Posts tonen met het label Cohn-Bendit | Daniel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cohn-Bendit | Daniel. Alle posts tonen

10 augustus 2019

Onvermoede bondgenoten



Gedeeltelijke vertaling van een stuk dat althans voor mij een paar verrassende wendingen bevatte.



EUROFASCISME – Wie er tegen is, 
werkt het misschien juist in de hand


[...] Mogelijk zal binnen enkele jaren Pierre Drieu la Rochelle een profeet blijken te zijn die voorvoelde dat de barbaren op komst waren, en waar het komende fascisme zijn plek zou vinden. Hij collaboreerde met de nazibezetter omdat niet de Duitsers zijn vijanden waren, maar wel de burgerlijke samenleving. Hiermee liep hij vooruit op zijn ‘nationale’ tijd, maar in de ‘postnationale constellatie’ (Habermas) kon zijn tijd wel eens gekomen zijn. Benedikt Kaiser, een van de jonge honden uit Schnellroda (eigenlijk uit Chemnitz), heeft in 2011 Drieu-studie voorgelegd met als titel Eurofaschismus.

Hoe dit fascisme eruit zou kunnen zien heeft Till-Lucas Wessels laten zien in zijn boek europaradikal van 2018 (eveneens bij Antaios verschenen): hij ziet de ‘klassieke burgerlijke nationale staat, die als zelfstandig handelende instantie overal op de terugweg is’ als de grote ‘verliezer’ van de globalisering. Wessels, volstrekt geen conservatief, wil deze zombie helemaal niet meer tot leven wekken maar zoals Habermas de sprong hogerop wagen, en een nieuw Europa tot stand brengen. Dat Habermas geen fascistisch Europa wil maakt niet uit want niettemin kon hij wel eens een wegbereider zijn – samen met liberale imperialisten als Robert Cooper of Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit die hun zinnen hebben gezet op een EU als benevolent imperium.

Nog maar net van die verschrikkelijke nationale staat afgekomen, maken zij er werk van een nog veel grotere staat op poten te zetten, met politieke mogelijkheden die helemaal naar de smaak van nieuwrechts zijn. Ook Wessels meent: ‘op het wereldtoneel kan alleen een geïnstitutionaliseerde gemeenschap van de Europese volkeren werkdadig en blijvend ingrijpen en zich met een positieve visie tegen de hegemoniale aanspraken van Oost en West verzetten.’ Zo veel Europese ijver aan de rechterzijde kan velen verwonderen, maar dat het fascisme aartsconservatief zou zij behoort dan ook tot de rampzaligste clichés erover. Het wil niet terug, maar voorwaarts om de cyclus te volvoeren (dat heeft het bij Julius Evola geleerd), en dus moet het in elk nieuw tijdvak een sport hoger stappen, tot het ooit helemaal globaal wordt en van daaruit aan zijn grote inkrimping* kan beginnen.

Het dilemma zit hem hier, dat men om dit opdoemende onheil nog te verhinderen precies dat moet doen dat het waarschijnlijk nog in de kaart speelt: bij de Europese verkiezingen, of die voor de Bundestag, voor de linkse of liberale partijen stemmen die zo goed als allemaal voor de uitbouw van soevereine Europese instellingen staan. Tegen hun wil in zouden precies de grote EU-voorvechters als Macron en Habermas diegenen die zij bestrijden in de stijgbeugels kunnen helpen: om de problemen van de ‘onomkeerbaar’ geglobaliseerde wereld (Habermas) op te lossen, klimmen zij een sport hoger op de ladder van de politieke eenmaking, en zorgen voor een rijk van 500 miljoen zielen waar de Eurofascisten zich vingers en duim bij aflikken.

Die weten niet waar ze dat geluk aan verdiend hebben, want zelf hadden ze het nooit voor elkaar gebracht. Alles staat dan netjes voor hen klaargezet – met een direct gekozen EU-president en een parlement met totale budgetbevoegdheid (waarmee dan ook een afgebleekt, maar wel heel-Europees, supranationaal socialisme kan ingevoerd worden) – en dan moeten ze enkel nog één verkiezing winnen en de zaak is rond. Pulse of Europe of de Junge Europäische Föderalisten zullen dan wellicht beschouwd worden als de heruitgave van de eveneens Duitse studenten-eenheidsbeweging van de negentiende eeuw, die ook toen tegen de »Kleinstaaterei« te velde trok en onderweg haar liberalisme vergat (vandaar ook dat het ‘eenheid en recht’ klonk, en pas daarna ‘vrijheid’); maar dan is het te laat en zal iedereen zich afvragen hoe men die gelijkenis over het hoofd heeft kunnen zien.
 ________
* ‚Superkontraktion’ is een begrip uit de organische scheikunde dat het onomkeerbare proces van krimp beschrijft (bijvoorbeeld van te warm gewassen wol). Het wereldbeeld is cyclisch.

28 januari 2017

Y en a marre!


In het Frans heb je van die uitdrukkingen en termen die geweldig imposant klinken, maar die als je ze vertaalt eigenlijk iets gewoons betekenen. Een woord als “verrechtsing” heeft elke journalist hier al eens gebruikt, maar in het Frans kun je dat op twee manieren zeggen. Schrijf je voor de simpele krantenlezer, dan zeg je gewoon “droitisation”, maar als je ergens echt indruk wil maken, omschrijf dan de beweging die je bij het kiesvolk meent te zien als “dextrogyre”, wat naar rechts draait, met de klok mee. Een term die in de scheikunde van pas komt om kristallen enzovoort te beschrijven, en die de politicologie een wetenschappelijk tintje lijkt te geven. Alain de Benoist verkiest “droitisation”, maar gelooft weer niet dat er ook sprake is van een verrechtsing. Hij drukt zich meestal eenvoudig uit, al zou het blazoen van de familie misschien anders laten vermoeden.
Maar moeilijke termen zijn niet altijd te vermijden. Hieronder legt hij ons uit dat een term als “populisme” ten gronde wijst op verachting voor het volk:

Wel, ik heb dit boek geschreven omdat ik merkte dat het woord populisme door het veelvuldige gebruik voorgoed in de categorie van de verduurde woorden was geraakt, een elastieken woord als het ware. Een term met een voornamelijk pejoratieve klank mag je zeggen, en dit pejoratieve gebruik werkt als een verbod voor wie zich vragen zou stellen bij de aard, de essentie ervan.
Mijn boek is helemaal geen pleidooi ten gunste van het populisme. Om te beginnen al niet omdat dit weinig zou voorstellen, gezien de verscheidenheid van populismen, nee, het is een politiek-wetenschappelijke proeve die wil achterhalen wat populisme is.
In welke mate is het een nieuw verschijnsel? In welke mate is het eventueel iets anders dat de kop opsteekt? U sprak al over het boulangisme, en dat is geen kwaad voorbeeld van populisme van de oude stempel. Dit wat de opzet van mijn boek betreft.

