18 september 2021

Grappige boekvoorstelling


Of dit een eenvoudige boekvoorstelling was, gisteren in Toulon, of een verkiezingsmeeting moet u zelf uitmaken, maar dat Zemmour een stampvolle zaal trok en de lachers op zijn hand had is wel duidelijk. C’est mon intérêt de faire durer l’ambiguïté, zegt hij:

Het volstaat dat er het gerucht loopt, gewoon een gerucht, dat ik mij bij de verkiezing kandidaat zou stellen, om te zien dat alle kandidaten spreken zoals ik. (applaus) Ik merk dat jullie dit evenmin is ontgaan.
Het dient gezegd, je hoort ze wel aankomen op hun grote klompen! Soms heb ik zin aanhalingstekens te zetten bij wat ze vertellen. Wat ik dan wil zeggen is: ‘Nee, nee, dat ben ik! zet aanhalingstekens!’
Maar neen, En ze sparen me niets hé! De enen hebben het over een beschavingsoorlog, anderen over een burgeroorlog. Zelfs zijn er die mijn favoriete citaten overnemen. En dan zie ik dingen opbloeien als: ‘de demografie bepaalt de toekomst.’* Kijk, ik wil hen er nog meer bezorgen hoor, ik heb er nog andere als ze dat wensen.
Ik weet er zelfs een die jarenlang Europees commissaris is geweest, die campagne heeft gevoerd voor Europa, en die nu ontdekt dat het ‘Europees Hof voor de Rechten van de Mens’ een ondraaglijk blok aan het been is. (applaus)
En dan heb ik er een andere ontdekt die voor de vakantie nog zei: ‘Nee, nee, asjeblieft. Dat wil ik niet, ik wil niet met Éric Zemmour verward worden want die is echt te kwaadaardig. Hij is echt te radicaal en ik wens vooral niet met hem over één kam geschoren te worden.’
En die nu ...ik luister naar de toespraken, ik lees, ik wrijf me de ogen uit en dan krijg ik de indruk dat ik mezelf hoor. Dezelfde uitdrukkingen. Het lijkt wel of we niet meer om een sociale inzet spelen, maar dat de beschaving op het spel staat. U hebt dat ook gehoord hé? En ja, ergens meen ik dat ook gezegd te hebben.
Maar kom, zand erover. Erg is het niet en we zullen hen geen schadeloosstelling vragen, er stond geen copyright op. Je moet genereus zijn, dat weet ik wel.
_________
De uitspraak La démographie, c’est la destinée wordt vaak aan Auguste Comte toegeschreven, maar is pas twintigste-eeuws: demography is destiny.


Suffit qu’il y ait une rumeur, une simple rumeur sur ma candidature à l’élection, pour voir tous les candidats parler comme moi. Ça, alors (applaus) ...je vois que vous non plus ça ne vous a échappé.
Faut dire qu’ils ont des gros sabots hein ! Parfois j’ai envie de mettre des guillemets quand ils parlent. Je veux dire : ‘Non, non, ça c’est moi, mettez des guillemets !’
Et bien, non. Alors j’ai le droit à tout hein, les uns parlent de guerre de civilisation, les autres parlent de guerre civile. Il y en a même qui prennent mes citations favorites. Alors je vois fleurir ‘la démographie c’est le destin’. Alors j’ai envie de leur donner d’autres  hein, j’en ai d’autres s'ils veulent.
J’en ai même un qui a été commissaire européen pendant des années, qui a fait campagne pour l’Europe, et qui maintenant découvre qui la CEDH est un boulet insupportable. (applaus)
Alors j’en ai ...j’ai  découvert une autre qui avant les vacances disait : ‘Non, non je ne veux pas, non, non je vous en prie, je ne veux pas être confondue avec Éric Zemmour parce que vraiment il est trop méchant. Il est trop radical et je ne voudrais surtout pas être confondue avec lui.’
Et qui maintenant ...je ...j’écoute les discours, je lis, je me frotte les yeux, et alors là, j’ai l’impression de m’entendre. Les mêmes expressions. Paraît que nous sommes passés d’un enjeu de société à un enjeu de civilisation. Vous avez entendu ça hein ? Eh bien oui j’ai cru dire ça à un moment. 
Mais bon, allez on passe. C’est pas grave, on les fait pas payer, il n’y a pas de copyright. Je sais bien, il faut être généreux.

15 september 2021

Monotheïsme is een ontaarding

Een vervelende eigenschap van nogal wat mensen is dat zij over een boek dat ze net gelezen hebben, en waar ze enthousiast over zijn hun mond niet kunnen houden.

Nu heb ik net Éloge du polytheïsme van Maurizio Bettini uit. Verschenen in Bologna in 2014 bij Il Mulino, en vertaald door de Luikse prof Vinciane Pirenne-Delforge voor Les Belles Lettres in Parijs, een geweldige uitgeverij. Ik bezit hun vierde druk, de eerste  was in 2016. Retrouvez Les Belles Lettres sur Facebook et Twitter, lees je in het colofon, en hier wat op de achterflap staat :

Tweeduizend jaar monotheïsme hebben ons eraan gewend te geloven dat God niet anders dan uniek, exclusief, waar kan zijn. De antieke polytheïsmen daarentegen namen de mogelijkheid onder ogen om goden en godinnen uit andere culturen (Zeus en Jupiter, Isis en Demeter) met elkaar te laten overeenstemmen, of zelfs om vreemde godheden op te nemen in hun eigen pantheon. Die bereidheid tot openheid maakt dat de antieke wereld, ook al heeft die conflicten of zelfs slachtingen gekend, vrij is gebleven van het religieuze geweld dat de monotheïstische culturen zo bloedig heeft gemaakt en dat blijft doen.
Zou de mogelijkheid vandaag bestaan te putten uit de bron van de polytheïsmen, om de verhoudingen tussen de verschillende religies vlotter en rustiger te maken?

Het spreekt dat een goede atheïst als ik het polytheïsme gunstiger gestemd is dan godsdiensten die zweren bij een boek. 

De antieken bezaten niet zo’n boek dat door een of andere god zélf geschreven was. Zij bezaten wel talloze overleveringen, voorstellingen, vertellingen, droombeelden. Maar die wrekende goden vonden dat zij een krachtiger middel moesten gebruiken: het vreselijke instrumentum litteraturae, waarmee hun wil voor eens en altijd vastlag.


14 september 2021

Zemmour over censuur

Bij een bestuurlijke maatregel in Frankrijk, die hier wellicht niet de journalistieke belangstelling zal wekken, kreeg Éric Zemmour zowat spreekverbod opgelegd. Men beschouwt hem als een ‘politieke personaliteit’, een begrip dat in de omgangstaal wellicht geldt, maar niet op een wettelijke basis berust. Zemmour is journalist, zijn kaart draagt nummer 57111 ...'même si ça ne me rajeunit pas' voegt hij daaraan toe. 

