9 december 2018

La grande Muette spreekt


Twaalf Franse generaals hebben zich openlijk tot Manu gericht, en zij sparen hun woorden niet. Ik vraag mij nu af – het Belgische leger zal toch wel een dozijn generaals hebben – of dat hier ook denkbaar zou zijn. 
Maar het is te laat voor zo’n brief, onze Charles zit zonder énig mandaat al in de vlieger. Een militaire vlieger vermoed ik, maar dat moeten we bij Minister van Landsverdediging Didier navragen, want Charles kan natuurlijk ook gewoon voor Royal Air Maroc gekozen hebben.

U kunt niet zonder publiek debat dit nieuwe stuk nationale soevereiniteit afstaan, terwijl 80% van de Franse bevolking van oordeel is dat men de immigratie een halt moet toeroepen, of aan drastische regels onderwerpen. Door in uw eentje de beslissing te nemen dat pact te tekenen, zou u een bijkomende drijfveer tot revolte leveren aan de woede van een volk dat het al zwaar te verduren kreeg. U zou zich schuldig maken aan verwerping van de democratie, zelfs aan verraad aan de natie. 

Vous ne pouvez pas céder ce nouveau pan de la souveraineté nationale sans un débat public alors que 80% de la population française considère qu’il faut stopper ou réguler drastiquement l’immigration. En décidant seul de signer ce pacte, vous ajouteriez un motif de révolte supplémentaire à la colère d’un peuple déjà malmené. Vous vous rendriez coupable d’un déni de démocratie, voire de trahison à l’égard de la nation.

7 december 2018

Marianne gemolesteerd


De Franse spion Gilles Sacaze, gewezen directeur bij de sécurité extérieure (DGSE), zei bij Sonia Mabrouk op Cnews een paar behartigenswaardige dingen over de vernielingen (saccages) aan de Arc de Triomphe. Me dunkt dat, op hun niveau, Mark Eyskens, Guy Verhofstadt en Herman De Croo dat in hun zak mogen steken:

Gilles Sacaze: Er zijn jammerlijke uitspraken gedaan, en dan zijn er… men heeft de publieke functies gedesacraliseerd: het presidentiële ambt, maar niet enkel dat, de functie van politici in het algemeen. Goed, dat waren jammerlijke kleine uitlatingen, maar ze dateren niet van vandaag, dat was onder de vorige presidentstermijn, en zelfs onder Sarkozy met ‘casse-toi pauv’con’. Zo heeft men zaken gedesacraliseerd, en dan zegt men: de mensen respecteren ons niet. Maar ze respecteren de gendarme niet, ze respecteren de politieman niet, ze respecteren de president van de republiek niet, ze respecteren de Arc de Triomphe niet. Ziet u, men heeft van de natie of van het nationalisme een geestesziekte gemaakt, en dan zegt men nu: heb respect voor de nationale symbolen. Maar dat is een nieuw geluid! Nog niet zo lang geleden moest men… de natiestaat was een probleem, en het was Europa en de mondialisering waarop men zich moest richten. En we mogen dan zo u wil in hogelijk onzekere tijden leven, maar er zijn grenzen.
Sonia Mabrouk: Niet onbelangrijk wat u daar zegt.
Gilles Sacaze: Zeker, maar ik ben militair geweest weet u.
Sonia Mabrouk: Het is dat men misprijzen toonde voor bepaalde… enfin, misprijzen… men heeft bepaalde waarden vergeten, opzij geschoven, en vandaag roept men die in.
Gilles Sacaze: Precies. En men roept die waarden in als het ons goed uitkomt, en vervolgens moet men ze maar weer uitwissen als, heu… kijk, wat motiveert de gendarme die zaterdag, of de politieman die zaterdag het hoofd moet bieden aan straatstenen enzovoort? Zijn salaris is het niet. Het is… die kerel riskeert zijn leven. En om je leven te riskeren word je nooit genoeg betaald. Van het geld kun je dan niet meer genieten wil ik zeggen, een ontstellende evidentie, niet? Het is dus iets anders. Het is iets anders. En als men dat andere wegneemt, en dat andere is de Republiek, het is de Natie, het is Frankrijk, voilà, en als men dat decennialang wegveegt, wel, daarmee staan we nu waar we staan.

Laten we nu de visionair en schilder-dichter Mark Eyskens als eerste zijn wijsheid debiteren: ‘De wereld wordt een dorp! Het nationalisme is totaal achterhaald, het volk bestaat niet meer en de nationale staat verdampt in Europa.’
De bevlogen Guy Verhofstadt mag natuurlijk niet achterblijven. In een van zijn vele verwaarloosbare boekjes roept hij: ‘Het nationalistische denken en zijn vertakkingen in het fascisme en het nazisme hebben in een tijdspanne van honderd jaar een spoor van vernieling door Europa getrokken, zoals geen enkel continent op aarde dat ooit heeft meegemaakt.’
Gelukkig is er nog de hofnar Herman De Croo met een mooie, zij het niet van veel zelfkennis getuigende kreet: 'Ik ben echt geen Vlaams-nationalist omdat ik echt niet mentaal gehandicapt ben.'


Gilles Sacaze: Il y a eu des paroles malheureuses, alors il y eu… on a désacralisé les fonctions : la fonction présidentielle mais pas que ...d’une façon générale la fonction des politiques, bon. Par des petites phrases malheureuses mais ça ne date pas de maintenant, c’était également sous le précédent quinquennat, et puis même sous Sarkozy avec ‘casse-toi pauv’con’. Donc on a désacralisé les choses et on se dit: les gens ne nous respectent pas. Mais ils ne respectent pas le gendarme, ils ne respectent pas le policier, mais ils ne respectent pas les politiques, ils ne respectent pas le président de la République, ils ne respectent pas l’Arc de Triomphe. Mais on a fait, si vous voulez, de la nation ou du nationalisme une maladie mentale. Donc maintenant on dit: respectez les symboles nationaux. Mais c’est nouveau! Il n’y a pas longtemps il fallait… la nation c’était un problème, il fallait se tourner vers l’Europe et la mondialisation. Donc on est plus dans l’insécurité si vous voulez, mais il y a une limite.
Sonia Mabrouk: C’est important ce que vous dites.
Gilles Sacaze: Mais bien sûr, mais j’ai été militaire si vous voulez..
Sonia Mabrouk: C’est qu’on a méprisé certaines… enfin, méprisé : oublié, mis de côté certaines valeurs, et aujourd’hui on en appelle à ces valeurs-là.
Gilles Sacaze: Exactement, et on en appelle à ces valeurs-là quand ça nous arrange, et puis il faut les effacer quand heu… encore une fois, vous avez les… qu’est-ce qui motive le gendarme qui samedi, ou le policier qui samedi va faire face aux pavés et cetera. C’est pas le salaire. C’est… le gars il risque sa vie. On n’est jamais suffisamment payé pour risquer sa vie. Je veux dire on ne va pas profiter de l’argent, c’est d’une évidence déconcertante si vous voulez. Donc, c’est autre chose. C’est autre chose. Si on enlève cette autre chose, et cette autre chose c’est la République, c’est la Nation, c’est la France et voilà. Quand on a effacé ça pendant des décennies, bien alors on en arrive là.