Wat we in een eerste benadering kunnen zeggen over het populisme, is dat het voortspruit uit een fenomeen dat we al lang kennen, maar dat voortdurend meer om zich heen grijpt, namelijk de argwaan waarmee de gewone man, en in toenemende mate zelfs ook de middenklasse, de elite bekijkt, of het nu een politieke, economische, financiële, sociale of media-elite betreft. De mensen vertrouwen hen niet meer, dat zien we in vele bevragingen: ze hechten er niet langer geloof aan. Men heeft wel gesproken over de “secessie van het plebs”, om een oude omschrijving te gebruiken,* en dat is het ook min of meer. Een flink deel van de bevolking, stilaan twee derden nu al, houdt zich ver van wat men noemde de beleidspartijen, te weten de oude politieke partijen, en laat weten dat ze er geen oren meer naar hebben.

Daar zijn vanzelfsprekend verschillende redenen voor. Een daarvan is wat men de ‘representatiecrisis’ genoemd heeft, wat betekent dat het volk zich niet meer vertegenwoordigd voelt door de elite, dat die elites de macht ten eigen bate zo goed als geconfisqueerd hebben, enkel voor hun eigen profijt, terwijl het volk buitenspel blijft.
Een ander zeer belangrijk element is de opmerkelijke hergroepering van de programma’s naar het centrum toe. Peilingen bewijzen al dertig jaar dat het aantal steeds maar aangroeit van mensen die niet meer inzien, niet meer begrijpen wat links nog van rechts onderscheidt. Dat ligt nu al rond de tachtig procent. Als het zo zit, en laat bij sommige verkiezingen dit feit nog gemaskeerd blijven, zeker bij presidentsverkiezingen die immers een nogal klassieke tweeledigheid opleveren, dan blijft niettemin dat de mensen het verschil tussen linkse en rechtse partijen niet goed meer zien, en dat die partijen zelf met een diepe identiteitscrisis te maken hebben, en dat is tegenwoordig heel goed te merken zowel bij links als bij rechts. Kijk bijvoorbeeld naar de debatten ter gelegenheid van de voorverkiezingen in de socialistische partij.
Een derde zeer belangrijk element is dat we de jongste decennia bijzonder grote omwentelingen hebben gezien in het dagelijks leven van de bevolking, zaken met grote draagwijdte. Ik denk hier aan drie voorname ontwikkelingen. Vanzelfsprekend is een ervan de immigratie, een tweede de mondialisering, en ten derde de gevolgen van de Europese constructie.

In die drie gevallen hebben we een eenstemmig en behaaglijk spinnend discours te horen gekregen, dat hierop neerkwam dat de immigratie een uitzonderlijke buitenkans was voor Frankrijk, dat de mondialisering een gelukkige zaak was, en dat voor het merendeel van de problemen Europa de oplossing zou brengen. En daarna hebben de mensen in hun dagelijks bestaan vastgesteld dat dit niet helemaal klopte. Dat de immigratie toch wel een aantal samenlevingsziekten meebracht, problemen met de openbare veiligheid waarmee het gewone volk direct te maken kreeg, problemen die natuurlijk nog verergerden met de opkomst van het politiek islamisme, het jihadisme, de aanslagen enzovoort, die het klimaat hebben geschapen dat iedereen kent. De mondialisering kwam voor de meeste mensen neer op een begrotingsdiscipline die hard aangevoeld werd, zowel wat de salarissen betreft als de manier van leven, de koopkracht, met daarbij het fenomeen van de delokalisaties, waardoor Europese arbeiders brutaal met de concurrentie te maken kregen van exotische werkkrachten die voor een bespottelijk laag loon arbeiden, en dan ook nog eens met een Europa dat zogezegd een hoop problemen zou oplossen, maar juist een supplementair probleem is gebleken. Wat maakt dat Europa – en dat vind ik een droevige zaak – als een soort kop van Jut dient.

Komt nog bij dat de mensen goed weten dat bij die drie problemen, de immigratie, de mondialisering en Europa hen nooit om hun mening werd gevraagd. Of als dat een enkele keer toch gebeurde, men geen rekening heeft gehouden met hun stem. En hier mag eraan herinnerd worden dat de stemming in 2005, bij het referendum over het Verdrag van Maastricht, onbetwistbaar een ontstaansmoment voor het populisme in Frankrijk is geworden. Dat was toen al een perfect voorbeeld van het fenomeen populisme. We weten dat alle grote partijen zegden: je moet ja stemmen. Alle waarnemers zegden: je moet ja stemmen. Alle radio- en televisiezenders zegden: je moet ja stemmen. En de peilingen zegden: er is geen probleem, het ja zal het vanzelfsprekend halen.

En dan, tja, werd het neen. Verbijstering alom, afgrijzen, woede, en precies hetzelfde zagen we bij de Brexit en daarna bij de verkiezing van Trump. Tot op het laatste moment heeft iedereen verklaard: het is nogal evident dat er geen Brexit komt, en het kan niet anders dan dat Hillary Clinton wordt verkozen. Ik herinner me dat ik tot nogal laat in de nacht de presidentsverkiezing heb gevolgd, en tot op de laatste minuut, nietwaar, vertelden alle journalisten ons dat er geen probleem was, want Hillary Clinton zou het halen.

Telkens weer zien we dus hetzelfde tafereel, en het onmiddellijke gevolg hiervan is dat de media dan uitbarsten tegen het populisme, en al snel ook tegen het volk. Dat doet me denken aan een uitval van Daniel Cohn-Bendit, die tenminste de verdienste van radicaliteit en openhartigheid had, en die zei: het volk ben ik kotsbeu!
Eigenlijk verwoordde hij daar op een bijzonder brutale manier wat de heersende politieke klasse denkt. Dat volk zijn we kotsbeu, want het wil nooit stemmen zoals we dat van hen verwachten, het lukt ons niet hen achter de heersende ideologie te scharen, en het gaat van kwaad naar erger.
__________
*Bij Livius en Cicero kun je lezen over de eerste secessio plebis (494 aCn), waarbij de plebejers de stad Rome massaal verlieten om zo rechten af te dwingen van het patriciaat.



