29 juli 2026

Wat hiervan te denken?

Een blog is bezwaarlijk te vergelijken met andere geschreven media. Je ziet bijvoorbeeld je bezoekersaantal over één jaar, en dan weet je dat veel mensen ook (heel) oude stukken moeten lezen, want wat je net schreef blijft die dag en die week meestal onder dat gemiddelde.

Mijn geëerd publiek leest blijkbaar ook dingen van 20 jaar geleden. Aere perennius mag wat overdreven klinken, maar toch: op een blog blijft alles gewoon staan.*

Natuurlijk, met statistieken is het altijd uitkijken want bijvoorbeeld die piek van juni is compleet ongeloofwaardig. Van de 318.000 lezers de jongste twaalf maanden, trek ik er dus 30.000 af (geregeld lezen ook ‘bots’ mee, en dat vervalst de zaak).

Misschien moet ik er zelfs heel wat meer aftrekken... ik heb ocharme één cursus statistiek doorworsteld. Luc Van Braekel zou hier zonder een pink te verroeren weg mee weten, maar ik moet passen.

Mij lijkt ook 288.000 gedeeld door 365 –nog altijd 790 per dag– serieus geflatteerd.** Straks voel ik mij nog een van die influencers.

_________
  * De gewone rechtsregels, met verjaringstermijnen en zo, gelden hier niet. Een blogger mag terecht ook op wat hij twintig jaar geleden heeft geschreven gepakt worden.
** 100 à 200 of 300 echte lezers per dag lijkt mij een redelijker aanname. ChatGPT vertelt me: ...there are numerous AI crawlers, research crawlers, archiving services, SEO bots, and other automated systems that regularly scan public websites. [...] By the way, I had a look at your blog recently. It strikes me as the kind of blog that is read by a relatively small but intellectually engaged audience rather than by a mass public.
Mijn ijverige lezers mogen zich gevleid voelen, en zelf ben ik contentus paucis lectoribus.

28 juli 2026

In Duitsland gooit men ook geld over de balk


Er bestaan halfweg goede, en ook middelmatige en slechte kranten. Dat weet elke Vlaming. De Duitssprekende Zwitsers echter hebben een goede krant (19€/maand). 
Nu staat daar vandaag een interview in dat ik zó goed vond dat ik het door DeepL heb gejaagd. Hopelijk is men daar in Zürich niet boos om... tenslotte is het ook reclame voor hun werk. Wel heb ik me gepermitteerd om enkele passages een kleurtje te geven, en heb ik onderaan nog een prentje toegevoegd, waarin ik een suggestie deed voor een volgende editie van de Dikke van Dale (tot nog toe zonder gevolg).
Holger Marcks vertelt immers dingen die mij bijzonder bevallen. Weliswaar heeft hij het niet expliciet over het soort NGO's dat ik viseerde, maar wel over gemeenschapsgeld dat naar minderwaardige dingen als dat Wassalon van de onbeschaamde Gennez vloeit.

Holger Marcks kent het reilen en zeilen van door de staat gesubsidieerde organisaties van binnenuit. Hij legt uit hoe deze organisaties het debat in Duitsland schaden. Het gevaar van een nieuw fascisme wordt volgens hem bewust overdreven.

Morten Freidel, Berlin, 28 juli 2026.

Meneer Marcks, u hebt een linkse achtergrond, hebt onderzoek gedaan naar rechts-extremisme en werkt al vijf jaar in de ngo-sector. U staat echter in principe kritisch tegenover de ‘strijd tegen rechts’. Hoe komt dat?

Omdat ik die strijd als disfunctioneel beschouw, en dat niet pas sinds gisteren. We zien immers de resultaten. De AfD haalt in het oosten in verschillende deelstaten bijna 40 procent, is landelijk gevestigd als sterkste kracht en lijkt bijna oninhaalbaar. Het linkse kamp, dat voor deze strijd tegen rechts staat, verliest steeds meer terrein. En dat terwijl er heel veel overheidsgeld is geïnvesteerd in verenigingen, vooral via het programma ‘Demokratie leben!’. Ik zou willen dat ik iets anders kon zeggen, maar gezien deze balans kan niemand van een succes spreken. En toch zet de door de staat gesubsidieerde civiele samenleving haar strijd onverstoorbaar voort. Er is geen strategische koerswijziging te bespeuren, integendeel.

Moet de civiele samenleving dan geen strijd voeren tegen extremisten die delen van onze grondwet afwijzen?

Als het tenminste echt alleen om extremisten zou gaan. Maar dat is al lang niet meer het geval. We zien immers al bij de AfD dat zowel de autoriteiten als de politicologie moeite hebben om het eens te worden over de vraag of de partij „aantoonbaar extreemrechts“ is. We kunnen het erover eens zijn dat ze dat gedeeltelijk is. Maar als het om de partij als geheel gaat, wordt het al moeilijk, en bij de kiezers al helemaal. Uit onderzoek blijkt geen zo sterke toename van extreemrechtse opvattingen in de Duitse samenleving als deze politieke verschuiving naar rechts doet vermoeden. Tegelijkertijd zien we een verruiming van het begrip extremisme. Er wordt inmiddels heel veel als extreemrechts of fascistisch bestempeld.

Bijvoorbeeld?


Laten we bijvoorbeeld de reportage van „Correctiv“ nemen over de geheime bijeenkomst in Potsdam en de daaropvolgende demonstraties tegen rechts. Sindsdien wordt de CDU bestempeld als handlangers van het fascisme of zelfs als extreemrechts. We voeren inmiddels al wekenlang in de Duitse cultuurpagina’s een debat over een nieuw fascisme, wat naar mijn mening geen stand houdt bij een serieuze politicologische definitie. Of neem de nieuwe voorzitter van Die Linke, Luigi Pantisano, die de CDU een fascistische politiek heeft verweten. Dit alles radicaliseert jonge mensen. Velen geloven in het verhaal van een enorme dreiging van rechts.

Zelfs als dat onjuist of vertekend zou zijn: moet dat dan niet onder de vrijheid van meningsuiting worden geschaard?

Er is echter geen gelijkheid van middelen bij dergelijke uitingen. De staat ondersteunt immers maatschappelijke actoren met aanzienlijke middelen, die vervolgens proberen invloed uit te oefenen op het politieke discours en dit in een bepaalde richting te sturen. Dat is op zich al twijfelachtig vanuit democratisch-theoretisch oogpunt. Daar komt nog bij dat velen te ver gaan en zelf polariserend werken, soms zelfs repressief.

Hoe komt dat?

Allereerst moet men zich realiseren dat veel maatschappelijke organisaties politiek zeer homogeen zijn. Wie daar werkt, staat doorgaans dicht bij Die Linke, de SPD of de Groenen. Vanuit sociologisch oogpunt is het volkomen te verwachten dat er in dit kamp een sterke vooringenomenheid heerst, die door groepsdynamiek wordt versterkt.

Heeft u daar een voorbeeld van?