3 december 2018

Liever lomp dan trendy


Een lid van de Académie française dat zichzelf op tv, in dit geval Cnews, een lomperd (un plouc) noemt, dat is waarschijnlijk niet eerder voorgekomen. Alain Finkielkraut deed het omdat hij sympathiseert met de gele hesjes. Hij wil vooral geen trendy jongen zijn (un branché).
Dat woord ‘plouc’ zult u niet aantreffen in bijvoorbeeld de zesdelige Robert, wel in de Dictionnaire du français argotique et populaire van Larousse, een beknopt boekje van 1977.
Het woord 'beauf' (oorspronkelijk beau-frère) is weer ontstaan in de kringen van Charlie Hebdo, en het betekent zoveel als: een hufter die caféwaarheden debiteert, nooit iets leest en zekerheden heeft waar hij nooit van zal afstappen. Het Amerikaanse redneck komt in de buurt. Cabu tekende de beauf als een gezet mannetje met een alpinopet en een snorretje, naast een petanqueveldje staand met een pastis in de hand. Niet helemaal het portret van Finkielkraut.
Branché is ook argot, al is het net als plouc algemeen verbreid nu. Het betekent zoveel als: modern, in, modieus, chic. Ik koos voor ‘trendy’ maar noch ‘plouc’ noch ‘branché’ laten zich dekkend vertalen met één woord.

Alain Finkielkraut: Wat ik vaststel is dat bijvoorbeeld de kritische sociologie, en een groot aantal journalisten geen rekening houden met wat zich in die regio’s afspeelt. Men onderhoudt ons over de creativiteit van de banlieues, over de energie van de banlieues, over de uitsluiting waar de jongeren van de banlieues het slachtoffer van zijn, maar wat er omgaat in de Creuse, in Picardië of in de Moezelstreek, daar vertelt men ons niets over. Dat is het dus allemaal, over dat misprijzen heb ik het, en persoonlijk heb ik me altijd nauwer verwant gevoeld met lomperds dan met trendy jongens, aangezien 'trendy' inhoudt dat je dan applaudisseert voor ensceneringen die van repertoirestukken een reclamefolder maken voor de onvoorwaardelijke gastvrijheid of voor de LGTB-belangen.
Sonia Mabrouk: Mag ik even een precisering, als u zegt…
Alain Finkielkraut: Ik ben dus eerder een lomperd.
Sonia Mabrouk: U bent eerder een lomperd.
Alain Finkielkraut: Eerder een lomperd.
Sonia Mabrouk: ...als u zegt 'eerder een lomperd', moeten wij natuurlijk begrijpen dat u dat ironisch zegt, want sommigen hebben gezegd – en vergeeft u mij, het is absoluut niet onze uitdrukking, ik zet ze tussen aanhalingstekens, maar u hebt het ook gehoord: dit is het Frankrijk van de boerenkinkels. En sommigen hebben gezegd: dit is het witte Frankrijk dat op straat komt. [...] Mag men zeggen dat u steun verleent, Alain Finkielkraut, aan die beweging van de gele hesjes?
Alain Finkielkraut: Jazeker, met dien verstande dat ik kritiek mag geven…
Sonia Mabrouk: Dat zult u ook doen, maar…
Alain Finkielkraut: …wat betreft bepaalde gedragingen, of zelfs bepaalde uitschuivers, maar nogmaals, op zich vind ik het naar buiten komen van die beweging heilzaam.



Alain Finkielkraut: Ce que je constate, c’est que la sociologie critique par exemple, et un grand nombre de journalistes ne tiennent pas compte de ce qui se passe dans ces régions. On nous parle de la créativité des banlieues, de l’énergie des banlieues, de l’exclusion dont sont victimes les jeunes de banlieue, on ne nous parle pas de ce qui se passe dans la Creuse, en Picardie, ou en Moselle. Donc c’est tout cela, c’est de ce mépris que je parle, et personnellement je me suis toujours senti plus proche des ploucs que des branchés, dès lors qu’être branché c’est applaudir des mises en scène qui transforment les œuvres de répertoire en prospectus pour l’hospitalité inconditionnelle, ou pour la cause LGTB…
Sonia Mabrouk: Je veux juste une précision quand vous dites…
Alain Finkielkraut: …donc je suis plutôt plouc.
Sonia Mabrouk: Vous êtes plutôt plouc.
Alain Finkielkraut: Plutôt plouc.
Sonia Mabrouk: Quand vous dites plutôt plouc, parce que, il faut comprendre évidemment vous le dites de manière ironique, parce que certains ont dit que c’était la France – pardonnez-moi c’est pas du tout notre expression, je la mets entre guillemets – vous l’avez entendu: la France des beaufs. Certains ont dit: c’est la Franche blanche qui est là dans la rue. [...] Donc on peut dire un soutien, Alain Finkielkraut de ce mouvement des gilets jaunes?
Alain Finkielkraut: Ah oui, c’est-à-dire que je peux émettre des critiques…
Sonia Mabrouk: Vous allez le faire, mais…
Alain Finkielkraut: …à l’égard de certaines attitudes, voire de certains dérapages, mais l’expression-même de ce mouvement, je la trouve, encore une fois, salutaire.

1 december 2018

Riocreux bij Taddeï


Frédéric Taddeï is een Franse journalist die honderden culturele programma's heeft verzorgd op radio en televisie, politieke programma's gemodereerd ook, en dat op de grote zenders. En onlangs is hij overgestapt naar Russia Today. Dat heeft voor opschudding gezorgd: hij heeft zijn ziel aan de duivel Poetin verkocht! Maar ook vroeger al werd hij aangevallen, omdat hij soms gasten uitnodigde die voor de weldenkenden infréquentable waren. Maar zoals u hier kunt zien maakten heksenjachten en kruisverhoren van weldenkenden nooit veel indruk op hem. Als een van zijn eerste gasten nodigt hij in zijn Russische programma Interdit d'interdire de linguïste Ingrid Riocreux uit, die de journalistiek zwaar op de korrel neemt:

Frédéric Taddeï: Steeds meer mensen mogen dan de media wantrouwen, de media wantrouwen het publiek ook meer en meer, zegt u.
Ingrid Riocreux: Juist, en dat is het uitgangspunt van dit tweede boek. Het wil aantonen hoe de media op dat wantrouwen van ons reageren, en hoe zij op hun beurt ons wantrouwen. Vandaar al die holle frasen rond de gevaren van fake news, de gevaren van het internet...
Frédéric Taddeï: Wij dus zijn kwetsbaar voor fake news, zij niet.
Ingrid Riocreux: Juist, zo zit dat, en het is echt de bedoeling ons weer terug te leiden naar de ware schaapstal van de goede pers, door te zeggen: opgelet, ga niet elders heen! Er wordt dus alles aan gedaan om de effecten van dat wantrouwen de pas af te snijden, en als men zijn geloofwaardigheid daarbij onderuithaalt, dan is dat maar zo. En dat is het geval zoals u zegt, en het wordt wat gênant als men er zich rekenschap van geeft dat ook zij ons fake news opdissen. 
Frédéric Tadde: Vandaar de titel van uw boek Les Marchands de Nouvelles [De Nieuwsventers], die u ontleend hebt aan Bel-Ami van Maupassant. En u zegt dat die venters de bedoeling hebben om het monopolie van hun handeltje te behouden. Vandaar dan de wet op fake news, vandaar ook de beschuldigingen van complotdenken ten aanzien van bepaalde sites, en weer niet van andere enzovoort enzovoort.
Ingrid Riocreux: Zo is dat. En op een bepaalde manier bekeken, zitten daar inderdaad altijd de belangen van het grote geld achter. Maar ik bemoei me eigenlijk niet met de financiering van de media. Ik probeer altijd aan te tonen dat, wie de financier ook is, het probleem gewoon hetzelfde blijft als we dezelfde boodschap krijgen. Ons willen waarschuwen is de achterliggende gedachte, voor alles wat zweemt naar alternatieve media, door ze karikaturaal voor te stellen en te diaboliseren, om ons op die manier in hun ideologische buideltas te houden. Men heeft het dan over journalistieke objectiviteit, terwijl we weten dat die niet bestaat, enkel nagestreefd dient te worden. Kijk, laat men zich dan tevredenstellen met wat Michel Legris de ‘subjectieve eerlijkheid’ noemde, met andere woorden…
Frédéric Tadde: Michel Legris die een boek geschreven had met als titel «Le Monde» tel qu'il est. Hij was de eerste die kritiek leverde op Le Monde, de krant waar hij zo lang had gewerkt.
Ingrid Riocreux: Het komt simpelweg hierop neer: de media moeten er eerlijk voor uitkomen wat hun insteek is.



Frédéric Taddeï: Vous dites que si les gens sont de plus en plus nombreux à se méfier des médias, les médias se méfient de plus en plus des gens.
Ingrid Riocreux: Voilà, c’est le point de départ de ce deuxième livre. C’était montrer comment les médias réagissent à notre propre méfiance, et comment ils se méfient de nous. Et voilà toute cette rhétorique autour du danger des fake news, des dangers d’internet…
Frédéric Taddeï: Et donc nous sommes vulnérables au fake news, eux pas.
Ingrid Riocreux: Voilà, et c’est ça, et donc l’idée c’est vraiment de nous ramener vers le bercail de la bonne presse en disant, attention, n’allez pas ailleurs. Donc tout est fait pour essayer d’anticiper les effets de cette méfiance, quitte à s’autodiscréditer. Bien sûr, et c’est comme vous dites. Et bien quand on se rend compte que eux aussi ils nous servent des fake news, c’est un peu gênant.
Frédéric Taddeï: D’où le titre de votre livre, Les Marchands de Nouvelles, que vous avez emprunté à Bel-Ami, Maupassant, et vous dites que ces marchands de nouvelles entendent conserver le monopole de leur commerce. D’où la loi sur les fake news, d’où les accusations de complotisme à l’égard de certains sites et pas à l’égard d’un autre, etcetera etcetera.
Ingrid Riocreux: Oui, c’est ça. C’est que d’un certain point de vue, il y a aussi toujours des affaires de gros sous là-derrière. Alors moi je ne me mêle pas effectivement de la finance des médias, et moi je cherche toujours à montrer que justement, quel que soit le financeur, à partir du moment qu’on a le même message, eh bien on a le même problème. Voilà, mais il y a cette idée que ils cherchent à nous mettre en garde contre tout ce qui pourrait être médias alternatifs, de manière caricaturale, diabolisante, afin de nous garder dans leur escarcelle idéologique. Comme quand on parle d’objectivité journalistique, on sait bien que ça n’existe pas, on doit y tendre. Voilà, quitte à se contenter de ce que Michel Legris appelle ‘la subjectivité honnête’, c’est-à-dire…
Frédéric Taddeï: Michel Legris qui avait écrit un livre qui s’appelait «&Le Monde» tel qu'il est. Il était le premier à faire la critique du Monde, donc du quotidien Le Monde dans lequel il avait longtemps travaillé.
Ingrid Riocreux: Et voilà que tout simplement, les médias doivent reconnaître leurs biais de manière honnête.

30 november 2018

Totalitaire neigingen


De taalkundige Ingrid Riocreux, die hier eerder al ter sprake kwam, heeft een nieuw boek uit waarin zij het journalistieke discours ontleedt: Les Marchands de Nouvelles, Essai sur les pulsions totalitaires des médias (2018, Éditions de l’Artilleur). Het boek beweert dus dat de gevestigde media totalitaire neigingen vertonen, en het legt uit waar die volgens haar zichtbaar worden. Als linguïste doet ze dat met taalanalyse. Natuurlijk beschrijft zij journalisten niet als slechteriken die bewust een totalitaire staat zouden nastreven: het gaat om mechanismen die de individuen overstijgen, en waarvan zijzelf evengoed slachtoffers zijn, zodat ze enkel nog in het gelid lopen. De talloze voorbeelden die Riocreux geeft van hun verwrongen woordenschat en hun gekleurde zinnen komen van alle grote media. Ze had geen moeite om er 500 bladzijden mee te vullen.

Hier enkele fragmenten uit een interview met haar, afgenomen door André Bercoff van Sud Radio. Deze man heeft gewerkt voor Le Monde, Libération, voor radio en tv ook. Een linkse jongen die op goede voet stond met Mitterrand, Attali en Hollande, maar hij wordt door zijn vroegere collega’s nu bij ‘rechts’ ondergebracht, zoniet bij ‘uiterst-rechts’.  Juif, Arabe, Libanais, né d'un père russe et d'une mère espagnole, je me sens Français, zegt hij van zichzelf.
Eerst vroeg Bercoff of ze niet overdreef, en of wat zij zag als totalitaire impulsen, niet gewoon de persoonlijke meningen waren van de journalisten. Maar Riocreux zag vooral kuddegeest: 