Alors, j’ai écrit ce livre parce que je me suis aperçu que le mot populisme était désormais entré dans la catégorie des mots qui ont trop servi, c’est-à-dire des mots caoutchoucs en quelque sorte, et c’est devenu un terme, il faut bien le dire surtout péjoratif, et dont l’usage péjoratif interdit en quelque sorte que l’on s’interroge pour en connaître la nature, l’essence.
Mon livre n’est pas du tout un livre en faveur du populisme. D’abords parce que ça ne veut pas dire grand-chose, compte tenu de la diversité des mouvements populistes, mais c’est une tentative qui s’inscrit dans une démarche de science politique, pour savoir, qu’est-ce que c’est le populisme? En quoi c’est une nouveauté. En quoi c’est la résurgence éventuellement d’autre chose ? Vous parliez du boulangisme, qui n’est pas un mauvais exemple de populisme à l’ancienne. C’est ça le fond de ma démarche.
Alors qu’est-ce qu’on peut dire en premier analyse sur le populisme, c’est qu’il est le résultat d’un phénomène qu’on constate depuis longtemps, mais n’a cessé de s’accélérer, c’est l’extraordinaire défiance des classes populaires, et même plus largement d’une grande partie des classes moyennes, envers les élites, qu’elles soient politiques, économiques, financières, sociales ou médiatiques. Les gens n’ont plus confiance, et on le voit dans toute une quantité de scrutins: ils n’y croient plus. On a pu parler de sécession de la plèbe, pour reprendre une vieille expression, c’est un peu cela. Toute une partie de la population, qui n’est pas loin des deux tiers aujourd’hui, prend de la distance vis-à-vis de ce qu’on appelait les partis de gouvernement, c’est-à-dire les vieux partis politiques, et puis fait savoir qu’il n’en veut plus.
Alors il y a à cela évidemment plusieurs raisons. L’une de ces raisons c’est ce qu’on a appelé la crise de la représentation, c’est-à-dire le fait que le peuple considère qu’il n’est plus représenté par les élites, que les élites ont en quelque sorte confisqué le pouvoir à leur propre profit, en fonction de leurs seuls intérêts, et puis que eux sont marginalisés.
Un autre élément très important a été le recentrage prodigieux du programme. Les sondages montrent que depuis trente ans, le nombre de gens qui ne voient plus, qui ne comprennent plus qu’est ce qui sépare les partis de droite et les partis de gauche, n’a cessé d’augmenter. Il est aujourd’hui de l’ordre de quatre-vingt pourcent, hein. Alors, même si c’est masqué à la faveur de certains scrutins, notamment d’élections présidentielles, qui créent une bipolarisation de type assez classique, il n’empêche que les gens ne voient plus très bien la différence entre les partis de droite et les partis de gauche, que ces partis sont eux-mêmes confrontés à une des grandes crises d’identité, que l’on voit très bien dans les partis de droite et les partis de gauche à l’heure actuelle. Regardez les débats à l’intérieur de la primaire du parti socialiste, par exemple.
Un troisième élément très important a été que ces dernières décennies nous avons assisté à des phénomènes extrêmement importants de transformation de la vie quotidienne des gens, de phénomènes d’une grande ampleur. Je pense à trois phénomènes principaux. Évidemment, d’une part la question de l’immigration, d’autre part la mondialisation, et troisièmement les conséquences de la construction européenne.
Alors il y a eu dans ces trois occurrences un discours consensuel et ronronnant, c’est-à-dire que on nous a expliqué successivement que l’immigration était une grande chance pour la France, que la mondialisation serait heureuse, et que l’Europe allait apporter une solution à la plupart des problèmes. Et puis les gens, dans leur vie quotidienne, ont constaté que ce n’était pas exactement ça. Que l’immigration engendrait quand même un certain nombre de pathologies sociales, des problèmes d’insécurité, auxquelles les classes populaires étaient directement confrontées, problèmes qui s’étaient évidemment encore aggravés avec la montée de l’islamisme politique, du djihadisme, les attentats etcetera, et qui ont créé le climat que vous connaissez. La mondialisation pour la plupart des gens s’est traduite par d’abord une rigueur budgétaire qui a pesé lourdement, à la fois sur les salaires, sur les modes de vie, sur le niveau de pouvoir d’achat, avec le phénomène des délocalisations, avec la mise en concurrence brutale des travailleurs européens avec des mains-d’œuvre de pays exotiques travaillant pour des sommes absolument dérisoires, et enfin l’Europe qui devait être une solution à une foule de problèmes, s’est avérée être un problème supplémentaire. Ce qui fait qu’aujourd’hui l’Europe – ce que je trouve triste d’ailleurs – l’Europe est considérée comme une sorte de repoussoir.
Or sur ces trois problèmes, que sont l’immigration, la mondialisation, et l’Europe, eh bien, les gens voient bien qu’on ne les a jamais consultés. Et que les rares fois où ils ont été consultés, on n’a pas tenu compte de leur vote. Et c’est là qu’il faut rappeler que, un point de départ du populisme en France a été incontestablement en 2005, le vote sur le referendum sur le traité constitutionnel européen, qui était déjà le modèle parfait du phénomène populiste. C’est-à-dire que tous les grands partis disaient: il faut voter oui. Tous les grands journaux disaient: il faut voter oui. Tous les observateurs disaient: il faut voter oui. Toutes les chaînes de radio-télévision disaient: il faut voter oui. Et les sondages disaient: il n’y a pas de problème, le oui va évidemment l’emporter. Et là-dessus, eh bien, c’est non. Et stupeur, effroi, fureur, et c’est exactement le même phénomène que l’on a vu se reproduire avec le Brexit, puis avec l’élection de Trump. Jusqu’au dernier moment tout le monde a dit: c’est évident, le Brexit ne se fera pas, Hillary Clinton devra être élue. Je me souviens d’avoir suivi l’élection présidentielle assez tard dans la nuit du vote. Jusqu’à la dernière minute, n’est-ce pas, tous les journalistes qui étaient là nous disaient, il n’y a pas de problème, c’est Hillary Clinton qui l’emporte.
Donc, à chaque fois, on retrouve ce même phénomène, et la conséquence immédiate de ce phénomène c’est un déchaînement médiatique, contre le populisme, et en fait très vite contre le peuple. Je me souviens de l’apostrophe de Daniel Cohn-Bendit, qui avait au moins le mérite de la radicalité et de la franchise et qui disait : y en a marre du peuple!
Et au fond il disait de manière très brutale ce que pense la classe politique dominante. C’est-à-dire que le peuple, y en a marre, parce que le peuple il ne vote jamais comme on attend qu’il vote, on n’arrive pas à le rallier à l’idéologie dominante, et le phénomène a augmenté en proportion.

14 augustus 2011

Syrië? Economische sancties deze keer !

.
Waarom is in dit geval onze Guy niet voor een militaire interventie? In Libië was dat volgens hem de enige oplossing, en ook riep hij toen dat het zogenaamde Strafhof van den Haag in actie moest komen. Vlak na, of zelfs bijna samen met Daniel Cohn-Bendit riep Guy dat. Maar misschien is die eerste nu met vakantie, en mag Guy niet op eigen houtje tot bombardementen besluiten, en niet eens meer, zoals toen hij nog minister was, tot een aanhoudingsmandaat?
Anderzijds is het wel sympathiek dat Guy–voor iemand van Dendermonde– het Gents zo uitstekend beheerst:

Wel, het eerste wat er zou moeten gebeuren is dat de tweehonderd belangrijkste families waarop het regime stoelt, dat die worden aangepakt, dat die worden aangepakt zowel in ulder banktegoeden, wat vandaag nog altijd niet het geval is voor die tweehonderd families, en ten tweede dat wij ook nen boycot voor de olie-invoer vanuit Syrië, euh, vanuit Europa zouden afkondigen zodoende dat op die manier de financiële middelen van Assad (بشار الأسد) kunnen opdrogen en daadwerkelijk worden aangepakt.




Nu, dat van die tweehonderd families stond weken geleden al in alle gazetten, maar Guy zal dat misschien niet gezien hebben. Overigens kun je al honderd jaar lezen dat België, Frankrijk, Engeland &c. door tweehonderd families geregeerd worden. Nooit door honderd families, altijd tweehonderd: een mooie literaire wending.
.

6 juni 2009

Mia Doornaert verslaat een Frans TV-incident

.
Een tv-debat tussen Franse lijsttrekkers ontspoorde door een hevige ruzie.