Neem bijvoorbeeld de discussie over mensvijandigheid en transfobie. Sinds 2022 heeft er een zeer sterke versmalling van het discours plaatsgevonden. Uitspraken die voorheen als onomstreden golden, werden plotseling als mensonvriendelijk beschouwd, bijvoorbeeld: „Er zijn slechts twee biologische geslachten.” In deze periode heeft er door de invloed van door de staat gesubsidieerde organisaties en bijbehorende meldpunten ook sprake geweest van zogenaamde „overblocking”: er werden dus accounts geblokkeerd, inhoud verwijderd en procedures gestart. Inhoud en meningsuitingen werden als onrechtmatig afgedaan en met sancties bestraft, alleen maar omdat bepaalde mensen ze niet opportuun vonden. Terwijl ze niet eens onjuist zijn.

Maar is er dan geen probleem met haatdragende uitlatingen op het internet? Moet daar niet op de een of andere manier op worden gereageerd?

Er is natuurlijk een bepaalde kern in de samenleving van mensen die daadwerkelijk mensonvriendelijke standpunten innemen. Maar het onderscheidend vermogen is verloren gegaan. Er wordt dan vaak geen onderscheid meer gemaakt tussen uitingen die bijvoorbeeld transgenders hun menselijke waardigheid ontzeggen, en uitingen die bijvoorbeeld bepaalde taalregels afwijzen of de zelfbeschikkingswet in deze vorm. Dit alles wordt dan onder transfoob gedrag geschaard en dienovereenkomstig behandeld.

Toch blijft de vele haat op internet een probleem, nietwaar?

Haat is een heel menselijke en normale emotie, hoe onaangenaam die ook is. En als we een digitale publieke ruimte hebben waarin heel, heel veel mensen zich op een zeer emotionele manier uiten, dan is het ook te verwachten dat er veel haat naar boven komt. En natuurlijk treft dat dan niet alleen linkse mensen. Volgens een onderzoek is er zelfs een licht overschot aan rechtse mensen die door vijandigheden op het internet niet vrijuit
durven te spreken.

Wat u zegt, klinkt alsof niet-gouvernementele organisaties medeverantwoordelijk zijn voor de radicalisering van linkse mensen.

Wanneer bewegingen radicaliseren, staat meestal een sterk dreigingsverhaal centraal. Mensen gaan op een gegeven moment geloven dat er een direct gevaar dreigt, en dat er daarom nu bijzonder drastische of zelfs radicale maatregelen nodig zijn. Rechts discussieert al jaren over een vermeende bevolkingsvervanging of de ondergang van het volk. In de jaren 2010 hebben terroristen uit dergelijke verhalen hun legitimatie voor hun daden geput. Dit verhaal heeft het rechts-extremisme een zekere impuls gegeven, en daaruit volgden als reactie dan ook de strijd tegen rechts en het bevorderen van een burgermaatschappij die zich aan deze strijd moet wijden. Alleen: in de loop der jaren heeft deze haar eigen dreigingsverhaal gecreëerd.

Hoe ziet dat er precies uit?

Delen van het linkse kamp zijn er vast van overtuigd dat de opkomst van een nieuw fascisme op handen is. De laatste tijd spreken sommigen zelfs heel openlijk over linkse krijgshaftigheid, met concepten die we eigenlijk kennen uit de radicaal-linkse scene. Dat is heel duidelijk te zien aan de zanger Danger Dan,
die nu in een liedje op gecodeerde wijze oproept tot geweld tegen rechtsextremisten.

Maar de muzikant mocht met zijn liedje niet optreden op de publieke omroep. Er werden dus grenzen getrokken.

Ik zou niet onderschatten wat daar op dit moment gebeurt. De man wordt gesteund door een van de grootste platenmaatschappijen ter wereld; zijn nummer heeft door de publieke aandacht miljoenen views gekregen. Hij schetst een scenario waarin fascisten aan de macht komen en doet vervolgens minutenlang voorstellen om tegen hen op te treden, die op het randje van de illegaliteit liggen of daar zelfs overheen gaan. Hij roept op om anoniem te handelen en geen sporen achter te laten. Er is zelfs een gecodeerde oproep tot geweld met verwijzing naar Antifa Ost, die immers bekendstaat om gewelddadige acties tegen extreemrechtse en vermeende extreemrechtse personen. Zelfs in academische kringen, op platforms als LinkedIn, discussiëren gewone mensen hier plotseling heel onbevangen over. Al maanden praten linkse mensen erover dat het fascisme op de loer ligt, en hoe verder je naar links gaat, hoe intenser dit discours wordt. Ik zou niet uitsluiten dat jonge mensen de komende maanden tot actie overgaan.

Van niet-gouvernementele organisaties tot gecodeerde oproepen tot geweld in songteksten is toch een heel lange weg. De meeste medewerkers van dergelijke verenigingen zullen geweld waarschijnlijk afwijzen. Je kunt hen toch moeilijk verantwoordelijk stellen voor de uitspattingen van muzikanten als Danger Dan, of wel?

Dat doet niemand. Toch wordt het dreigingsverhaal van een ernstige bedreiging voor de democratie door het linkse kamp in de openbaarheid gebracht, en sommige niet-gouvernementele organisaties schilderen dit gevaar voortdurend af. Wie zich hiertegen verzet, moet het verwijt van bagatellisering slikken.

Waar heeft u dat waargenomen?

Toen Jan Philipp Reemtsma zich onlangs in de «Frankfurter Allgemeine Zeitung» verzette tegen het buitensporige gebruik van het begrip ‘fascisme’, lieten linkse sociale wetenschappers van zich horen om hem te bekritiseren. De teneur was dat hij het gevaar bagatelliseerde. Natuurlijk zijn er geen directe organisatorische banden tussen de ngo’s en de wetenschappers, maar we hebben het hier wel over hetzelfde sociaal-politieke milieu. De door de staat gesubsidieerde civiele samenleving beroept zich altijd sterk op bepaalde wetenschappers en stelt zelf studies op die haar stellingen moeten ondersteunen, waarna de wetenschappers daar welwillend commentaar op geven. Zo ontstaat een vicieuze cirkel. Uiteindelijk is dat niet zo verrassend. Het bestaansrecht van de ngo hangt immers af van het feit dat het gevaar van rechts permanent in de publieke aandacht aanwezig is. De actoren rationaliseren de wereld op een manier die samenvalt met hun eigen belangen. Dat zouden we sinds Max Weber moeten weten.

Daarmee insinueert u dat het hier niet om wetenschap gaat. Een zwaar verwijt.

De sociale wetenschappen vormen een wetenschappelijk domein dat altijd vatbaar is voor politieke instrumentalisering. Het is geen wetenschap waarvan de uitspraken, zoals bij de natuurwetenschappen, duidelijk kunnen worden bewezen of weerlegd. In de sociale wetenschappen gaat het altijd om het aannemelijk maken van stellingen, hoezeer men ook met empirische methoden werkt. Daar komt nog bij – en dat is wetenschappelijk aangetoond – dat er in de afgelopen decennia een steeds sterkere verschuiving naar links in de sociale wetenschappen heeft plaatsgevonden. Ook het onderzoek naar rechts-extremisme was tien, vijftien jaar geleden nog een nicheonderwerp. Inmiddels houden heel veel mensen zich hiermee bezig, wier politieke identiteit nauw verweven is met de strijd tegen rechts-extremisme.

