut introduire l’enseignement de la culture et de l’histoire arabes. Voilà, les gens sont plus compliqués. Il faut essayer de mettre de la complication dans nos existences.
Anne-Elisabeth Lemoine : De la complication ou de la complexité ?
Ozouf: Les deux.
Lemoine : Les deux ?
Ozouf: Les deux, parce qu’elles deviennent brutalement sommaires et binaires. Et que ce qui nous attend à la sortie de cette brutalisation, j’ai peur que ce soit un régime d’autorité. Donc il faut compliquer. Donc je suis pour qu’on commente, qu’on rectifie, qu’on rectifie des plaques, qu’on écrive un commentaire. Je suis pour tout ça, mais pas pour le déménagement des images qui peuplent nos villes.

6 juni 2020

Weten wat dineren is


Ik ken maar één ding dat men zeer goed doet in Lyon: men eet er verrukkelijk, en volgens mij beter dan in Parijs. Vooral de groenten worden er goddelijk klaargemaakt. In Londen teelt men, heb ik vernomen, tweeëntwintig soorten aardappelen: in Lyon heb ik tweeëntwintig verschillende manieren gezien om ze klaar te maken, en minstens twaalf van die manieren zijn in Parijs onbekend.
Bij een van mijn reizen heeft de heer Robert van Milaan, handelaar, oud-officier, geestige man met een groot hart, het recht op mijn eeuwige erkentelijkheid verworven door me voor te stellen aan een gezelschap van lui die weten wat dineren is.
Deze heren, tien of twaalf in getal zetten elkaar vier keer per week een diner voor, elk om beurt. Wie een diner miste betaalde een boete van twaalf flessen Bourgognewijn. Deze heren hadden kokkinnen, geen koks. Bij de diners geen felle politiek, geen literatuur, geen enkele poging om geestig te doen; de enige kwestie was lekker eten. Was een gerecht excellent, dan onderhield men een religieuze stilte terwijl men ermee bezig was.
Overigens werd elke schotel streng beoordeeld, en zonder enige inschikkelijkheid voor de heer des huizes. Bij grote gelegenheden liet men de kokkin komen om de complimenten in ontvangst te nemen, die vaak niet unaniem waren. Ik heb, ontroerend schouwspel, een van die meisjes, een dikke Maritornes* van veertig, van vreugde zien wenen ter gelegenheid van een eend met olijven; wees maar zeker dat wij in Parijs alleen de kopie van dat gerecht kennen.
Zo’n diner waar alles perfect moet zijn, is geen kleinigheidje voor diegene die het geeft; twee dagen vooraf moet je al in de weer zijn, maar niets kan dan ook een idee geven van een dergelijke maaltijd. Deze heren, voor het merendeel rijke handelaars, doen makkelijk een uitstap van tachtig mijl om ter plekke die of die befaamde wijn aan te kopen. Ik heb de namen geleerd van dertig soorten Bourgognewijn, die aristocratische wijn par excellence, zoals de schitterende Jacquemont** zei.
Wat er zo prachtig is aan die diners, is dat men een uur daarna een even frisse kop heeft als ’s ochtends na het drinken van een kop chocola.
Lyon heeft vis in overvloed, alle soorten wild, en Bourgognewijnen; zoals overal kan men er met geld excellente Bordeauxwijn kopen; en ten slotte bezit Lyon groenten die waarlijk alleen de naam gemeen hebben met de smakeloze gewassen die men ons in Parijs durft te serveren.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.189
______________



* Don Quichot, hoofdstuk XVI.

** Victor Jacquemont (1801-1832), botanicus en ontdekkingsreiziger. Hij was bevriend met Prosper Mérimée en Stendhal (die hem zijn werk liet lezen voor het in druk ging).

