11 september 2024

Als zelfs de linksen al godsdienstig worden


Nu in onze streken religies weer wild om zich heen grijpen, niet alleen in stedelijke achterstandsgebieden (les quartiers sensibles, zoals de Fransen zeggen), maar ook bij linkse partijen en in intellectuele milieus, bij auteurs bijvoorbeeld, is het misschien tijd om minstens deze laatsten op enkele confraters te wijzen die het goede voorbeeld gaven.

Stendhal hadden we hier al, maar er zijn oudere voorbeelden, en we hoeven echt niet tot Lucretius terug te gaan: er is keuze te over onder de schrijvers en dichters en wetenschapslui, en ik licht er een paar uit. Neem de zestiende-eeuwer Pietro Aretino, die om den brode weliswaar ook religieuze teksten schreef maar die we toch als goede atheïst mogen rekenen, want dat deden zijn tijdgenoten ook.


Questo è Pietro Aretino, poeta Tosco,
che d'ogni un disse mal, eccetto che di Dio,
scusandosi con dir: non lo conosco.

Dit is Pietro Aretino, een Toscaanse dichter
die over iedereen kwaad sprak, behalve over God,
met als excuus: hem ken ik niet.


En wat te denken van volgend vers van Heine:

        En ben je dood, dan moet je lang
        In het graf liggen; ik ben bang,
        Ja, ik ben bang, dat de Opstanding
        Niet even vlot verloopt.

Dat komt uit zijn Romanzero, en voor dergelijke zaken werd hij op zijn vingers getikt:

Men had mij ervan beschuldigd dat ik God verloochende, en deswege gaf mijn vader mij een sermoen, waarschijnlijk het langste dat hij ooit heeft gehouden en dat als volgt ging: “Mijn lieve zoon! Je moeder laat je filosofie studeren bij rector Schallmeyer.* Dat is haar zaak. Wat mij betreft, ik hou niet van filosofie, omdat het allemaal bijgeloof is, en ik ben een koopman en heb mijn hoofd nodig voor mijn zaken. Je kunt filosoof zijn zoveel je wilt, maar ik smeek je om niet in het openbaar te zeggen wat je denkt, want je zou mijn zaken schaden als mijn klanten te weten kwamen dat ik een zoon heb die niet in God gelooft. Vooral de Joden zouden geen katoenfluweel meer van mij kopen, en dat zijn eerlijke mensen, ze betalen op tijd en hebben gelijk dat ze aan de religie hechten. Ik ben je vader en daarom ouder dan jij, en zodoende meer ervaren; dus je kunt me op mijn woord geloven als ik de vrijheid neem om je te vertellen dat atheïsme een grote zonde is.”

Hij onthield die les ook, zoals blijkt uit volgend voorwoord dat hij schreef een jaar voor zijn dood (waarbij we wel moeten bedenken dat een reëel bestaand communisme nog verre toekomstmuziek was):


Lutèce. Lettres sur la vie politique, artistique et sociale de la France, Paris,1855. De eerdere Duitse uitgave had geen Préface. Deze schreef hij voor de Franse uitgave van Lutezia.

Vanuit mijn haat voor de aanhangers van het nationalisme zou ik bijna verliefd kunnen worden op de communisten. Het zijn tenminste geen hypocrieten met religie en christendom altijd op hun lippen. Nu is het waar dat de communisten geen religie hebben (geen mens is volmaakt), de communisten zijn zelfs atheïsten (wat zeker een grote zonde is), maar als hun belangrijkste dogma belijden ze het absolute kosmopolitisme, de universele liefde voor alle volkeren, een egalitaire broederschap tussen alle mensen, vrije burgers van deze aardbol. Dit fundamentele dogma is wat het Evangelie destijds predikte, zodat de communisten naar geest en waarheid veel christelijker zijn dan onze Germaanse zogenaamde patriotten, die bekrompen voorvechters van een exclusieve nationaliteit.

Heine, met zijn dubbelheid, is misschien geen voorbeeld van regelrecht atheïsme. Hij was laten we zeggen intermitterend atheïst, want al schreef hij

        
        Wie gelijk heeft weet ik niet
        Maar mij dunkt duidelijk
        Dat de rabbi en de monnik,
        Dat zij beiden stinken

zijn joodszijn heeft hij nooit verloochend (maar dat is geen strikt religieuze bekentenis)


        Laat mijn tong smachtend
        Aan mijn gehemelte kleven
        En mijn rechterhand verdorren
        Mocht ik u ooit vergeten, Jeruzalem

Victor Hugo vond het dan weer onbegrijpelijk dat iemand het bestaan van God zou loochenen (al is nog de vraag of hij dat wel serieus meende):


Arago was een groot astronoom. Het is ongehoord, maar hij keek altijd naar de hemel en geloofde niet in God. Dit malheur overkomt astronomen soms. Lalande was net zoals Arago, terwijl zij nochtans de sterren en de zonnen bestuderen. Wat voor zin heeft dat, als zij er niet de ware helderheid uit putten? Die prachtstukken zijn niet alleen voor het lichamelijke oog geschapen: het zijn hemellichamen, toortsen voor de geest.
Mijnheer Arago had een favoriete anekdote. Toen Laplace zijn Mécanique céleste had gepubliceerd riep de keizer hem bij zich, vertelde hij. De keizer was woedend. – “Hoezo,” riep hij uit toen hij Laplace zag, “u zet heel het wereldsysteem uiteen, geeft de wetten van heel de schepping, en in uw hele boek noemt u niet één keer het bestaan van God!” – “Sire,” antwoordde Laplace, “die hypothese had ik niet nodig.”

Choses vues – Faits contemporains (1847)
in: Œuvres Complètes
Histoire
Éditions Robert Laffont 1987, 2009
Bouquins p. 686
_______________

* Het is zeer wel mogelijk dat Schallmeyer jezuïet was (de Societas Jesu bleef verboden tot 1814), al was het lyceum waar Heine school liep een instelling van de kapucijnen: “… mijn katholieke leraren, van wie sommigen, zoals ik nu hoorde, voormalige leden van de jezuïetenorde waren. We spraken veel over onze oude dierbare Schallmeyer, die in de Franse tijd als rector de leiding had over het lyceum van Düsseldorf en die ook colleges filosofie gaf aan de hoogste klas, waarin hij ongegeneerd de meest vrijzinnige Griekse systemen uiteenzette, hoe schril die ook afstaken tegen de orthodoxe dogma's, terwijl hijzelf toch soms voor het altaar stond in priestergewaad.” (Geständnisse)

8 september 2024

Een paar woordjes ten gunste van God


Censuur bestaat vandaag niet meer. Vroeger, in de tijd van Poesjkin, Heine en Stendhal nog wel. Metternich en de paus of de tsaar zorgden toen voor de goede gang van zaken.