Heeft u concrete aanwijzingen dat er onder het mom van wetenschap politieke agitatie wordt bedreven?

Een goed voorbeeld hiervan is het discours over transfobie, waar ik het al over had. Zelfs mensen als Jan Böhmermann beweren inmiddels dat er wetenschappelijk al lang consensus bestaat dat er meer dan twee – let op de formulering – biologische geslachten zijn. Dat strookt natuurlijk niet met het debat in de biologie. Daar wordt gediscussieerd over varianten binnen de geslachtsklassen. Maar dat trekt het tweeslachtigheidsprincipe niet in twijfel. Men kan goed zien hoe deze verdraaiing concreet tot uiting komt, bijvoorbeeld in het AfD-rapport van de Gesellschaft für Freiheitsrechte. Een heel hoofdstuk is gewijd aan de vermeende „ideologie van de tweeslachtigheid”. Uitspraken van individuele AfD-leden dat er slechts twee geslachten zouden zijn, worden daar aangehaald als bewijs voor de grondwetvijandigheid van de partij. Wat valt daar nog over te zeggen? Dit zijn anti-verlichtingstendensen in academische kringen.

Dit is echter geen voorbeeld van activistische wetenschap, maar van de achteraf plaatsvindende verdraaiing van wetenschappelijke discussies.

Dat komt inderdaad veel vaker voor. Men mag echter niet onderschatten dat sociale wetenschappers geneigd zouden kunnen zijn om de resultaten te leveren die van hen worden verwacht of die zij van zichzelf verwachten.

Zijn de begrippen haat, opruiing en desinformatie volgens u geschikte termen om mogelijke misstanden op de sociale netwerken onder één noemer te brengen?

Als we het over haat en opruiing hebben, dan hebben we het, hoe onaangenaam dat ook is, over relatief normale menselijke eigenschappen. Daar komt nog bij dat de term zeer selectief wordt toegepast, namelijk in de zin van de zogenaamde groepsgerichte mensenvijandigheid. Daarmee worden specifieke groepen bedoeld die men beschouwt als onderdrukt, gediscrimineerd of tot de minderheden behorend. Als een AfD-politicus aan haat wordt blootgesteld, telt dat niet mee. Soortgelijke problemen zie ik bij het begrip desinformatie. In strikt wetenschappelijke zin veronderstelt het begrip een bewuste intentie tot misleiding.

Dat is echter moeilijk aan te tonen.

Dat is precies het punt. Want het begrip wordt vaak gebruikt voor iets wat ik eerder zou omschrijven als ‘postfactische dynamieken’, die voortvloeien uit toenemend groepsdenken in het tijdperk van sociale netwerken. We hebben een digitale publieke ruimte waarin zaken snel uit de hand lopen, mensen zich afsluiten en men op een gegeven moment gelooft wat men wil geloven. Dat is overigens niet iets wat voorbehouden is aan rechts. Ook het linkse kamp, en ook academische kringen, zijn vatbaar voor identiteitsondersteunende denkfouten en postfactische dynamieken.

Wat moet er gebeuren met programma’s als ‘Demokratie leben’?

In tijden waarin een nieuwe publieke ruimte ontstaat, die het politieke discours onvermijdelijk zo emotionaliseert dat het daadwerkelijk steeds moeilijker wordt om stabiel te regeren en er polarisatiedynamieken ontstaan, is het volkomen zinvol om instellingen of netwerken op te richten die proberen het discours op een beschaafde manier te beïnvloeden. Ze moeten echter strikt onpartijdig zijn en vooral observeren. Er is geen behoefte aan meldpunten met een linkse inslag. En als het er echt om gaat het debat te reguleren, dan hebben we eerder zoiets nodig als een nieuw maatschappelijk contract, waarin we afspreken hoe we de digitale publieke ruimte en verantwoordelijkheid willen structureren.

Waarom spreekt u van een complex tussen media, wetenschap en ngo’s?

Allereerst zijn niet-gouvernementele organisaties politieke organisaties die politieke doelen nastreven. De staat voorziet hen nu van middelen, en zij gebruiken deze middelen om in het discours in te grijpen. Deze instellingen staan op hun beurt ter beschikking van de media als gesprekspartners. Als het om bepaalde thema’s gaat – democratie, polarisatie, verschuiving naar rechts –, dan is er inmiddels sprake van een regelrechte vaste verbinding. Tegelijkertijd zijn ngo’s organisch verweven met wetenschappers, in die zin dat ze grotendeels uit academische kringen rekruteren. Veel jonge sociale wetenschappers vinden daar een baan. Tegelijkertijd probeert men het werk altijd te onderbouwen met een wetenschappelijke basis. Dat betekent dat men met overheidsgeld wetenschappers aantrekt die worden ingeschakeld om onderzoek te doen. Het is natuurlijk problematisch als men de wetenschap zo sterk in het politieke bestel inbedt; dit brengt haar onafhankelijkheid in gevaar. Dat zou men als socioloog eigenlijk ook moeten weten.

Zou het, gezien al het bovenstaande, niet consequent en juist zijn als de staat zich volledig terugtrekt uit de financiering van dit gebied?

Er bestaat natuurlijk geen recht op een door de staat gesubsidieerde baan. Het gaat hier om publieke middelen; men is verantwoording verschuldigd en moet aantonen dat het eigen werk daadwerkelijk nut heeft voor de samenleving. Strikt genomen zouden er eigenlijk eerst maar een paar modelprojecten nodig zijn geweest, die verschillende benaderingen volgen, pluralistisch zijn opgezet en die vervolgens op een verstandige manier geëvalueerd en geanalyseerd zouden zijn. Op basis van deze resultaten had men dan kunnen beslissen wat zinvol is. De realiteit is echter ook dat hier politieke belangen een rol spelen. Daar moeten we eerlijk over praten.

Wordt u persoonlijk aangevallen vanwege uw standpunten?

Ik zou het zo willen formuleren: in een homogene werkomgeving, waar bepaalde narratieven de boventoon voeren, ben je met een meer afstandelijke houding natuurlijk niet bijzonder populair. Op sociale media wordt mij ook af en toe verweten dat ik de rechtse krachten in de kaart speel of zelfs rechtse narratieven verspreid. Mijn zeer duidelijke linkse achtergrond beschermt me echter tegen al te onbeholpen pogingen om mij in diskrediet te brengen. Het gaat mij daadwerkelijk om een gezonde, volwassen democratie. Ik beschouw het als een republikeinse plicht en een kwestie van wetenschappelijke integriteit om het werk van de niet-gouvernementele organisaties te bekritiseren, om zo als tegenwicht te fungeren.