De centristische leider François Bayrou viel helemaal uit de rol van wijze, gematigde politicus die hij zich jaren wist aan te meten. In het programma 'A vous de juger' op de openbare tv-zender Antenne2 [sic] ging hij hevig tekeer tegen de groene lijsttrekker, de Frans-Duitse Daniel Cohn-Bendit. […]
De centrist viel Cohn-Bendit hevig aan omdat hij 'driemaal geluncht heeft' bij president Nicolas Sarkozy. Voor Bayrou, die een viscerale afkeer van Sarkozy heeft, wees dat op 'medeplichtigheid' met het beleid van de president.
Meestal weet 'rode Danny' zijn kalmte en humor te bewaren. Maar de hardnekkige aanvallen van Bayrou
kregen Cohn-Bendit toch kwaad. 'Je zal nooit president worden', beet hij Bayrou toe. 'Tu es trop minable' ('Je bent een stumperd').
Bij dat misprijzen voor zijn presidentiële ambities sloegen bij Bayrou de stoppen helemaal door. Cohn-Bendit zou de term 'minable' beter op zichzelf toepassen, zei hij, gezien zijn standpunten over seksuele contacten met kinderen.
Bayrou verwees daarmee naar een boek dat Cohn-Bendit 34 jaar geleden schreef, en dat onder meer gaat over zijn ervaringen als kleuterleider in Frankfurt. In de libertaire sfeer van die tijd lijkt 'rode Danny' milde seksuele spelletjes met kinderen enigszins goed te praten. Cohn-Bendit heeft al jaren geleden gezegd dat hij die 'slechte tekst' zelf ook afwijst.[…]
Bayrou weigerde gisteren excuses uit te spreken. 'Ik bedrijf geen politiek van excuses', zei hij.


Voor Vlaamse journalisten is het normaal, zoals ik hier al vaker zei, om feiten onnauwkeurig te rapporteren, om ze bij voorkeur zelfs scheef voor te stellen*, en vooral om ze goed te duiden, want er zijn tenslotte figuren die ontzien moeten worden. In bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland komen zulke zaken ook wel eens voor, maar hier zijn ze de regel.
Nu, Mia Doornaert ként waarschijnlijk niet de juiste toedracht van wat Bayrou heeft gezegd, en wellicht had zij ook niet de tijd om met de teksten vóór zich na te trekken wat er precies aan de hand is geweest ...34 jaar geleden tenslotte.
Bijgevolg, helaas, is wat zij schrijft zonder meer een valse voorstelling van zaken.
Cohn-Bendit noemde op France2 (!) zijn tegenstander "minable", sprak hem ook nog aan met "tu", en kreeg meteen lik op stuk. Volgens Doornaert kun je dit aldus samenvatten: "bij Bayrou slaan de stoppen door". Bovendien, vindt zij, had Bayrou (!) zich moeten verontschuldigen.
Cohn-Bendit daarentegen viel weinig te verwijten: In de libertaire sfeer van die tijd lijkt 'rode Danny' milde seksuele spelletjes met kinderen enigszins goed te praten. Cohn-Bendit heeft al jaren geleden gezegd dat hij die 'slechte tekst' zelf ook afwijst.

Wat Cohn-Bendit in zijn boek echter deed, was niet milde seksuele spelletjes enigszins lijken goed te praten, maar kort en goed erkennen dat hijzelf pedofiele handelingen had gesteld. Dat hij die tekst nu slecht vindt, hem zelfs afwijst, zal iedereen wellicht begrijpen. Voor Mia Doornaert volstaat het afkeuren van die tekst al lang.
Over de handelingen zelf is onze baronesse mild, immers er was toen die libertaire sfeer. Een beetje zoals de graaicultuur in het bankwezen ook de georganiseerde diefstallen van bankiers kan vergoelijken. Genoemde pedofiele handelingen, schrijft zij in haar verslag overigens niet aan Dany zelf toe: als je haar leest, lijkt het wel of de man heeft enkel een bekritiseerbaar theoretisch opstel gepleegd.
Ik weet niet of de toevallige Standaardlezer wel een goede voorstelling van zaken krijgt, als hij enkel de tekst van Mia, baronesse Doornaert te zien krijgt... laten wij daarom kleuterleider Daniel zelf zijn verhaal doen:

«Il m’était arrivé plusieurs fois que certains gosses ouvrent ma braguette et commencent à me chatouiller. Je réagissais de manière différente selon les circonstances, mais leur désir me posait un problème. Je leur demandais: "Pourquoi ne jouez-vous pas ensemble, pourquoi m’avez-vous choisi, moi et pas les autres gosses?" Mais s’ils insistaient, je les caressais quand même.»

“Het is me vaker overkomen dat bepaalde jochies mijn gulp openmaakten, en mij begonnen te strelen. Ik reageerde verschillend al naargelang de omstandigheden, maar hun begeerte stelde mij voor een probleem. Ik vroeg hen: ‘Waarom spelen jullie niet met elkaar, waarom hebben jullie mij uitgekozen, mij en niet de andere kinderen?’ Maar als ze aandrongen, streelde ik hen toch maar.”

En Cohn-Bendit heeft nog lang niet gedaan. Tenslotte waren die pedofiele lotgevallen slechts anekdotisch, futiliteiten eigenlijk, en een politiek analist van zijn kaliber hoort zulke zaken in een breder kader te plaatsen, voor enige duiding te zorgen.
Wat waren de sociale implicaties bijvoorbeeld? Volgens pedofiele Dany was het voornaamste gevolg dat Daniel ...op een bepaald moment zijn job als kleuterleider dreigde te verliezen!

Alors on m’accusait de «perversion». Il y a eu une demande au Parlement pour savoir si j’étais payé par la municipalité, toujours au nom de la loi qui interdit aux extrémistes d’être fonctionnaires. J’avais heureusement un contrat direct avec l’association des parents, sans quoi j’aurais été licencié. En tant qu’extrémiste je n’avais pas le droit d’être avec des enfants. C’était trop dangereux. L’interdiction d’exercer des fonctions dans l’enseignement frappe les gauchistes, les communistes et même parfois les sociaux-démocrates de gauche.
Men beschuldigde mij nu van “perversie”. Er kwam een vraag in het Parlement om te weten of ik door de gemeente betaald werd, natuurlijk in naam van de wet die aan extremisten het recht ontzegt om ambtenaar te zijn. Gelukkig had ik een rechtstreeks contract met de oudervereniging, zoniet had men mij ontslagen. In mijn hoedanigheid van extremist had ik niet het recht om met kinderen om te gaan. Dat was te gevaarlijk. Het verbod om een functie op te nemen in het onderwijs treft de gauchisten, de communisten et soms zelfs de linkse sociaal-democraten.
.


Daniel Cohn-Bendit
Le Grand Bazar
Mai et Après
Entretiens avec Michel Lévy,
Jean-Marc Salmon, Maren Sell
Bibliothèque Méditations
Denoël/Gonthier, Paris, 1975

.
____________

P.S bij Luc Van Braekel staat een link naar France2, en daar kun je ook nog even horen dat de journaliste, Arlette Chabot, het heeft over "une vieille histoire", als ik goed begrepen heb. Ze valt D C-B bij, was mijn indruk, als dienstmaagd van de weldenkende macht, niet als journaliste, maar ik heb de uitzending zelf niet gezien. In het uittreksel dat LVB geeft is echter te horen dat Dany zelfs zo ver gaat om, behalve dat tutoyeren, zijn politieke tegenstander ook nog "mon pote" te noemen, "maatje"! een onbeschaamdheid die ik nooit eerder hoorde, nog van geen Berlusconi. Een langer fragment is hier te zien.
_____________


* Mia Doornaert verslaat duidelijk een debat dat ze ofwel niet heeft gezien, ofwel slecht begrepen. Bayrou had het (zoals in het fragment te zien) bij zijn repliek helemaal niet over dat onbeschofte “minable” van DC-B.
DC-B : Je trouve ça ignoble de ta part […] et ce genre de jeu, devant les citoyens, et bien mon pote, je te dis, jamais tu ne seras président parce que tu es trop minable, trop minable.

