16 september 2018

Heinrich Heine over moderne muziek


Heine kende alle beroemdheden die van 1830 tot 1856 in Parijs rondliepen of de stad bezochten. Ik noem er enkelen: Chopin, Berlioz, Liszt, Mendelssohn, Bellini, Rossini, Alexandre Dumas, Théophile Gautier, Jules Michelet, George Sand, Adolphe Thiers, Lafayette, Alexander von Humboldt.
In zijn geschriften en brieven komen er nog veel meer voor. Een naam die ontbreekt is die van Giuseppe Verdi (1813-1901). Misschien heeft Heine hem nooit ontmoet, al was hij een frequente bezoeker van de Opera, tenminste tot 1848, toen de ziekte hem overviel die hem acht jaar later zou doden in zijn vreselijke ‘matrassengraf’. Heine was ook een groot liefhebber van de moderne Italiaanse muziek, getuige daarvan wat hij schreef over Rossini (1792-1868):

Diegenen die de Italiaanse muziek minachten, en de staf breken over het genre, zullen ooit hun welverdiende straf in de hel niet ontlopen, en wellicht worden zij gedoemd om de lange eeuwigheid lang niets anders te horen dan fuga’s van Sebastian Bach. Ik heb medelijden met zovelen van mijn collega’s, Rellstab bijvoorbeeld, die aan deze verdoemenis ook niet zal ontkomen als hij zich niet voor zijn dood tot Rossini bekeert. Rossini, divino Maestro, Helios van Italië, die uw klankenstralen over de wereld uitspreidt! vergeef mijn arme landgenoten die u op schrijfpapier en vloeipapier belasteren! Mij verheugen uw gouden klanken, uw melodische schittering, uw fonkelende vlinderdromen die mij zo lieflijk omfladderen en mijn hart kussen als met de lippen der Gratiën. Divino Maestro, vergeef mijn arme landgenoten die uw diepte niet zien omdat u ze met rozen bedekt, en voor wie u niet zwaarwichtig beredeneerd en grondig genoeg bent, omdat u zo luchtig fladdert op uw godswonderlijke vleugels! – Want waarlijk, om de hedendaagse Italiaanse muziek lief te hebben, en door die liefde ze te verstaan, moet men het volk zelf voor ogen houden, zijn hemel, zijn karakter, zijn gelaatstrekken, zijn pijn, zijn vreugde, kortom zijn ganse geschiedenis, van Romulus die het Heilig Roomse Rijk heeft gesticht, tot in de jongste tijd waarin het te gronde ging onder Romulus Augustulus II. Het arme, geknechte Italië is het woord immers ontzegd, en alleen in de muziek kan het zijn hartstochten uiten. Al zijn wrok tegen de vreemde heerschappij, zijn geestdrift voor de vrijheid, het gekmakende gevoel van onmacht, de weemoed bij de herinnering aan voorbije grootheid, en daarbij zijn stille hoop, zijn spieden, zijn snakken naar hulp, dat alles zit verborgen in die melodieën die van een groteske, vitale roes wegglijden naar elegische tederheid, en in de pantomimes die van liefkozende strelingen overslaan in dreigende, verbeten woede.


Nu vind ik dat die tekst goed, of misschien nog beter zou passen bij Verdi, die in een vroege (1842) opera van hem, Nabucco (met het beroemde Slavenkoor), dezelfde vrijheidsgedachte uitdrukte. Het Bijbelse thema was de bevrijding van de joden uit de Babylonische slavernij, maar het Italiaanse publiek zag er meteen zijn eigen onderdrukking door de Oostenrijkers in. De naam ‘Verdi’ werd zelfs een soort strijdkreet voor nationale soevereiniteit. Misschien heeft Heine nooit Nabucco gezien, maar de bedekt-nationalistische strekking ervan zou hem als internationalist misschien ook minder goed bevallen zijn.




8 september 2018

Wangedrag op de openbare weg is territoriumverovering


Ik vertaal dit artikel maar, en hoop dat het magazine Causeur en de auteur zelf, Aurélien Marq (ingenieur belast met vraagstukken van de Franse binnenlandse veiligheid) dit niet kwalijk zullen nemen en het integendeel als een vorm van reclame voor Causeur zullen beschouwen. Overigens gaat dit artikel  in de eerste plaats over journalistiek.

Het gaat om moslimhuwelijken binnen bepaalde gemeenschappen,
en Le Figaro heeft dat met (bijna) zoveel woorden gezegd.
Om te ontsnappen aan heksenprocessen 
 zwemen bepaalde media naar autocensuur

Aurélien Marq - 7 september 2018

Is het zo moeilijk om die aparte moslimhuwelijken ook bij hun naam te noemen? Le Figaro houdt zich gedeisd en grijpt, om aan heksenprocessen te ontsnappen liever naar understatements.
Voor enkele dagen heeft Le Figaro een bijzonder interessant artikel gewijd aan de maatregelen die het gemeentebestuur van Nice heeft genomen om het hoofd te bieden aan allerlei uitspattingen bij bepaalde huwelijken. Er is sprake van rodeo’s op twee wielen, rijden op de trottoirs, geblokkeerde wegen, agressie en beledigingen tegen de ordemacht bij eventuele controles, gevaarlijk gedrag in het algemeen, en zelfs van ‘schoten om aan de vreugde uitdrukking te geven.’