Hieronder het persbericht waarin het spreekverbod bekend werd gemaakt, en onderaan het antwoord van Zemmour, in de laatste Face à l’Info waarin hij nog wel recht van spreken had.


De CSA vraagt de audiovisuele media de tussenkomsten van de heer Éric Zemmour die op het nationale politieke debat slaan te turven

Het college van de Hoge Raad voor de audiovisuele media [CSA], vandaag in voltallige vergadering bijeen, heeft besloten de audiovisuele media te vragen om de tussenkomsten van de heer Éric Zemmour die het nationale politieke debat aangaan, te turven. Deze beslissing gaat in vanaf 9 september 2021.

De Hoge Raad wijst erop dat de beschikkingen van de wet van 30 september 1986 voorzien in een telling van de tussenkomsten van politieke personaliteiten. In het licht van de recente ontwikkelingen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de heer Zemmour voortaan als een acteur in het nationale politieke debat kan worden beschouwd, zowel door zijn standpunten en acties, als door de commentaren waartoe die aanleiding geven.

De regels van het pluralisme staan garant voor de goede gang van het democratische leven. De CSA heeft als taak te waken over hun juiste toepassing, met respect voor de redactionele vrijheid van de audiovisuele media, die als enigen verantwoordelijk zijn voor hun programmatie.


13 september 2021

Het vrije woord in Frankrijk

De Conseil Supérieur de l’Audiovisuel heeft besloten Éric Zemmour het spreken te beletten. Hij doet aan politiek vindt men daar, en men beschouwt hem niet meer als journalist. Hij kan dus niet meer aan tafel aanschuiven bij Christine Kelly in haar programma Face à l’Info, en zij heeft nu noodgedwongen een ander panel. En niemand zal betwisten dat de nieuwe namen alle kwaliteiten bezitten, maar evenmin kan iemand betwisten dat het om een autoritaire maatregel gaat die de vrije meningsuiting schendt – op bevel van het Élysée wordt gefluisterd.

Christine Kelly kondigde dit als volgt aan:

Bonsoir à tous. Éric Zemmour ne sera plus avec nous à partir de ce soir. Je viens de raccrocher avec lui, et je transmets ses salutations, vous remercie de l’avoir encouragé pendant deux ans. Il s’est dit dépité, triste et personnellement je regrette également de ne plus l’avoir sur ce plateau. Alors même si on est en désaccord avec cette décision du CSA nous sommes obligés de respecter l’institution. C’est la raison pour laquelle Éric Zemmour ne sera plus avec nous à partir de ce soir. J’avoue être triste pour la liberté d’expression et pour la pluralité des opinions qui m’est très chère personnellement. En tout cas bonne chance à Éric Zemmour.

Nous avons un nouveau plateau ce soir. Alors je vais vous les présenter : Eugénie Bastié, journaliste au Figaro, que vous connaissez bien – de toute façon on connaît tous les visages qui sont ici sur le plateau ce soir – auteur de plusieurs ouvrages d’ailleurs, hein, ma chère Eugénie, comme La Guerre des Idées et Le Porc émissaire. Charlotte d’Ornellas, ravie de vous retrouver, journaliste chez Valeurs Actuelles, Mathieu Bock-Côté, sociologue et chroniqueur, et Dimitri Pavlenko qu’on ne présente plus, journaliste à Europe1. Ah, j’ai un petit livre pour vous, c’est le livre d’Éric Zemmour, il l’a dédicacé. Il a dédicacé un livre à tous les mousquetaires, voilà… ah excusez-moi (boek viel op grond) si vous me permettez je vous l’envoie, pardon, pardonnez-moi hein. Il l’a dédicacé à tous ces mousquetaires. Ne soyez pas jaloux, il en viendra d’autres pour vous, c’est un petit cadeau aux anciens mousquetaires.

Alors on va commencer avec vous Matthieu Bo… vous êtes en forme ?

M B-C : Absolument !

Comment vous sentez cette première avec moi ?

M B-C : Mais […] , je suis heureux, privilégié, avec vous.

Alors c’est parti Mathieu Bock-Côté, on va parler d’Agnès Buzyn. Elle a été donc mise en examen pour mise en danger de la vie d’autrui, pour sa gestion du Covid. Alors beaucoup critiquent, de nombreux politiques critiquent…


9 september 2021

Een Frans persbericht vertaald

.

Ik vertaal dit AFP-bericht omdat onze goede journalisten Éric Zemmour weliswaar soms ter sprake brengen, bij een veroordeling wegens racisme bijvoorbeeld, maar ze juist dit bericht over een vrijspraak in hoger beroep misschien over het hoofd konden zien. Laten ze dit beschouwen als een helpende hand van mijnentwege:


Het Parijse Hof van Beroep heeft woensdag de polemist Éric Zemmour vrijgesproken van vervolging wegens belediging en aanzetting tot haat, na een hevige diatribe van hem tegen de islam en de immigratie, bij een politieke samenkomst in 2019.

Laetitia Drevet

Agence France-Presse

In eerste aanleg was de 63-jarige chroniqueur – aan wie sommigen de bedoeling toeschrijven zich bij de presidentsverkiezing van 2022 kandidaat te willen stellen – voor dezelfde uitlatingen nog veroordeeld tot een boete van 10.000 euro.

Bij een ‘conventie van de rechtse partijen’, op 28 september 2019 georganiseerd door Marion Maréchal, ex-parlementslid voor het Front National, had Éric Zemmour een speech gegeven waarin hij immigranten als ‘kolonisatoren’, en de ‘islamisering van de straat’ aan de kaak stelde.

De chroniqueur beschreef de sluier en de djellaba ook als ‘de uniformen van een bezettingsleger’.

In zijn arrest heeft de Hof geoordeeld dat ‘geen van de uitlatingen waar de vervolging op steunt de Afrikanen, de immigranten en de moslims in hun totaliteit viseert, maar alleen fracties binnen die groepen’.

‘Er zijn geenszins uitlatingen aangetoond die een groep mensen als geheel viseren omwille van hun herkomst of hun behoren of niet-behoren tot een etnie, een natie, een ras of een bepaalde religie’ voegt het Hof hieraan toe, ‘waaruit volgt dat de inbreuken waarop de vervolging sloeg niet bewezen zijn’.

‘Dit is een immense overwinning,’ verklaarde aan AFP de advocaat van Éric Zemmour, meester Olivier Pardo, die het Parket ervan beschuldigde de woorden van zijn cliënt te hebben ‘vervormd’.

Daarentegen heeft de beslissing de antiracistische verenigingen die zich burgerlijke partij hadden gesteld met stomheid geslagen.

‘Ik ben verbijsterd, het is een grote ontgoocheling,’ reageerde bij AFP een van de advocaten van de ‘Maisons des potes’, meester Ambre Benitez. ‘De beslissing is catastrofaal voor het publieke debat; dit billijkt alle racistische excessen,’ voegde een andere, meester Jérôme Karsenti, daar nog aan toe. De vereniging kondigde aan in cassatie te zullen gaan.