Tegenwoordig hebben we gelukkig de EU met haar ‘praktijkcode tegen desinformatie’. Bedoeling hiervan is fake news, haatspraak en lelijke woorden te verbieden. Je moet al van slechte wil zijn om zoiets censuur te noemen. Verder zorgt nog de desk opinion bij de goede media voor de gewenste terughoudendheid, en indien vanzelfsprekend niet de wet, dan kan toch de rechtspraak opiniedelicten beteugelen.

Stendhal laat zien hoe je dient om te gaan met échte censuur:

Je kunt geen aangenamere mens ontmoeten dan mijnheer de Funchal, ambassadeur van Portugal. Een merkwaardige geest die de verveling verjaagt uit een diplomatiek salon (waar je niet over alle dingen kunt praten die elders het gebruikelijke onderwerp zijn). In feite is er niets minder diplomatiek dan de ambassadeursavonden in Rome, behalve dan in het groepje met de ambassadeur zelf, waar men over het nieuws praat zoals bij Cracas.*
Waar elders in Europa vind je bijeenkomsten zoals die waar ik het net over had? Elke avond ontmoet je dezelfde mensen in een ander salon.** De ijsjes zijn voortreffelijk, de muren versierd met acht of tien schilderijen van de grote meesters. Het brio van de conversatie maakt dat beider verdiensten naar waarde worden gesmaakt. Uit hoffelijkheid jegens de soeverein,*** en als de gelegenheid zich voordoet, zeg je een paar woordjes ten gunste van God. [quelques mots en faveur de Dieu]
____________
    * Uitgever en boekhandelaar. Omwille van de pauselijke censuur kon hij niet altijd drukken wat hij wilde, maar je kon in de zaak wel converseren, en Stendhal zocht er soms zijn toevlucht:
U bevindt zich op een steenworp afstand van de Corso, van de boekhandelaar Cracas, waar de kranten worden gelezen, en van de Trattoria dell' Armellino (van de Hermelijn), waar ik soms mijn toevlucht zoek om de Franse zelfgenoegzaamheid uit de weg te blijven, en de Engelsen met hun grote snorren die het gebied rond de Spaanse Trappen bevolken.
  ** Stendhal was consul in Civitavecchia, waar hij zich verveelde want hij was liever in Milaan of Rome, maar Metternich verzette zich tegen zijn benoeming aldaar vanwege zijn republikeinse gezindheid en vrijdenkerij.
*** Leo XII (Annibale Sermattei della Genga) verzette zich fel tegen het modernisme en wilde de traditionele katholieke waarden in Europa herstellen.


Promenades dans Rome (1829)
Édition établie et annotée par Victor Del Litto
Préface de Michel Crouzet
Folio classique, Gallimard 1973, 1997

6 september 2024

Il pleure dans mon cœur, comme il pleut sur la ville

 

Wil je in Gent waffles eten, of icecream, of candy, of wil je soap kopen bij bubbles at home, of liever boatjevaren? dan kun je aan deze kant van de Vleeshuisbrug terecht, en soon zullen er ook poké bowls te krijgen zijn, dat is beloofd. Wil je echter per se neuzen eten, dan zit je verkeerd en zul je de brug over moeten: twintig-dertig meter verderop zijn er in overvloed. Voor cloths is het nóg verder, maar gelukkig zijn in veel straten twee op de drie huizen in boetieks omgetoverd.
Ja, nu regent het hier, en in Disneyland vind je veel meer hoor ik, maar hebben ze daar ook neuzen?

 

En vergeet vooral niet: enjoy!


(klik op de prentjes om ze groter te maken
en baai de wee: ik ken geen enkele Gentenaar die neuzen vreet)

31 augustus 2024

De genade Gods wordt niet elkeen verleend


Zoals bekend heeft de Nederlandse literatuur sinds kort twee katholieke auteurs erbij. Of zij in het vervolg hun boeken bij het Davidsfonds zullen uitgeven weet ik niet, maar hun bekeringen lijken me wel echt.
Anders verliep het bij Stendhal en Heine. Zij kwamen er wel rakelings langs, maar deugdelijke katholieke bekeerlingen zijn ze niet geworden.
Eerst lezen we wat Stendhal in Rome overkwam, en daarna wat Heine in Trente meemaakte, en in beide gevallen speelt Eva een kwalijke rol.


25 december 1827. - We komen terug uit de Sint-Pieter. Het was een prachtige dienst. Er waren misschien wel honderd Engelse dames, velen van hen van de zeldzaamste schoonheid. Achter het hoofdaltaar had men een met rood damast bespannen omrastering geplaatst. Zijne Heiligheid stelde een kardinaal aan om in zijn plaats de mis op te dragen. Men bracht de paus, zittend op zijn troon achter het altaar, het bloed van de Verlosser en hij zoog het op met een gouden rietje.*
Ik heb nog nooit zoiets indrukwekkends gezien als deze ceremonie; de Sint-Pieter was subliem in zijn pracht en schoonheid: vooral het effect van de koepel vond ik verbluffend; ik werd bijna zo gelovig als een Romein.