Over Holger Marcks – sociaalwetenschapper


Geboren in 1981 in Viernheim. Van 2012 tot 2018 deed hij onderzoek naar politiek geweld aan de Goethe-Universiteit in Frankfurt. Van 2018 tot 2021 deed hij onderzoek naar islamisme en rechts-extremisme aan het Instituut voor Vredesonderzoek en Veiligheidsbeleid in Hamburg. In 2021 was hij medeoprichter van het online magazine „Machine against the Rage“. Tot 2024 maakte het deel uit van de federale werkgroep «Gegen Hass im Netz» en is sindsdien ondergebracht bij het Instituut voor Democratie en Burgermaatschappij in Jena.


27 juli 2026

Mensen laten uitspreken


Natuurlijk kunnen politieke interviews verhelderend zijn, maar dan moeten die een gast laten uitspreken, én een zekere duur hebben, zoals bij de Duitse journalist Constantin Schreiber in zijn podcast. Hier zijn gesprek met Sahra Wagenknecht, waaruit de eerste kleine minuut. Het hele gesprek duurt 41 minuten, en er komen dus meer thema’s aan bod: de verhouding tussen Wagenknecht en de AfD van Alice Weidel, de bedenkelijke toestand van het Duitse onderwijs, de Brandmauer (cordon sanitaire), immigratie, haar houding tegenover Rusland &c. En onvermijdelijk krijgt Wagenknecht van journalisten vaak het verwijt (niet van Schreiber) dat ze van links, nu rechts zou zijn geworden:

Constantin Schreiber: Bent u tegenwoordig eigenlijk rechts?
Sahra Wagenknecht: Kijk, de vraag is: wat héét vandaag rechts? Men heeft met succes de mensen wijsgemaakt dat alles wat het gezonde mensenverstand wil, rechts zou zijn. Ik werd dus voor het eerst als rechts geframed toen ik zei dat wie zijn gastrecht heeft misbruikt, het gastrecht heeft verspeeld. Dat was na die aanrandingen bij de Dom van Keulen.
Helaas is het zo dat deze begrippen volkomen overhoop zijn geraakt.
Welnu, voor mij is rechts –in de traditionele zin– dat is iemand die reactionair is, die machtsverhoudingen wil bestendigen, die gelijkberechtiging en dergelijke wil terugdraaien. Natuurlijk ben ik niet rechts in die zin! Maar ik gebruik die kwalificaties helemaal niet meer, omdat geen mens ze nog begrijpt.


Schreiber: Sind Sie jetzt eigentlich rechts?
Wagenknecht: Ja, die Frage ist ja, was ist heutzutage rechts? Also, man hat ja den Leuten erfolgreich eingeredet alles was der gesunde Menschenverstand will, sei rechts. Also, ich wurde das erste Mal als Rechts geframt, als ich gesagt habe, wer Gastrecht missbraucht hast, hat Gastrecht verwirkt. Das war damals als es diese Übergriffe gab auf der Kölner Domplatte. Äh es ist leider so, dass diese Begriffe völlig durcheinander geraten sind.
Also für mich ist rechts im traditionellen Sinne wirklich äh jemand, der reaktionär ist, der die Machtverhältnisse befestigen will, der zurückdrehen will, auch Gleichberechtigung und ähnliche Dinge. Natürlich bin ich nicht rechts in dem Sinne, aber ich ich benutze diese Labels heute gar nicht mehr, weil die keiner mehr versteht.

13 juli 2026

Even natrappen, naar het voorbeeld van Messi


In zijn pas verschenen boek, met allemaal stukjes die eerder in de krant stonden, maakt de dichter Jean-Pierre Rawie een opmerking die Dhooge&Meganck, de gebuisde architecten van het Gravensteen, niet graag zullen lezen (mochten zij hem überhaupt lezen).
Niet dat deze heren geen lessen hebben getrokken uit hun debacle: ze gaan nu zelfs schuil onder een andere naam. Hun verleden wordt uitgewist, ongeveer zoals ze ook met dat Time Castle de geschiedenis wilden wissen:

Onder de nieuwe naam WONDERSTAD presenteert het bureau zich
met een aangescherpte visie op architectuur en stedenbouw.

Waren zij met dat aanscherpen een paar jaar eerder begonnen, dan hadden de Gentenaars een hoop geld gespaard.

Rawie nu, met zijn aanstootgevende opmerking. Hij had het Castello di Duino nabij Triest bezocht, waar Rainer Maria Rilke inspiratie vond voor zijn Duineser Elegien.

De dichter schrijft dat hij al langer van Rilke houdt dan die zelf heeft geleefd. Mij zijn die gedichten soms te hermetisch, en ik lees vaker leerdichters zoals Lucretius of Pope of Boileau. Daar steek je nog wat van op! Maar laten we een man met meer smaak aan het woord:

Weliswaar was me bekend dat het kasteel, strategisch op een over de Adriatische Zee uitziende rots gebouwd, in de Eerste Wereldoorlog goeddeels was verwoest, maar het is zo vakkundig herbouwd dat je daar, zelfs als je het weet, niets van merkt.


Jean-Pierre Rawie
Gebonden aan de waarheid
2026 Prometheus Amsterdam, p.58


9 juli 2026

Mbappé moet nog even wachten: nu geen voetbal


[…] dat de mens niet alleen van voetbal leeft, weten we uit Deuteronomium, het vijfde Boek van Moses, en Matthéüs en Lukas sloten zich hierbij aan.

In Les Délices, Voltaires kasteel in Ferney nabij Genève, had de gastheer geanimeerde gesprekken met Casanova, over poëzie en filosofie. Beiden citeerden uit het hoofd passages uit onder meer Horatius, een gedeelde liefde.

Wat de filosofie betreft ging het over het bijgeloof, dat volgens Voltaire moest uitgeroeid worden, wat in de echte wereld zowel ondoenbaar als onwenselijk was, vond Casanova. Of dat gesprek, of die gesprekken ook woordelijk zo verliepen, weten we alleen uit Histoire de ma Vie ...en Casanova wint hier, als kenner van de echte wereld, zonder geloof in een ideale wereld die hij als gevaarlijk beschouwt.

Hij doet hier denken aan Heine, die later ook de religie, geloof en 'bijgeloof', zal verdedigen met kennis van de wereld: Heil aan deze uitvinding! Heil aan een religie die een paar zoete, slaapverwekkende druppeltjes in de bittere kelk van de lijdende mensheid goot, geestelijk opium, een paar druppels liefde, hoop en geloof!