De piste van de youyous*
Wel verduiveld! ‘Sinds wanneer zijn er bij huwelijksfeesten zulke uitspattingen?’ vraagt de nieuwsgierige lezer. En waarom? Is dat bij alle huwelijken? Mysterie.
Een paar aanwijzingen toch, Le Figaro spreekt van ‘youyous’,* ‘vreemde vlaggen’, ‘folkloristische muziek’, en preciseert dat een socialistische verkozene de ‘stigmatisering’ heeft aangeklaagd. Het spoor wordt duidelijker!
Je kunt toch evengoed met zoveel woorden zeggen wat iedereen al lang begrepen heeft?
In de officiële vergaderingen van de prefecturen en gemeentehuizen krijgen dergelijke ‘risicovolle’ huwelijken de benaming ‘communautaire huwelijken’, en die term duidt vanzelfsprekend niet de boeddhistische gemeenschap aan, maar mensen die voortkomen uit de immigratie vanuit landen met een moslimcultuur.
U zult mij de omslachtigheid van mijn woorden moeten vergeven, maar die term ‘communautaire huwelijken’ is hypocriet, en ‘moslimhuwelijken’ komt niet overeen met de waargenomen feiten, al was het maar omdat ze zich voordoen op het moment van de burgerlijke plechtigheid, en niet in het kader van eventuele religieuzere inzegeningen.
Het verkeer blokkeren heeft niets traditioneels
Het spreekt dat niet alle huwelijken van koppels met een moslimcultuur aanleiding geven tot de genoemde inbreuken, bijlange niet. Nochtans, enkele bijzonder schaarse uitzonderingen daargelaten, komen die uitspattingen uitsluitend voor bij huwelijken van koppels voortkomend uit de cultureel mohammedaanse immigratie. Welke besluiten men daar ook uit trekt, het zou oneerlijk en absurd zijn een analyse van dit fenomeen te willen te maken, zonder een zo kenmerkende factor in aanmerking te nemen.
Bovendien, al kan men bepaalde praktijken nog beschouwen als eerder klassieke feestelementen (muziek, dans, claxons), in het anarchistische blokkeren van het verkeer zit maar weinig traditioneels, of in het nemen van ronde punten tegen de richting in, of in het rijden op trottoirs en daar de voetgangers uitschelden! Als men daar een culturele dimensie in wil zien, dan gaat het om de ‘cultuur van de banlieues’ (mocht men daarbij van cultuur kunnen spreken, maar dat debat laat ik aan de etnologen), en vast niet van de Maghrebijnse of Turkse culturen.
De stad Nice pakte dat goed aan
Wat mij betreft zie ik in die terugkerende uitspattingen die altijd op de openbare weg plaatshebben vooral machtsdemonstratie. Het is een manier om territorium te veroveren en om de ordediensten te pesten, en de rest van de bevolking, eerst en vooral de autochtonen, maar ook al die immigranten die een rustig bestaan wensen en zich gegijzeld zien door een zogenaamde ‘gemeenschap’.
Zo beschouwd mag men zich verheugen over het effect van de beslissingen van de burgemeester van Nice, waar andere gemeenten wijselijk een voorbeeld aan namen, en over de recente evolutie met wettelijke bepalingen in dezelfde richting, die de gemotoriseerde rodeo’s op de openbare weg willen bestraffen.
Autocensuur, ik schrijf uw naam**
Waarom heeft Le Figaro de zaken niet duidelijker gezegd? Dat bij een dergelijk onderwerp Le MondeL’Obs of Libé stilzwijgend voorbijgaan aan een werkelijkheid die niet in strookt met hun dogmatische opvattingen zal niemand verrassen, maar in dit geval kan men Le Figaro er toch moeilijk van verdenken dat hij dezelfde ideologie verdedigt! Temeer daar de redacteur van het artikel toch de moeite heeft genomen om er enkele aanwijzingen in te schuiven die helemaal ondubbelzinnig waren, en nog eens feitelijk ook... Waarom dan?
Graag zou ik er een beroep op het gezonde verstand van de lezer in willen zien, met een knipoog. Helaas, ik meen dat de bedoeling eerder was ‘het te zeggen zonder het gezegd te hebben terwijl men het toch zei, zonder dat men iemand kon verwijten het gezegd te hebben’. Duidelijk gezegd: een techniek die typisch is voor kranten die met censuur te maken hebben. Ach, natuurlijk gaat het hier niet over de activiteit van een of ander propagandabureau, of minstens nog niet. De censuur van vandaag mag dan arglistiger zijn, dat maakt haar niet minder gevaarlijk!
Angst om te stigmatiseren
Dat is de angst geconfronteerd te worden met beschuldigingen van islamofobie, xenofobie, racisme, begrippen die men overigens vaak met gemak in elkaar laat overlopen, en zware beschuldigingen als ze gefundeerd zijn, maar die meestal te pas en te onpas gebruikt worden om iemand elke rationele analyse te beletten van de islam, van migratiestromen of gettovorming.
Het is de angst om te choqueren, soms cynischer ook om geen publiek kwijt te spelen, soms gewoonweg om iemand voor de borst te stoten, maar die houding geeft enkel een premie aan de meest gevoeligen, terwijl zij het juist zijn waar men het minst rekening mee zou moeten houden.
Misschien is het ook de oprechte angst te stigmatiseren, de angst dus om onterechte veralgemeningen aan te moedigen, wat verontrustend is want dat veronderstelt de idee dat lezers niet in staat zullen zijn om voor henzelf de meest elementaire onderscheiden te maken. Echter, elke houding die uitgaat van het vooroordeel dat ‘de mensen’ niet over dat eenvoudige onderscheidingsvermogen beschikken, komt onvermijdelijk tot de slotsom dat ze niet over belangrijke onderwerpen kunnen oordelen als ze aan zichzelf overgelaten worden, wat neerkomt op verwerping van de democratie.
In 2018 de waarheid voorbij?
In ieder geval wordt de waarheid opgeofferd. Nochtans, wat ook onze filosofische, politieke, ethische of zelfs religieuze overtuigingen mogen zijn, het lost niets op de waarheid weigeren te zien, en dan zijn we veroordeeld tot gevechten tegen illusies, en tot machteloosheid ten overstaan van de problemen waarmee we geconfronteerd worden.
Ongelukkig genoeg komt de eenvoudige vastelling hierop neer dat in 2018 de oudste krant van Frankrijk zich verplicht voelt zijn toevlucht te nemen tot allusies en omzichtige bewoordingen omdat hij zaken niet meer duidelijk durft te benoemen, al zijn die perfect feitelijk en controleerbaar. Laten we uitkijken!
Als wij afzien van onze vrijheid van spreken, dan zullen we die kwijtspelen. Als wij niet laten zien dat we bereid zijn haar te verdedigen, dan zal ze ons worden ontnomen.
________________
* de youyou is een collectieve, schrille, yodelachtige kreet van meestal Noord-Afrikaanse vrouwen bij feestelijkheden zoals huwelijken, maar volgens sommigen, zoals Chadortt Djavann, tegelijk ook een kreet van wanhoop over hun rechteloze situatie.
** Verwijst naar Liberté (j’écris ton nom), een gedicht van Paul Éluard van 1941.

4 september 2018

Verdammt nochmal!


Deze Saksische vrouw geeft twee journalistes ervan langs. Of die daaruit iets zullen leren valt natuurlijk te betwijfelen. Mijn transcriptie anderzijds is ongetwijfeld voor verbetering vatbaar.

Ik sta nu bij de AfD [laat ze dat maar hardop zeggen (?)].
En die vragen waar het midden is? Het midden, dat zijn de heel normale mensen van voorheen, die vroeger CDU of SPD stemden en die vandaag bij de AfD zijn. Dát is het midden, dat kan ik u wel vertellen. Ik ben hier betrokken , ik heb kinderen, ik heb kleinkinderen. En ik maak me zorgen. Verdomd zeg! Wij zijn hier niet omdat we rechts zijn, wij zijn hier niet omdat we nazi’s zijn. […] omdat jullie allemaal eender zijn, echt waar...
Kijk dan eens rond!
...zoals u dat doet, en zoals alle anderen het doen, welke krant ik ook opensla of welke zender ik ook opzet: ik word gebombardeerd met nazi’s, met rechtsen, met rechtsradicalen. Verdomd zeg! Wij zijn heel normale burgers.
Wij willen niet dat onze kinderen op school naast volwassen mannen met baarden zitten, van wie wij zelden weten waar ze vandaan komen. Wij kennen hun leeftijd niet, wij weten niet of ze geen criminelen zijn, of terroristen zijn. Dat zijn de zorgen die wij ons maken, heel gewone mensen die vroeger CDU of SPD stemden.



Ich stehe heute bei der AfD, […] Und die fragen wo die Mitte ist! Die Mitte sind die ganz normalen Leute von früher, die früher CDU oder SPD gewählt haben, die heute bei der AfD sind. Das ist die Mitte, das sage ich Ihnen jetzt. Ich bin auch gefasst, ich habe Kinder, ich habe Enkel. Ich mache mir Gedanken. Verdammt nochmal. Wir sind hier nicht weil wir Rechte sind, wir sind hier nicht weil wir Nazis sind. […] das ist mir ganz egal, weil Sie alle gleich sind, wirklich...
Gucken Sie doch einmal!
…wenn Sie das tun, wenn Sie das alle tun, egal welche Zeitung ich aufmache, egal welchen Sender ich anmache, ich werde vollgebombt mit Nazi, mit Rechten, mit Rechtsradikalen. Verdammt nochmal, wir sind ganz normale Bürger.
Wir wollen nicht, dass unsere Kinder in der Schule neben erwachsenen Männern mit Bärten sitzen, von denen wir selten wissen wo die herkommen. Wir wissen nicht ihr Alter, wir wissen nicht ob sie kriminell sind, oder Terroristen sind. Und diese Gedanken machen wir uns, ganz normale Leute die früher CDU oder SPD gewählt haben.

3 september 2018

Dan kún je dat ook niet weten!


Toneelstukken bijwonen doe ik nooit, of ik moet er zedelijk toe verplicht worden, maar soms overkomt het me dat ik een toneelstuk lees, liefst als het berijmd is. Nu las ik onlangs “Lijden door Verstand”, dat Alexandr Gribojedov bijna twee eeuwen geleden schreef, en dat in Rusland nog steeds opgevoerd wordt. Het is tragikomisch.
In de vijfde scene van het tweede bedrijf vraagt de hoge ambtenaar Pável Afanásiëtvitsj Fámoesov aan kolonel Sergéj Sergéjevitsj Skalozoéb of een bepaalde vrouw, Natásia Nikolájevna, een dichte verwante van hem is. De kolonel antwoordt  gereserveerd: “Dat weet ik niet, pardon: wij waren nooit in dienst tezamen.”