Controverses

In eerste aanleg had in september 2020 de correctionele rechtbank van Parijs geoordeeld dat de uitlatingen een ‘aansporing’ inhielden, ‘nu eens impliciet, dan weer expliciet, tot discriminatie en haat tegenover de moslimgemeenschap en haar religie.’

‘Opinies, ook als die choqueren moeten geuit kunnen worden, evenwel gaan de ten laste gelegde feiten verder en overschrijden zij de vrijheid van uitdrukking aangezien het gaat om smadelijke termen, gericht tegen een gemeenschap en haar religie,’ voegde de voorzitster van de 17de correctionele kamer hieraan toe.

De toespraak van Éric Zemmour werd destijds breed veroordeeld door de politieke klasse, en leidde tot een heftig debat in de media waarvoor hij werkte.

In weerwil van deze controverse werd de chroniqueur aangeworven door CNews, waar hij nog steeds in een dagelijks programma tussenkomt. Zijn commentaren hebben de kijkcijfers van de nieuwszender opgestuwd, maar tevens leverden ze hem een reeks gerechtelijke vervolgingen op.

Éric Zemmour was woensdag ook gedagvaard omdat hij de minderjarige migranten in opspraak had gebracht door ze, in september 2020 op CNews, als ‘dieven’ en ‘moordenaars’ te bestempelen.*

Dat proces werd verdaagd tot 17 november.

De vrijspraak van Éric Zemmour valt terwijl de polemist lijkt af te stevenen op een kandidatuur bij de presidentsverkiezing volgend jaar. Half september begint hij aan een promotietournee voor zijn nieuwe essay, en bij die gelegenheid komen er ‘gedachtewisselingen met de Fransen’, wat sterk naar een kiescampagne ruikt.

__________

* Hij voegde daar aan toe dat het vanzelfsprekend niet om álle migrantenjongeren ging, maar dat de gevangenispopulatie wel degelijk een indicatie gaf. Hij preciseerde dit in één adem, maar dat moet aan de aandacht van de journalisten toen ontsnapt zijn. (nvdv)


Zemmour over de cancel-gekte



C’est la défaite de l’intelligence. C’est des gens qui ne sont pas au niveau, et qui donc veulent abattre les gens qui leur sont supérieurs. Parce que ce sont des gens qui leur sont supérieurs. Vous comprenez, quand on abat une statue de Napoléon, c’est des nains qui s’en prennent à un géant. Pareil pour Christophe Colomb.


Het is de teloorgang van de intelligentie. Het zijn lui die geen niveau hebben, en bijgevolg mensen willen neerhalen die boven hen uitsteken. Omdat die mensen hen inderdaad overstijgen. U begrijpt, als men een standbeeld van Napoleon neerhaalt, dan zijn het dwergen die het tegen een reus opnemen. Hetzelfde voor Christoffel Colombus.



7 september 2021

Is de naam Rousseau een handicap voor politici?


Ooit zag ik in Londen – ik meen in Shaftesbury Theatre, of misschien was het Queen’s Theatre – de musical Les misérables. En Victor Hugo treft hier geen schuld, maar ik heb me daarbij stierlijk verveeld. Ik weet niet eens meer of het volgende rijmpje erin voorkwam (in het Engels dan) :

          Je suis tombé par terre,

          C'est la faute à Voltaire,

          Le nez dans le ruisseau,

          C'est la faute à Rousseau.

Dat laatste vers van Hugo is spreekwoordelijk geworden. Rousseau krijgt inderdaad de schuld van alles en nog wat. Je kunt geen ongunstige ontwikkeling in de staatsordening noemen of hij zit er voor iets tussen. Er zijn hele traktaten geschreven over de gelijkenissen en verschillen tussen hem en bijvoorbeeld Marx.

Maar dat Jean-Jacques een verderfelijke invloed heeft gehad op de ecologisten is zonder meer duidelijk. In Frankrijk heb je nu de partij Europe Écologie-Les Verts, met als boegbeeld Sandrine Rousseau, en die verklaarde ooit in Charlie Hebdo: ‘Je préfère des femmes qui jettent des sorts plutôt que des hommes qui construisent des EPR.’*

Liever toverheksen dan kernfysici dus. Had ik het boek van haar naamgenoot gelezen, Discours sur l'origine et les fondements de l'inégalité parmi les hommes van 1755, zou ik weten of hij daarin even ver ging als Sandrine. Goed, retour à la nature dus.

En recent verklaarde ze weer: ‘Si vraiment il y a des personnes qui sont dangereuses, de potentiels terroristes, ce n’est pas parce qu’ils restent en Afghanistan qu’ils sont moins dangereux en vrai. Quelque part les avoir en France, cela nous permet aussi de les surveiller.’

[Als er inderdaad mensen tussen zitten die gevaarlijk zijn, potentiële terroristen, dan is het waarlijk niet omdat ze in Afghanistan blijven dat ze minder gevaarlijk zijn. Hen hier in Frankrijk hebben stelt ons ergens ook in staat ze in de gaten te houden.]

Deze uitspraak werd in heel het land op hoongelach onthaald en in arren moede verklaarde Sandrine daarop: ‘C’était assurément une phrase maladroite.’ Onhandig dus, niet stompzinnig, geen Connerie.

Helaas twittert zij ook graag, en na de dood van Jean-Paul Belmondo kon ze alweer haar mondje niet houden:

Misschien kun je met de naam Rousseau het twitteren beter aan anderen overlaten, en misschien zelfs de politiek helemaal.

 ______

European Pressurized Reactor, een geavanceerde kernreactor ontworpen door het Franse Areva.


29 augustus 2021

Wat leest een mens graag?

.

Een mooie natuurbeschrijving met bijvoorbeeld vlinders, bloemen, bomen en bergen kan aangename lectuur zijn, en Maupassant geeft die ook vaak, maar vele lezers, durf ik te stellen, zullen hem met nog groter genoegen ergens aan zien ergeren. Deze stadsbeschrijving van hem is bijzonder genietbaar:

Het was een van die zomeravonden dat het aan lucht ontbrak in Parijs. In de verstikkende nacht leek te stad te zweten, zo heet als een stoombad. Door hun granieten monden bliezen de riolen hun stinkende adem, en door hun lage vensters stieten de kelderkeukens walgelijke miasmen van afwaswater en verschaalde sausen de straat op.

C’était une de ces soirées d’été où l’air manque dans Paris. La ville, chaude comme une étuve, paraissait suer dans la nuit étouffante. Les égouts soufflaient par leurs bouches de granit leurs haleines empestées, et les cuisines souterraines jetaient à la rue, par leurs fenêtres basses, les miasmes infâmes des eaux de vaisselle et des vieilles sauces.

.