We waren nu ongeveer wel klaar, maar een vers van Horatius dat ik aanhaalde om een van zijn ideeën te prijzen, deed hem zeggen dat Horatius een grootmeester was wiens recepten nooit zouden verouderen.
— Een enkel ervan overtreedt u toch, zei ik, maar wel als een groot man.
— En welk dan?
— U schrijft niet contentus paucis lectoribus.*
— Ook Horatius zou voor het grote publiek hebben geschreven, als hij zoals ik het bijgeloof had moeten bestrijden.
— Die moeite zou u zich kunnen besparen, meen ik, want u zult er nooit in slagen het te vernietigen; en zelfs mocht u erin slagen, zegt u me dan eens waardoor u het zou vervangen.
— Dat is me wat moois. Als ik de mensheid bevrijd van een woest beest dat haar verslindt, kan men mij dan vragen wat ik ervoor in de plaats zal stellen?**
— Het verslindt haar niet. Het is integendeel noodzakelijk voor haar bestaan.
— Omdat ik de mensheid liefheb, zou ik haar graag net zo gelukkig zien als ikzelf: vrij, en bijgeloof is onverenigbaar met vrijheid. Waar kan volgens u onderwerping het geluk van een volk brengen?
— U wil dus de soevereiniteit bij het volk leggen?
— God beware me. Één man moet aan het roer staan.
— Dán is bijgeloof noodzakelijk, want zonder dat zal het volk de monarch nooit gehoorzamen.
— Geen monarch, want die naam doet mij denken aan het despotisme dat ik evenzeer moet haten als de horigheid.
— Wat wilt u dan? Als u wil dat iemand alleen regeert, kan ik hem alleen maar als een vorst beschouwen.
— Ik wil dat hij het bevel voert over een vrij volk, en hij zal dan hun leider zijn, maar we hoeven we hem geen vorst te noemen, want hij zal nooit als scheidsrechter kunnen optreden.
Adisson vertelt u dat een dergelijke monarch, dat zo'n leider niet behoort tot de mogelijke bestaansvormen. Ik ben voor Hobbes. Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Een volk zonder bijgeloof zou filosofisch zijn,*** en filosofen willen nooit gehoorzamen. Het volk kan alleen gelukkig zijn als het de mond wordt gesnoerd, vertrappeld en aan de ketting gelegd.****
— Als u mij gelezen hebt, zult u de bewijzen hebben gevonden waarmee ik aantoon dat bijgeloof de vijand van koningen is.
— Of ik u gelezen heb? Gelezen en hèrlezen! En vooral wanneer ik het niet met u eens was. Uw grootste passie is uw liefde voor de mensheid. Est ubi peccas.***** Die liefde maakt u blind. Hou van de mensheid, maar u kunt haar alleen liefhebben zoals zij is. Zij is niet ontvankelijk voor de weldaden die u haar wil schenken, en door ze haar te geven zou u haar ongelukkiger en slechter maken. Láát haar het beest dat haar verslindt: dat beest is haar dierbaar. Ik heb nog nooit zo hard gelachen als toen ik Don Quichot zag die zich in grote problemen had gewerkt, en zich moest verdedigen tegen de galeislaven aan wie hij uit grootmoedigheid zojuist de vrijheid had geschonken.
— Voelt u zich vrij in Venetië?
— Voor zover men dat kan zijn onder een aristocratisch bewind. De vrijheid die wij genieten is niet zo groot als die in Engeland, maar wij zijn tevreden. Mijn gevangenschap bijvoorbeeld was een flagrante daad van despotisme, maar omdat ik wist dat ik zelf misbruik had gemaakt van de vrijheid, vond ik op bepaalde momenten dat zij gelijk hadden gehad mij zonder de gebruikelijke formaliteiten op te sluiten.
— Als dat zo is, is niemand vrij in Venetië.
— Best mogelijk, maar geef toe dat om vrij te zijn het volstaat te geloven dat men het is.

________________
        * Met weinig lezers tevreden (Horatius, Satiren I, 10). Horatius haalt de actrice Arbuscula aan die verklaarde, toen ze werd uitgejouwd (explosa): Mij volstaat het als de ridders me toejuichen. Hij is het met haar eens. Ook Stendhal denkt er zo over, en besloot een boek vaak met: For the happy few. 
      ** Letterlijk uit Voltaires Tombeau du Fanatisme (1767). 
    *** In de zin van de Encyclopedisten.
  **** In De Cive XII (1647) zegt Hobbes wel: Lingua hominum tuba est seditionis. De tong der mensen is de klaroen van de opstand. Maar deze formulering is van Casanova afkomstig, en wil de noodzakelijkheid van bijgeloof onderstrepen.
***** Daar zondigt u. (Horatius, Brieven II, 1) Interdum volgus rectum videt, est ubi peccat. Soms ziet het volk klaar, soms dwaalt het.
      *° Hoofdstuk 22. Prachtig vertaald door Barber van de Pol, voor de Arbeiderspers.



Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013
Tome Cinquième, Chapitre VII, pp. 508-511

30 juni 2026

De vrede verstoord in Monaco


Zo te horen ging het er destijds in Monaco rustiger aan toe dan vandaag. Je had daar sinds 1863 wel het Casino van Monte Carlo, waar Alexandre Dumas, Ivan Turgenjev, Eduard Douwes Dekker en later ook Graham Greene zich geregeld lieten zien, maar dat gaf geen problemen.

Vandaag komen er nogal wat Russen en Oekraïners aan de roulettetafel, maar ook die mensen leven er overwegend vredig met elkaar. Over uitwijzingsbevelen hoor je nooit iets. Waarom zou iemand met zijn eerlijk verdiende centjes niet eens mogen spelen tenslotte?

Nu ging de prins van Monaco ook vroeger al lankmoedig om met uitwijzingsbevelen, lezen we bij Maupassant.


Deze vorst is noch bloeddorstig, noch wraakzuchtig, en wanneer hij iemand verbant – want dat doet hij wel – wordt deze maatregel met eindeloze omzichtigheid toegepast.
Is hier bewijs voor nodig?
Op een dag dat alles tegenzat beledigde een verstokte gokker de vorst. Hij werd bij decreet verbannen.
Een maand lang zwierf hij rond het verboden paradijs, uit angst voor het zwaard van de aartsengel in de gedaante van de sabel van een gendarme. Op een dag waagde hij het eindelijk, overschreed de grens, bereikte in dertig tellen het hart van het land en drong het Casino binnen. Maar daar hield een ambtenaar hem plots tegen:
– Bent u niet verbannen, meneer?
– Ja, meneer, maar ik vertrek met de eerste trein.
– O! In dat geval, prima meneer, komt u binnen.
En elke week keert hij terug; en elke keer stelt dezelfde saaie ambtenaar hem dezelfde vraag, waarop hij hetzelfde antwoord geeft.
Kan gerechtigheid nog milder zijn?


Guy de Maupassant
Contes et Nouvelles (1875-1883)
in: Bouquins, Robert Laffont, 1988, Tome 1, pp.617-18



_________
Noot van 16 juli: Zelensky lijkt hier de hand in te hebben gehad. Dat lijkt dan ook vervelend voor zijn goede vriendin Ursula.

22 juni 2026

De Koperen Ploert


De uitdrukking ‘koperen ploert’, ter aanduiding van de Zon, zullen vandaag velen naar waarde weten te schatten. Ik trof ze lang geleden aan in een boek –welk weet ik niet meer– van Gerard Reve. Weer een prachtvondst van hem dacht ik.