Lijden door Verstand, vertaald door Michel Lambrecht, mooi geïllustreerd door Vladimir Nenasjev, en met een Voorwoord van Emmanuel Waegemans en een Inleiding van Vladimir Ronin.
2001, Antwerpen, Uitgeverij Benerus.

23 augustus 2018

'Hyper': een jongensachtig voorvoegsel


Dat politicologen begrippen gebruiken die ze wellicht niet kunnen definiëren is geen geheim, maar in bepaalde mate lijken zij daar zelf enig besef van te hebben en zoeken de beoefenaars naar oplossingen die hun geloofwaardigheid misschien ten goede kunnen komen.

Professor doctor Nicolas Bouteca bijvoorbeeld, die in Gent astrologie politicologie doceert is zo iemand, maar het lukt hem niet altijd. Hij wilde in De Morgen iets kwijt over dat sponsordiner met Francken dat Doorbraak organiseert: ‘Dan ga je echt rekenen op een politicus om geld in te zamelen. Het gaat nog niet zover als de verzuilde partijkranten zoals we die vroeger kenden, maar dit maakt het wel moeilijk om je hyperobjectief op te stellen ten opzichte van de N-VA.’

De goede professor maakt naar mijn smaak wel een klein foutje waar hij stelt dat de kranten vroeger verzuild waren, een verschijnsel dat we nu, althans volgens de inzichten van de politicologische wetenschap, niet meer kennen. Dat alle gevestigde kranten massief gesponsord worden door de overheid is hem wellicht onbekend. Dat kranten bijgevolg helemaal niet meer ‘verzuild’ hoeven te zijn, of zelfs kúnnen zijn zolang ze essentieel allemaal hetzelfde vertellen, moet hem even ontgaan zijn.

Maar toegegeven, een wetenschap als de politicologie is ongetwijfeld in staat om in krantenberichten fijne nuances te ontdekken, waar een onwetenschappelijke waarnemer niets merkwaardigs opvalt. En dat kunnen zelfs hyperfijne nuances zijn, naar analogie met wat de professor weet over ‘objectief’ en ‘hyperobjectief’.

Ik zou hem die eerste term graag eens horen uitleggen, indien mogelijk in de woorden van zijn eigen wetenschap, en dan hoeft hij zich verder helemaal geen zorgen meer te maken: de betekenis van zijn jongensachtige toevoeging ‘hyper’ zoek ikzelf wel uit, zij het met behulp van een andere wetenschap dan de zijne. 

Want de Duitser mag wel zeggen 'Da staunt der Laie, und der Fachmann wundert sich', hier is het de politicologische leek die paf staat van het gemak waarmee de vakman termen rondstrooit.

16 augustus 2018

Twee bewogen parlementszittingen


Er zijn in deze periode van het jaar geen parlementszittingen want de dames en heren zijn op reces en blijven dat nog even. Sommigen zullen dat reces misschien wat lang vinden, maar we moeten ook rekening houden met de zwaarte van de taak die op een volksvertegenwoordiger rust. Zittingen lopen vaak uit, en de meeste parlementsleden hebben niet veel te vertellen en vervelen zich dan. Ze kunnen de zaal wel verlaten voor een koffie of iets anders, maar bijvoorbeeld in de gangen een praatje slaan met Linda De Win is alleen weggelegd voor de kopstukken, en daar komt nog bij dat ze voor de stemmingen wel altijd present moeten geven.
Vroeger konden kamerleden niet zomaar in- en uitvliegen als in een duiventil. Ze waren verplicht om op hun plaats te blijven zitten voor de hele duur van de seance. Voor dat systeem valt misschien iets te zeggen, maar het had ook nadelen, lezen we bij:


Saint-Simon, in zijn Mémoires, Deel X, hoofdstuk XV (1713)

De meest ernstige dingen, en soms zelfs de meest droeve, gaan nogal eens gepaard met vermakelijke avonturen die door hun contrastwerking ook de meest gestrengen in de lach doen schieten. Ik kan me er niet van weerhouden twee ervan te vertellen, waar ik een dichte getuige van de ceremonie was, en bij de eerste ook bezorgd om wat mijzelf daarbij zou kunnen overkomen.

Mijn rang bij de parlementszitting gaf me een plaats tussen de hertogen de Richelieu en La Force. De zitting was al tamelijk lang aan de gang, omdat men wachtte op de duc de Berry. Kort na diens aankomst voelde ik de goede Richelieu trappelen, en kort daarop vroeg hij me of het nog lang zou duren. Ik zei dat ik dacht van wel, vanwege de voorlezingen en door de parade van redevoeringen van de lui rond de koning. Dat deed hem mopperen en hij vond het heel erg. Lang rustig bleef hij niet, hij begon weer te trappelen en vragen te stellen en ten slotte zei hij me dat hij hoognodig naar de garderobe wilde, en dus met alle macht naar buiten moest. Ik hield hem voor welke onwelvoeglijkheid het was om een vergadering te verlaten waar iedereen hem van top tot teen kon zien, en waar enkel de leegte van het stukje parket van de zittingzaal voor hem lag. Dat maakte hem niet gelukkiger en ik kreeg al spoedig een nieuwe ontlading.

Ik kende de man uit ervaring, en omwille van zijn eigenaardigheden heb ik hem hierboven niet onvermeld gelaten.* Ik wist dat hij bijna elke avond kassie** nam, zich ’s ochtends vaak ook een lavement zette, waarmee hij naar buiten ging en drie-vier uur rondwandelde, en dat hij weghaalde bij wie hij zich ook bevond. Een vrees beving me voor zijn broek, en bijgevolg voor mijn neus. Ik begon dus rond te kijken hoe ik me zou kunnen ontdoen van een zo gevaarlijke buurman, en met pijn zag ik dat het een onmogelijke zaak was in de al te zeer op elkaar gepropte menigte. Om kort te gaan, de uitbarstingen van naar buiten willen, de dreigementen dat hij het niet langer hield, duurden de hele zitting lang en verhevigden naar het einde toe zozeer dat ik mij meer dan eens een verloren man waande.
Toen de zitting gedaan was, smeekte ik abbé Robert, klerk-raadgever aan de grand-chambre*** net achter ons gelegen, die heel dit colloquium had gevolgd, om te proberen mijnheer Richelieu naar buiten te loodsen. Met alle moeite van de wereld lukte dat door de zorgen van de abbé Robert en van de zaalwachters die hij te hulp had geroepen. Voor de zitting van de hooggeplaatsten daagde hij niet meer op.

De andere scene die ik vermakelijk vond, hield geen enkele bedreiging in. Mijnheer de Metz zag zich op een plaats gezet, met zijn rug naar mijn knieën, op die bank in de breedte overlangs naast de hoge zitplaatsen, onder het bankje dat onderaan de vaste bank loopt die tegen de muur leunt, en waarop ik zat.****
Men was nog maar begonnen of M. de Metz verloor zijn geduld, begon te zeuren over de nutteloosheid van wat er gedebiteerd werd, vroeg of die kerels daar besloten hadden ons de nacht in het paleis te laten doorbrengen, begon te trappelen, en zei op den duur dat hij het bestierf van de drang om te gaan pissen. Hij was grappig, en bezat een natuurlijke geestigheid die tot in de meest ernstige zaken doordrong. Ik stelde hem voor om recht voor zich uit te pissen op de oren van de raadslieden die zich onder hem bevonden in de lage zetels. Hij schudde zijn hoofd, sprak hardop, ging tussen zijn tanden tekeer tegen de advocaat-generaal, en wiebelde zodanig dat de hertogen de Tresmes en de Charost, tussen wie hij gezeten was, hem voortdurend zegden dat hij zich wat moest gedragen, zoals ze dat aan een kind zouden gezegd hebben, en wij stierven van het lachen. Hij wilde dan zonder meer weggaan, zag dat dit uitgesloten was, en zwoer dat men hem op een feestje als dit nooit meer zou betrappen; hij verzekerde een paar keer dat hij zich zou ontlasten ten ongerieve van wie ook die dat verdiende; kortom, hij heeft ons de hele seance onderhouden. Nooit heb ik een tevredener man gezien dan hij, toen het gedaan was.
_________
* Onder meer in Deel I, Chapitre VIII. Armand Jean de Vignerod, dit du Plessis, duc de Richelieu et de Fronsac, chevalier de l'ordre du Saint-Esprit.
** Cassia fistula: Indische goudenregen. Siroop van de vrucht zou laxerend werken.
*** Zaal waar de ‘lits de justice’ plaatsvonden, de koninklijke rechtspraak.
**** De lezer weet nu precies waar de man zat.