20 augustus 2021

Maupassant en het algemeen kiesrecht

.In Les Dimanches d’un bourgeois de Paris* laat Guy de Maupassant een ambtenaar, zekere monsieur Rade, célèbre dans tout le ministère par les doctrines insensées qu’il affichait, bij een dinertje onder collega’s zijn principes betreffende het kiesrecht uiteenzetten:


1er principe. - Le gouvernement d'un seul est une monstruosité.
2e principe.  - Le suffrage restreint est une injustice
3e principe.  - Le suffrage universel est une stupidité

1ste principe   - Het bewind van één man is een monsterachtigheid.
2de principe    - Ingeperkt kiesrecht is een onrechtvaardigheid.
3de principe    - Algemeen kiesrecht is een stupiditeit.

Niets zegt natuurlijk dat Maupassant de mening van zijn personage deelt, of deze integendeel insensée vindt. Monsieur Perdrix, de bureauchef die mee aan tafel zit bij de collega's is zelfs verontwaardigd over wat Rade allemaal uitkraamt.

Maar het thema komt bij Maupassant vaker terug. In Bel-Ami** beschrijft de auteur de corrupte Laroche-Matthieu die graag minister wil worden. Ook hier blijft de vraag of we geen onderscheid moeten maken tussen Maupassant en ‘de auteur’:  

C’était un de ces hommes politiques à plusieurs faces, sans conviction, sans grands moyens, sans audace et sans connaissances sérieuses, avocat de province, joli homme de chef-lieu, gardant un équilibre de finaud entre tous les partis extrêmes, sorte de jésuite républicain et de champignon libéral de nature douteuse, comme il en pousse par centaines sur le fumier populaire du suffrage universel. Son machiavélisme de village le faisait passer pour fort parmi ses collègues, parmi tous les déclassés et les avortés dont on fait des députés.

Hij was een van die politici met vele gezichten, zonder overtuiging, zonder grote capaciteiten, zonder durf en zonder serieuze kennis, een provinciale advocaat, knappe man voor zijn departementsplaats, die als gladjanus het evenwicht tussen alle extreme partijen bewaarde, een soort republikeinse jezuïet en suspecte liberale paddenstoel, zoals die bij honderden opschieten uit de populaire mestvaalt van het algemeen kiesrecht. Zijn dorpse machiavellisme bezorgde hem de roep van krachtdadigheid bij zijn collega’s, bij alle aan lager wal geraakten en misgeboorten waar men parlementsleden van maakt
.

Als Maupassant een brief schrijft, speelt genoemd onderscheid misschien minder. Maar ook dan heeft hij weinig fiducie in het procedé:

À la Comtesse Potocka

Cannes, 13 mars 1884.

[…] Quand on voit de près le suffrage universel et les gens qu’il nous donne, on a envie de mitrailler le peuple et de guillotiner ses représentants. Mais quand on voit de près les princes qui pourraient nous gouverner, on devient tout simplement anarchiste.

Als je het algemeen stemrecht van nabij bekijkt, en de mensen die het ons bezorgt, dan bekruipt je de lust het volk te mitrailleren en zijn verkozenen te guillotineren. Maar als je van nabij de prinsen ziet die dan mogelijk het bewind over ons zouden voeren, word je zonder meer anarchist.

––––––––––– 
  * Édition de Catherine Botterel, 2020, Gallimard.
** Édition de Jean-Louis Bory, 1973, Gallimard.


.

13 augustus 2021

Dat exotisme altijd...

 Velen eten graag af en toe eens vogelnestjessoep. Talrijker nog zijn diegenen die zweren bij tiramisu, als dessertje dan. Uit een exotische teljoor willen eten komt vaak voor. 

Nu las ik dat er bepaalde foto’s van de zoon van Joe Biden in omloop zijn geraakt. Die zoon had namelijk een Russisch hoertje gevisiteerd, en helaas werd die gebeurtenis op de gevoelige plaat vastgelegd.

Hier bij ons hadden wij eerder dat ongelukkige voorval met Alexander D.C. Weliswaar is Alexander niet daadwerkelijk tot visitatie kunnen overgaan bij zijn Italiaans-Tsjechische pornosterretje – hij is ante portas gebleven als ik goed heb begrepen, maar wel moest hij zijn spaarvarkentje stukslaan en met een stevige som over de brug komen. Alexander was onvoorzichtig geweest met sms’jes aan zijn adorata, en de ploeg van 11 miljoen moest daardoor enkele maanden wachten op een frisse regering.

Men kan hierbij de vraag stellen: vanwaar toch die zucht naar exotisme? Is er dan bij het eigen volk geen keuze te over? Waarom ook in dezen niet wat meer tous ensemble? En komt die drang naar exotisme ook bij vrouwen voor?

Minstens al sinds Leni Riefenstahl (onder meer bekend van de film Olympia, gemaakt in opdracht van het Internationaal Olympisch Comité) weten we dat het antwoord op die laatse vraag ‘ja’ luidt, want zij raakte gefascineerd door de gespierde lijven van de Nuba.


De
dichter Martialis (geboren en gestorven in de Keltiberische stad Bilbilis) wist dat veel eerder al, en deed hierover zijn beklag: 

 


 

Das Parthis, das Germanis, das, Caelia, Dacis

nec Cilicum spernis Cappadocumque toros;

et tibi de Pharia Memphiticus urbe fututor

navigat, a rubris et niger Indus aquis;

nec recutitorum fugis inguina Iudaeorum,

nec te Sarmatico transit Alanus equo.

qua ratione facis, cum sis Romana puella,

quod Romana tibi mentula nulla placet?

Caelia, je geeft je aan Parthen, aan Germanen en Daciërs,
en van de Ciliciërs, Cappadociërs wijs je geen bed af.
Uit een Egyptische stad vaart een Memphitische neuker
naar je toe, uit de Rode Zee een donkere Indiër.
Je vlucht niet weg voor een avontuur met besneden Joden,
op zijn Sarmatisch paard rijdt geen Alaan jouw huisdeur voorbij.
Hoe kan het dan gebeuren dat jij, een meisje uit Rome,
geen waardering bezit voor een Romeinse pik?

Piet Schrijvers vertaalde alle epigrammen van Martialis bij Athenaeum, en bij sommige ervan geeft hij ook oudere voorbeelden van vertalingen. Die zijn een stuk politiek correcter dan de dichter zelf. Op de manier van die oude vertalers zouden zelfs onze deftige kranten kunnen berichten over Alexander:


Ghy laet u, Caelia, van Parthen, Duytschen, Russen

En Cappadociërs kussen.
Ghy laet Aegyptenaer noch geelen Indiaen
Noyt treurig buyten staen.
‘T aenkloppen is Alaen noch oock gevilde Joden
Tot uwent niet verboden.
Wat schijnt’er, Caelia, dat u een Roomsche Maegd
Geen Roomsch versoek behaegt.