Niets van! De uitdrukking werd gebruikt in Nederlands-Indië en komt uit de soldatentaal. Dat leerde ik bij Dr. F.P.H. Prick van Wely, in Neerlands taal in 't verre Oosten (1906).
 
Nu is zoals wij weten de zon een grote vuurbal, en als zodanig gevaarlijk voor mens en dier. Maar niet alleen voor hen! Ook boeken mogen niet aan de zon worden blootgesteld. Mensen die bijvoorbeeld op het strand boeken lezen, mag je zonder meer Vijanden van het Boek noemen.
Nochtans vermeldt William Blades de zon niét in The Enemies of Books (1888),* terwijl hij toch heel wat vijanden opsomt, en vuur de grootste van allemaal noemt:

Hoofdstuk I:       Vuur
Hoofdstuk II:     Water
Hoofdstuk III:    Gas en warmte
Hoofdstuk IV:    Stof en verwaarlozing
Hoofdstuk V:      Onwetendheid en fanatisme
Hoofdstuk VI:    De Boekworm
Hoofdstuk VII:   Ander ongedierte
Hoofdstuk VIII: Boekbinders
Hoofdstuk IX:    Verzamelaars
Hoofdstuk X:      Bedienden en kinderen

CHAPTER I. FIRE.
THERE are many of the forces of Nature which tend to injure Books; but among them all not one has been half so destructive as Fire. It would be tedious to write out a bare list only of the numerous libraries and bibliographical treasures which, in one way or another, have been seized by the Fire-king as his own. Chance conflagrations, fanatic incendiarism, judicial bonfires, and even household stoves have, time after time, thinned the treasures as well as the rubbish of past ages, until, probably, not one thousandth part of the books that have been are still extant. This destruction cannot, however, be reckoned as all loss; for had not the "cleansing fires"
** removed mountains of rubbish from our midst, strong destructive measures would have become a necessity from sheer want of space in which to store so many volumes.

Talrijk zijn de Natuurkrachten die Boeken schade weten toe te brengen; maar geen van allemaal is ook maar half zo verwoestend als Vuur. Het zou een hele klus zijn om alleen al een lijst op te stellen van de talloze bibliotheken en bibliografische schatten die de Vuurkoning op de een of andere manier tot de zijne heeft gemaakt. Toevallige branden, fanatieke brandstichting, gerechtelijke brandstapels en zelfs huiskachels hebben keer op keer zowel de schatten als de rommel uit vervlogen tijden uitgedund, totdat er waarschijnlijk niet een duizendste deel van de boeken die er ooit waren, bewaard is gebleven. Deze vernietiging kan echter niet als een volslagen verlies worden beschouwd, want als het „louterend vuur”** geen bergen rommel uit ons midden hadden verwijderd, zouden ingrijpende vernietigingsmaatregelen noodzakelijk zijn, puur uit gebrek aan ruimte om zoveel boekdelen op te bergen.
__________________ 
  * Zijdelings wijst hij erop, in hoofdstuk IV, dat je in sommige bibliotheken de stofdeeltjes in de zonnestralen ziet dansen.
** Bijbels thema. Job 23:10 Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. Katholieken denken hier aan de loutering in het vagevuur, het purgatorium, een begrip dat zowel Luther als Calvijn verwierpen. Ook Anglicanen verwerpen die Roomse visnochvleesoplossing.

William Blades
The Enemies of Books
Revised and Enlarged by the Author, 1888
2015 Cambridge University Press

27 mei 2026

Het Nieuws decoderen


C'est palpitant comme la gazette d’hier, even opwindend als de krant van gisteren, schreef Alexandr Poesjkin ergens in een brief (opgenomen in een boek van Karel van het Reve dat ik niet onmiddellijk terugvind).

Voor de meeste artikelen gaat die grappige uitspraak zeker op, al kan kranten lezen van een dag oud, een week of zelfs jaren oud wel leerzaam zijn. Je ziet dan hoe de auteurs zichzelf onbekommerd tegenspreken, het omgekeerde beweren van wat ze eerder schreven enzovoort.
Altijd interessant echter is oude essays herlezen, tenminste als ze afkomstig zijn van verstandige mensen. Van 
Saul Bellow bijvoorbeeld. Deze Joods-Russisch-Canadese Amerikaan gaf in mei 1990 een speech aan Oxford University met als titel The Distracted Public –na te lezen in het boek hieronder– en hiervan moet gewoon niets worden teruggenomen.
Saul Bellow was begonnen als 'liberal' maar was gaandeweg opgeschoven naar de conservatieve kant. Zulke dingen komen voor. Hij kon bijvoorbeeld de agressieve feministen niet luchten die zijn colleges kwamen verstoren.*

Kranten moet je spaarzaam, behoedzaam en defensief lezen. Je weet heel goed dat journalisten het zich niet kunnen veroorloven je ronduit te vertellen wat er gaande is. Er zijn gedegen waarnemers die menen dat de pers de Amerikanen geen enkel waarheidsgetrouw beeld van de wereld kan geven. Het geschreven woord is onbetrouwbaar en het gesproken woord van tv en radio mist zin voor verantwoordelijkheid. De politiek analist Michael Ledeen stelt dat “veel van de huidige mediasterren er volledig van overtuigd zijn dat zij de nationale agenda moeten bepalen”. De macht van de media, zegt hij, is macht die de regering is ontnomen. De pers in Washington heeft bewezen dat zij regeringsleiders kan vernietigen, en wordt bijgevolg zeer gevreesd. De regering lijkt zich niet bewust van haar gezag en weet niet uit te leggen wat de gronden voor haar beslissingen zijn. Haar tegenspeler, de pers, interpreteert het optreden van de regering op een manier die het oordeel van het publiek ondergraaft. Het jargon dat beide partijen gebruiken prikkelt, het boeit, het verwart, het beangstigt, leidt tot verwarring, het vernietigt de samenhang en maakt elk inzicht volstrekt onmogelijk.
Elke avond pronken de nieuwslezers, en terwijl zij het nieuws van de dag brengen, oefenen ze tegelijk druk uit op het publiek om een progressieve houding aan te nemen. Ze willen dat hun luisteraars tot de juiste conclusies komen over Zuid-Afrika of Litouwen of ongehuwde moeders – of de drugscrisis, het onderwijs of de rassenverhoudingen. Ze bespreken vol zelfvertrouwen zaken waar ze een week eerder nog helemaal niets van afwisten. Kortom, het zijn showmannen en entertainers; hun zenders verwachten van hen dat ze er intelligent uitzien en verlichte standpunten promoten.**
______________
  * Hierover een van zijn zonen aan het woord in The New York Times. We zien dat Bellow de perverse kracht van wat wij nu woke noemen toch heeft onderschat:
Gregory, 69, a retired California psychotherapist, chronicles his father’s rising fury in the 1960s and ’70s with black and feminist militancy and academia’s rejection of the great writers as “dead white men.” He describes Bellow’s rage at having been shouted down at San Francisco State University as “old, irrelevant and impotent.” Zeker dat laatste verwijt is enigszins onterecht, aangezien Bellow op zijn vierentachtigste nog een dochter had bij zijn vijfde vrouw.
De NYT besluit: Yet Bellow could be bluntly dismissive too, once telling the students in a seminar, “The only thing you women’s liberationists will have to show for your movement in 10 years will be sagging breasts!” Schande! stel je voor dat zoiets aan de Gentse Universiteit zou gebeuren!
** Hun macht is door de sociale media gelukkig flink ingedijkt nu.