Promenades dans Rome (1829)
Édition établie et annotée par Victor Del Litto
Préface de Michel Crouzet
Gallimard 1973, 1997 p.142

Toen ik de groene zijden voorhang 
wegschoof die de ingang van de dom afdekte, en binnenging in het godshuis, toen werden mijn lijf en hart aangenaam verfrist door de milde lucht die daar woei en door het getemperde magische licht dat door de bontgekleurde ramen op de biddende vergadering neerstreek. Meest vrouwen waren het, in lange rijen naar voren geleund op de lage gebedsbanken. Ze baden met een stille beweging van de lippen alleen, en waaiden zich voortdurend koelte toe met grote groene waaiers, zodat men niets kon horen dan een gedurig geheimzinnig gelispel, en niets kon zien dan het wapperen en wuiven van sluiers. De knarsende tred van mijn bottines stoorde menig mooi gebedje en grote katholieke ogen keken mij aan, half nieuwsgierig, half genegen, als wilden ze me aanbevelen om ook maar neer te knielen en zielen-siësta te houden.
[…] Je mag zeggen wat je wil, maar het katholicisme is een goede religie voor in de zomer. Het is aangenaam zitten op de banken van deze oude dom, je kan hier genieten van een koel gebedje, een heilig DOLCE FAR NIENTE, je bidt en je droomt en zondigt in gedachten, de Madonna’s knikken zo vergoelijkend vanuit hun nissen, vrouwelijk als ze zijn schenken zij je zelfs vergiffenis als je hun eigen lieftallige trekken in die zondige gedachten mocht hebben vervlochten, en ten overvloede staat er in elke hoek nog een bruine noodstoel voor het geweten, waar men zich van zijn zonden kan ontlasten.
In zo een stoel zat een jonge monnik met een ernstige plooi op zijn gezicht; maar het gezicht van de dame die hem haar zonden opbiechtte bleef voor mij verborgen, deels door haar witte sluier, deels door het zijpaneel van de biechtstoel. Toch kwam daarachter uit een hand te voorschijn die mij terstond aangreep. Ik kon het niet laten om deze hand gade te slaan; de blauwige adertjes en de voorname glans van de witte vingers kwamen mij zo zonderling bekend voor, en al het droomgeweld van mijn gemoed kwam in beweging om een gelaat te bedenken dat bij die hand zou kunnen horen.
[…] Die hand had iets roerend onschuldigs, zodat het scheen of zij niet mee naar de biecht hoefde, en ook niet horen wilde wat haar eigenares opbiechtte, en als het ware buiten wachtte tot zij klaar zou zijn. Dat nam wel een poos in beslag; de dame moest veel zonden te vertellen hebben. Ik kon niet langer wachten, mijn ziel drukte een onzichtbare afscheidskus op die mooie hand; ze trilde op datzelfde moment …

Die Reise von München nach Genua (1830)
in: Heinrich Heines Sämtliche Werke
herausgegeben von Prof. Dr. Ernst Elster, 1893
Kritisch durchgesehene und erläuterte Ausgabe, dritter Band, S.243
Meyers Klassiker-Ausgaben, Leipzig und Wien
____________
* Leo XII verkeerde in slechte gezondheid. Dat hij het Heilig Bloed met een rietje opzoog mag onze verse bekeerlingen niet choqueren.

28 augustus 2024

Het belang van onafhankelijke media

 

De recente schuldbekentenis van Mark Zuckerberg is mooi, en hij belooft ook beterschap, maar dat laatste kunnen we maar beter afwachten. Niet enkel met Biden trouwens maakte hij louche afspraakjes, hij deed dat ook met onder meer Macron, zoals u hier kunt zien. Het ging deze heren natuurlijk om het muilkorven van de vrije pers – de social media en de blogs dus, want de goede media kunnen ze ook zonder afspraakjes wel in het gareel houden.

Dat is niet altijd en overal het geval geweest. Zo lezen we bij Stendhal dat eertijds, in de Pauselijke Staten van de zestiende eeuw, niemand het zou hebben  aangedurfd om zelfs moorden aan te klagen, maar dat in zijn eigen tijd buitenlandse, vooral Engelse kranten daar verandering in brachten:

Wie zou een Romeinse prins, een neef van de paus of een andere grote figuur, hebben willen beschuldigen zonder bewijzen in handen te hebben? Alles wat hem dan restte is de beroemde stelregel:
De misdaad begaat hij die er baat bij heeft.
In de zestiende eeuw werd de ene vergiftiging gewroken door de andere. Tegenwoordig denkt men dat het grootste obstakel voor dit soort misdaden de angst is dat twee maand later in een of andere Engelse krant een opiniestuk over Rome die zaken uit de doeken doet. Men noemt een aantal verslaggevers van Engelse kranten wier reizen naar Italië worden betaald door de stukken die ze in de Times of de Morning Chronicle plaatsen. Persvrijheid is dus nuttig, zelfs in landen die er verstoken van zijn.

Ainsi, la liberté de la presse est utile même dans les pays qui en sont privés: Stendhal denkt hier aan zijn goede vriend William Hazlitt (hij had meer Engelse dan Franse vrienden lijkt me), de grote reporter van de negentiende eeuw: On lit dans M.Hazlitt et plusieurs autres reporters de journaux anglais…


Promenades dans Rome (1829)
Édition établie et annotée par Victor Del Litto
Préface de Michel Crouzet
Gallimard 1973,1997

26 augustus 2024

Voorspellingen zijn altijd gewaagd

Stendhal beweerde dat hij niet voor zijn tijdgenoten schreef, maar voor de lezer van 1985.* Hij wilde zogenaamd dat zijn boeken in een oplage van 40 exemplaren gedrukt werden «je voudrais que l'on pût n'imprimer que pour quarante personnes»en besloot zijn teksten vaak met «to the happy few», een woord dat hij misschien bij Shakespeare inpikte: «We few, we happy few, we band of brothers» (Henry V, IV, 3), of anders bij Oliver Goldsmith (The Vicar of Wakefield), twee auteurs die hij zeer bewonderde, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Chateaubriand die in 1985 volkomen vergeten zou zijn. Die laatste voorspelling is me dunkt niet helemaal uitgekomen:

Napels, 19 juni 1817. – Ik heb een boek gekocht bij het Largo di Castello, waar je dat merkwaardige theater hebt, gebouwd in een kelder en waar je via de derde loges naar binnen gaat. Mijn boek is getiteld: Della Superiorita in ogni cosa del sesso amabilissimo, etc 1504. [Over de superioriteit in alles van het beminnelijkste geslacht] 