1 augustus 2018

Een Russische zeepbel in het Elysée


L’Écho kwam met een artikel dat op Twitter door enkele krantenredacteurs enthousiast gedeeld werd. De teneur was dat die zaak Benalla, waar Macron zo verveeld mee zit, een soort zeepbel is die kunstmatig in leven wordt gehouden en aangeblazen ...ook op Twitter. Macron is de lieveling, de chouchou van de kranten, en dat die dan zijn eigen chouchou iets te veel onwettelijke privilegies toekende, is een akkefietje. Tijd dus om die ballon leeg te laten lopen. En wat redacteurs zo kan opluchten: men kan dit aandikken en opblazen ook wetenscháppelijk bewijzen, zij het enkel communicatiewetenschappelijk.

«De conclusie, die hebben we nog niet. We proberen te bepalen met welk type van aanzwengeling we te maken hebben,» laat Alexandre Alaphilippe weten (uitvoerend directeur van het EU Disinfo Lab, een nog jonge organisatie die fake news moet bestrijden – op sociale media vanzelfsprekend  en die meer bepaald moet napluizen in welke mate valse geruchten misschien vanuit het buitenland aangejaagd worden). «We constateren dat ongeveer een kwart van de groep van de 2600 meest actieve accounts concordanties vertoont met een ecosysteem dat dicht bij Rusland aanleunt. Zaak is te achterhalen of daar meer achter zit,» zegt hij nog.
De tweets formeel thuisbrengen zal hij in elk geval niet kunnen. «We werken met publieke data. Zonder toegang tot de IP-adressen is het zo goed als onmogelijk ze toe te wijzen. Maar wat we zien, zijn verontrustende coïncidenties. Als bijvoorbeeld accounts uit verschillende landen simultaan tussenkomen over een onderwerp dat niet in hun taal is gesteld.»

Nu weten we wel dat de communicatiewetenschap helemaal geen wetenschap is – maar wel als politiek instrument bruikbaar kan zijn – en dat zij dus moet roeien met geleende riemen. Zo vond ik die term uit de biologie grappig, dat ‘ecosysteem’ dat toevallig alweer bij Rusland aanleunde. En dan waren er ook die reacties van buitenlanders, mensen die dus geen Frans verstaan! Dat kun je je toch niet indenken, dat iemand een taal zou verstaan die niet zijn moedertaal is!
Onze verontruste vriend Alaphilippe geeft voorzichtigheidshalve geen enkel hard feit, maar beweert wel dat zijn wetenschap verschillende “types” van aanzwelling of aanzwengeling (gonflage) kan onderscheiden. Taxonomische duidelijkheid staat inderdaad in elke echte wetenschap voorop. 
En ook die ‘coïncidenties’ en ‘concordanties’ van Alaphilippe vond ik niet kwaad – hoogstens een beetje à la va-vite.
_________
Noot van 9 augustus: ook Le Monde zet grote vraagtekens bij de expertise en de à la va-vite-conclusies van Alaphilippe, Vanderbiest en Machado.

28 juli 2018

Vakantielectuur


Een mooi verhaal las ik bij Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon, in zijn Mémoires, deel 5, hoofdstuk 4, dat het jaar 1705 behandelt.

Een dubbele jachtpartij

In Saint-Germain was er een grote jachtpartij. In die tijd waren het de honden en niet de mensen die de herten aanpakten. Men kende toen nog niet die immense aantallen honden, paarden, hondenmeesters, poststations en wegen het hele land door. De jacht ging de kant van Dourdan op, en liep zodanig uit dat de koning er zeer laat van terugkeerde en het jagen liet voor wat het was. Graaf Guiche, en graaf, later hertog du Lude, Vardes, mijnheer de Lauzun die me het verhaal heeft gedaan, en nog anderen die ik niet meer weet, raakten verdwaald en daar stonden ze in de zwarte nacht zonder idee waar ze waren. Na lang rijden op hun afgematte paarden ontwaarden ze een lichtpunt. Ze gingen eropaf en kwamen tenslotte aan de poort van een soort kasteel. Ze klopten aan, riepen, noemden hun namen en vroegen gastvrijheid. Het liep tegen het eind van de herfst aan, en het was tussen tien en elf ’s avonds. Men deed open. De heer des huizes ging hen voor, liet hen uit hun laarzen helpen en zich opwarmen, liet hun paarden in zijn stallingen onderbrengen, en liet onderwijl een souper voor hen klaarmaken waar ze grote behoefte aan hadden. Het maal deed niet op zich wachten; het was uitstekend, en de wijnen van verschillende soorten evenzo. De heer was beleefd, respectvol, noch plechtstatig noch overijverig, met helemaal het voorkomen en de omgangsvormen van de beste milieus. Ze vernamen dat hij Fargues heette, en tot het huis Courson behoorde; dat hij zich had teruggetrokken; dat hij al meerdere jaren niet meer naar buiten was gekomen; dat hij soms vrienden ontving en dat hij vrouw noch kinderen had. De staf van bedienden leek hen toereikend, en het huis gaf een indruk van welstand. Nadat ze goed hadden gesoupeerd, liet Fargues hen niet op hun bed wachten. Elkeen vond een uitstekend bed, ze hadden elk hun eigen kamer en de huisknechten van Fargues bedienden hen zeer behoorlijk. Ze waren flink moe en sliepen lang. Zodra zij aangekleed waren stond er een excellent ontbijt voor hen klaar, en als zij van tafel kwamen stonden hun paarden klaar, even verkwikt als zijzelf. Gecharmeerd door de voorkomendheid en de stijl van Fargues, en aangedaan door zijn goede ontvangst, boden zij hem hun diensten aan en vertrokken naar Saint-Germain. Dat zij verdwaald waren was daar het nieuws van de dag; hun terugkeer en wat er die nacht van hen geworden was niet minder.
Deze heren waren de kruim van het Hof en van de galanterie, en allemaal stonden ze toen op volkomen vertrouwelijke voet met de koning. Ze vertelden hem van hun avontuur, van hun schitterende ontvangst, en zongen enorm de lof van de gastheer, van zijn spijzen en zijn huis. De koning vroeg naar zijn naam; hij had die nog maar gehoord of zei: ‘Wat? woont Fargues hier zo dichtbij?’ De heren verdubbelden nog hun loftuitingen, en de koning zei niets meer. Hij ging langs bij de koningin-moeder [Anna van Oostenrijk; Louis XIV was toen 27] en verhaalde haar dit avontuur, en allebei vonden ze dat Fargues wel heel onbeschaamd was om zo dicht bij het paleis te komen wonen, en dat het wel bijzonder vreemd was dat ze enkel door dit jachtavontuur hiervan lucht hadden gekregen, terwijl hij er al zo lang woonde.
Fargues had zich in Parijs fel laten opmerken in alle stromingen die zich tegen het hof en kardinaal Mazarin hadden gekeerd. Dat hij niet was opgehangen, was zeker niet te wijten aan een gebrek aan ijver om zich in het bijzonder op hem te wreken; maar zijn medestanders hadden hem in bescherming genomen, en hij viel uitdrukkelijk onder de amnestiemaatregel. De haat die had ontmoet, en waaronder hij toen dacht te zullen bezwijken, deed hem besluiten Parijs voor altijd te verlaten om alle ruzies te vermijden, en zich in stilte terug te trekken op zijn landgoed, en tot nog toe leidde hij daar een vergeten bestaan. Kardinaal Mazarin was dood; de zaken uit het verleden waren voor niemand nog een punt; maar omdat hij zozeer in het oog had gelopen, vreesde hij dat men hem nieuwe narigheid zou kunnen bezorgen, en daarom leefde hij sterk teruggetrokken en in volle vrede met al zijn buren, zonder zorgen over de voorbije troebelen, in volle vertrouwen op de amnestiewet, en dat al lange tijd. De koning en zijn moeder de koningin, die hem enkel onder dwang hadden vergeven, ontboden de eerste voorzitter Lamoignon, en droegen hem op om in het geheim het leven en de handel en wandel van Fargues uit te pluizen; om nauwlettend na te gaan of er niet ergens een middel bestond om zijn vroegere onbeschaamdheden te bestraffen, en het hem te laten berouwen dat hij hen zo dicht bij het Hof was komen tarten met zijn weelde en rust. Ze vertelden hem het jachtavontuur dat hen zijn woonplaats ter kennis had gebracht; en ze gaven Lamoignon hun vurigste wens te kennen dat hij wettelijke middelen zou weten te vinden om hem de das om te doen.
Lamoignon, een gretige en goede hoveling, nam zich voor hen alle voldoening te schenken en daar zelf wel bij te varen. Hij deed zijn opzoekwerk, bracht daar verslag van uit, en speurde zo fel en goed dat hij een middel vond om Fargues te betrekken bij een moord die in Parijs was gepleegd op het hoogtepunt van de oproer, waarna hij in stilte een aanhoudingsbevel uitvaardigde en op een ochtend hem door poortwachters liet aanhouden en overbrengen naar de gevangeniscellen van de Conciergerie. Fargues, die volslagen zeker wist dat hij na de amnestie bij niets laakbaars betrokken was geraakt, was bijzonder verbaasd. Maar dat was hij nog veel meer toen hij bij het verhoor vernam waarover het ging. Hij verdedigde zich heel goed tegen de beschuldiging die men inbracht, en wat meer is, hij voerde aan dat aangezien de moord waarvan sprake gepleegd was op het hoogtepunt van de revolte in Parijs, en in Parijs zelf, de amnestie die daarop was gevolgd elke herinnering uitwiste aan wat er was gebeurd in die tijd van verwarring, en dat deze amnestie sloeg op al deze gebeurtenissen, waarvan men ten aanzien van wie ook niet had mogen toelaten dat ze werden opgeworpen, geheel volgens de geest, het recht, de gewoonte en het effect van een amnestie, zaken die tot dan nooit aan enige twijfel onderhevig waren geweest.
De hooggeplaatste hovelingen die bij deze ongelukkige man zo goed waren ontvangen, verzetten hemel en aarde bij zijn rechters en bij de koning; maar het was allemaal vergeefs. Fargues werd prompt onthoofd, en zijn geconfisqueerde goed werd als beloning aan de eerste voorzitter gegeven.