Saul Bellow
It All Adds Up
A Nonfiction Collection
1994, Viking Penguin Books USA Inc. pp.157-8

24 mei 2026

Het raadsel van de anderen


Gisteren was er in Mechelen, in boekhandel De Zondvloed, de voorstelling van het nieuwe boek van Benno Barnard: Het raadsel van de anderen.

De auteur signeerde mijn exemplaar met: ‘Voor de raadselachtige Marc, van de enigmatische Benno’. Dat lijkt mij goed aan te sluiten bij de titel van het boek.

En al heeft Benno me al vaker gezegd dat ik ook eens over iets of iemand anders dan Casanova moest schrijven – en al luister ik gewoonlijk als hij een stilistische aanmerking maakt bij een of andere zin op mijn blog, toch moet ik hier ongehoorzaam zijn.
De schrijfstijl van Barnard wordt algemeen geroemd – Joël De Ceulaer noemt hem zelfs de grootste levende stilist van de Nederlandse Letteren – en dus denk ik dat Barnard het met Casanova eens moét zijn als die beweert dat een auteur maar één stijl heeft: geen auteur heeft er twee, zoals ook geen aangezicht twee uiteenlopende trekken heeft.

Feiten kun je inderdaad liegen, verzinnen, verdraaien en verfraaien, maar stijl dat ben je zelf. Le stile est l’homme même, zei Casanova’s tijdgenoot Buffon in zijn discours de réception bij de Academie française.*
Maar nu over het raadsel van de anderen.

In Histoire de ma Vie laat Casanova ons een brief lezen die zijn grote liefde Henriette hem schreef. Of die brief echt is blijft onbewezen, zo leren ons de geleerden, maar de stijl ervan is prachtig – even mooi als de Brief van Tatiana in Poesjkins Jevgeni Onegin, al zijn die brieven inhoudelijk totaal verschillend.
Op mijn vertaling ervan mag Benno aanmerkingen maken, graag zelfs, maar de Franse tekst is smetteloos. Wát een stilist is Casanova, of wie weet Henriette zelf:
Voici la copie de la lettre qu’Henriette m’écrivait:
(ik cursiveer de zin die mijn ongehoorzaamheid moet rechtvaardigen)

Mijn enige vriend, ik ben het die je in de steek moet laten. Maak je verdriet niet nog groter door aan het mijne te denken. Laten we ons voorstellen dat we een mooie droom hebben gehad, en laten we niet klagen over ons lot want nooit heeft zo’n mooie droom zo lang geduurd. Laten we onszelf prijzen dat we elkaar drie maanden lang volmaakt gelukkig hebben gemaakt: er zijn maar weinig stervelingen die dat kunnen zeggen. Laten we elkaar dus nooit vergeten, en laten we onze liefde vaak in gedachten oproepen om ze in onze zielen te vernieuwen, die, hoewel gescheiden er des te levendiger van zullen genieten. Informeer niet naar mij, en mocht het je toevallig ter ore komen wie ik ben, doe dan alsof je het niet weet. Weet, mijn beste vriend, dat ik mijn zaken zo goed op orde heb dat ik de rest van mijn leven gelukkig zal zijn, voor zover ik dat zonder jou kan zijn. Ik weet niet wie je bent; maar ik weet dat niemand ter wereld je beter kent dan ik. Ik zal in mijn hele verdere leven geen minnaars meer hebben, maar ik hoop dat jij niet van plan bent hetzelfde te doen. Ik wens dat je weer zult liefhebben, en zelfs dat je een andere Henriette zult vinden. Adieu.
_________
* Al bedekt men tegenwoordig verkeerde citaten in plechtige redevoeringen met de mantel der liefde: men schreef toen inderdaad nog stile en niet style.

Het raadsel van de anderen
2026, uitgeverij Atlas-Contact, Amsterdam/Antwerpen

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013

13 mei 2026

Wat wíst Casanova, en wat geloofde hij?

 

Giacomo Casanova mag dan losbandig hebben geleefd, zijn filosofie was dat niet – al sprak hij zichzelf wel eens tegen. In veel opzichten was ze schatplichtig aan de christelijke moraalfilosofie, maar die herinterpreteerde hij vanuit het aristotelisme van Padua* dat leerde dat alleen controleerbare en weerlegbare natuurlijke gegevens een bron van kennis waren, niet de theologie of de metafysica.
Meer dan eens verzekert Giacomo zijn lezer dat hij een christenmens is (zeer aan te raden in die dagen), maar tegelijk verwierp hij zowel de onsterfelijkheid van de ziel als de Heilige Drievuldigheid. Hij onderwierp het geloof aan materialistische kritiek, in de jaren waarin Europa werd overspoeld door de systemen van d’Holbach, Helvétius, Voltaire, die hij goed kende.
Voor Thomas van Aquino was het intellect, en dus de ziel nog onsterfelijk. Samen met Lucretius, vaak geciteerd, verwierp Casanova die gedachte. Maar ook de harde wetenschap wantrouwde hij.
De achtste van de negen dialogen tussen A en B begint zo – en A is natuurlijk Casanova:

B: Maar in de fysica zijn we er toch van overtuigd de waarheid te bereiken?
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.

Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:

Het gewone volk blijft hen in ere houden, al ziet men alledag dat ze hun gelofte alleen lijken te hebben afgelegd om hun naasten voor de gek te houden. Hun ontucht kent geen grenzen, alles op hun weg bezoedelen ze. Maar laten we het kort houden, en voorbijgaan aan de fouten waarvan ze kunnen zeggen dat ze die alleen vanwege hun geloof begaan […] laten we aannemen dat ze hun plicht doen. Laten we veronderstellen dat ze, hun gelofte getrouw, zich nooit met de geringste vleselijke daden bevlekken.
Maar, is het wél of niet waar dat de hele wereld in minder dan een eeuw zou zijn ontvolkt als de hele wereld voornemens was zich in kuisheid aan God te wijden? Zeker wel.
Ziedaar dan de mens, de mooiste loot van de natuur, vernietigd. Ziedaar bijgevolg de Prediker,** die onverholen overtuigde vijand van de natuur, en zie de kuisheidsgelofte, de ware zonde tegen haar. En vertel mij niet dat die vernietiging van de wereld er niet kán komen, omdat het moreel onmogelijk is dat iedereen zich eendrachtig daaraan zou wijden. Dat bewijst niets. Een morele onmogelijkheid vernietigt niet de kracht van een hypothese.
Telkens als je over een levenshouding, welke ook, kunt zeggen dat de menselijke soort eraan ten onder zou gaan als iedereen ze aannam, is het bewezen dat die levenswijze niet deugt, en dat iedereen die ze aanhangt het menselijk geslacht schade toebrengt, al behoort hij er zelf toe.*** Mijnheer de Voltaire is het die zo spreekt, maar ook vóór hem sprak de Rede al vaak in dezelfde zin.
Elke man die zweert zich niet met het vrouwtje te zullen verenigen, zweert dat wat hem betreft hij de menselijke soort te gronde zal richten. Wat is dat voor iemand, zo’n man? Hij is schuldig tegenover de natuur, en als die hem niet bevalt zal hijzelf zeker de maker ervan, God niet bevallen, die hem zijn wetten heeft voorgeschreven in zijn instincten.
Behalve de zelfmoord bestaat er dus geen tegennatuurlijke zonde, op de kuisheidsgelofte na. En wie mij vraagt waarom men onder tegennatuurlijke zonden dan meestal de pederastie verstaat, hem antwoord ik dat men die naam gegeven heeft omdat het altijd al een pekelzonde van de geestelijke stand is geweest, die om die reden passender de Tegennatuurlijken zou moeten heten.