In de zestiende eeuw waren in Frankrijk de vrouwen slechts bedienden, terwijl in Italië de superioriteit van het beminnelijke geslacht boven de mannen een van de thema’s was die de modieuze schrijvers het vaakst behandelden. De Italianen waren meer geneigd tot de passionele liefde en minder grof, adoreerden niet zozeer fysieke kracht, waren minder oorlogszuchtig en feodaal gezind, en stemden vlot met dit principe in.
De ideeën van de vrouwen zelf waren niet gebaseerd op boeken, want gelukkig lazen ze weinig: zij putten die uit de natuur der dingen, en de gelijkheid van beide seksen bracht een verbluffende hoeveelheid gezond verstand in de Italiaanse hoofden. Ik ken honderd gedragscodes die we elders nog altijd moeten bewijzen en die in Rome als axioma's gelden. De toelating van vrouwen tot volmaakte gelijkheid zou het zekerste teken van beschaving zijn; het zou de intellectuele kracht van het menselijk ras en zijn kansen op geluk verdubbelen. In de Verenigde Staten van Amerika staan vrouwen veel dichter bij de gelijkheid dan in Engeland. Ze hebben in Amerika wettelijk wat ze in Frankrijk hebben in de vorm van milde omgangsvormen en de vrees om zich belachelijk te maken. In welk Engels stadje ook, is een koopman die 200 louis verdient met zijn handel heer en meester over zijn vrouw net als over zijn paard. Bij de koopmansklasse van Italië zijn de achting, de vrijheid en het geluk van de vrouw evenredig met haar schoonheid. 
[…] Om die gelijkheid te bereiken, een bron van geluk voor beide seksen, zou men aan vrouwen het duelleren moeten toestaan: een pistool vereist alleen vaardigheid. Elke vrouw die daarop twee jaar naar de gevangenis gaat, zou aan het eind van die periode de echtscheiding kunnen vragen. Tegen het jaar 2000 zullen deze ideeën niet langer belachelijk zijn.

Rome, Naples et Florence
(1826)                   
Édition présentée et annotée par Pierre Brunel
Professeur à l’Université de Paris-Sorbonne
Gallimard, Folio classique, 1987

P.S. Het boek werd als gevaarlijk beschouwd, en Stendhal moest op vraag van zijn uitgever, die de censuur vreesde, op 113 plaatsen zijn manuscript aanpassen ('cartonner') en zinnen of passages door puntjes vervangen. Niettemin werd zijn boek goed gelezen, vaak ook door Duitsers die „Das Land wo die Zitronen blühen“ wilden terugvinden.
__________
* Of nog iets later zelfs: «Je pourrais faire un ouvrage qui ne plairait qu’à moi et qui serait reconnu beau en 2000.»

19 augustus 2024

Gespannen afwachten

“Die Drohung ist stärker als ihre Ausführung” – de dreiging is sterker dan de uitvoering – is een raadselachtige uitspraak, toegeschreven aan de Duitssprekende Lets-Russische grootmeester en schaaktheoreticus Aaron Niemzowitsch (1886-1935). Het is niet helemaal zeker of hij dat wel gezegd heeft, maar in elk geval had hij het kunnen zeggen, want hij staat bekend voor zijn categorische uitspraken, bijvoorbeeld in Mein System”, een boek dat nog altijd gelezen wordt.

Nu hoorde ik op CNews hun correspondente in Tel Aviv zeggen dat een aanval van Iran weliswaar dreigde, maar er tot nog toe niet gekomen was, en dat het afwachten een zwaardere beproeving was dan de aanval zelf, want voor een echte aanval vertrouwt de bevolking op de IJzeren Koepel (כִּפַּת בַּרְזֶל, kipat barzel).

Die correspondente is joods, en aangezien ongeveer alle joden schaakspelen is het meen ik niet uitgesloten dat zij daarbij aan Niemzowitsch heeft gedacht. Zij suggereerde ook dat Iran misschien daarom de spanning liet duren.


16 augustus 2024

Een beschaafde columnist aan het woord

Lang geleden, toen kranten en weekbladen nog beschaafde columnisten hadden die ook echt konden schrijven, hadden we in

de stukjes van Karel van het Reve (1921-1999). In de postuum verschenen bundel ACHTERAF vind je er honderdzevenenveertig, en zeker wie zelf wel eens een stukje wil schrijven kan die beter vooraf een voor een lezen.

Om jullie op smaak te brengen, lezers, heb ik er eentje overgetikt (ik denk niet dat het mag, maar vertrouw erop dat de Erven Karel van het Reve me geen puntig mes door de keel zullen rammen).

Van het Reve heeft het over de beïnvloeding van schrijvers door hun oudere collega’s, en hij geeft een paar voorbeelden. Van Heine leerden we gelukkig al dat er in de kunst geen plagiaat bestaat, en dat die kwalificatie voortkomt uit een romantische overschatting van originaliteit. Van hem mag een kunstenaar zijn honing uit duizend bloemen bereiden, en dat mogen dus ook zowel Elsschot als Gorter en Gezelle van de grote Karel van het Reve: 


GESTAMP EN GERATEL

In het gedicht ‘Aan Rika’ vertelt Piet Paaltjens (1835-1894) hoe de trein waarin hij zat voorbijgereden werd door een sneltrein, en in die sneltrein zat een meisje dat hij maar heel kort zag. ‘De kennismaking kon niet korter zijn.’ Of zij echt Rika heet en hoe hij dat weet, vertelt de dichter ons niet. Hij verwijt haar dat ze het rijtuig ‘niet heeft opgerukt’ (hij bedoelt, denk ik, dat ze de coupédeur niet heeft opengerukt) en hem niet om de hals gevallen is. En dan komt de laatste strofe:

                  Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
                  Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
                  dan, onder hels geratel en gestamp,
                  Met u verplet te worden door één trein?

Dat gedicht met die trein werd voor het eerst gepubliceerd in 1867. In 1923 verscheen Elsschots verhaal Lijmen. In dat verhaal probeert Karel Boorman telefonisch contact op te nemen met de firma Korthals en Zonen in Gent:

      ‘Hij zocht even in het telefoonboek, kwam naast mij zitten, belde de Centrale op en sloot de ogen.
     “Brussel,” zei een neusstem.
     “Gent!” riep Boorman, naar het toestel snappend als een hond naar een been.
       Er volgde een gegorgel, dan een bruisen als van de zee en daarop een hels gestamp en geratel.’ 

Dat ‘hels gestamp en geratel’ van Elsschot komt uit het ‘hels geratel en gestamp’ van Piet Paaltjens. Daar kan, geloof ik, geen twijfel over zijn, al is Elsschot zich daar misschien helemaal niet bewust van geweest.