FB : Je ne suis pas sûr que vous puissiez vous, employer le mot “ignominie” […]
Nu, van Dale geeft voor “ignoble”: laag, laaghartig, (in)gemeen, onwaardig, weerzinwekkend, walgelijk, afgrijselijk, smerig, vuil.
Dit is geen onbeleefdheid meer zoals tutoyeren of “minable” roepen, zaken die tenslotte enkel diegene besmeuren die d
at doet.
Misschien is voor Doornaert de draagwijdte van de term “ignominie” niet geheel duidelijk ...al zou een baronesse, weze het een nieuwbakken baronesse daar wel gevoel voor mogen hebben. Óf Mia rapporteerde slecht ...ofwel bewu
st vals, omdat Bayrou dan als lichtgeraakt kon worden voorgesteld, of als een man die makkelijk uit zijn evenwicht te brengen is.

14 oktober 2005

Een lichtzinnige professor

.

Europa en de Stier
Hugo Claus



Op zoek naar de identiteit van Europa

Het is merkwaardig om Turkije het Europese lidmaatschap te ontzeggen op grond van culturele argumenten
Hendrik Vos

WAARSCHIJNLIJK begint de Europese Unie maandag te onderhandelen met Turkije. Onderhandelingen die op een dag zullen leiden tot Turks lidmaatschap van de Unie. Echt van harte is het niet. Wie luistert naar wat er in de hoofdsteden wordt gezegd, hoort dat het van moeten is. Er werd de Turken in het verleden veel beloofd en dat heeft nu zijn consequenties.
In de diplomatie kan men zich niet aan een toezegging onttrekken zonder dat dit tot conflicten en miserie leidt. We beginnen te onderhandelen omdat het niet netjes zou zijn om ons woord te breken of omdat we ons nog meer ellende op de hals halen als we het niet zouden doen. Bij de Britten en misschien de Italianen is er een sprankeltje enthousiasme, maar de andere lidstaten zijn in het beste geval koele minnaars van gesprekken met Turkije. In landen als Frankrijk en Oostenrijk zit die koelheid rond het vriespunt.

“Merkwaardig” noemt Vos de reserves van de Europese bevolking, maar hij bekent wel meteen openhartig dat de toetreding onafwendbaar is geworden, en dat we ons nu zeker miserie op de hals halen, maar dat er “anders” nog meer miseries zouden komen, al vertelt hij ons niet wat die zouden inhouden. Vos lijkt gewillig in te gaan op iets dat sterk lijkt op chantage.

Grote delen van de bevolking zien Turkije liever niet in de Unie. Er is schrik dat de Turken onze banen zullen afpakken, er is angst voor de onbegrepen islam, er is ook onvrede over een falend migratiebeleid in nogal wat grote steden. In het debat lopen deze en andere zorgen door elkaar, waarbij vele tegenstanders uiteindelijk menen vast te stellen dat een Europese Unie mét Turkije niet Europees meer zal zijn. Giscard d'Estaing, de gewezen Franse president die veel aanzien geniet in Europese kringen, heeft het met die woorden gezegd en het wordt door velen herhaald.

Ik ben geen politicoloog en dus zeggen enquêtes mij niet zoveel, maar die “grote delen” zou ik toch durven vervangen door “de grote democratische meerderheid”. Foutenmarges lijken mij hier niet zo’n punt namelijk, want we spreken over meerderheden van ongeveer zeventig procent, Engeland en Italië inbegrepen…
Ook lijkt de “onbegrepen islam” mij niet het probleem, de begrepen islam des te meer. De islam is in Europa in het geheel niet onbekend, vaak kennen Europeanen de islamleer beter dan vele islamieten zelf. Maar ik weet natuurlijk niet wat voor boeken professor Vos heeft gelezen.
“Nogal wat grote steden” betekent dat Vos ook enkele goéde voorbeelden in gedachten heeft: hier maakt hij ons nieuwsgierig maar hij blijft zwijgzaam.


Maar wat is dat dan, die fameuze 'Europese identiteit' die, met de Turken erbij, bezoedeld dreigt te raken? Het is vandaag ook om een andere reden een interessante vraag: sinds de negatieve referenda over de Europese grondwet, weet Europa met zichzelf geen raad.

Europa lijkt juist wél raad te weten met zichzelf, goede professor. Het zijn enkel de zelfbenoemde regentjes en de EU-"parlementsleden" die niet goed raad weten. Hun buikspreekpopjes weten vanzelfsprekend nog minder wat ze moeten vertellen.

Zonder snel akkoord over het budget, loopt de uitbreiding naar het Oosten in het honderd. Geen enkele politicus lijkt het leiderschap te hebben om de trein weer op de rails te zetten. En de Commissie houdt zich gemakshalve bezig met het schrappen van wetten, in plaats van met het uitwerken van regels om nieuwe uitdagingen aan te pakken. Officieel heet het dat we ons in een 'reflectieperiode' bevinden. Een eufemisme voor 'existentiële crisis'. Het hanteren van verbloemend taalgebruik zou alvast een eerste kenmerk kunnen zijn van die Europese identiteit. In elk geval, op dit soort momenten is het niet slecht om eens na te denken over de vraag wat die Europese Unie nu eigenlijk is.

Dat mag Vos wel zeggen van dat verbloemend taalgebruik! Maar we hadden het over Europa dacht ik, en over de Europese identiteit? En hij begint ineens over de EU. Mij goed ...nieuw onderwerp dan? Nee, we schakelen dadelijk weer over naar die identiteit. De wetenschap der politicologie lijkt geen aanspraak te maken op systematiek.

Maar identiteit is een moeilijk vatbaar begrip. Het kan gewoon een gevoel zijn, hoewel vaak wordt geprobeerd om er een meer objectieve omschrijving aan te geven.

Het Europa-gevoel

Eerst dat gevoel. Dat we ons Belg of minstens Vlaming voelen, is vorig weekend gebleken. Een kerel uit Balen werd in Madrid wereldkampioen wielrennen en daar waren we erg opgetogen over. Het werd de opener van het journaal en het haalde de voorpagina's van alle kranten. Wie smalend doet over deze gekte en zijn persoonlijk geluk niet wil laten afhangen van de sprintsnelheid van Boonen, zou die niet gesupporterd hebben voor de Belg in de finale van de Elisabethwedstrijd?

Dit badinerend gedoe is misplaatst in een ernstig bedoelde analyse. Proficiat overigens met uw kampioenen Hendrik Vos, maar Tom en Kim, en zelfs die hele koninklijke vioolwedstrijd kunnen mij gestolen worden.