Jeremias de Decker (1609-1666): Puntdichten

30 juli 2021

Een moordende overstroming


Bij Les Belles Lettres in Parijs verscheen begin dit jaar een verzamelbundel,  L’Antiquité en détresse (De Oudheid in nood) met als ondertitel: Catastrophes & Épidémies dans le monde gréco-romain.
Hier vertaal ik een stukje uit de Historische Bibliotheek van Diodorus Siculus (Διόδωρος Σικελιώτης, Diodorus de Siciliaan). Niet uit het oorspronkelijke Grieks natuurlijk, maar door de Loebvertaling van Russel M. Geer naast de Budé-versie te leggen die Jean-Louis Poirier presenteert bij Les Belles Lettres.
Poirier schreef ter inleiding: ‘In de volgende tekst is de catastrofe zichtbaar het resultaat van een aantal nalatigheden van de edielen.* In elk geval laat de tekst zien wat voor kracht water kan ontwikkelen.'

44. (de streek Rhagae) Terwijl het de meest volkrijke en welvarende steden telde van de hele regio kwam er een zodanige aardbeving dat de steden en al hun inwoners verdwenen, dat het landschap helemaal veranderde en er nieuwe rivieren ontstonden in plaats van de oude, en ook nieuwe moerassen en meren. 45. 1. In die tijd overstroomde de stad Rhodos voor de derde keer,** en vonden velen van haar inwoners de dood. De eerste overstroming had de bevolking weinig schade berokkend want de stad was nog maar pas gesticht en bijgevolg was er nog veel open ruimte; 2. de tweede overstroming was erger en doodde veel meer mensen; de derde kwam onverwacht bij het begin van de lente: plots kwamen er hevige stortbuien neer, met ongelooflijk grote hagelstenen. Er vielen hagelstenen van een mina*** en zelfs meer, zodat veel huizen onder het gewicht instortten wat de dood van heel wat mensen veroorzaakte. 3. Omdat Rhodos de vorm heeft van een amfitheater, en het meeste water bijgevolg op één plek samenstroomde, stonden de lager gelegen stadswijken meteen onder water; men was er immers van uitgegaan dat het seizoen van de winterregens voorbij was en dus had men de afvoerkanalen niet meer onderhouden, en waren de afvoerpijpen in de stadsmuren dichtgeslibd. 4. Het water dat plotseling samenstroomde vulde de hele wijk rond de markt en de Tempel van Dionysos; en toen de vloed zich doorzette in de richting van de Tempel van Asklepios sloeg de schrik allen om het hart en probeerde iedereen met allerhande middelen in veiligheid te komen. 5. Sommigen vluchtten de richting van de boten uit, anderen renden omhoog naar het theater. En sommigen die door het gevaar niet konden wegkomen, klommen in hun nood op de hoogste altaren en op de sokkels van de standbeelden. 6. De stad dreigde met al haar inwoners weggeveegd te worden, toen plots het toeval haar te hulp schoot. De stadswal begaf het over een flinke lengte, en het water dat opgesloten had gezeten stroomde door die opening nu de zee in, en iedereen keerde terug naar zijn oude plek. 7. Het was nog een geluk voor de getroffenen dat de vloed overdag kwam, want de meesten ontsnapten nog op tijd en konden hun huizen uitvluchten naar de hoger gelegen stadsdelen; en ook dat de huizen niet met zongedroogde baksteen opgetrokken waren, maar met natuursteen, wat de redding betekende voor diegenen die op de daken hun heil hadden gezocht. Niettemin verloren vijfhonderd mensen het leven bij deze verschrikkelijke catastrofe, terwijl veel huizen instortten en andere zwaar bouwvallig bleven. Dusdanig was de calamiteit die Rhodos trof.

Καὶ τὰ μὲν περὶ τὴν Ῥόδον συμβάντα τοιοῦτον ἔσχε τὸν κίνδυνον.

––––––––

* stadsbestuurders.

** de catastrofe had waarschijnlijk in 316 voor Christus plaats.

*** Ongeveer een pond, maar het gewicht verschilde van stad tot stad.

6 juli 2021

Een aansporing van Martialis

.
En een raad ook voor G.G. die hem hopelijk ter harte zal nemen.

Ede tuos tandem populo, Faustine, libellos
et cultum docto pectore profer opus,
quod nec Cecropiae damnent Pandionis arces
nec sileant nostri praetereantque senes.
ante fores stantem dubitas admittere
Famam teque piget curae praemia ferre tuae?
post te victurae per te quoque vivere chartae
incipiant: cineri gloria sera venit.

       Martialis, Epigrammata 1,25 (Loeb)

Publiceer, Faustinus, nu eindelijk je geschriften,
maakt het verzorgde, geleerde werk nu openbaar,
dat door de burcht van Cecrops en Pandion*  niet wordt veroordeeld,
door wijzen niet wordt verzwegen of genegeerd.
De Faam staat voor je deur, aarzel niet haar binnen te laten.
Schaam je je om de prijs te ontvangen voor je werk?
Laten geschriften, die na jou voort zullen leven, nu door jou
ook beginnen te leven. Als je dood bent, komt roem te laat!

       Piet Schrijvers (Athenaeum)

At long last, Faustinus, give your little books to the public. Put forth the work that your accomplished wit has polished, work which the Cecropian towers of Pandion would not reject nor our own forebears pass by in silence. Do you hesitate to let Fame in when she stands at your door? Are you reluctant to take the reward for your pains? Your pages will live after you; let them also begin to live through you. Glory comes late to the grave.

       D.R. Shackleton Bailey (Loeb)

__________
*  Een omschrijving van de stad Athene

5 juli 2021

Een aanval gepareerd?

.

Piet Schrijvers maakte in 2019 een prachtige vertaling van Martialis’ epigrammen (voor Athenaeum–Polak&Van Gennep). De verzen zijn onberijmd. In de inleiding zegt hij voor die vorm te hebben gekozen omdat rijm en metrum ‘gedateerd’ zijn. En hij bekritiseert dus eerdere vertalingen die daaraan vasthielden:

‘Welke dichter gebruikt na de Vijftigers nog vormvaste strofen met rijm (afgezien van een enkele archaïserende, al of niet ironische sonnettenbakker en de illustere Ida Gerhardt als uitzondering op de regel)? Rijmende vormvaste coupletten komt men heden ten dage nog bijna uitsluitend tegen in kinderrijmpjes of light verse; de drie genoemde bloemlezingen met hun rijm en vormvastheid bieden dan ook onvermijdelijk een ietwat gedateerde en kinderlijke Martialis.’

Nu heb ik de indruk dat Jean Pierre Rawie hierop heeft geantwoord in Een luchtbel in een vluchtige rivier (bij Prometheus – geen Martialis: Rawie vertaalt hier dichters van de twaalfde tot de twintigste eeuw). Misschien nam hij de term ‘sonnettenbakker’ wel persoonlijk?