Ander voorbeeld. Een jaar of wat geleden las ik – ik weet niet meer in welk gedicht – van Guido Gezelle de regel ‘Miserere, mensen, miserere’ (Heb meelij, mensen, heb meelij).

‘Toen ik dat las, herinnerde ik me dat ik lang geleden ergens bij Herman Gorter de regel was tegengekomen ‘Jubilate, mensen, jubilate!’ (Juicht, mensen, juicht!)

Een soort theologisch-wereldbeschouwelijk debat: Gezelle, als gelovig katholiek, wijst op de eeuwige ellende van deze wereld, terwijl Gorter als gelovig marxist juist zeker weet dat de mensheid eerlang ontzettend gelukkig zal worden. Ook hier is voor mij geen twijfel mogelijk: Gorter schreef dat ‘jubilate’ als reactie op Gezelles ‘miserere’.

Niet altijd liggen de zaken zo duidelijk. Neem datzelfde Lijmen. Boorman probeert Laarmans over te halen bij hem in dienst te treden: Laarmans wordt redacteur van Boormans Wereldtijdschrift, eerst tegen een salaris, dan krijgt hij de helft van de winst en na twintig jaar is de hele onderneming van hem, ‘en dan ben je pas vijftig’.
En dan komt de passage waar het mij om gaat: ‘ “Ik ben vijftig,” sprak hij met klem. “Nu, op dit moment, zoals ik hier zit.” ’

Dezer dagen, herlas ik Treasure Island (Schateiland) van Robert Louis Stevenson, voor het eerst gedrukt in 1883. Ik kwam bij de passage waar de held, een jongen van een jaar of twaalf, per ongeluk een gesprek afluistert en hoort hoe Long John Silver (die met het houten been) leden van de bemanning tot zeerovers probeert te maken. En in de loop van dat gesprek zegt Silver: ‘I’m fifty, mark you.’ (Ik ben vijftig, let wel.)

Bewijzen kan ik het niet. Maar ik heb zo’n vermoeden dat die woorden bij Elsschot zijn blijven hangen toen hij Treasure Island las.

(6 juni 1992)

Achteraf
© 1999 Erven Karel Van het Reve, Amsterdam
Uitgeverij G. A. van Oorschot
Bij dezelfde uitgever (2011) ook te vinden in deel 7 van het Verzameld Werk
bezorgd door Lieneke Frerichs, Elma Drayer en Nop Maas

11 augustus 2024

De vis en de saus

 Na kookboeken horen reisgidsen tot de best verkopende literatuur vermoed ik. Stendhal schreef er verschillende over Italië, maar echte reisgidsen zijn het niet want zijn belangstelling betreft in de eerste plaats de Italianen, en de Italiaansen. Voor het precieze aantal schilderijen in een museum, of het aantal zuilen van een tempel kun je niet bij hem terecht. Andere gidsen, zegt Stendhal, geschreven door des voyageurs compteurs de colonnes, doen dat beter dan hijzelf het zou kunnen. Hij gebruikt die wel, maar pakt het anders aan:

Firenze, bestraat met grote blokken witte steen van onregelmatige vorm, is uitzonderlijk net; in de straten ruik je ik weet niet welk bijzonder parfum. Enkele Hollandse stadjes buiten beschouwing gelaten, is Firenze wellicht de properste stad van het universum, en zeker een van de elegantste.

Op reis zijn helaas ook ergernissen niet te vermijden: De beroemde Cascine, de promenade waar iedereen gaat paraderen, ligt daar zowat als hun Champs-Élysées. Wat mij tegenstaat is dat het er vol loopt met 600 Russen of Engelsen. Firenze is gewoon een museum vol buitenlanders en die brengen hun gewoonten met zich mee. En verderop zegt hij: Je fais, en Italie, un voyage en Angleterre.*

Onderweg leest Stendhal veel (als het regent) en bezoekt de bibliotheken en archieven van de steden die hij aandoet. Op deze lectuur geeft hij dan kritiek, en die komt geregeld neer op wat wij het verschil zouden noemen tussen ‘nieuws’ en ‘duiding’. Historici en auteurs nemen hun wensen al te graag voor werkelijkheid aan:

[Volterra, 31 januari 1817.]   Ik vond een flink aantal leugens en overdrijvingen in de bladzijden die de heer Micali, auteur van l'Italie avant les Romains (l'Italia avanti il dominio dei Romani), aan Volterra wijdde. Wat Italiaanse geleerden het meest missen, naast duidelijkheid, is de kunst om de feiten die zij nodig achten, niet meteen als bewezen te beschouwen. Hun manier van redeneren is in dit opzicht ongelooflijk. Mijnheer Raoul Rochette heeft dit werk wel vertroeteld door het in het Frans om te zetten.** Mijnheer Niebuhr*** zou veel sterker zijn geweest dan dit alles, als niet de ongelukkige Duitse filosofie een dubieus waas had geworpen over de ideeën van deze geleerde Berlijner. Zal de toegeeflijkheid van de lezer zover gaan dat hij mij een gastronomische vergelijking vergeeft? We kennen allemaal dit vers van de heer Berchoux:

Et le turbot fut mis à la sauce piquante.****
En de tarbot werd met pikante saus genappeerd.

In Parijs worden de tarbot en de pikante saus apart geserveerd. Ik zou graag zien dat de Duitse historici deze goede gewoonte overnamen. De feiten die ze aan het licht hebben gebracht zouden ze apart van hun filosofische beschouwingen aan het publiek kunnen geven. Dan zouden we ons voordeel kunnen doen met de geschiedenis, en de lectuur van hun ideeën over het absolute kunnen uitstellen tot een beter moment. Deze twee goede dingen compleet dooreenhalen, maakt het moeilijk om het beste ervan te smaken.

_____________

     * Heinrich Heine deelt die ergernis in zijn Reise von München nach Genua, Kapittel XXVII (1828): Beschuldig me niet van anglomanie, beste lezer, als ik het in dit boek heel vaak over Engelsen heb. Er zijn er vandaag té veel in Italië om ze over het hoofd te zien. In hele zwermen trekken ze dit land door, kamperen in alle herbergen, lopen overal rond om alles te zien, en je kunt je geen citroenboom meer voorstellen zonder een Engelse die aan de bloesem ruikt, en geen galerij zonder een horde Engelsen die erin rondrennen met hun gids in de hand, om te kijken of alles wat in het boek als curieus staat vermeld er nog steeds is.
    ** Stendhal las deze vertaling.
  *** Barthold Georg Niebuhr (1776-1831): Römische Geschichte, Berlijn 1811.
**** Eerste zang in La Gastronomie van Joseph Berchoux (1762-1838). Nog van hem:
Un poème jamais ne valut un diner.