Een soort nationale trots bestaat wel degelijk en als u eerlijk bent, geeft u toe dat u het ook wel eens voelt. België en Vlaanderen zijn historisch gezien nogal toevallige constructies, maar dat neemt niet weg dat we het plezierig vinden als iemand van ons kampioen wordt, zelfs al hebben we persoonlijk weinig met de betrokkene gemeen en is hij zonder ondertiteling wat moeilijk te verstaan voor mensen uit andere provincies. We voelen ons ook verbonden met een sympathiek meisje uit Limburg dat veel van honden houdt en goed tennis speelt. Het valt niet rationeel te verklaren, maar we hebben er allemaal wel last van en moeten er ons niet voor schamen.

Maar voelen we ons ook Europeaan? Is er een Europees wij-gevoel, dat 450 miljoen burgers omvat, van Nicosia tot Dublin, van Lissabon tot Tallinn? Medewerkers van de Commissie, die er beroepshalve mee bezig zijn om dit soort zaken te meten, zijn nog nooit euforisch geworden over de resultaten van hun enquêtes. Mensen voelen zich verbonden met hun land of regio, met hun buurt, hun familie, desnoods met hun hond of parkiet, maar Europa komt in alle lijstjes betrekkelijk achteraan. Geen enkel onderzoek toont aan dat er zoiets bestaat als een Europa-gevoel.

Als Frankrijk tegen Senegal speelt, staat heel Europa dan pal achter Frankrijk? Erg twijfelachtig. Misschien komt hij er ooit wel, die emotionele band met Europa. Maar we zijn nog lang zo ver niet en er is de laatste tijd in de Unie weinig gebeurd wat de liefde kan doen groeien.

Vos gelooft kennelijk dat zulke metingen ook echt iets meten. Maar meer dan die misvatting – hij is tenslotte zelf een professional – staat het verachtende toontje van mijnheer mij tegen. En nu we toch over sport aan het klappen zijn: op dit niveau is natuurlijk elk argument even geldig. Beste professor, misschien staan de Fransen op dat moment wél achter hun ploeg? Europa speelt toch niet? Ik herinner mij schaakwedstrijden Sovjet-Unie – Rest van de Wereld. De Rest verloor altijd, maar ik zag nooit een schaakspeler die daarbij in zak en as zat. En als Wales tegen een of andere continentale ploeg voetbalt, staat dan heel het Verenigd Koninkrijk achter de prei-eters? Ik weet dat niet, et je m’en fiche. Weet u: iemand die beroepsmatig en “wetenschappelijk” over politiek prakkezeert, die zou met zijn gedachten beter wat minder bij tennis en voetbal zitten, zo niet zullen wij burgers de bestaansreden en de werkingskredieten van zijn vakgroep eens herbekijken.

Riskante onderneming

Misschien is er wel een meer objectief te omschrijven Europese identiteit. Het tastbaar vaststellen van identiteiten is evenwel een riskante onderneming.

In het begin van de jaren negentig was het een tijdje in de mode om de Vlaamse eigenheid te omschrijven. Er werden allerlei prettige kenmerken opgesomd (sterk arbeidsethos, perfectionisme, roemrijk verleden, fundamentele vredelievendheid, enzovoort) die ofwel een kritische toets niet konden doorstaan, ofwel typisch bleken te zijn voor zowat alle volkeren ter wereld. Het definiëren van de Vlaming is op deze manier dus niet gelukt. De Vlaamse identiteit, zo bleek bij nader inzien, dat is toch vooral bloemkool in bechamelsaus, een plaasteren kabouter in de voortuin en een porseleinen herderinnetje op de vensterbank. Maar omdat zelfs niet iedereen aan dat stereotype beantwoordt, is ook deze omschrijving weinig bruikbaar.

Zeg dat wel Thomas: tastbaar vaststellen! Wat mag dat betekenen?
Ik zal even niet opgelet hebben toen die Vlaamse eigenheid werd vastgesteld, maar de wetenschap der politicologie heeft natuurlijk niet stilgestaan ondertussen. Waar heeft die man het toch over? Vos richt zelf een stroman op die hij vervolgens vakkundig tegen de grond slaat. Ach, onze man is niet ernstig ...erger: hij is dus ook niet grappig.


Wie de identiteit van de Europeaan wil omschrijven, staat dan ook voor een haast onmogelijke klus. Toch worden naar aanleiding van de Turkije-discussie nogal wat pogingen ondernomen om die Europese eigenheid af te bakenen, in een zoektocht naar een Europese essentie, die de Turken dan vreemd zou zijn.

Goed, die heroïsche en mij helaas onopgemerkt gebleven poging tot definitie is wat de Vlamingen betreft zo te horen mislukt. Inderdaad, het is denkbaar dat de verschillen met de naburen, Fransen, Hollanders, Duitsers te klein waren. Daarom meteen een onderscheid tussen Europeanen en Turken uitsluiten lijkt mij een onverantwoorde veralgemening, een non sequitur. Vos verwerpt zonder enig argument die mogelijkheid, al is juist dát probleem onderwerp van zijn stukje!

Applaus voor Europa!

Er wordt dan in de eerste plaats verwezen naar onze grootse geschiedenis. Europa, dat is de erfenis van de Grieken en de Romeinen. Het is in dat verband trouwens spijtig dat de piramiden aan de verkeerde kant van de Middellandse Zee liggen. Het doet een beetje pijn om die geometrische wonderen op conto van het Midden-Oosten of, zwijg stil, Afrika te moeten schrijven. Gelukkig hebben we andere fraaie zaken waarop we trots kunnen zijn. Er zijn hier grootse kathedralen gebouwd en prachtige schilderijen gemaakt. Europa zou ook de bakermat zijn van het humanisme en het christendom, de Renaissance en de Verlichting. Wie de geschiedenis zo wil lezen, ziet een vloeiende lijn van grootse daden en heuglijke gebeurtenissen.

“Er wordt… ” : een typische passieve wending. Ze insinueert veel maar staaft niets. Een rechtstreeks debat aangaan met een echte tegenstander doet Vos niet: liever bestormt hij de onbemande wallen van zijn eigen luchtkastelen. In welk "verband" staan bijvoorbeeld de Grieken en Romeinen tot uw piramiden, professor? Kent u echt mensen die hun treurnis hebben kenbaar gemaakt over het feit dat de piramiden aan de verkeerde kant staan? Waar zijn die kennissen van u naar school geweest?
En ja, ik heb wel eens gelezen dat Christendom, Renaissance, Humanisme en Verlichting in Europa zijn voorgekomen. U mag de voorwaardelijke wijs met een gerust hart achterwege laten. Heel subtiel onderscheid overigens tussen Humanisme en Renaissance, al had ik hier graag een woordje van toelichting gehoord.


Dus mogen we tegen Amerikanen en Chinezen best wel opscheppen over onze voorvaderen, die filosoof of staatsman waren, schilder of schrijver. Maar het is een selectieve lezing. Bij die fantastische Romeinen hoorde ook Nero en de kruistochten waren niet bepaald ingegeven door christelijke vredelievendheid. Bij momenten werden er al eens boeken verbrand en ook heksen. Misschien zelfs iets te veel om het nog als een spijtige aberratie te beschouwen. Europa, is dat trouwens ook niet de bakermat van het kolonialisme? De holocaust?