De gebeurtenissen hier verhaald hadden plaats in 1665, dus tien jaar voor de geboorte van Saint-Simon. De geleerden zijn het erover eens dat zijn verslag niet helemaal betrouwbaar mag heten (zonder voetnoten zijn die oude teksten ook niet te begrijpen).
Zo werd Fargues niet onthoofd, maar op vrijdag 27 maart om vijf uur in de namiddag gehangen, in Abbeville want het was de intendant van Picardië, Machault, die Fargues veroordeelde. Die was speciaal daartoe aangesteld, nadat zijn voorganger Courtin de zaak had geweigerd. Ook sloeg de beschuldiging niet langer op moord, maar op diefstal, verduistering van overheidsgeld, valsheid in geschrifte, malversaties in verband met krijgsrantsoenen enzovoort.
Een tijdgenoot van Fargues schreef dat de man op weg naar de galg driemaal de grond kuste, ook driemaal de galgpaal kuste, en dat hij heel moedig en als goede christen stierf.

27 juli 2018

Spiegel online en het Volksempfinden


Bij Spiegel online lees je soms dingen die je elders niet leest. Dit ging onder de titel: 'Der Präsident und sein Rüpel', de president en zijn hufter.

'Benalla draagt een baard en heeft een Noord-Afrikaanse migratieachtergrond. Daarmee heeft hij voor enkele critici op het eerste gezicht meer gemeen met een terrorist dan met een politieman. Macron had dat vooruit kunnen zien – maar hij dankte Benalla pas af toen de kranten al voorpagina's met zijn konterfeitsel drukten.'
Benalla trägt Bart und hat einen nordafrikanischen Migrationshintergrund. Damit hat er für einige Kritiker auf den ersten Blick mehr mit einem Terroristen gemein als mit einem Polizisten. Macron hätte das vorausahnen können - doch er entließ Benalla erst, als die Zeitungen schon Titelseiten mit seinem Konterfei druckten.

Dat lijkt me bijzonder scherp, en toch ook weer vaag. Wie zijn die ‘einige Kritiker’? Ik las ze niet in Franse bronnen, ook niet in tweets van bijvoorbeeld Marine Le Pen, die zich beperkte tot de politieke verantwoordelijkheid van Macron (wat vanzelfsprekend niet betekent dat de gedachte nergens te vinden zou zijn: zo origineel is ze tenslotte niet). Duitse bronnen dan? Spiegel online had preciezer kunnen zijn.

Of was het een gedachte die de redacteur wel kwijt wilde, maar niet zelf gezegd wilde hebben? Hij lijkt te insinueren dat je zulke mensen beter niet kunt aanwerven voor vertrouwensposten: gouverner c'est prévoir! Verder slaat zijn ‘doch’ nergens op: Manu ontsloeg Alexandre niet om zijn uiterlijk, maar om zijn eigen roomblanke velletje te redden.

16 juli 2018

Bedenk ook eens de koninklijke bastaards, Philippe!*


Nu we bij de Nationale Feestdag in ons koninkrijk alweer een hoop nieuwe baronnen en baronessen mogen begroeten, wellicht wat nieuwe graven en gravinnen ook, ridders, jonkvrouwen enzovoort – de oogst is mij nog niet bekend – is het misschien interessant te lezen wat Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon (1675-1755) in zijn Memoires te vertellen had over zulke carnavalsprinsen.
Eerst heeft hij het over een bepaalde demoiselle die aan het Franse hof voor een schoonheid doorging maar die, zegt Saint-Simon, sluwer was dan mooi. Vervolgens haalt hij de voormalige eerste minister Mazarin aan:

M. Le Prince maakte haast met zijn goedkeuring van haar huwelijk met de zoon van maarschalk de Châtillon, een veelbelovende jongeman die zeer aan hem gehecht was, nog voor die liefde goed en wel zou uitkomen, en hij verleende hem in 1646 een brevet van Hertog.**
Kardinaal Mazarin had dit soort onderscheidingen nieuw leven ingeblazen, die enkel niet-erfelijke eerbewijzen zonder rang zijn. Men kende die onder François I en zijn opvolgers, maar ze waren al enige tijd in onbruik geraakt. Het leek de eerste minister passend ze te bewaren om aanzienlijke figuren te belonen, of mensen die hij aan zich wilde binden. Het was over hen dat hij zei «dat hij zoveel van die hoogwaardigen zou bijmaken dat het beschamend zou zijn er géén te zijn, en even beschamend er wel een te zijn.» Op den duur verleende hij zichzelf een titel, om zijn brevetten aantrekkelijker te maken.
M. de Châtillon, een goede en zachtaardige echtgenoot, die niettemin fel in de mode was, heeft er maar drie jaar het genot van gehad.