Riocreux : Dat zou dan prachtig zijn, het zou betekenen dat elk zijn opvattingen heeft, die dan hun stempel drukken op zijn discours. Dat is een sprookjeswereld, maar het is niet wat ik heb willen zeggen. Ik heb juist willen zeggen dat er een ideologie heerst die onder kuddegeest valt. Overigens een normaal verschijnsel, men vindt het terug in om het even welk milieu, met dit verschil dat het journalistieke milieu ons een kijk op de wereld levert waar we allemaal aan zijn blootgesteld, niet? Daar zit hem het ware probleem. Anders gezegd, die visie op de wereld is binnen een bepaald milieu gemeengoed, maar ons legt zij een bepaalde interpretatie van de dingen op, een kijk op wereld.
o-o-o-o-o
Bercoff vroeg dan waar die neigingen van de media vandaan kwamen, en wat of wie daarvoor zorgde:
Riocreux : Dat is het net: niemand. Precies dat maakt de kracht uit van een entourage, van de samenhang in een kleine gemeenschap. En zo’n entourage hebben wij allemaal. Ik bedoel, zelf ben ik lerares en in het lerarenmilieu is het niet anders. Alleen is het daar veel minder storend, ziet u, want…
Bercoff : Want u spreekt daar niet heel Frankrijk toe.
Riocreux : Precies, als ik les geef over Molière dan maakt het niet uit wat mijn politieke opvattingen zijn of mijn ideologische achtergrond. Bon, veel maakt het toch niet uit. Terwijl bij journalisten wij allemaal hun invloed ondergaan.
o-o-o-o-o
En hebben de sociale media voor een verandering gezorgd? vroeg Bercoff dan.
Riocreux : Eigenlijk ben ik daarover beginnen na te denken door een gesprek met een journalist van de lokale pers, en hij zei me dat zij de enigen waren vroeger die op hun kop kregen, want als een journalist in de lokale pers iets schreef dat in het verkeerde keelgat schoot, dan kwam de slagersvrouw van om de hoek aan de poort van de krant aankloppen om te zeggen: wat jullie daar verteld hebben is flauwekul enzovoort. En nu met Twitter reageert men tenslotte net zo, ook als het de grote bladen betreft. En wat die journalist me dus zei was dat bij de journalisten van Le Monde, de journalisten van Libé enzovoort, dat contact met het echte land [le pays réel, zei Riocreux, een beladen term waar Bercoff afstand van nam in de loop van het gesprek] zorgde voor een schrikreactie, nu ze zagen hoe het publiek ineens op hun artikelen reageerde, terwijl er voordien een soort afstand bleef. De zaken veranderen dus, dingen worden op gelijke voet gesteld…
Bercoff : In die tijd geloofden ze nog dat ze een leerstoel bekleedden…
Riocreux : Ja precies, zo zit het.
Bercoff : En liggen de kaarten nu anders door dat contact?
Riocreux : Inderdaad, dat verplicht hen… ik denk dat het hen echt verplicht om ook eens na te denken over de manier waarop zij tot hun eigen discours komen. Want zij kunnen niet – al zeggen ze het bij momenten wel eens, maar geloven ze dat dan zelf wel, terwijl ze het blijven hebben over het fasciserende klimaat op het web, waardoor mensen gemanipuleerd worden? Nee, ook zij kunnen niet onder de vaststelling uit dat mensen uit zichzelf, heu …het is Jean-Jacques Cros die dat zegt: het wantrou… de argwaan ten overstaan van de media wordt gewekt de dag dat iemand zelf iets meemaakt, vervolgens leest wat de pers ervan vertelt, en zich dan rekenschap geeft van de kloof tussen die twee. En hij zegt dat de argwaan daar naar binnenkomt, en vervolgens het hele journalistieke discours gaat bestrijken. En dat is exact wat er gebeurt. Een fasciserend sfeertje is daar niet voor nodig, en complotdenken al evenmin. De mensen merken gewoon de discrepantie tussen wat zijzelf meemaken en wat de pers ervan maakt.
o-o-o-o-o
Bercoff : Alleszins wat betreft een aantal journalisten of een aantal zenders, lijkt er tegenwoordig iets aan de gang dat onder werkelijk gewelddadige reacties te rangschikken valt.
Riocreux : Dat is zo, maar wat wil je? Verrassend is het niet. Zeer jammerlijk, maar niet verrassend. Als mensen hun kleine optochten houden enzovoort, en dan zien ze een journalist – waarbij komt, ik zou zeggen: al die journalisten hebben een eendere houding, een eendere kop en ze hebben allemaal hetzelfde verhaal ­– daar krijg je toch de kriebels van! De kriebels krijg je, en dat zou toch geen normale gang van zaken mogen zijn? Als mensen een journalist zien, dan zouden ze niet mogen weten wat hij over hen zal vertellen. Maar allemaal weten ze vooraf al wat over hen zal verteld worden. De manier waarop men hun mobilisering zal behandelen, de manier waarop men hen in beeld zal brengen, dat weten ze vooruit, en zoiets is toch niet normaal. Dat wil toch zeggen dat het volslagen één koek is, en dat wekt wrevel. En dan leidt dat tot geweld, en ja, dat is jammerlijk, dat is droevig, dat is niet goed, bon, maar verrassend is het niet.




Riocreux : Alors là, ce serait merveilleux, ça voudrait dire que chacun a une opinion, et que ça marque son discours. Ça c’est un monde merveilleux, ce n’est pas ça que j’ai voulu dire. J’ai voulu dire justement qu’il y a une idéologie d’ordre grégaire, qui est normale, c’est quelque chose qu’on trouve dans tous les milieux, sauf que le milieu journalistique délivre une lecture du monde à laquelle nous sommes tous soumis, d’accord ? Donc c’est là qu’il y a un véritable problème. C’est-à-dire que cette lecture du monde, elle est homogène à l’intérieur d’un milieu, mais elle nous dicte notre manière de lire les choses, de voir le monde.
o-o-o-o-o

Bercoff vroeg dan waar die neigingen van de media vandaan kwamen, en wat of wie daarvoor zorgde:
Riocreux : Alors justement: personne. C’est le principe même de la force d’un milieu, de l’homogénéité d’un petit milieu. Mais qu’on a tous. Je veux dire – moi je suis prof – dans le milieu des profs c’est la même chose. Seulement c’est beaucoup moins perturbant. Vous voyez, parce que…
Bercoff : Parce que vous ne parlez pas à la France entière ou…
Riocreux : Voilà, exactement, quand je fais cours sur Molière, ça ne change absolument rien, mes opinions politiques ou mon arrière-plan idéologique, bon, ça ne change pas grand-chose quoi. Alors que pour les journalistes, on est tous impactés.
o-o-o-o-o

En hebben de sociale media voor een verandering gezorgd?
Riocreux : En fait, j’y avais été amenée à y réfléchir en discutant justement avec un journaliste de la presse locale, qui m’a dit qu’avant ils étaient les seuls à souffrir, parce que quand un journaliste de la presse locale fait un article qui ne convient pas, la bouchère du coin elle va venir taper à la porte du journal, pour dire : c’est n’importe quoi ce que vous avez dit et tout. Et en fait avec Twitter, eh bien les gens ils réagissent comme ça, même face à la grande presse. Et donc ce journaliste me disait, c’est vraiment, heu, pour les journalistes du Monde, pour les journalistes de Libé et tout ça, pour eux ça a été paniquant, d’un seul coup d’avoir ce contact avec le pays réel, et que d’un seul coup les gens réagissent à leurs écrits, alors que avant il y avait une espèce de distance. Donc ça change, ça met sur le même plan …
Bercoff : Ils croyaient avoir un magistère dans ces temps-là.
Riocreux : Exactement, oui, oui, voilà.
Bercoff : Et, est-ce que ça change la donne, ce rapport ?
Riocreux : Effectivement ça les …je pense que, effectivement ça les oblige aussi à réfléchir sur leur manière de concevoir leur propre discours. Parce qu’ils ne peuvent pas ...ou bien un moment ils le disent mais, heu, est-ce qu’ils y croient vraiment quand ils continuent à dire qu’il y a la fachosphère, voilà que les gens sont manipulés? Non, ils sont bien obligés de constater aussi que les gens d’eux-mêmes, c’est heu… c’est Jean-Jacques Cros qui dit ça, il dit: la méfi... la défiance envers les médias, elle commence le jour où quelqu’un assiste à un évènement, puis lit dans la presse ce qu’on en dit, et se rencontre du décalage, voilà …se rend compte du décalage, pardon. Et il dit, c’est là que la défiance commence et elle va s’étendre à tout le discours journalistique. Et c’est exactement ce qui se passe. Il n’y a pas besoin de fachosphère, il n’y a pas besoin de complotisme. Les gens, ils constatent le décalage entre ce qu’ils vivent et ce que la presse en dit.
o-o-o-o-o