Hier gaat onze wetenschapper te ver. Och, hij is zo onbekommerd ...ça cause.
Ik kan mij vergissen, maar lijkt Vos niet zijn wijsheden over Nero uit een of andere TV-reeks te halen? In de bibliotheek van de politicologie zal het niet te vinden zijn, maar bijvoorbeeld "The Roman Revolution" (1939, en nog steeds in druk) van zijn Oxford-collega Ronald Syme is hier wat substantiëler.

Maar erger: de laatste boekverbrandingen waar ik weet van heb zijn die van Rushdie’s Duivelsverzen, en recent nog in Turkije die van Pamuks werken. Deze autodafé’s zullen Vos ontgaan zijn. Tenminste, dat hoop ik voor hem, want als hij er kennis van had dan begaat hij hier een morele laagheid.
En Europa is de bakermat van kolonialisme en holocaust? Van geen van beide mijnheer Vos! Mensen die zich ernstig met geschiedenis bezighouden zijn wel oudere voorbeelden bekend. Heel gênant voor onze professor is dat het woord “holocaust” voor het eerst werd gebruikt in een Engelstalige krant ... om er de Turkse genocide op de Armeniërs mee te beschrijven. Controleer je dat straks even, Hendrik?


Als er pogingen worden ondernomen om de Europese identiteit te omschrijven, worden ook de grote figuren uit de geschiedenis wel eens van stal gehaald. Shakespeare, Dante, Erasmus, Beethoven, Dostojevski, Da Vinci. We zouden dan een volk zijn dat doordrongen is van de erfenis van deze buitengewone persoonlijkheden. Misschien zijn zij het wel, en hun boeken, muziek en schilderijen, die ons tot Europeanen maken. Zou het niet hun intellectuele erfenis zijn die het wezen uitmaakt van de Europeaan? De échte Europeaan is dan iemand die op Arte naar documentaires kijkt over de bouw van de Acropolis, die met zijn opera-abonnement alles van Verdi meepikt, en 's avonds voor het slapengaan nog wat bladert in het verzameld werk van Plato.

Nu ben ik zo iemand, en ik ken er nog zo, maar de karikatuur die de fiere zelfverklaarde barbaar Vos hier ophangt is alweer een gruwelijk non sequitur.

Maar wat dan te denken van die andere Europeaan, in de volksbuurten van Praag, in de winkelcentra van Lissabon of op het Bretoense platteland, die zich van het Rad van Fortuin nog wel meent te herinneren dat Shakespeare de uitvinder is van ' to be or not be ', maar die geen enkele cd van Mozart in huis heeft.

De Toverfluit vind ik wel mooi, en iedereen vindt dat, zelfs op het "Bretoense platteland" waar u zo te zien al eens geweest bent. Maar Europese cultuur is meer dan enkel de Toverfluit, Vos: er zijn nog mooie Europese liedjes.

Die op zondagavond naar de voorronde van het Eurovisiesongfestival kijkt, en hoopt dat een treurig liedje in slecht Engels het haalt. Die tot overmaat van ramp al eens een Big Mac durft te eten of een Hollywoodfilm bekijkt. Die vermoedt dat Erasmus de toeristische dienst is van de Europese Commissie, ook wel verbonden met het departement Onderwijs, en die bij Dante denkt aan een bereidingswijze voor spaghetti. Da Vinci, dat heeft iets met een ingewikkelde code te maken. En Dostojevski, is dat de nieuwe spits bij Dynamo Kiev?

Hebben we hier te maken met een slechte Europeaan? Of is er een foutje gebeurd in de opvoeding? Elitaire definities van Europese eigenheid hebben weinig raakpunten met de realiteit. Laten we dus maar opletten met onze identiteit te baseren op grootse voorvaderen (opvallend weinig vrouwen, overigens), wiens geschriften en gedachten ons doordrenkt zouden hebben, en die ons bestaan een unieke richting hebben gegeven. Waardoor de Turken niet in Europa passen, want zij zijn verstoken gebleven van de invloed van al deze ronkende namen.

Ja, "voorvaderen wiens"... in het Nederlands zeiden wij altijd "voorvaderen wier". Die naamvallen behoren natuurlijk tot een onbestaand cultureel erfgoed.
Ik zou professor Vos niet graag ontmoeten in een sportkwis, maar voor het overige erkent hij blijkbaar niet eens het onderscheid tussen high en low culture... begrippen die, en laat ik dat te zijner intentie er meteen bijzeggen, geen waardeoordeel inhouden, maar wél elk hun functie hebben. En er zijn inderdaad ronkende namen die althans ik niet zou willen missen.


Het wapenschild van Indonesië

De Europese identiteit omschrijven op cultureel-historische gronden en daar dan een Europese essentie uit afleiden, is eigenlijk onzin. Er is geen gedeeld verleden, waarmee alle Europeanen in aanraking zijn gekomen.

Dat we geen platonische essentie moeten zoeken is waar, maar die Vossische wijsheid is al ééuwen een platitude. Dat er echter geen "gedeeld verleden" zou zijn is onzin: Vos ontkent hiermee de hele Europese geschiedenis. Het is te gek om los te lopen, maar laat ik toch één schrijver noemen waar elke Europeaan, op de Griekssprekenden na – die hadden hem niet nodig – mee te maken heeft gehad: Hiëronymus.

Een zoektocht naar culturele, etnische of religieuze fundamenten van de Europese eigenheid, gaat overigens voorbij aan de strijd tussen uiteenlopende belangen en aan de conflicten en tegenstellingen die er hier constant geweest zijn.

Juist niet! die zoektocht is daar het resultaat van.

Net als op de meeste andere plekken ter wereld, trouwens. Europa is een mozaïek van culturen en subculturen en laat zich niet vangen in één essentie. Er is geen kern, die we allemaal delen en die ons doet verschillen van niet-Europeanen.

Toen de Europese grondwet werd opgesteld, meende men de oplossing te vinden. Europa is 'eenheid in verscheidenheid', en deze zin werd meteen tot motto verheven. Al valt het met die 'eenheid' de laatste tijd wel wat tegen. Maar goed, het klinkt niet slecht en de zoektocht naar een essentie kan worden opgeschort. Impliciet wordt gezegd dat die verscheidenheid de eigenheid van Europa uitmaakt. Maar is Amerika ook niet 'eenheid in verscheidenheid'? Of China? Dezelfde spreuk staat al in het wapenschild van Indonesië. Zo typisch Europees is dat dus nu ook weer niet.

Kijk, dat van dat wapenschild wist ik niet! Feitjes kun je werkelijk van iedereen leren. Goede stijl echter niet: in mooie opstellen komen er geen opstapelingen van éénlettergrepige woorden voor als: “…is dat dus nu ook weer niet”.

Een politieke zaak

Er is maar één perspectief dat een aanknopingspunt biedt in de zoektocht naar Europese identiteit. Als we Europa's grootste vergelijkingspunt nemen, namelijk Amerika (ook het continent waarop we het meest lijken), dan valt toch wel een en ander op. De VS doen niet mee met Kyoto, terwijl alle lidstaten van de Europese Unie het protocol intussen ratificeerden. In de VS bestaat de doodstraf nog, terwijl wij daar in ons Handvest van Grondrechten afstand van nemen. Er is hier meer sociale bescherming dan aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan en Europa voelt meer voor diplomatie dan voor gewapende conflicten.