Deze man, Gaspard IV de Coligny, 1er duc de Châtillon, stierf namelijk in dienst van de koning een heldendood, une mort héroique, in de slag om Charenton in 1649.
De droefenis van Mme de Châtillon (lezen we elders) werd hierbij «getemperd door de vriendschap die haar echtgenoot koesterde voor Mlle de Guerchy, van wie hij bij elke veldslag een kousenband om zijn arm geknoopt hield.»
Mevrouw zelf overigens had al kort na hun huwelijk haar gunsten verleend aan de hertog van Nemours (die in een duel het leven liet), en later werd ze hertogin van Mecklenburg-Schwerin.

Kijk Philippe, als het zo gaat jongen, met duelleren en sneuvelen en zo, dan zie ik er wel wat in. Maar elk jaar met bakken nieuwbakken edelen aankomen, láát dat.***
_____________________

* Robert Graves signaleerde in 1927 al – in Lars Porsena: Or, The Future of Swearing and Improper Language –  dat in de hogere kringen een uitroep als 'you bastard' een koosnaampje was geworden, en dat ook de naam van God ijdel gebruiken heel gewoon was. Men geloofde niet meer in god of gebod, en beledigen of vloeken werd dus moeilijker. Alleen in de lagere kringen geloofde men nog in afstamming ... maar in Laken zijn ze zoals bekend wat achterlijk.
** Een 'brevet van hertog' was niet hetzelfde als de erfelijke  titel «duc et pair» (benaming die zoals het Engelse 'peer' teruggaat op het Latijnse 'parus'). Deze laatsten hadden het recht om per koets of te paard het Louvre binnen te rijden, de koning noemde hen «cousin», en ze konden telkens als zij dat wensten parlementszittingen bijwonen, waarbij zij tot ergernis van velen hun zwaard niet eens dienden af te leggen. Ook hadden hun echtgenotes een eigen taboeret in de vertrekken van de koningin.
Een «duc à brevet» kwam niet in aanmerking voor zulke dingen, en de duc et pair de Saint-Simon had het niet op die nieuwlichters begrepen.

*** Saint-Simon spreekt in zijn Mémoires over 'la fournée des ducs et pairs de 1663'.  Die woordkeuze werd hem toen niet ten kwade geduid.

14 juli 2018

Met al die nationale feestdagen deze maand...


Oude krantenartikelen lezen is vaak interessant, zeker als ze meer dan een eeuw oud zijn. Bij Doorbraak las u misschien dat stukje van Jules Gheude, onze stem uit Namen, dat ging over de aansluiting van Wallonië (inclusief Brussel!) bij Frankrijk. Een mooi onderwerp voor deze Quatorze Juillet.

Maar het artikel uit The New York Times van 1903 behandelde nog twee andere onderwerpen (zonder tussentitels en dergelijke, gewoon met telkens een nieuwe alinea). Een ervan ging over de bouwlust van Leopold II, en in bredere zin ook over de schaamteloze immoraliteit van de Coburgs. We lazen net dat ook Philippe zeer kostbare verbouwingen aan ‘zijn’ paleis van Laken wil laten uitvoeren, en daarmee toont die kerel zin voor traditie. Lijkt me een onderwerp voor 21 juli.

Het derde onderwerp in de New York Times betrof de hachelijke toestand van de kantklosnijverheid 
(meer iets voor 11 juli of 1 mei), en daar zijn wel kanttekeningen bij te maken, maar leest u eerst het verslag van hun correspondent:

Nieuws uit Brussel
Een pro-Franse partij in de Waalse provincies van België.
Buitenlandse verslaggeving The New York Times.

Brussel, 17 februari. – Onderwerp van de dag hier is het ontslag uit de diplomatieke dienst van graaf Albert du Bois, secretaris van het Belgische gezantschap in Parijs. In een recent werk met als titel «Belges ou Français» bepleitte graaf du Bois de aanhechting van de Belgisch-Waalse provincies bij Frankrijk. Dit leidde tot de onmiddellijke terugroeping van de jonge diplomaat,* en in de Moniteur officiel van gisteren werd aangekondigd dat hij op de lijst van gepensioneerden is gezet.
Dit incident vestigt de aandacht op het feit dat naast de pan-Germanisten, die de annexatie van de Belgische Vlaamse provincies bij Duitsland bepleiten, er in België ook een pro-Franse stroming bestaat die voorstander is afstand van de Waalse provincies aan Frankrijk. Graaf du Bois behoort tot de literair meest begaafde exponenten van het programma van deze partij. Hij stamt uit een welbekende adellijke familie, en het feit dat hij – ook al was hij in Belgische diplomatieke dienst – lucht gaf aan de gezindte van de pro-Franse Walen, is zeker betekenisvol.
De Waalse provincies die de graaf en zijn aanhangers door de Franse Republiek opgeslorpt wensen te zien, zijn Henegouwen, Luik, Namen, Luxemburg, en een deel van Brabant, inclusief de stad Brussel. De totale oppervlakte van dit territorium bedraagt 6000 vierkante mijl, met andere woorden de helft van het Koninkrijk, en met een bevolking van ongeveer 3.000.000. Deze provincies zijn in vele opzichten de schitterendste van België, en omvatten de grote industriële centra van Luik, Namen en Charleroi. Door hun taal, ras, en nationale kenmerken zijn de Walen een Frans volk, en even verschillend van de Vlamingen als de mensen van Massachusetts dat zijn van deze van Mexico.
In de hogere klassen, en graaf du Bois is daar een typische vertegenwoordiger van, bestaat er al langer een tendens ten gunste van die annexatie bij Frankrijk. Tot nu toe echter is er vanwege Waalse schrijvers nog niet openlijk campagne gevoerd voor die zaak. In die zin markeert het boek van graaf du Bois dus een nieuw vertrekpunt, en is het als dusdanig meer dan een voorbijgaande aandacht waard.

In weerwil van de geruchten over zijn nakend aftreden, heeft Koning Leopold nog nooit een grotere activiteit aan de dag gelegd dan nu het geval is. De koning lijkt er bijzonder op gebrand zijn nieuwe bijnaam ‘Léopold le Bâtisseur’ waardig te zijn. Dat blijkt hieruit dat zijne Majesteit tezelfdertijd het kasteel van Laken aan het verbouwen is, een nieuwe koninklijke residentie in Oostende neerzet, zijn domeinen verfraait, nieuwe toevoegingen aan zijn villa in Villefranche** aanbrengt, en in Wenduine een Noorse cottage optrekt voor zijn neef Albert. Dit alles terwijl hij persoonlijk de gang van zaken in zijn groot Afrikaans imperium beheert, en ter bevordering van de Belgische handelsrelaties met China over nieuwe commerciële verdragen onderhandelt.
Alleen al de werken aan het kasteel van Laken zullen 4.000.000 frank kosten. Bedoeling is dat Laken na afwerking het nieuwe Versailles*** wordt, en nu al wordt het zo genoemd. Het vernieuwde paleis zal een theaterzaal hebben die zowel wat afmetingen als wat artistieke pracht betreft op het continent haar gelijke niet zal kennen. Het kasteel van Laken is altijd de voornaamste koninklijke residentie geweest in België. Daar was het dat Napoleon I het plan opvatte voor de Russische campagne. Napoleon schonk Laken aan Joséphine. Koningin Victoria bezocht tweemaal Leopold I in Laken, in 1847 en 1852.