Rome, Naples et Florence
(1826)                   
Édition présentée et annotée par Pierre Brunel
Professeur à l’Université de Paris-Sorbonne
Gallimard, Folio classique, 1987

27 juli 2024

Céline en Édith bijgewerkt

Nu zie ik Céline Dion zingen op de Eiffeltoren, en de regie titelt af met … « Réunir CELLES ET ceux qui s’aiment. » Zo zong Dion het niet, en Piaf ook niet. Gelukkig heeft de Parijse regie van die woke-show hun beider fout nog in correcte zin weten om te buigen.

Als je die inclusieve nulliteiten loslaat zullen ze voor wel meer aartslelijke en onzingbare teksten zorgen. Dit nog daargelaten: ‘Dieu réunit ceux qui s’aiment’ was hoe dan ook een merkwaardige slotzin voor een plechtige dienst in een republiek die de laïcité huldigt.





22 juli 2024

Verslaggeving is onvermijdelijk subjectief, maar dan willen we er graag noten bij

 

Op 18 december 1816 arriveert Stendhal in Piacenza en schrijft in zijn reisverslag: “Plaisance a deux statues équestres plus ridicules que celles de Paris, quoique aucune d’elles ne représente un grand roi en perruque et les jambes nues.”


Nu heb ik Piacenza helaas nooit gezien, en die twee ruiterstandbeelden dus evenmin, maar iedereen weet dat Stendhal het niet zal laten als hij iets kwaads kan vertellen over Frankrijk ...al komt Frankrijk deze keer betrekkelijk goed weg want de standbeelden in Piacenza zijn nóg ridiculer dan de Parijse.

Waarom koopt een mens ook een geannoteerde uitgave, bijvoorbeeld van Stendhal? Omdat Pierre Brunel hier in eindnoot 299 zegt: Les statues d’Alexandre et de Ranuce Farnèse, sur la piazza dei Cavalli, dues à Francesco Mochi (1580-1614). Il faut beaucoup aimer Stendhal pour lui pardonner de qualifier de « ridicules » deux des chefs-d’œuvre de la statuaire baroque.

Editor Pierre Brunel is hier nog goedhartig. In noot *499 maakt hij zich pas goed kwaad:


Naples 5 avril 1817. – Je viens de faire trente milles inutiles. Caserte n’est qu’une caserne dans une position aussi ingrate que Versailles. À cause des tremblements de terre, les murs ont cinq pieds d’épaisseur : cela fait, comme à Saint-Pierre, qu’on y a chaud en hiver et frais en été. Murat a essayé de faire finir ce palais : les peintures sont encore plus mauvaises qu’à Paris, mais les décors sont plus grandioses.

Napels 5 april 1817. - Ik heb zopas dertig mijl afgelegd voor niks. Caserta is niet meer dan een kazerne, gelegen op een net zo ondankbare plek als Versailles. Vanwege de aardbevingen zijn de muren vijf voet dik: dit zorgt ervoor dat, zoals in de Sint Pieter, het er ‘s winters warm en ‘s zomers koel is. Murat probeerde dit paleis te laten afwerken: de schilderijen zijn nog slechter dan in Parijs, maar de omkadering is grootser.

*499 Palais royal (1752-1774), construit à 29 kms au nord de Naples. Charles III de Bourbon avait enjoint à son architecte, Vanvitelli, de rivaliser avec Versailles. Là encore, Stendhal aurait mieux fait de se taire. Caserte, palais et jardins, est un ensemble splendide et l’on y voit certains des plus beaux escaliers du monde.

Caserta: koninklijk paleis (1752-1774), gebouwd 29 km ten noorden van Napels. Karel III van Bourbon gaf zijn architect Vanvitelli de opdracht om niet voor Versailles onder te doen. Ook hier had Stendhal beter zijn mond kunnen houden. Caserta, paleis en tuinen, is een schitterend geheel en je ziet er enkele van de mooiste trappen ter wereld.

Rome, Naples et Florence
(1826)                   
Édition présentée et annotée par Pierre Brunel
Professeur à l’Université de Paris-Sorbonne
Gallimard, Folio classique, 1987

20 juli 2024

Voor wie geen geld heeft om op reis te gaan:

 

Rome, Naples et Florence van Stendhal is een reisgids, maar verschillend van de gebruikelijke gidsen. Hij verklaart zijn bedoeling:

“Hoeveel ongenaakbaarder ben je niet als je je beperkt tot het tellen van de schilderijen in een galerij of de zuilen van een monument! Als je daarbij nog het talent bezit om dit soort processen-verbaal in een nadrukkelijke stijl te doorspekken met pueriele systemen over de oorsprong van die monumenten, over de overgang van de beschaving van de Egyptenaren naar de Etrusken, en van de Etrusken naar de Romeinen, dan zullen onnozele halzen je op slag bewonderenswaardig vinden. Maar hoe gevaarlijk is het niet om over de zeden te spreken! Bereisde dwazen zeggen dan: Dat is niet waar, want ik ben tweeënvijftig dagen in Venetië geweest en ik heb het niet gezien. Thuisgebleven dwazen zullen zeggen: Dat is onfatsoenlijk, want zoiets doen ze niet in de rue Mouffetard.”

De titel mag anders suggereren, maar het boek gaat voor de eerste honderd bladzijden over zijn lievelingsstad Milaan. Daar had hij een van de tientallen loges gehuurd in de Scala, ging er elke avond heen (het was als een eigen huis, schrijft hij) en tijdens de opvoeringen werd er gedronken, gegeten, geflirt en vooral veel verteld.