'Bij het vertalen dient men – daar ben ik van overtuigd – de vorm van het origineel zoveel mogelijk te respecteren. Een rijmend gedicht hoort ook in vertaling te rijmen, en een sonnet of een rondeel moet een sonnet of een rondeel blijven. Een letterlijke woord-voor-woordvertaling biedt steun bij het lezen van het oorspronkelijke vers, maar levert geen zelfstandig kunstwerk op. Dat is namelijk wel de bedoeling; een goede vertaling beoogt een verrijking te zijn van de Nederlandse letterkunde, een gedicht dat er nog niet was. […]

Tegenwoordig spreekt men van light verse, dat van een geheel andere orde zou zijn dan ‘echte poëzie’. Beschaafdere tijden kenden dat onderscheid niet, en in sommige landen, zoals Engeland, diskwalificeert een dichter zich niet als hij naast ernstig werk ook offert aan de vrolijke muze. T.S. Eliots hilarische kattengedichten, waarop de musical Cats is gebaseerd, verhinderden niet dat hem de Nobelprijs werd toegekend.

Te onzent kan een dichter zich niet veroorloven de schijn van luchthartigheid te wekken, want dan wordt hij onverbiddelijk tot de niet meer serieus te nemen grappenmakers gerekend. Toen ik mijn eerste gedichten publiceerde, schrok ik zelf een beetje van de zware onderwerpen die daarin aan de orde kwamen, en bezigde ironie teneinde enige afstand te scheppen (pas later zag ik in dat de vorm al genoeg voor distantie zorgde). Het heeft jaren geduurd voor ik het daardoor opgeroepen stigma van oppervlakkigheid kwijt was; ik had immers slechts een ‘beperkte thematiek’, want ik schreef alleen maar over dood, drank en liefde.

Het is in dit verband belangwekkend erop te wijzen dat in perioden van barbarij en vormloosheid in de poëzie het altijd de ‘lichte’ dichters – én de vertalers – zijn geweest die de verstechniek voor volgende generaties hebben gered. Niettemin maken virtuozen op dat gebied als N.E.M. Pareau, Kees Stip, Ivo de Wijs en Driek van Wissen voor de schriftgeleerden geen deel uit van de Nederlandse dichtkunst. Het is alsof men Heine niet tot de Duitse literatuur zou rekenen omdat je vaak moet grinniken als je hem leest.'


29 juni 2021

Martialis troost onbegrepen dichters

.

Moderne dichters hoor je wel eens klagen, of je leest het ergens dat ze hun producten niet aan de straatstenen kwijtraken. Terwijl zij nochtans heel doorvoeld dichten. Maar niet allemaal klagen ze gelukkig.

Bijvoorbeeld Jean Pierre Rawie klaagt niet, maar verklaart: ‘De ontoegankelijkheid van veel eigentijdse poëzie wordt veroorzaakt door de behoefte koste wat het kost origineel te willen zijn. Er zijn dichters die lijken te denken dat ze als ze wartaal uitkramen meer kans maken oorspronkelijk te zijn, maar dat is allerminst zeker, er is ook oneindig veel wartaal geschreven.’

En ja, Rawie zelf is een ouderwetse, stielvaardige, metrische, rijmende dichter. Mensen met slechte smaak zijn er met hopen, en juist zij lijken dingen als rijm en metrum op prijs te stellen. Kinderachtig, maar daar valt niets aan te doen. Vormvaste verzen onthouden zij namelijk beter, en vaak zijn dat wat oudere gedichten.

Maar laat dit onze misschien wat minder stielvaardige, rijm-, metrum- en interpunctieloze dichters niet tot wanhoop drijven. Zij moeten wat geduld oefenen: na hun dood zullen ze wellicht roem oogsten.
Moge volgend epigram van de helaas wél vormvaste Marcus Valerius Martialis (¿40?-104 p.Chr.n) hen hierbij een troost zijn. Hij beantwoordt een vraag van Regulus, een vriend van hem:

‘Hoe te verklaren dat roem aan levenden wordt geweigerd
en dat een lezer zelden zijn tijdgenoten waardeert?’
Regulus, dat zijn natuurlijk de manieren van doen van de afgunst,
die nu eenmaal wat oud is boven wat nieuw is verkiest.
Zo zoeken wij ondankbaar Pompeius’ oude schaduw,*
zo prijzen oude mannen de armzalige tempel van Catulus**
Ennius werd in Rome gelezen toen Vergilius leefde
en de dichter Homerus werd door zijn tijdgenoten bespot.***
Zelden hebben theaters geklapt voor een bekroonde Menander,****
Corinna was de enige die haar Naso heeft gekend,*****
Jullie, mijn kleine bundels, wees toch niet ongeduldig:
als roem na de dood arriveert, heb ik volstrekt geen haast.

Martialis
Verzamelde epigrammen, Boek V,10
Vertaald, ingeleid en toegelicht door Piet Schrijvers
Athenaeum–Polak & Van Gennep Amsterdam 2019
 _________ 
 
* Zuilenhal uit de eerste eeuw v.Chr.
** Jupitertempel op het Capitool, door Catulus in 62 v.Chr. herbouwd na een brand.
*** In de oudheid verspreidden zich legendes over de zwerftochten en armoede van Homerus.
**** Slechts enkele van zijn talrijke komedies kregen een prijs.
***** Deze voorstelling over Ovidius’ onbekendheid als dichter wordt allerminst door Ovidius zelf bevestigd! Hij zegt wel dat Corinna’s identiteit alleen hem bekend was. D.R. Shackleton Bailey (vertaler voor de Loeb-editie) geeft: I suspect that M.’s memory played him false.

12 juni 2021

Twee of drie liberalen en het Boze Oog

Omdat een paar leden van onze nationale regering een gebaar maakten dat sommigen interpreteerden als een sympathiebetuiging voor de Grijze Wolven, geef ik hier een fragmentje uit mijn vertaling van de 'Florentijnse Nachten' van Heinrich Heine. Daarin wordt dat gebaar uitvoerig toegelicht. Maximiliaan komt zijn doodzieke vriendin verstrooien met verhalen. Hier gaat het over de componist Bellini:

Het is een vooroordeel om te menen dat een genie vroegtijdig aan zijn eind moet komen;  ik geloof dat het dertigste tot het vierendertigste levensjaar als de gevaarlijke periode voor genieën wordt beschouwd.  Hoe vaak heb ik de arme Bellini juist daar niet mee geplaagd en hem al schertsend geprofeteerd dat hij in zijn hoedanigheid van genie binnenkort wel eens kon sterven, want hij zat stil­aan in die gevaarlijke leeftijd.  Vreemd toch!  Al was dat in scherts gezegd, toch werd hij ongerust bij zulke profetie;  hij noemde me dan een jettatore en maak­te ook steevast het jettatore-gebaar…[1]  Hij wilde zo graag in leven blijven.  Van de dood had hij een bijna hartstochtelijke afkeer, over sterven wilde hij niets horen, hij was daar bang voor, als een kind dat schrik heeft om in het don­ker te sla­pen… hij was een goed en lief kind, soms een tikje onaardig, maar dan vol­stond het om hem met zijn spoedige dood te bedreigen en onmiddellijk raakte hij be­teu­terd en begon te smeken en maakte met twee gestrekte vingers het jetta­tore-teken…  arme Bellini!”