Bercoff : Il semble qu’il y a aujourd’hui quelque chose, envers en tout cas un certain nombre de journalistes, ou un certain nombre de chaînes, qui est de l’ordre vraiment de la réaction violente.
Riocreux : Mais oui, mais qu’est-ce vous voulez ? Ce n’est pas surprenant. C’est très malheureux, mais ce n’est pas surprenant. Quand les gens ils font leur petits défilés etcetera, et puis qu’ils voient un journaliste – en plus tous ces journalistes, je dirais, ils ont tous la même allure ils ont la même tête, et ils tiennent tous le même discours – mais c’est allergisant ! C’est allergisant et normalement ça ne devrait pas être comme ça. Quand les gens ils voient un journaliste, ils ne devraient pas savoir ce qu’il va dire d’eux. Or, ils savent tous par avance ce qu’on va dire d’eux. La manière dont on va traiter leur mobilisation, la manière dont on va les montrer, ils le savent par avance, mais ça même, ce n’est pas normal. Ça veut bien dire que c’est totalement homogène, et c’est ça qui irrite. Alors ça se traduit par de la violence, eh bien, c’est malheureux, c’est triste, c’est pas bien, bon, mais ce n’est pas surprenant.

27 november 2018

Leve de duidelijkheid


De columniste Emmanuelle Praet staat dezer dagen in de schijnwerpers met haar avontuur bij RTL. Haar wordt un dérapage verweten. Zelfs in Vlaanderen – waar ongeveer niemand kijkt naar dat programma 't Is niet alle dagen Zondag – valt dan al snel het woord censuur. ‘Een fout signaal’ hoor en lees je ook, want die tournure is sterk in zwang bij politici en hun journalisten – misschien dacht de eerste bedenker wel aan Arendsoog, die de rooksignalen van de Indianen kon ontcijferen. Of was dat Winnetou? Ik heb mijn referenties hier niet bij de hand.
Om het even, dat mooie, zij het nietszeggende topos moet u mij laten overnemen: het signaal van RTL mag dan slecht zijn geweest, het was in elk geval duidelijk, en duidelijkheid (‘transparantie’ lees je nu vaker) is te verkiezen boven de gebruikelijke schijn van objectiviteit.

Dat lijkt Emmanuel Macron –‘Manu’ in de omgang, wat tegelijk verwarring met welke Emmanuelle ook uitsluit– begrepen te hebben, en hij heeft een mooie wet laten klaarstomen. Met die andere gladde jongvolwassene, Mark Zuckerberg, wiens voornaam niet goed af te korten valt, zal hij het daarover ook gehad hebben, ongetwijfeld.

In de Lichtstad heeft Manu namelijk de Assemblée nationale met 183 stemmen tegen 111 een wet ‘contre la manipulation de l'information’ doen aannemen, een wet die dus voortaan …in verkiezingsperioden manipulatie van de berichtgeving zal beletten. Ik wilde graag opzoeken of de term ‘verkiezingsperioden’ precies werd afgebakend, maar op de site van de Assembléé is de wettekst nog niet geredigeerd.



Toen ze nog Minister van Cultuur was onder Édouard Philippe, verdedigde Françoise Nyssen (een antroposofe, in 1951 geboren in Etterbeek) Manu zijn ontwerp in de Assemblée: ‘Optreden is dringend geboden, want de pogingen tot manipulatie worden menigvuldiger.’ Gelukkig stelde zij de brave parlementsleden meteen gerust: ‘Alle omrasteringen* zijn geplaatst, en dit ontwerp perkt op geen enkele wijze de vrije meningsuiting in.’
De reguliere journalistiek gunde zij ook iets: ‘Het eerste bolwerk tegen desinformatie en manipulatie vormen natuurlijk de media en de journalisten.’ Een mooi compliment, en daar bleef het niet bij: Nyssen stelde ook een ‘Deontologische raad voor de pers’ in het vooruitzicht, met daarin journalisten, uitgevers en mensen uit het maatschappelijk middenveld (la société civile).
En die zaak is nu goedgekeurd onder haar opvolger – de eerste minister herschikte immers vorige maand Manu zijn regering.

Ik ben jaloers op die Fransen, die nu openlijk en officieel een censuurcommissie hebben. Dat is veruit te verkiezen boven de stille censuur waaronder wij in dit land moeten leven, met media die uit vrije wil een aangepast vocabularium gebruiken, en feiten een draai geven of liefst nog verzwijgen.

Overigens is onze Manu hier naïever dan Metternich in zijn tijd, want die vond een censuurcommissie weliswaar noodzakelijk, maar: sogar seine Existenz sollte aus Effektivitätsgründen völlig verborgen bleiben.

Wij intussen blijven zitten met het journalistiek stelsel dat Élisabeth Lévy omschreef toen zijzelf nog journaliste was voor France Culture: «Pas besoin d’aucune censure formelle: il suffit que tout le monde pense la même chose au même moment.» Er is geen nood aan formele censuur: het volstaat dat iedereen hetzelfde denkt op hetzelfde moment.
_______________
* Françoise Nyssen zei ‘garde-fou’, voor balustrade, reling, hek, borstwering enzovoort, en die term is grappiger en ook meer aangewezen, maar wij hebben dat woord niet.

23 november 2018

Het witte des dooiers


Paul Claes heeft tot nu toe honderdveertig boeken geschreven, lezen we. Dat het er veel waren wist ik – hier staan er een paar trouwens – maar honderdveertig, dat wist ik niet.
Wat ik van hem heb zijn klassieke vertalingen, essays enzovoort, maar hij schrijft ook gedichten en romans. Die laatste bezit ik niet, omdat ik van het principe uitga dat een romancier minimaal één eeuw onder de zoden moet liggen voor ik hem lees.
Soms kán een uitzondering wel, maar het principe blijft en – hoe betwistbaar ook – de classicus Claes zal er hopelijk begrip voor opbrengen want hij vindt de moderne roman te flauw om dood te doen, voorspelbaar en zoutloos moraliserend. Je weet al alles wat erin staat, en dat streelt de smaakpapillen niet. De Vlaamse schrijfbroeders zijn brave katholieke knapen die niet eens beseffen dat ze de brave christelijke mythes braaf volgen. Dat moet een flinke belediging voor hen zijn.

De praat van een oude brombeer, vond men bij Klara. Maar het was Job, een nog veel oudere beer die vroeg: ‘Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.’