De Minister van Arbeid stelde onlangs een comité aan, dat een onderzoek moet instellen naar de toestand van de kantklosnijverheid in België. De heer Verhaegen, voorzitter van het comité, heeft hieromtrent zopas een bijzonder interessant rapport gepubliceerd. Volgens dit verslag zit de fabricage van kant, ooit zo’n bloeiende nijverheid in Vlaanderen, in een crisis en dreigt ze zelfs volledig teniet te gaan. De twee voornaamste oorzaken hiervan zijn enerzijds de toegenomen competitie van machinaal gemaakte kant, en anderzijds de overdreven hebzucht van de tussenpersonen die verantwoordelijk zijn voor de hongerlonen van de kantwerksters in Vlaanderen. In 1875 bedroeg het totale aantal kantwerksters in het koninkrijk 150.000; in 1900 was dit aantal geslonken tot 47.000.
De beste markten voor Belgische kant zijn vandaag Parijs en New York. Eigenaardig genoeg wordt Vlaamse kant niet geapprecieerd door Belgische vrouwen van de upper class. Alle dure kant wordt in België verkocht aan vreemdelingen. Om de kantindustrie te redden stelt de heer Verhaegen voor dat er door de staat een beschermcomité in het leven wordt geroepen, met als bedoeling een kantklossters-school op te richten waar alle soorten kant zouden gefabriceerd worden, en speciaal die waarvan het maken een verloren gegane kunst dreigt te worden, zoals de Mechelse, die van Valenciennes en van Chantilly. Dit beschermcomité zou voor de leerlingen van de staatsschool alle zakelijke aspecten behartigen voor een verkoop tegen billijke prijzen, en het zou daar van regeringswege een jaarlijkse dotatie voor ontvangen. Volgens het plan van de heer Verhaegen zouden er in de voornaamste Belgische centra en daarbuiten verkooppunten worden ingericht voor deze kant.

De kantnijverheid redden is een nobele taak, maar het ging de heer Pierre Verhaegen ook om andere dingen. Voor linkse publicisten was de hartverscheurende situatie van de kantwerksters een voorbeeld van slavenarbeid, waartegen men in opstand moest komen. Voor anderen was het ‘een heel gezonde, niet bijzonder vermoeiende bezigheid die men bij mooi weer en in de openlucht beoefende.’
Verhaegen stond nog meer voor ogen: dat thuiswerk voor vrouwen moest Vlaanderen behoeden voor moreel verval «la sauvegarde morale des Flandres». Werklust, respect voor traditie en wantrouwen tegen de wereld buitenshuis moesten ervoor zorgen dat de kantwerksters ongevoelig bleven voor revolutionaire verleidingen, «complètement étrangères aux idées de révolte».
De conservatieve partij, de katholieke dus, spande zich flink in voor de kantnijverheid, om zo de vrouwen thuis te houden en hen te beletten zich onder het fabrieksvolk te begeven: «les empêcher d’aller se perdre dans les foules des grandes fabriques.»
Met die aspecten heeft de Brusselse correspondent zijn lezers van The New York Times niet willen vermoeien.

________
* du Bois was inderdaad pas éénendertig.
** In 1902 had Léopold II, die al een groot deel van Cap Ferrat bezat, deze villa voor één symbolische frank gekocht.
*** Encore ce Versailles de Louis XIV, ce chef-d’œuvre si ruineux et de si mauvais goût... (Saint Simon, Mémoires, Tome XII - Chapitre XIX)

29 juni 2018

Marx en Engels in een verrassend daglicht


Le Monde diplomatique van juli heeft een artikel van de journalist Jean-Baptiste Malet.* Twee bladzijden, bijzonder goed gedocumenteerd en met voetnoten, zoals in dat blad gebruikelijk. Drieëntwintig noten in dit geval.


Het gaat over esoterisme en antroposofie en over Rudolf Steiner (1861-1925) – de man van de scholen – maar ook over biodynamische landbouw, natuurlijke cosmetica en crèmes, hemellichamen en maanstanden, geneeswijzen gebaseerd op het gebruik van maretak enzovoort. Homeopathie komt ook even ter sprake (mag worden aangewend ter aanvulling van de biodynamische geneeskunde).

Allemaal amusant natuurlijk, maar het grappigste vond ik een onthulling over Marx en Engels, want Steiner – die een indrukwekkend aantal boeken heeft geschreven  sprak ook over aardse, sociale vraagstukken, niet enkel over de maan en de hemellichamen. De onthulling staat in het 236ste deel van de Gesamtausgabe. Die deeltjes zijn nogal prijzig – Esoterische Betrachtungen Karmischer Zusammenhänge, waar het hier om gaat, kost 62 Zwitserse frank, of 54 euro. Ik zal het niet bestellen, en de lezer moet volstaan met een stukje Franse tekst dat Jean-Baptiste Malet citeert. Er is namelijk ook een Franse uitgave van Steiner, voorlopig helaas beperkt tot 260 deeltjes, maar de Romaanse Zwitsers werken naarstig verder.

Nu las ik voor een paar weken een boek van Jürgen Herres, die van zijn kant ook aan een Gesamtausgabe heeft meegewerkt, met name de MEGA, de Marx-Engels-Gesamtausgabe. Over die onthulling van Rudolf Steiner zwijgt Herres echter. We lezen:

Ergens in de zesduizend toespraken die hij heeft gehouden, heeft Steiner onthuld dat Karl Marx de reïncarnatie zou zijn een middeleeuwse heer, die lijfeigene was geworden ten gevolge van afpersing door een schurk – Friedrich Engels. “Wat zij onderling te beslechten hadden werd, op de lange weg tussen dood en wedergeboorte, omgezet in een verlangen om het onrecht dat zij elkaar hadden aangedaan goed te maken,” verduidelijkte Steiner, voor wie de menselijke ziel in de loop van de millennia onophoudelijk vooruitgang maakt, volgens een cyclus van vijfentwintigduizend negenhonderd twintig jaar, een “platonisch jaar” dus.

Au cours des six mille conférences qu’il a prononcées, Steiner a révélé que Karl Marx serait la réincarnation d’un seigneur du Moyen Âge devenu un serf à cause des exactions d’un brigand – Friedrich Engels. « Ce qu’ils avaient à régler entre eux se transforma, pendant le long chemin entre la mort et une nouvelle naissance, en désir de compenser le mal qu’ils s’étaient fait l’un à l’autre », précise Steiner, pour qui l’âme humaine progresse sans cesse à travers les millénaires, selon un cycle de vingt-cinq mille neuf cent vingt ans, soit une « année platonicienne ».
________

* Van hem verscheen bij Fayard vorig jaar: L’Empire de l’or rouge, Enquête mondiale sur la tomate d’industrie.

27 juni 2018

De Prins krijgt kuren


Serge Halimi, de redactiedirecteur van Le Monde diplomatique, heeft telkens weer een mooi hoofdartikel. In het julinummer (dat straks in de kiosk ligt) neemt hij Emmanuel Macron op de korrel, die graag censuur zou instellen maar die naam niet wil horen.
Macron is natuurlijk niet de enige die dat zou willen: censuur is hét thema van onze tijd, alleen zie ik niet in wat hij nog meer kan verlangen dan wat hij al heeft... een meer dan volgzame pers.

Na zijn comfortabele verkiezing tot president van de Republiek, met medewerking van de zo goed als verzamelde Franse media, vraagt Emmanuel Macron dat zijn parlementaire meerderheid hem een wet klaarstooft tegen de verspreiding van ‘valse geruchten’ in verkiezingsperiodes. Misschien is hij zijn volgende campagne al aan het voorbereiden.

De tekst die binnenkort goedgekeurd zou moeten worden, verraadt tegelijk dat regeringen blind blijven voor de tegenkantingen die zij ontmoeten en – in één adem – hun neiging om voortdurend dwangmiddelen te verzinnen die daar korte metten mee kunnen maken.
Je moet inderdaad al bijziend zijn om te blijven geloven dat de overwinningen van de antisysteempartijen en -programma’s (Donald Trump, de Brexit, het Catalaanse referendum, de Vijfsterrenbeweging in Italië…) zelfs maar marginaal te wijten zijn aan de verspreiding van valse geruchten door autoritaire regimes.
Al meer dan een jaar wil de Amerikaanse pers verbeten, maar zonder een begin van bewijs aantonen dat de president van de Verenigde Staten zijn verkiezing te danken heeft aan door Vladimir Poetin verzonnen ‘fake news’. Mijnheer Macron lijkt door dezelfde soort obsessie bezeten.

In die mate dat hij hoopt deze te bezweren met een apparaat dat even nutteloos is als gevaarlijk. [...]