13 november 1816. – De amoureuze anekdotes vertellen waag ik niet. – Rond 1786 leefde er in Brescia een graaf Viteleschi,* een opmerkelijke man met een energie die aan de middeleeuwen deed denken. Alles wat men mij over hem heeft verteld, wijst op een karakter van het slag van Castruccio Castracani.**

Nu was hij een gewone leek,*** en dus beperkte dit karakter zich tot het verkwisten van zijn fortuin door opmerkelijke uitgaven, zottigheden voor een vrouw die hij beminde, en ten slotte tot het doden van zijn rivalen. Toen een man naar zijn minnares keek die aan zijn arm liep, beet hij hem toe: “Ogen thuishouden!” Aangezien de andere haar bleef aanstaren, schoot hij hem voor zijn kop.

Zulke kleine buitenissigheden waren maar pekelzonden voor een rijke patriciër, maar nu had Viteleschi de achterneef van een Bragadin (Venetiaanse edelman uit een van de grote families) doodgeschoten. Hij werd gearresteerd en in Venetië in de beruchte gevangenis naast de Ponte dei Sospiri gegooid.****

Viteleschi was een erg knappe en welbespraakte man. Hij probeerde de vrouw van de cipier te verleiden, die dit in de gaten kreeg. Met wat voor kneepjes van zijn vak de cipier hem te grazen nam weet ik niet, maar hij sloeg hem bijvoorbeeld wel in de boeien. Hiervan maakte Viteleschi gebruik om met hem aan de praat te raken, en uiteindelijk, geboeid en al, in het geheim, zonder geld verleidde hij de cipier die er plezier in vond elke dag twee uur met zijn gevangene door te brengen.

“Wat mij kwelt,” zei Viteleschi tegen de cipier, “is dat ik ben zoals jij en eergevoel heb. Terwijl ik hier in de boeien wegrot, paradeert mijn vijand in Brescia. Ah! kon ik hem maar neerschieten en dan sterven!”

Door deze mooie gevoelens geroerd zei de cipier: “Ik geef je je vrijheid voor honderd uur.” De graaf vloog hem rond de hals en op een vrijdagavond verliet hij de gevangenis; een gondel bracht hem naar Mestre; een sediola wachtte hem op met relais.*****

Zondagmiddag om drie uur in Brescia aangekomen vatte hij post bij de kerkdeur. Zijn vijand kwam na de vespers naar buiten en midden in de menigte doodde hij hem met een karabijnschot. Bij niemand kwam de idee op om graaf Viteleschi te arresteren; hij klom weer op zijn sediola en zat dinsdagavond weer in de gevangenis.

De Serenissima Signoria ontving al snel een rapport over deze nieuwe moord: graaf Viteleschi werd gedagvaard en verscheen voor zijn rechters, nauwelijks in staat om zich overeind te houden, zo zwak was hij. Het rapport werd hem voorgelezen.

“Hoeveel getuigen hebben deze nieuwe laster ondertekend? zei Viteleschi met een grafstem – Meer dan tweehonderd, antwoordde men. – Uwe Excellenties weten nochtans dat ik op de dag van de moord, afgelopen zondag, in die verdomde gevangenis zat. U ziet wel hoeveel vijanden ik heb.”

Dit argument bracht enkele oudere rechters aan het wankelen; de jongere spraken zich uit ten gunste van Viteleschi, als een bijzondere man, en al snel werd hij, vanwege deze nieuwe moord, in vrijheid gesteld.

Een jaar later kreeg de cipier uit de handen van een priester 180.000 Venetiaanse lire (90.000 francs), de prijs van een klein stuk land, het enige niet-gehypothekeerde dat graaf Viteleschi nog bezat.

Deze dappere, hartstochtelijke, bizarre man, wiens levensverhaal een boekwerk zou vragen, stierf op zeer hoge leeftijd en nog altijd beefden zijn buren voor hem. Hij liet twee dochters en vier zonen na, die allemaal opvielen vanwege hun uitzonderlijke schoonheid.

________________

        * In werkelijkheid graaf Galliano Lechi, als jacobijn vermoord door zijn eigen boeren de 23ste juli 1797.
      ** Hertog van Lucca (1281-1328). Machiavelli wijdde een essay aan hem, dat een van eerste versies van Il Principe lijkt.
    *** Er is ook de beroemde kardinaal Giovanni Maria Vitelleschi (1390-1440).
  **** Een familielid, Matteo Giovanni Bragadin, zien we bij Casanova, evenals de beroemde gevangenis natuurlijk.
***** Een soort sulky.


Rome, Naples et Florence
(1826)                   
Édition présentée et annotée par Pierre Brunel
Professeur à l’Université de Paris-Sorbonne
Gallimard, Folio classique, 1987

15 juli 2024

De dagen van Metternich komen terug

 

De 23ste van de maand messidor XIII (12 juli 1804) schrijft Stendhal in zijn dagboek:

“Volgens de Journal de Paris is het mogelijk dat een man een kind baart en beiden ook in leven blijven. Het feit heeft zich in Hollland voorgedaan.”

De toevoeging “le fait est arrivé en Hollande”, klinkt heel anders dan bijvoorbeeld C'est arrivé près de chez vous en lijkt erop te wijzen dat Stendhal het journalistieke bericht belachelijk vindt, ook al stond het in een bloedserieuze krant.

Ook wij lachen, maar de vraag is hoelang we nog lachen. De EU heeft immers grote plannen met haar Digital Services Act, die fake news, misinformatie en haatspraak wil tegengaan. Het komt hen daarbij goed uit dat zijzelf perfect weten wat die merkwaardige begrippen betekenen, terwijl wij, Europees gepeupel, vulgum plebs geen idee hebben.

Kun je bijvoorbeeld zeggen dat een man geen vrouw kán worden? En dat hij geen kinderen kan baren? Zulke dingen zeggen of schrijven op de social media zou wel onder haatspraak kunnen vallen onder die DSA. We mogen hopelijk nog aannemen dat Ursula haar landgenote Christiane Nüsslein-Volhard niet zal tegenspreken, want ook al heeft deze Nobelprijswinnares geen zeven kinderen, zij weet wel goed hoe het zit met chromosomen.

Eigenlijk vinden die EU-potentaatjes het beter dat wij niet weten wát er precies verboden is: censuurmaatregelen mogen niet te duidelijk of expliciet zijn. Dat zou hun interpretatieruimte* alleen maar verkleinen. Metternich zal mij hier niet tegenspreken.