Claes lacherig wegzetten als brombeer bewijst juist zijn gelijk, al staat daartegenover dat men hem toch aan het woord heeft gelaten met zijn boodschap, en dat was verrassend en verfrissend  genoeg in het, naar ik verneem, duffe literaire wereldje:



Paul Claes: Ja ik ben classicus, ik weet namelijk dat je zelfs door het spel niet kan ontsnappen aan die mythen. Ik bedoel, zoals onze beschaving …is bijvoorbeeld christelijk, en alhoewel alles wordt gedaan om daartegenin te gaan – dus de Kerk betekent niets meer, d’r wordt om gelachen en d’r mag om gelachen worden – en toch, als ik dan bekijk wat eigenlijk onze moraal is, dan vind ik die verschrikkelijk christelijk. Politiek correcte moraal, zoals je die in onze media ziet, dat is eigenlijk een vorm van christendom. Dat is tegen beter weten in eigenlijk toch het moraliseren van álles. Bijvoorbeeld literatuur wordt op dit ogenblik alleen goedgekeurd als daar een mooie moraal inzit. Nu, dat herken ik op een vreselijke manier, namelijk: in mijn jeugd mocht je geen boeken lezen als dit tegen de christelijke moraal was. D’r moest altijd een stichtelijke boodschap aanwezig zijn, anders…
Gudrun De Geyter: Is dat zo, tegenwoordig?
Paul Claes: Ja. Ja, je kan op dit ogenblik niets meer schrijven of het moet politiek correct zijn. Dus ik zoek vergeefs in onze literatuur naar bijvoorbeeld iemand die het Vlaams-nationalisme – ik zeg maar wat – verdedigt in zijn boeken. Die bestaat niet. En waarom bestaat die niet? Omdat dat niet mág. Die wordt niet gepubliceerd, die wordt weggelachen. Die is tegen, laten we zeggen de heersende moraal, wat eigenlijk een stichtelijke moraal is. Wat ik daar vooral tegen heb is dat literatuur op die manier herleid wordt tot een soort van instrument. Dus je leest geen boeken meer omdat dat lekker leest, omdat het spannend is, omdat daar allerlei spelen met taal inzitten, omdat daar vormexperimenten inzitten. Nee, dat mag niet: het gaat in de eerste plaats om de boodschap. En de boodschap kennen wij allemaal. Dat is, noem maar op, antiracisme, feminisme, een progressieve maatschappij en al dat soort ideologische mythemen. Ik vind dat vreselijk omdat ...dan hoef je eigenlijk geen roman meer te lezen want je zult alleen je eigen gelijk bevestigd zien. Dat is nog erger natuurlijk in de Verenigde Staten, waar alles al een tijdje vroeger gebeurt dan hier, ook daar is het op dit ogenblik zo dat zelfs vanuit de uitgevers wordt gezegd: kijk, wij moeten echte politiek correcte boeken schrijven. En dat betekent: ons fonds ziet er veel te wit uit, dat zijn allemaal van die blanke geleerde protestantse schrijvers. Wij moeten ons fonds opengooien. Daar moeten meer vrouwen in komen, daar moeten meer allochtonen in komen, daar moeten meer islamieten in komen, en wat weet ik al. Dan is er iets mis hè? Dan ga je kijken naar wie het schrijft, en niet naar wat ie schrijft en wat ie te zeggen heeft. En, hè, wij bevinden ons echt op een hellend vlak wat dat betreft.

20 november 2018

Hoe censuur ter sprake komt in een schaakanalyse


Bij schaakanalyses is elke suggestie toegelaten, en op voorwaarde dat je iets interessants te vertellen hebt mag je zelfs een ander onderwerp te berde brengen. Dat deed grootmeester Alexandr Grisjtsjoek ook, bij de analyse van de achtste partij tussen Carlsen en Caruana.
Hij vond dat in een bepaalde variant Wit een goede zet van Zwart bijna afdwong, en dát deed hem weer denken aan een verhaaltje dat hij gelezen had, over een konijn dat een vos smeekte hem alsjeblief niet in een braambos te gooien, terwijl het sluwe konijn wist dat het daaruit makkelijk kon ontsnappen.
En dit bracht weer grootmeester Pjotr Svidler tot de bedenking dat het misschien beter was het onderwerp te laten rusten, want in datzelfde verhaal komt ook een pop voor, gemaakt van teer en dus pikzwart, Tar Baby. En het doortrapte konijn mishandelt die pop. Een Amerikaanse fabel uit Tales from the South
Svidler vermoedt dat het niet langer politiek correct is om over zo’n verhaal te beginnen, want je hebt geen idee welke boeken er tegenwoordig allemaal verboden lectuur kunnen zijn.



Grisjtsjoek: This instalment of the Rook on, to é6 was just… it is very nice.
Svidler: This is what I like the most of the Rook f-é1, it's that we could play Rook é6 against most black ideas, and… [op de achtergrond horen we de kindjes van Grisjtsjoek]
Guramishvili: Maybe he just wants to force Bishop to d6, and forget about Bishop f6. Maybe this is, because after Rook a-d1, you cannot allow [pawn] d6.
Svidler: Yeah, I think this is probably just very, very bad. It’s extremely unlikely black can play like that.
Grisjtsjoek: Yeah but it’s a little bit this, like ‘don’t throw me into this…'
Svidler: Yeah
Grisjtsjoek: 'bush, eh, wished bush…'
Svidler: Yeah, I’m trying to think. I know what you’re talking about, but I never actually read that book in English, so I don’t know.
Grisjtsjoek: Yeah, ok, there was a… it was a rabbit yeah? no, the hare, yes?
Svidler: Yeah, Br'er Hare, but I think it is actually a rabbit. So it’s a Br'er Rabbit and a Br'er Wolf I think of. Is it a wolf? I’m pretty sure they’re called Br'er, but eh, for whatever reason. Eh, and the story of the Tar Baby. The thing is called The Tar Baby, but we should probably drop this subject, because I have a feeling this book probably by this point has been banned in a number of countries but… [lachje] you can never, I mean you can never be entirely sure how much, how many editions they manage to ban by this point, so… eh, Bishop d6 on the board.
Guramishvili: Yeah.
Grisjtsjoek: Basically my point was that, eh, I mean black just wants to be able to play Bishop d6, so forcing him to do so is a little bit weird.
Guramishvili: Yeah.
Svidler: Yeah, not wolf, it’s a Br'er Rabbit and a Br'er Fox, and then we will drop the subject. Very important book for my childhood, but yeah, I’m not entirely sure just how appropriate it now is.
Grisjtsjoek: Yeah, it’s called Fairy Tales of Uncle Remus, yes?
Svidler: Yeah, yeah.
Guramishvili: And ...we don’t want to allow g4, right?

16 november 2018

Hoe het schaakbrein werkt


In het blad EOS las ik net een mooi artikel van de voor kort overleden neuroloog Charles Vecht. Ze publiceerden dat nu, tijdens de schaakmatch om het wereldkampioenschap tussen Carlsen en uitdager Caruana.
Charles Vecht beschrijft Carlsen als een schaker die drijft op intuïtie, op onbewuste processen. Hij hoeft als het ware niet te rekenen, en speelt simpelweg de zet die zich voor hem aandient. Natuurlijk is dat niet helemaal waar, Carlsen rekent ook wel en dat besefte vanzelfsprekend ook Vecht, maar toch zijn er verschillende types van spelers.

De uitdager staat bekend als een rekenaar, en rekenaars verbruiken veel tijd. Ook Aleksandr Grisjtsjoek, die in totaal al dertien partijen tegen Carlsen speelde (drie gewonnen, drie verloren en zeven remises) staat bekend als een rekenaar. Hij durft soms wel een uur uittrekken voor een zet, maar moet dan de rest van de partij op een drafje uitdoen.
De gevreesde Zeitnot! Een tweesnijdend zwaard echter, want ook de tegenstander met veel tijd op de klok voelt nu de drang om wat sneller te gaan spelen, bijna alsof hijzelf in tijdnood zat. Als hij op zijn beurt lang nadenkt, kan de man in Zeitnot daar immers profijt van hebben, want de spelregels verbieden niet dat iemand nadenkt terwijl zijn tegenstander aan zet is.