“Dus u hebt hem persoonlijk gekend?  Was hij knap?”

“Lelijk was hij niet.  Ziet u, ook wij mannen kunnen nooit met ‘ja’ ant­woor­den als we met zo’n vraag betreffende iemand van ons eigen geslacht worden gecon­fron­teerd.  Hij had een opgeschoten, slank figuur en bewoog zich sierlijk, ik zou zelfs zeggen, koket;  altijd à quatre épingles;[2]  een regelmatig gezicht, beetje aan de lange kant, en bleekroze;  helblond, bijna gouden haar in dunne krul­len gefri­seerd;  een hoog, zeer hoog voorhoofd;  rechte neus;  bleekblauwe ogen;  mooi­ bemeten mond;  ronde kin.  Zijn trekken hadden iets vaags en karak­ter­loos, iets van melk, en op dat melkgezicht kabbelde vaak een zoetzurige uit­drukking van smart.  Op Bellini’s gezicht verving die uitdrukking van smart de ontbreken­de geest;  het was smart zonder enige diepgang;  van elke poëzie ge­speend glom ze in zijn ogen en passieloos trok ze om ‘s mans lippen.  De jonge maestro leek deze vlakke, matte smart met heel zijn voorkomen te willen onder­strepen.  De dwe­perige en weemoedige manier waarop zijn haar was gekamd, hoe de kleren hem hunkerend rond het weke lijf zaten, de idyllische manier waar­op hij zijn Spaanse rottinkje droeg, het herinnerde me voortdurend aan de geaffecteerde schaap­herdertjes die we in onze pas­to­ra­le toneelspelen kun­nen zien paraderen, met linten om hun staf ge­wik­keld en in helkleurige jak­jes en broekjes gestoken.  En zijn stap was zo meis­jes­achtig, zo zwaar­moe­dig, zo ethe­risch.  Heel deze mens zag eruit als een die­pe zucht op hoge hak­ken.[3]  Bij vrou­wen had hij heel wat succes, maar of hij ergens een grote passie heeft los­ge­maakt betwijfel ik.  Ikzelf vond zijn ver­schijning altijd grappig en lichtjes onge­niet­baar, en daaraan ten gronde lag nog het meest zijn manier van Frans spreken.  Bellini mocht dan al jaren in Frankrijk hebben geleefd, zijn Frans sprak hij danig slecht;  zoals ze het zelfs in Engeland nauwelijks kunnen.  Ik zou zijn spreken niet mogen aanduiden met het bijwoord ‘slecht’;  slecht is hier veel te goed.  Je moet ‘erbarmelijk’ zeggen, ‘bloed­schen­nig’, een ware wereldcatastrofe.  Ja, als je in zijn gezelschap vertoefde terwijl hij als een beul de arme Franse woorden rad­braak­te en onverstoord zijn kolossaal coq-à-l’âne[4]  uitkraamde, vaak bekroop je dan de gedachte dat de wereld wel kon ten onder gaan in één grote donder­slag…  een doodse stilte heerste er dan in heel de zaal;  doodsangst tekende zich af op alle gezichten, krijtwit of vermiljoen;  de vrou­wen wisten niet of ze in on­macht moesten vallen of op de vlucht slaan;  de mannen keken verbijsterd naar hun broeks­pijpen om zich ervan te vergewissen dat ze die wel degelijk aan­had­den;  en wat nog het verschrikkelijkste was:  deze angst riep tegelijk een nauwe­lijks te ver­bijten convulsieve lachlust op.

“Als je bijgevolg in het gezelschap van Bellini vertoefde, dan boezemde die nabijheid altijd een ze­ke­re angst in, zoals een huiveringwekkende duizeling te­ge­lijk afstotend en at­trac­tief kan zijn.  Vaak waren zijn onbedoelde calem­bours[5] alleen maar koddig;  potsierlijk en afgezaagd als ze waren riepen ze het beeld op van dat kasteel van zijn landgenoot, de prins van Palagonia.[6]  Goethe schil­dert het in zijn “Itali­aanse Reis” als een museum van barokke prullen en ongerijmd bij elkaar ge­gooi­de misbaksels.  Omdat Bellini er bij die gelegen­heden van over­tuigd bleef dat hij iets vol­komen onschuldigs of vol­komen welvoeglijks had ge­zegd, vorm­de zijn gezicht altijd het grappigste contrast bij zijn woorden.  Din­gen die mij in zijn gelaat toch al tegenstonden kwamen dan des te schrijnen­der tot uiting.  Wat me daarin misviel was evenwel niet van die aard dat je het louter als een mankementje kon afdoen, en nog minder zal het de dames hebben be­koord.  Bellini’s gezicht en heel zijn verschijning hadden dat lichamelijk frisse, die vle­zige bloei, die rozige teint die zo’n onaangename indruk op mij maken;  speciaal op mij, want ik hou meer van doodsbleke marmeren gezichten.  Pas nadien, toen ik Bellini al langer kende kreeg ik enige sympathie voor hem.  Dat kwam omdat ik had in­gezien dat hij absoluut edel en goed van karakter was.  Zijn ziel is zeker rein gebleven en onbevlekt door wat voor lelijke ervaringen ook.  Evenmin ont­brak bij hem die onschuldige goed­moe­dig­heid, dat kinderlijke dat we altijd te­rug­vinden bij geniale mensen, ook al lopen zijzelf daar niet voor iedereen mee te koop.