5 juni 2020

Minder consumeren alstublieft


De Franse advocaat Régis de Castelnau geeft vaak interessante beschouwingen bij vonnissen of arresten die in de schijnwerper staan, of bij politieke beslissingen de notre ami Macron. Hij komt altijd goed uit zijn woorden, dat spreekt, maar het grappigst vind ik hem als hij zijn juridische terrein even verlaat voor een algemene beschouwing.
Hier spreekt hij streng een mooi actricetje toe, en als voormalig advocaat van de Franse Communistische Partij vergeet hij niet de kleine man in bescherming te nemen tegen halfgaar bobogebazel:


Voor diegenen die zoals u weet een mooie petitie hebben opgesteld, de Cotillards en anderen die vanuit hun stinkend rijke residenties aan de kleine man komen zeggen dat hij absoluut minder moet consumeren want anders wordt het een catastrofe enzovoort enzovoort: hoe minder we jullie horen hoe beter het zal zijn.
Werkelijk, ik denk dat het toch een kleine vooruitgang zou zijn als jullie ermee ophielden jullie op zo'n manier te gedragen.



À ceux qui vous savez ont fait une belle pétition-là, les Cotillard et autres qui de leurs résidences richissimes viennent dire que …au petit peuple qu’il faut absolument qu’il consomme moins, que sinon c’est la catastrophe etcetera etcetera : moins on vous entend mieux ce sera.
Franchement je pense que ce serait quand même un petit progrès si vous arrêtiez de vous comporter de cette façon-là.

30 mei 2020

Het biechtgeheim


Biechten en het bijbehorende biechtgeheim zijn al een tijd uit het beschaafde leven verdwenen: er worden geloof ik zelfs geen romans meer geschreven rond dit thema.
Vele geheimen lijken vandaag weg te vallen, zelfs het medisch geheim komt onder druk met dingen als contact tracing, apps enzovoort. En zoals we allemaal weten kennen na enige tijd Facebook en Twitter ons beter dan wij onszelf, en dat vinden wij niet erg.

Ook wie boeken koopt bij Amazon en dergelijke verraadt hen na verloop heel wat, en zo kunnen die firma's suggesties doen voor weer volgende aankopen.
Bepaalde boeken afraden op basis van wat zij weten doet Amazon niet, al is boeken afraden juist een goede verkooptechniek, dat kan elke schooljongen je vertellen. Misschien zijn hun algoritmes nog niet zover.

Hier vertelt Stendhal over een boekhandelaar die dat wél deed.

Lyon, 16 mei 1837
Mijn zaken riepen mij vaak naar Lyon; zodra ik die stad betreed voel ik de lust om te geeuwen en hebben de mooiste dingen geen effect meer op mij. […]*
Op zekere dag, ik was nog jong, had ik een leeg uurtje voor me, en door apathie overmand stapte ik bij een boekhandelaar naar binnen om een boek te kopen. Ik was zodanig suf dat ik niet wist wat gevraagd. Lukraak noemde ik ten slotte Jacques le Fataliste, of de romans van Voltaire. De boekhandelaar ging een stap achteruit, nam een lijkbiddersgezicht aan en gaf me een preek over de immoraliteit van de werken die ik hem noemde. Tot besluit suggereerde hij me Spectacle de la nature van de abbé Pluche te kopen.
Eerst was ik geïrriteerd door de onbeschaamdheid van deze adviseur. Maar bij zijn preek had hij zo’n wezenloos lomp air,** en deed hij zo gewichtig dat hij me op den duur amuseerde. Ik wilde eens nagaan of het bij hem niet puur om handelsinstinct ging; misschien had hij in zijn winkel Pluche staan en niet de romans van Voltaire?
Die had hij wel degelijk, de etter! maar omdat hij vond dat ik er jong uitzag wilde hij ze me absoluut niet verkopen. ‘s Avonds vertelde ik dat verhaal aan mijn neef G…; hij liep rood aan en hield vol dat ik overdreef; in één woord de stedelijke eer was aangetast; de hele avond zei hij geen woord meer tegen mij.

Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.142
__________
* Positieve omschrijvingen van Franse steden kun je beter niet bij Stendhal zoeken. Op zijn grafsteen in Montmartre staat gebeiteld ‘Stendhal, Milanese’, zijn lievelingsstad.
** De tekst zegt un air si canut, si hébété. Daar is wat filologisch geharrewar over. De canuts zijn vanzelfsprekend de zijdebewerkers van Lyon, maar in de omgeving van de stad sloeg de benaming met een pejoratieve bijklank op alle Lyonezen. Stendhal gebruikt de term in die zin.

24 mei 2020

Bij het drinken van een glas Bourgogne



Mémoires d’un Touriste
Stendhal

À la sortie de Dijon, je regarde de tous mes yeux cette fameuse Côte-d'Or si célèbre en Europe. Il faut se rappeler le vers :
Les personnes d'esprit sont-elles jamais laides?
Sans ses vins admirables, je trouverais que rien au monde n'est plus laid que cette fameuse Côte-d'Or. Suivant le système de M. Élie de Beaumont, c'est une des premières chaînes sorties de notre globe, lorsque la croûte commença à se refroidir.
La Côte-d’Or n'est donc qu’une petite montagne bien sèche et bien laide; mais on distingue les vignes avec leurs petits piquets, et à chaque instant on trouve un nom immortel : Chambertin, le Clos-Vougeot, Romanée, Saint-Georges, Nuits. À l'aide de tant de gloire, op finit par s'accoutumer à la Côte-d'Or.
Le général Bisson, étant colonel, allait à l'armée du Rhin avec son régiment. Passant devant le Clos-Vougeot, il fait faire halte, commande à gauche en bataille, et fait rendre les honneurs militaires.
Comme mon compagnon de voyage me contait cette anecdote honorable, je vois un enclos carré d'environ quatre cents arpents, doucement incliné au midi et clos de murs. Nous arrivons à une porte en bois sur laquelle on lit en gros caractères fort laids : Clos-Vougeot. Ce nom a été fourni par la Vouge, ruisseau qui coule à quelque distance. Ce clos immortel, acquis dernièrement de MM. Tourion et Ravel par M. Aguado, appartenait autrefois aux religieux de l'abbaye de Cîteaux. Les bons pères ne vendaient pas leur vin, ils faisaient des cadeaux de ce qu'ils ne consommaient pas. Donc, aucune ruse de marchand.
Ce soir, à Beaune, j'ai eu l'honneur d'assister à une longue discussion : Faut-il vendanger le Clos-Vougeot par bandes transversales et parallèles à la route, ou par bandes verticales allant de la route au sommet du coteau? On a goûté des vins de 1832 produits d’un de ces systèmes, et des vins de 1834, je crois, donnés par le système opposé.
Chaque année a sa physionomie particulière ou plutôt des physionomies successives; le vin de 1830, par exemple, peut être inférieur au vin de 1829 à l'âge de trois ans, c'est-à-dire goûté en 1833, et lui être supérieur en 1836, lorsqu'il est parvenu à sa sixième année.
À la fin de la séance, qui a duré plus de deux heures, je commençais réellement à entrevoir les différences de certaines qualités. Tout le monde connaît le vin de la comète, qui annonça la chute de Napoléon en 1811 ; il y a ainsi tous les cinq ou six ans une année supérieure.
En général, les vins de ce pays se boivent en Belgique. Le propriétaire du Clos-Vougeot peut tromper ses chalands; il n'aurait qu'à faire répandre sur sa vigne du fumier de cheval, elle produirait beaucoup plus, mais le vin serait d’une qualité inférieure.
Une bouteille du Clos-Vougeot, qui se vend dix francs à Paris chez les restaurateurs, ne se vend pas, mais s'obtient sur les lieux, par insigne faveur, au prix de quinze francs. Mais, il faut l'avouer, rien ne lui est comparable. Ce vin n'est pas fort agréable la première et souvent la seconde année; aussi les propriétaires ont-ils toujours une réserve de cent mille bouteilles.
La poésie, avec ses exagérations aimables, s'est emparée de ce sujet si cher aux Bourguignons; et ce soir, dans son enthousiasme, mon correspondant de Beaune m'a promis de me faire boire une bouteille de vin du Clos-Vougeot provenant encore de l'abbaye de Cîteaux. Mais comment croire à cette vénérable antiquité, si après douze ou quinze ans ce vin commence à perdre ?
Du temps des moines, fins connaisseurs et qui ne vendaient pas, le clos produisait moins et le vin valait mieux ; mais de nos jours comment résister à la tentation de fumer un peu une vigne dont chaque bouteille se vend quinze francs? Il est bien exact qu'on donne aux vendangeurs d'excellents dîners et surtout des mets auxquels ils ne sont pas accoutumés, afin de leur ôter l'idée de manger du raisin.
Les vins de Nuits sont devenus célèbres depuis la maladie de Louis XIV, en 1680; les médecins ordonnèrent au roi le vieux vin de Nuits pour rétablir ses forces. Cette ordonnance de Fagon a créé la petite ville de Nuits.
J'apprends que, exactement parlant, la Côte-d'Or finit à Vosne. Les aimables vins de ce pays ont un mérite nouveau depuis 1830 : à table, les Bourguignons ne parlent que de leurs mérites comparatifs, de leurs défauts et de leurs qualités, et l'ennuyeuse politique, si impolie en province, est tout à fait laissée de côté.
Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.120-3