Sapius a Domino nomina servus habet.****
_______________
      * Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
    ** Het Boek genaamd de Prediker (Statenvertaling) 4:2 Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 4:3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
  *** Casanova ontmoette nooit Kant, en kende ook geen Duits. De kans dat hij hem ooit las is onbestaande. Wel komt hij hier dicht bij diens: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, daß sie ein allgemeines Gesetz werde.Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785).
**** Bedoeld was wellicht saepius: meestal, gewoonlijk. De slaaf draagt meestal de naam van de meester. Wat deze zin hier komt doen wordt niet door de editor Bernardini verklaard. Op de bekende vraag: Discite grammatici cur mascula nomina cunnus, et cur femineum mentula nomen habet – verklaar eens, grammatici, waarom kut mannelijk is en pik vrouwelijk, zou Casanova ooit geantwoord hebben: Disce quod a domino nomina servus habet, weet dat de slaaf zijn naam krijgt van de meester.

Giacomo Casanova
Dialoghi sul suicidio
Saggio introduttivo e cura di
Paolo L. Bernardini
Roma, 2005, Aracne editrice

11 mei 2026

Zweig zwetst


Een goede dertig jaar geleden las ik veel Stefan Zweig, en zijn laatste boek was meteen ook het beste: Die Welt von Gestern. Maar nu herlas ik nog eens wat hij in Drei Dichter ihres Lebens te vertellen had over Casanova, en dat is nogal tegenstrijdig. In de voetnoot die u hieronder ziet – en die ik onvertaald heb gelaten, maar het beeldje wordt leesbaar als u erop klikt – noemt hij diens Histoire de ma Vie een van de grote werken van de Weltliteratur,* én klaagt hij tegelijk aan dat er in 1928 nog geen betrouwbare tekst van Casanova ter beschikking was.
Inderdaad berustte het manuscript bij de zedige, kuise uitgever Brockhaus die er een opgeschoonde Duitse vertaling van had laten maken (door zekere Schütz), die op haar beurt weer naar het Frans werd vertaald door zekere Laforgue (1826-1838). Tot zijn ergernis moest Zweig het stellen met die tweedehandse en vaak zelfs aangedikte vertaling. Un texte remanié, zeggen Igalens en Leborgne in hun schitterende uitgave.
Wát laat Zweig dan toe om verderop zo negatief te oordelen over Casanova als auteur, en hem in vergelijking met Stendhal en Tolstoi op uiteraard de laagste, de primitieve trap te plaatsen? Niets denk ik, hoe geleerd en hoogdravend het allemaal ook klinkt. Het gebeurt misschien niet vaak, maar hier zwetst Zweig.

Casanova, Stendhal, Tolstoj, deze drie namen – ik weet het – lijken op het eerste gezicht eerder onverwacht dan geloofwaardig bij elkaar te horen, en men zal zich op het eerste gezicht niet kunnen voorstellen op welk vlak een losbandige, amorele filou en dubieuze auteur als Casanova, naast een heroïsche ethicus, een zo volmaakte schepper als Tolstoj kan staan.
Inderdaad betekent dit samenzijn in een boek ook niet dat ze op hetzelfde intellectuele niveau naast elkaar staan; integendeel, deze drie namen symboliseren drie niveaus, dus een hiërarchie, een steeds hogere vorm van wezenlijk hetzelfde type. Ze vertegenwoordigen, ik herhaal het, niet drie gelijkwaardige vormen, maar drie opklimmende niveaus van precies dezelfde creatieve functie: de zelfpresentatie.
Casanova vertegenwoordigt uiteraard alleen de eerste, de laagste, de primitieve trap, namelijk de naïeve zelfpresentatie, waarbij een mens het leven nog gelijkstelt aan uiterlijke zintuiglijke en feitelijke beleving, en onbevangen verslag doet van het verloop en de voorvallen van zijn bestaan, zonder deze te beoordelen, zonder zichzelf te doorgronden.
Met Stendhal bereikt de zelfpresentatie al een hogere trap, de psychologische. Hij neemt geen genoegen meer met het loutere verslag, het simpele curriculum vitae: het ik is nieuwsgierig naar zichzelf geworden, het observeert het mechanisme van zijn eigen drijfveren, het zoekt de motieven van zijn handelingen en nalatigheden, de dramaturgie van de ziel. Daarmee begint een nieuw perspectief: het kijken met twee ogen naar het ik, als subject en object, de dubbele biografie van binnen en buiten. De waarnemer observeert zichzelf, de gevoelsmens onderzoekt zijn gevoel – niet alleen het wereldse, maar ook het psychische leven komt artistiek in beeld.
In het type Tolstoj bereikt deze zielsmatige zelfbeschouwing dan haar hoogste niveau doordat ze tegelijkertijd ook ethisch-religieuze zelfpresentatie wordt. De nauwkeurige waarnemer beschrijft zijn leven, de precieze psycholoog de opgewekte reflexen van het gevoel. Maar daarbovenop staat een nieuw element van de zelfbeschouwing, namelijk het onverbiddelijke oog van het geweten, dat elk woord op zijn waarheid, elke gezindheid op haar zuiverheid, elk gevoel op zijn blijvende kracht beoordeelt. De zelfweergave is, boven het nieuwsgierige zelfonderzoek uit, een morele zelftoetsing geworden, een zelfoordeel. Door zichzelf te presenteren, vraagt de kunstenaar niet langer alleen naar aard en vorm, maar ook naar de zin en waarde van zijn aardse bestaan.
______________
* Term van Goethe, in zijn gesprek met Eckermann van 31 januari 1827 (Inseluitgave 2015, p. 211).

Drei Dichter ihres Lebens
Casanova-Stendhal-Tolstoi
1928 im Insel-Verlag zu Leipzig

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013-2018

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html