De rest leest u in juli zelf maar, lezer, want het bovenstaande valt nog net onder het citaatrecht, denk ik.

21 juni 2018

Geel of Rood? Filosofen twijfelen


Toen ik zag hoe Kevin De Bruyne zijn studs op de borst van een Panamees plantte, dacht ik aan de filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814). Niet dat ik die kerel ooit gelezen heb, maar destijds heeft Heinrich Heine dat wel gedaan, en in 1834 wijdde hij een aantal beschouwingen aan hem, in zijn Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland.
Als ik Heine goed begrijp, dan zou Johann Gottlieb Fichte aan De Bruyne een rode kaart gegeven hebben, terwijl hijzelf de arbiter gelijk lijkt te geven en met een gele zou volstaan.
Alles draait natuurlijk rond de opzettelijkheid of onopzettelijkheid van die gebeurtenis in Sotchi, het Saint-Tropez van Rusland. In hoeverre handelt zo’n De Bruyne reflexmatig? of stelt hij toch de bewuste daad van een hooligan?

Geen mens denkt, verzekert Heine ons in een van zijn Italiaanse reisverhalen, alleen valt hem nu en dan iets in: Kein Mensch denkt, es fällt nur dann und wann den Menschen etwas ein. Een reeksje invallen noemt hij dan een gedachte, en een reeksje gedachten moet weer denken heten.
Fichte ziet dat heel anders, en zoals u zult merken is zijn redenering niet enkel voor voetballers nuttig, maar kan ook een kok er iets aan hebben:

Bij Fichte is er nog het bijzondere probleem dat hij de geest, terwijl die in de weer is, in staat acht zichzelf gade te slaan. Het IK zou bespiegelingen wijden aan zijn intellectuele handelingen, terwijl het deze uitvoert. Onder het denken zou de gedachte zichzelf beloeren, terwijl ze geleidelijk aan warm en warmer, en tenslotte gaar wordt. Deze bewerking doet ons denken aan de aap die aan de haard voor een koperen ketel zit en zijn eigen staart kookt. Want hij bedoelde: de ware kookkunst bestaat niet daarin dat men enkel objectief kookt, maar dat men zich ook subjectief van dat koken bewust wordt.


Bei Fichte ist noch die besondere Schwierigkeit, daß er dem Geiste zumutet, sich selber zu beobachten, während er tätig ist. Das Ich soll über seine intellektuellen Handlungen Betrachtungen anstellen, während es sie ausführt. Der Gedanke soll sich selber belauschen, während er denkt, während er allmählich warm und wärmer und endlich gar wird. Diese Operation mahnt uns an den Affen, der am Feuerherde vor einem kupfernen Kessel sitzt und seinen eigenen Schwanz kocht. Denn er meinte: Die wahre Kochkunst besteht nicht darin, daß man bloß objektiv kocht, sondern auch subjektiv des Kochens bewußt wird.
Sämtliche Werke, herausgegeben von Prof. Dr. Ernst Elster
Kritisch durchgelesene und erläuterte Ausgabe, Leipzig und Wien, 1893
vierter Band S. 263

20 juni 2018

Over kunst gesproken, en over cultuurradio


Kan men ongevoelig zijn voor kunst ? vroeg Patrick Cohen – presentator van het ochtendjournaal bij Europe1 – aan de filosoof Raphaël Enthoven. Enthoven levert elke dag een korte bijdrage, en deze keer besprak hij de vragen van 'le bac', het nationale baccalaureaatsexamen. De vraag van Cohen kwam dus uit dat examen, want evengoed in tijden van voetbal kan er bij het ochtendnieuws op Europe1 een stukje filosofie af. Ze hebben er ook het materiaal voor natuurlijk, want welke filosoof hier zou, om te beginnen wat verbaliteit betreft, zelfs in de buurt van Enthoven komen?

‘Wat hierbij interessant is’, antwoordde Enthoven, ‘is dat esthetiek, ‘aesthesis’ de gevoeligheid zelf aanduidt.* Ongevoelig zijn voor kunst zou dan contradictoir zijn, bijna een oxymoron. Wat paradoxaal lijkt in deze opgave is dat de voorwaarden voor een ongevoeligheid voor kunst niet bij het individu liggen, dat net als iedereen over gevoeligheid beschikt. Je kunt niet ongevoelig zijn voor kunst terwijl je wel gevoelig bent voor liefde, voor haat, voor begeerten als u wil. Als je voor dergelijke zaken wel gevoelig bent, hoe dan ongevoelig blijven voor de kunst?
Wel, misschien is de “oplossing” tussen aanhalingstekens, of toch het alternatief, te zoeken aan de kant van de kunst zelf. Wat is het dat in kunst ervoor zorgt dat je er na enige tijd ongevoelig voor wordt? Hier liggen twee klippen: militantisme, en naar mijn oordeel de eigentijdse kunst. Anders gezegd: aan een kant de kunst die strijdt, en aan de andere een kunst die nadenkt. Deze twee soorten kunst spreken onze gevoeligheid niet aan, en dus hebben wij niet de kans die te ervaren. In het ene geval richt ze zich tot onze opinies, als het om militante kunst gaat, en in het andere geval tot ons begripsvermogen, als het hedendaagse kunst betreft. Het zijn dus twee soorten kunst die ofwel ons engagement opeisen, ofwel ons verstand. Zij laten onze ongevoeligheid niet enkel toe, maar stellen die voorop. Naar mijn mening, impliceren ze ongevoeligheid met andere woorden.
Een kunst die me aan het nadenken wil zetten, die me wil doen denken, of een kunst die me een moraal wil voorhouden, is een kunst die mij per definitie onberoerd laat. Vraag is dan natuurlijk of het nog om kunst gaat.’

Patrick Cohen beoordeelde dit antwoord op de examenvraag met: ‘Très, heu, très complet.’
__________
* Alexander Gottlieb Baumgarten vormde in 1750 ‘Ästhetik’, naar het Griekse αίσθάνομαι, aisthanomai: voelen, gewaarworden. ‘La science du sentiment’, zei later Charles Maurras, wat Le Robert als voorbeeld geeft.



Patrick Cohen: Peut-on être insensible à l’art ?
Raphaël Enthoven: Ce qui est intéressant ici, c’est que esthétique,‘aesthesis’, désigne la sensibilité elle-même donc être insensible à l’art ce serait contradictoire, ce serait presque un oxymore. Ce qui est intéressant dans ce sujet, paradoxalement c’est qu’il me semble que les conditions d’insensibilité à l’art, reposent non pas sur l’individu, qui a une sensibilité comme tout le monde. On ne peut pas être insensible à l’art tant qu’on est sensible à l'amour, ou qu’on sensible est à la haine, ou qu’on est sensible aux désirs, si vous voulez. Tant qu’on est sensible à des choses comme ça, comment être insensible à l'art ?Alors peut-être là « la solution » entre guillemets, ou en tout cas l’alternative est à chercher du côté de l’art lui-même. Qu’est-ce qui dans l’art fait que au bout d’un moment on y devient insensible ? Il y a deux écailles ici : le militantisme et à mon avis l’art contemporain. C’est-à-dire d’un côté un art qui lutte, et de l’autre côté un art qui pense. Ces deux arts-là ne s’adressant pas à notre sensibilité, c’est-à-dire à ce qu’on n’a pas le choix d’éprouver, mais s’adressant dans un cas à nos opinions, quand l’art est militant, ou bien, dans l’autre cas à notre intelligence, quand l’art est contemporain, c’est-à-dire ces deux formes d’art qui nous demandent soit de nous engager, soit de penser, non seulement permettent l’insensibilité, mais à mon avis, en tout cas en ce qui me concerne, présupposent l’insensibilité, c’est-à-dire impliquent pour ma part l’insensibilité. Un art qui essaye de me faire réfléchir, qui essaye de me faire penser, ou un art qui essaye de me faire la morale est un art qui par définition me rend insensible. La question est évidemment de savoir si c’est toujours de l’art.
Patrick Cohen: Très, heu, très complet.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html