Een VRT-journalist vroeg me vijftien of was het twintig jaar geleden (toen ik hem in de plantentuin tegen het lijf liep) wat volgens mij het belangrijkste politieke thema zou worden in de toekomst. Ik riep Heine en Poesjkin aan en antwoordde ‘censuur’ en hij vond dat ik doordraafde.

Er bestonden toen nog geen social media bij ons, en kranten, radio en televisie bepaalden op eigen houtje wat nieuws was ...en wat géén nieuws was. Journalisten waren er eerlijk van overtuigd dat zij volkomen vrij waren in wat zij schreven of vertelden, en woorden als autocensuur of desk opinion waren zinledig.

_____________

* Een tactvol woord voor willekeur.

Stendhal
Journal
Préface de Dominique Fernandez
Édition d’Henri Martineau
Revue par Xavier Bourdenet
Gallimard, Folio classique, 1955, 2010, p.117

13 juli 2024

Het voetbalspel eenvoudig uitgelegd



Te veel mensen begrijpen te weinig van het edele voetbalspel, terwijl wij als kleine jongens daar alles al van wisten. Speltactieken bijvoorbeeld hadden geen geheimen voor ons en wij speelden vol vertrouwen in een WM-opstelling, zoals de Engelsen hadden geleerd en zoals hiernaast te zien is.

Maar dan kwamen de Brazilianen met Pele van Santos, en die speelden vier-twee-vier. Wij dus ook.

Onze terminologie moest nu wel aangepast worden: gedaan met de baks en halfbaks, stoppers, centervoors enzovoort. Alleen de kipper bleef zijn naam behouden.

Ook riepen wij soms foel – een verbastering van foei  als de vijand een smerige ingreep had gedaan. Dat werd dan een pélantie, maar buiten de baklijn leverde een foel slechts een friki op.

Daar had je twee soorten van: rechtstreekse of onrechtstreekse. Bij een onrechtstreekse friki mocht je de bal niet direct in de gol sjotten: het schot moest onderweg nog door een andere speler aangeraakt worden, ploegmaat of niet, dat maakte niet uit. Ik weet niet of die regel nog bestaat. Bij ens mocht het altijd rechtstreeks meen ik.

Afzeit was een moeilijke regel omdat wij speelden zonder arbitter. Korner was eenvoudiger vast te stellen, al was ook daar vaak betwisting over.


11 juli 2024

De Rode Duivels zijn nog het ergste niet!

 

Het is vanzelfsprekend erg dat onze voetballende jongens in schalen zijn gewogen en te licht bevonden, maar erger is het als een boek bij lectuur uiteenvalt in losse blaadjes, zoals mij in 2015 overkwam bij de Souvenirs d’égotisme van Stendhal. Ik nam dat schitterende boek vandaag weer ter hand, en opnieuw welde de ergernis in mij op.

Een bibliofiel ben ik niet maar zoiets gaat te ver, en bij een Penguinetje, een Reclamboekje of ook een Livre de Poche overkomen zulke zaken je niet.

Onder meer ook een boek over de slag bij Bouvines dat ik jaren geleden las viel uiteen, en toen nam ik de moeite om aan de uitgeverij in een netjes gefrankeerd briefje de raad te geven om zich voortaan toe te leggen op het drukken van vliegende blaadjes – feuilles volantes schreef ik – want specifiek daar leek me hun kracht te liggen. En al was mijn advies welgemeend en gratis, toch waren ze wat in hun Parijse gat gebeten begreep ik uit het antwoord van de ongetwijfeld lieftallige secretaresse.

1 juli 2024

Met het oog op het komende pausbezoek

Het Vaticaans concilie van 1869-1870 verhief de pauselijke onfeilbaarheid tot leerstelling, maar bij Stendhal lees ik dat men ook vroeger al uitging van die onfeilbaarheid – waar nu naar ik hoorde Franciscus aan wil knagen.

Het zou geen kwaad kunnen, mocht Rik Torfs hierover zijn cannoniekrechtelijk licht laten schijnen, al betreft het hier eerder een theologische kwestie. Overigens zou enige uitleg bij de pauselijke zegen ook welkom zijn. Stendhal kent aan die zegen bijzondere krachten toe waar velen geen weet van hebben:

Prinses Campobasso, amper 23 en een bloeiende schoonheid, was een nichtje van Benedictus XIII. Ze was extreem vroom en op een dag wierp zij zich voor haar oom op de knieën en smeekte hem haar de pauselijke zegen te geven. Zoals men onvoldoende weet,* spreekt die zegen vrij van alle zonden, op een paar afschuwelijke zonden na, zelfs zonder biecht.

De goede Benedictus was vertederd, hij weende en zei: “Sta op, mijn nichtje, je hebt mijn zegen niet nodig, in de ogen van God ben jij beter dan ik.”

Hoewel hij onfeilbaar was, vergiste hij zich hier, net als heel Rome. Campobasso was smoorverliefd en haar minnaar deelde haar passie. [...]

Wel of niet bemind worden was alles voor haar. “Mijn eeuwige zaligheid offer ik voor hem op,” sprak ze bij zichzelf, “iets gelijkwaardigs kan hij, een ketter, een Fransman, nooit voor me opofferen.”**
_____________
* ...bénédiction papale, qui, comme on ne le sait pas assez... schrijft Stendhal.
** Ridder de Sénecé, jonge Franse diplomaat, neef van hertog de Saint-Aignan, ambassadeur van Lodewijk XV in Rome.

P.S. Later in het verhaal merkte prinses Campobasso dat Sénecé vaak bezoekjes bracht aan haar nichtje, gravin Orsini, iets minder mooi maar wel geestiger dan zij, en niet zo pathetisch… «On dirait que ces âmes romaines ont pour souffrir des trésors d'énergie inconnus aux autres femmes.»

Stendhal had voor zichzelf een plannetje opgesteld, voor hij aan zijn verhaal begon.

« Fonds: Description de la manière dont un Français se fait assassiner à R[ome] par sa maîtresse.
Plan :
1° Elle lui fait des reproches ;
2° Elle le voit arriver chez sa cousine ;
3° La croyant raisonnable, il se trompe, il arrange une rupture honnête ; 
4° Elle le fait tuer. »
San Francesco a Ripa
in: Stendhal, Chroniques italiennes
Édition de Dominique Fernandez
Folio classique, Gallimard 1952, 1973

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html