En deze rekenaar Grisjtsjoek geeft vanuit Moskou live commentaar bij de zetten die in Londen gespeeld worden. Het programma wordt gepresenteerd door de Georgische Sopiko Guramishvili, internationaal meester, samen met de Russische grootmeester Pjotr Svidler.

Nu dacht Fabiano Caruana al een half uur lang na, en dan blijft het in de studio niet bij analyses. Het is tijd voor meer algemene bespiegelingen:

Guramishvili: Maar hij gebruikt wel veel tijd. Hoe gaat het denkproces bij hem? Is hij aan het rekenen en rekenen, of wat gebeurt er in dat halve uur?

Grisjtsjoek: Ik mag u wel zeggen, voor mij is het heel eenvoudig om zo’n denkproces te begrijpen. Eigenlijk is het heel makkelijk uit te leggen. Het is eigenlijk niet meer dan… hmm, ok, ik lust Loper ç3 – Koning ç7 niet, dat bevalt me niet. Ah, shit, hmm waarom zit ik in die stelling?
Svidler: Juist, ja…
Grisjtsjoek: Ok, voortmaken, Paard ç3 – Paard b4 en dan Toren d1 is misschien interessant. Ach nee, Koning ç7 … ach shit, waarom ben ik in die stelling beland? Enzovoort weet je, je loopt in kringetjes…
Guramishvili: Sjonge jonge!
Grisjtsjoek: En dan kunnen er ook gedachten opkomen… bij momenten komen je dingen voor de geest die met schaken helemaal niets te maken hebben. En dat gaat maar door, en eigenlijk is dit …
Guramishvili: Hoe een half uur wordt zoekgebracht. juist!
Grisjtsjoek: …hoe een schaakcarrière verloopt.



Sopiko Guramishvili: But he takes a lot of time. What ...what is the thinking process of him? He is calculating, calculating? Or, what happens during this half an hour?
Aleksandr Grisjtsjoek: I assure you, for me it’s very easy to understand such a thought process. Basically it’s very easy to explain. It’s just basically, hmmm, ok, I don’t like Bishop ç3-King ç7, I don’t like. Ah, shit, hmmm, why have I got this position?
Pjotr Svidler: Yeah…
Grisjtsjoek: Further. Ok, Knight ç3-Knight b4; Rookd1, ok, maybe interesting. Ah no, King ç7... shit then, why have I got his position? And so on, you know, in circles you’re going...
Guramishvili: This is amazing.
Grisjtsjoek: Then ok, there are maybe some thoughts of …some things just completely unrelated to chess come into your mind at some point. And so on, and this is, this is basically how…
Guramishvili: ...half an hour goes, yeah.
Grisjtsjoek: …a career in chess is going.

13 november 2018

Kan de mens vooruitdenken?


Er woedt zoals men weet deze dagen een strijd in Londen, niet zozeer rond die Brexit waar het Nieuws het vaak over heeft, maar om het wereldkampioenschap schaken. Deze strijd heeft niets verborgens, integendeel, je kunt elke zet van de partijen live meemaken, bijvoorbeeld op de site van Chess24. En wat meer is: je krijgt er ook deskundige commentaar bij van grootmeesters, een soort duiding als je wil, maar dan van mensen die er echt iets van weten. En het gaat ook niet over sentimentele voorkeuren van die duiders, maar over echte zetten die al gedaan zijn, en over zetten die als gevolg daarvan op het bord nog zouden kunnen verschijnen.
Nu kun je zeggen, ja schaken, maar op die suffe opmerking heeft destijds grootmeester Hans Ree al geantwoord: Er wordt wel eens gezegd dat wij zo in ons spel verdiept zijn dat we de wereld niet kennen, maar je weet wat een onzin dat is. Ons spel is een microkosmos waarin zich de wereld haarscherp spiegelt. Wie van alles een beetje weet, weet niets, maar wie één ding goed bestudeert, weet genoeg voor alles.
     Holland verlicht
     1998, Uitgeverij L.J.Veen, Amsterdam/Antwerpen, p.10
De vier al gespeelde partijen zijn in remise geëindigd, maar dat betekent niet dat er weinig gebeurde. Soms had wereldkampioen Carlsen de betere kansen, en de volgende keer weer uitdager Caruana. En ergens maakte grootmeester Svidler, een Rus, de opmerking dat het in een bepaalde stelling moeilijk was om een ‘plan’ te ontwikkelen. En toen zei me daar vanuit Moskou de eveneens Russische grootmeester Aleksandr Grisjtsjoek iets dat me bijzonder beviel:

Pjotr Svidler: Yeah it’s like, it's this weird situation where nothing is really threatened, but you still dislike your position and you would like to have a plan... to do something.
Alexander Grisjtsjoek: The p-word, yeah?
Svidler: Yeah.
Gristsjoek: I think Gustafsson, he doesn’t allow people to use the word ‘plan’ in a chess sense.
Sopiko Guramishvili: Yeah ...yeah, I’ve heard that word as well.
Svidler: Really?
Guramishvili: Yeah.
Grisjtsjoek: Actually I completely agree with him in this. Plans do not exist. As I mean, there are some ideas, yes they exist, but… and then, ok, when you’ve played lots of ideas in the game you can say: ok, it was my plan. But not beforehand. It’s like, I don’t know, it's like ‘What is your plan in life?’ I mean, this is like impossible to answer. I mean, until your life actually happens.
Svidler: Deep! I will go as far as to say profound. Profound things being explained live on air here.
Guramishvili: Now we need ideas!



De mooie Sopiko Guramishvili presenteert het programma. Ze besloot hier ook mooi en riep de mannen tot de orde: spreek over zetten! Zijzelf is meester (weliswaar ook 'vrouwelijk grootmeester', maar dat wil ik als rechtgeaarde feminist eigenlijk niet vermelden: bij de mannen is zij internationaal meester, niet niks dus).

En mochten mijn lezers die opmerking van Grisjtsjoek een filosofische gemeenplaats vinden, dan zou ik toch willen opmerken dat het schaakspel een eindig spel is, met vierenzestig velden die bij het begin van de partij ook nog eens voor de helft vol staan, en dus met beperkte mogelijkheden, zij het dat die beperking voor de menselijke geest een oneindigheid is: Chess is a sea in which a gnat may drink and an elephant may bathe, zegt het oude Indische spreekwoord ...dat wellicht dateert van 1949.
Als het daar al niet lukt! Dus Ree had gelijk als hij zegde dat schaken een beeld van de grote werkelijkheid kan geven, en dat bewijzen ook de drie voorbeelden hieronder, waarin achtereenvolgens een mier, een bij, een veugelke en een hagedis hem en Grisjtsjoek bijtreden:

Die Ameise kennt die Formel ihres Ameisenbaues, die Biene die ihres Stockes (wenn sie sie auch nicht nach Menschenart kennen, so kennen sie sie doch in ihrer eigenen Art, und mehr ist ja nicht nötig), aber der Mensch kennt seine Formel nicht.
           F.M. Dostojewski
           Bei gebotener Gelegenheit, vier Lektionen.
           Erläuterung der Puschkinrede.
           Literarische Schriften.
           Moeller van den Bruck, 1923, R.Piper & Co. Verlag.