15 mei 2020

Over papiersnippers en toeristen


Ik vermoed dat elke Vlaming al eens een pakje uit China toegezonden kreeg, en wat daarbij opvalt is dat de bestelde waar altijd zo goed ingeduffeld is. Je hebt iets heel kleins besteld, maar dat maakt niet uit: het afgeleverde pak is groot. Er zitten luchtballonnetjes bij, of piepschuim of verfrommeld papier. Zo komen de waren zonder kreuken aan bij de klant, en die is altijd blijer met een groot pak dan met een kleintje weten de Chinezen.

Ik meen dat zij hiervoor hun inspiratie bij Stendhal hebben gehaald.
Stendhal, toen Parijzenaar, scheef een prachtig reisverslag (Mémoires d’un touriste, 1838)* van een tocht door Frankrijk, door la province dus, en hij was het die op dat idee is gekomen:

Ik geef het op; wat voor stijl ik gebruik, wat voor treffende wending ik ook mag bedenken, nooit zal ik een idee kunnen geven van de armoede van de plattelandsconversatie en van de talloze pietluttigheden die zelfs voor de meest galante provinciaal het leven zijn. Je weigert te geloven dat redelijke schepselen zich vol interesse bezighouden met dergelijke dingen; maar op een dag zie je de hele diepte van de verveling in de provincie, en op slag begrijp je alles.

Een geestige vrouw die ik ken gaat van Nevers naar Orléans, een van haar reiskoffers zit maar halfvol; ze vreest dat het linnengoed dat ze erin geschikt heeft door het schokken verknoeid raakt. Ik doe de lumineuze suggestie papiersnippers te laten halen bij de inpakker om de hoek.

– 'Ho maar', zegt de echtgenoot me, 'dan maken ze ons belachelijk in Orléans. Wat krijgen we nu, zullen ze zeggen, die hebben niet uitgerekend hoeveel koffers ze nodig hadden voor wat ze wilden vervoeren, en voilà, ze brengen ons hier papiersnippers in Orléans!'
_________
* Het woord ‘touriste’ (tourist, Engels) was toen nog geen geaccepteerd Frans. Prosper Mérimée, een vriend van Stendhal, had het wel al eens gebruikt in een brief, maar met de titel van dit werk verleende Stendhal het bestaansrecht.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html