“Ja, ik herinner me nog ­—”  ging Maximiliaan door, terwijl hij zich neerliet in de zetel waar hij naast was blijven staan, gesteund op de leuning — “ik herinner me nog het moment dat Bellini in zo’n gunstig licht bij me kwam, dat ik hem met genoegen gadesloeg en me voornam om eens nader kennis te zullen ma­ken.  Maar helaas was dit de laatste keer dat ik hem in dit leven nog zou zien.  Het was op een avond nadat we in het huis van een grote dame, die de kleinste voet­jes van Parijs heeft, samen hadden gegeten en zeer vrolijk waren geworden, en er aan de fortepiano de zoetste melodieën weerklonken…[7]  Ik zie hem nog vóór me die goede Bellini, hoe hij uitgeput van de vele gekke Bellinismen die hij had uitgekraamd zich ten slotte op een zetel liet neerzakken…  Die zetel was heel laag, meer een bankje, zodat Bellini in één beweging bij de voetjes van een mooie dame terechtkwam die zich tegenover hem op een sofa had uitgestrekt en met mild leedvermaak neerkeek op Bellini, terwijl die zich uitsloofde om in het reine te komen met enkele Franse uitdruk­kingen en zich daarbij telkens weer genoodzaakt zag om datgene wat hij net had gezegd te voorzien van commen­taar in zijn Siciliaanse taaltje, in een poging om te bewijzen dat het geen sottise was geweest, maar integendeel juist een fijn­zin­nig compliment. “Ik had de indruk dat de mooie dame niet al te veel aandacht besteedde aan het geklets van Bellini;  ze had hem het Spaanse rottinkje, waar hij zijn zwakke retoriek vaak ter hulp mee wilde komen, uit de handen genomen en bediende zich daarvan om de sierlijke krullen op de beide slapen van de jonge maestro lichtjes in de war te bren­gen.  Het was om dit licht baldadige spelletje dat ze moest lachen en op haar aan­gezicht kwam daarbij een uitdrukking zoals ik die nooit op het gelaat van een levende ziel heb gezien.  Nooit vergeet ik dat gezicht nog!  Het was één van die gezichten die meer in het dromenrijk van de poëzie dan in de rauwe werkelijkheid van het leven lijken thuis te horen;  contouren die aan da Vinci doen denken, de edele ovale vorm met die naïeve wangenkuiltjes en de gevoelig spits toelopende kin van de Lombardische school.  De teint eerder zacht Romeins, mat paarlemoer, voorname bleekheid, morbidezza.  Kortom het was een gezicht zoals je dat enkel hier of daar op een oud-Italiaans por­tret vindt, voorstellende één van die grote dames waarop de Italiaanse kunstenaars van de zestiende eeuw verliefd waren toen ze hun meesterwerken schiepen, of waar de dichters van die tijd aan dachten toen ze zich onsterfelijk zongen, en waar de Duitse en Franse krijgshelden naar smachtten toen ze hun zwaard omgordden en vol plannen de Alpen overstaken…  Ja, ja, zo’n gezicht was het waarop dat lach­je speelde, vol van het mildste leedvermaak en de meest voorname balda­digheid terwijl ze, deze mooie dame, met het puntje van het Spaanse rottinkje het blonde krullenkapsel van die brave Bellini bedierf.  Het was alsof Bellini op dat mo­ment door een toverstafje werd aangeraakt, omgetoverd in een geheel en al vriendschappelijke gedaante, en mijn hart voelde zich ineens helemaal met hem verwant.  In de weerschijn van dat lachje glom zijn gelaat, en wellicht was dit het meest bloei­ende moment van zijn hele leven…  Ik zal hem nooit verge­ten… Veertien dagen later las ik in de krant dat Italië één van zijn roemrijkste zonen had verloren![8]

“Hoe toevallig!  tegelijkertijd werd ook de dood van Paganini aangekondigd.  Aan dat laatste overlijden twijfelde ik geen moment, want de oude vale Paganini had er altijd al uitgezien als een stervende;  maar de dood van de jonge rozige Bellini kon ik niet geloven.  En nochtans was het bericht over de dood van de eerste alleen maar een krantenkwakkel.  Paganini houdt zich fris en gezond in Genua op, en Bellini ligt in het graf in Parijs!”[9]

_____________________


[1] In Zuid-Italië en Sicilië is de jettatore (hij die boze blikken werpt, het kwade oog, malocchio) iemand die ongeluk brengt, gewild of zelfs ongewild;  Pius de IXde bv. werd als een jettatore beschouwd, niet omdat hij kwaadwilliger was dan andere pausen, maar omdat het een aantal malen was voorgekomen dat er rampen gebeurden op plaatsen die hij pas had gezegend;  het geloof aan het kwade oog kwam al voor bij de Sumeriërs, verder in de Joodse traditie, ook bij Paulus (die zijn vijanden beschuldigde van het kwade oog), in de Islam, tot bij Mme Blavatsky en afgeleiden;  men kan zich beschermen met een mascotte, of door onder een kroonluchter te gaan staan;  kinderen kunnen worden beschermd met een rood halsbandje, of een stukje koraal in de vorm van een hand;  het enige dat bij volwassenen echt helpt is de hand met gespreide vingers voor de jettatore opsteken (of met wijsvinger en pink gestrekt), en zich dan snel uit de voeten maken.
[2] [tiré] à quatre épingles:  piekfijn gekleed (een gewassen kanten halsdoek bv. werd met vier spelden op een plankje bevestigd om te drogen).
[3] en escarpins zegt de tekst:  pumpschoen, toneel- of balletschoeisel.
[4] van de hak op de tak;  van de os op de ezel.
[5] woordspelingen.
[6] Goethe beschrijft de Villa Palagonia in Bagheria uitvoerig  (Palermo, 9 april 1797);  ook in zijn Harzreise vermeldde H. dit paleis:  een onwaarschijnlijk rariteitenkabinet.
[7] De dame met de kleine voetjes is de Milanese prinses Christina Belgiojoso-Trivulzio (18001871);  ze was zeer onconventioneel:  sympathiseerde met de carbo­nari en de communisten;  had in Parijs een tijdlang een gezien salon waar le tout Paris, de aartsconservatieven niet meegerekend, bijeenkwam;  H. was niet ongevoelig voor haar grote charme, haar moed en intelligentie (Georges Sand schrijft in okt. 1835 aan Frans Liszt:  On dit que notre cousin Heine, s’est pétrifié en contem­plation aux pieds de la princesse Belgiojoso).
[8] In een brief aan haar vriendin Caroline Jaubert doet prinses Belgiojoso het verhaal van de ontmoeting tussen H. en Bellini, ook hoe Bellini op de vlucht ging voor de zettatura (haar schrijfwijze):
“[…] Sans en entendre d’avantage, Bellini prenait la fuite;  non que, dans l’occa­sion, comme Mazarin, son com­pa­triote, il ne fût pourvu d’une répartie piquante.  Sous une apparence d’hésita­tion, faisant sem­blant de ne pas bien apprécier la valeur des mots, il trouvait des répliques plaisantes et mor­dantes;  mais sa présence d’esprit lui manquait lorsqu’il était en proie à une crainte superstitieuse;  Ces plaisanteries nous auraient semblé bien cruelles si l’avenir nous eût été révélé.  Moi la première alors, je riais de bon cœur, en regardant le visage effrayé de notre cher compositeur. […]” (in:  Michael Werner, 1973, Begegnungen mit Heine, 1797-1846, S. 306).
[9] Niccolò Paganini (1782–1840);  Italiaanse componist en de belangrijkste vioolvirtuoos van de XIXde E.;  zijn viooltechniek was revolutionair en werd later door bv. Eugène Ysaÿe overgenomen;  zijn optredens waren zo overweldigend dat de toeschouwers voor waar geloofden dat hij een pact met de duivel had gesloten;  pas vijf jaar na zijn dood werd zijn lichaam in gewijde grond begraven.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html