Ah! als ‘t veugelke Gods zyn neste bouwt en hairke voor hairke by een raapt, en maakt en fatsoeneert naar zyn eigen lyf en gemakkelykheid, ‘t en weet het toch niet voor wien dat het zulk een schoon wiegske bereidt en welkdanige lieve jongskes, als’t een keer zomer en schoon weer wordt, daar in zullen te piepen liggen.
           Guido Gezelle
           Proza en Varia
           Frank Baur, 1950, Standaard Boekhandel,



Kein Mensch denkt, es fällt nur dann und wann den Menschen etwas ein, solche ganz unverschuldete Einfälle nennen sie Gedanken, und das Aneinanderreihen derselben nennen sie Denken. Aber in meinem Namen können Sie es wiedersagen: Kein Mensch denkt, kein Philosoph denkt, weder Schelling noch Hegel denkt, und was gar ihre Philosophie betrifft, so ist sie eitel Luft und Wasser, wie die Wolken des Himmels, ich habe schon unzählige solcher Wolken, stolz und sicher, über mich hinziehen sehen, und die nächste Morgensonne hat sie aufgelöst in ihr ursprüngliches Nichts; – es gibt nur eine einzige wahre Philosophie, und diese steht, in ewigen Hieroglyphen, auf meinem eigenen Schwanze.
         Heinrich Heine
           Reisebilder IV: Die Stadt Lucca (1830)
           Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
           Ernst Elster, 1893, drittter Band.

« La méthode, c’est le chemin, une fois qu’on l’a parcouru. » , zei de sinoloog Marcel Granet eerder al..

7 november 2018

Twee aarzelende bekeerlingen


Bij Fayard in Parijs verscheen in oktober Inch'Allah - L'islamisation à visage découvert [openlijke islamisering], een boek geredigeerd door twee sterjournalisten van Le Monde, Gérard Davet en Fabrice Lhomme. Het beschrijft de ontwikkelingen in het departement Seine-Saint-Denis – ‘93’ voor de kenners, ten noordoosten van Parijs.

Ik heb het niet gelezen, maar de auteurs hopen dat hun werk (‘onderzoeksjournalistiek’) het debat over de islamisering zal openen. Het spreekt dat Élisabeth Lévy van Causeur zich vrolijk maakt over die ambitie, want dat debat wordt al twintig jaar en meer gevoerd, zij het blijkbaar niet in de redactielokalen van Le Monde. 

Ze hebben het warme water uitgevonden zegt Lévy, maar ze apprecieert niettemin dat die twee het onderwerp hebben durven aanraken. Terecht, want hoe voorzichtig zij ook zijn, en hoe ver zij zich ook van ideologische standpunten zeggen te houden, de publicatie levert hen zware verwijten op, gaande van islamofoob, tot fascistisch en nazi. Invectieven dus waar gewoonlijk anderen recht op hadden toen zij hun mond opendeden over wat ze zagen: ‘Depuis la sortie du livre, nous sommes qualifiés d’islamophobes, de fascistes et même de nazis sur les réseaux sociaux.

Dat deze journalisten vrij zouden zijn van ideologie (een onmogelijkheid) blijkt alvast niet uit wat Gérard Davet bij France Inter vertelde naar aanleiding van wat ze  bijvoorbeeld in een stelplaats van de RATP zagen. Ze verzekeren dat het hen alleen om de feiten ging, terwijl al hun voorgangers, die dezelfde dingen signaleerden, volgens Davet en Lhomme verkeerde verbanden legden, ideologische namelijk. Denken de auteurs dan dat feiten losjes op zich bestaan? en dat een volkomen neutrale waarneming mogelijk is, en dat weigeren om een expliciet 'ideologisch' standpunt in te nemen géén ideologie is?


---C’est un sujet qui est clivant, qui est compliqué. L’islamisation c’est un sujet sur lequel il y eu beaucoup d’idéologie, et justement nous, plutôt que d’aborder le sujet de travers par le biais d’idéologie, on voulait le gérer par le côté en face en fait, l’aborder en face ce sujet, en mettant les faits sur la table. Or les faits ils sont forcément gênants, troublants, déstabilisants, et donc ça a généré, je dirais des incompréhensions, des doutes, des questions…
France Inter: De quelle nature ?
Bien, c’est l’islamisation, je vais d’abord dire ce que c’est, simplement par le biais du dictionnaire Larousse: l’islamisation c’est l’application de la loi islamique dans différentes strates de la société, que ce soit l’éducation, la santé, la police etcetera. Or on tombe sur des, sur des... si vous avez lu le livre, je pense qu’on tombe sur des cas qui sont excessivement compliqués et sensibles.
---On a réussi à rentrer dans ce dépôt. Ce dépôt, il est interdit aux journalistes, c’est le dépôt où était, où officiait d’ailleurs un ancien, euh, un ancien terroriste du 13 novembre 2015. Nous on fait aucun lien bien sûr entre, entre, entre le djihadisme et l’islamisme, mais il se trouve qu’on y est rentré.

Lévy vindt het alles bijeen positief dat minstens al twee journalisten van Le Monde uit de ontkenningsfase zijn geraakt. Niet iedereen bij die krant is even gelukkig met dat boek, meent ze te weten. Ook Alain Finkielkraut zegt blij te zijn dat er nu 'een scheur in het gordijn' is gekomen, maar waarschuwt: 'Voor #metoo bracht men er een task force van 15 man op de been, maar als het gaat over agressie in de scholen,' [een jongere had een pistool tegen de slaap van zijn lerares geduwd] ‘dan volstaat een onderhoud met een socioloog, Benjamin Moignard, die ons uitlegde dat amper 1% van de leerkrachten te maken krijgt met fysieke agressie, dat er vandaag niet meer agressie is dan gisteren, en dat er talloze studies voorhanden zijn die aantonen dat herhaaldelijk straffen contraproductief werkt en nog meer geweld losmaakt. De dag daarop had dezelfde krant dan een grote enquête rond de ongelijkheid in Seine-Saint-Denis: In Île-de-France, arme scholen voor de arme wijken’, was de kop. ‘Anders gezegd, als daar geweld voorkomt, dan hangt dat samen met de situatie waarin de Republiek de jongeren van de banlieues en de probleemwijken heeft gebracht.’

‘Had u dan gehoopt dat Le Monde van de ene dag op de andere zijn stokpaardjes zou laten vallen?’ vraagt Lévy hem.
‘Voor Le Monde zelf is er nog niets veranderd.’ En Finkielkraut gaat nog even door over die sociologen die geregeld opgetrommeld worden: ‘Voor #metoo wordt er dus een task force van 15 man gemobiliseerd, en worden alle beschuldigingen letterlijk genomen. Voor #pasdevague brengt men een socioloog in stelling, want de sociologie is niet langer de wetenschap van de samenleving, maar de wetenschap van de ontkenning van wat men ziet, met een paar statistieken ter staving.’
Maar hij besluit met een wens: ‘Misschien dat dankzij dit boek het klimaat binnen de media begint te veranderen.’

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html