Hij noemt zo’n beetje wat hem op het moment invalt.

Er zijn dus wel degelijk verschillen, maar die hebben te maken met politieke keuzes. Als er dus al een Europese identiteit bestaat, dan is die gebaseerd op de beleidskeuzes die hier wél en elders niet gemaakt worden. De lijm die Europa bindt, is een politiek project, geen culturele essentie. We zijn er ons trouwens maar best van bewust dat de verschillen niet zo absoluut zijn als ze lijken. Er is in de VS ook wel protest tegen de doodstraf en de gevoerde milieupolitiek. En bij verkiezingen in Europa neemt het succes toe van politieke partijen die pleiten voor de invoering van de doodstraf en de beperking van sociale rechten. De oorlog met Irak was amper begonnen of de eerste Polen en Britten liepen al mee in de voorste gelederen.

Krankzinnig als stellingname: zeker vanuit het perspectief van de mogelijkheid ener “wetenschap van de politiek” kun je niet de politieke keuzes tot een grondgegeven verklaren, maar moet je juist zoeken naar oorzaken van politieke beslissingen, en die zullen op een ander vlak liggen…een dieperliggend vlak: ze liggen op cultureel vlak. Vos verwart zijn eigen “vak”, de politicologie, met de theologie, en dan nog met een inderdaad platonische of esoterische tak ervan.
En misschien wil hij origineel formuleren, maar wat Vos over de Polen en Britten vertelt is onzin: die verklaarden vooraf dat ze zouden meevechten. Muggenzifterij? nee toch als we de “politicologie” ernstig moeten nemen ?

Vooraleer we vol euforie ons beleid als het meest beschaafde de hemel in prijzen, staan we dus maar beter stil bij de relatieve broosheid ervan. Maar toch is dit de enige reële omschrijving van de Europese eigenheid: de politieke keuzes die we maken, en die in mindere of meerdere mate verschillen van keuzes die elders gemaakt worden.

Wat nu met de Turken?

Tot slot keren we terug naar Turkije. De identiteit van Europa is een nogal schimmig gegeven en zeker niet helder af te bakenen op cultureel-historische gronden. Europa is een groot lappendeken en recent wees groen europarlementslid Daniël Cohn-Bendit er nog op dat er vandaag al meer moslims dan Belgen in de Unie wonen. Geen enkel onderzoek doet bovendien vermoeden dat er zoiets bestaat als een Europa-gevoel. Het is dus merkwaardig om Turkije het Europese lidmaatschap te ontzeggen op grond van culturele argumenten.

Vos heeft veel moeite met woorden als "dus" of "bovendien". Dat zijn ook moeilijke woorden. Er is geen "Europa-gevoel" dat de heer Vos kan meten, en dat verwondert mij niet want hij weet vooreerst niet wàt hij wil meten, gesteld nog dat zoiets zou kunnen. Maar dat er "dus" geen culturele argumenten meer zouden zijn om Turkije niet-Europees te noemen, dat lijkt een zoveelste onmogelijke gevolgtrekking, een non sequitur.
En wat Cohn-Bendit daar zegt lijkt mij juist een tegenargument… al heeft die dubieuze kerel natuurlijk wél een zekere woordbegaafdheid.


Als er trouwens één constante is in de Europese geschiedenis, dan is het wel het permanente verschuiven van grenzen. Wie op een rommelmarkt naar oude kaarten kijkt, ziet dat er in Europa duchtig met de grenzen geschoven is. Slechts in de rand rond Brussel klampt men zich vast aan het naïeve geloof dat grenzen voor eeuwig gebetonneerd kunnen worden.

Professor Vos raakt weer verward: nu slaat hij taalgrenzen en staatsgrenzen door elkaar. Ik weet niet of het hem bekend is dat bij uitstek de taalgrens die hij bedoelt eeuwenlang zo goed als onbeweeglijk is gebleven. Taalkundigen hebben zich vaak de vraag gesteld hoe dat mogelijk was.

De Europese Unie is een politieke club en we moeten de discussie over de grenzen niet vertroebelen met weinig relevante overwegingen. Daardoor riskeren de zaken die wél van belang zijn in de schaduw te belanden. Het gaat dan om kwesties die precies te maken hebben met die politieke invulling van de Europese eigenheid. In de eerste plaats de basisregels van de club.

Eerloos neemt Hendrik Vos de kleinerende formule van Recep Tayyip Erdoğan over: ik van mijn kant aanvaard niet de term “club”. Vervolgens duikt het platonische begrip “eigenheid” weer op: een “eigenheid” die daarnet nog onbestaande was?

In de Europese Unie horen alleen democratieën thuis, waar man en vrouw gelijke rechten hebben, rechten van minderheden gerespecteerd worden en fundamentele vrijheden gewaarborgd zijn. Wat dit betreft heeft Turkije op korte tijd een grote sprong gemaakt. De volgende jaren zal moeten blijken of die beweging zich ook op het terrein doorzet, in de politiekantoren van de dorpen, in de militaire posten in het oosten, in het oordeel van de rechters. Europa kan hier geen toegevingen doen - het gaat om axioma's waarop de Unie is gebouwd.

Ver van toegevingen te doen: Europa heeft hier nog nooit één eis hard gemaakt. Daar is een goede reden voor: Amerika zou dat niet dulden. En ja, er worden in Turkije nog gevangenisstraffen uitgedeeld aan auteurs en zo, maar kom.
Ik weet niet of de politicologie ook hulpwetenschappen kent, maar de wiskunde leert ons dat de “reductie” van 23% christenen naar 0,3 % christenen héél groot is. Dat is net wat de “lekenstaat” Turkije heeft bereikt sinds zijn ontstaan. Als Turkije nog flink vooruitgang maakt in de mensenrechten, en in de komende decennia er enkel nog in slaagt om ook dat laatste derde-van-een-percentje uit te schakelen, dan hebben zij het statistisch heel goed gedaan zal Vos besluiten. Inderdaad ze doen het dan ongeveer 75 keer beter dan vroeger.


De tweede kwestie ligt ingewikkelder: wat als een Europese Unie mét Turkije te groot wordt om nog beleidskeuzes te maken? Het is de vrees van Karel Van Miert, en het meest politiek-correcte van alle argumenten tegen Turks lidmaatschap: we hebben niets tegen de Turken, toffe jongens allemaal, maar helaas kunnen we geen beleid meer maken als we hen erbij nemen. Er zit iets pervers in het argument. Het is vandaag, met vijfentwintig lidstaten namelijk al moeilijk om nog een krachtig Europees beleid te maken.

Inderdaad: waarom de chaos dan niet nog wat vergroten ? (in het Witte Huis zullen ze onze wetenschapper graag bezig horen).

Als de Unie overeind wil blijven, zullen de spelregels volgens dewelke ze functioneert snel moeten aangepast worden. Of we dat nu grondwet noemen of niet. Het versterken van de instellingen en het uitwerken van vlottere beslissingsmechanismen, moet heel dringend gebeuren, met of zonder Turkije. Precies om te vermijden dat een groot Europa ook een verwaterd Europa wordt.

Er moet plotseling nogal veel. Democraat Vos: laat ons misschien de burger eens raadplegen over wat er moet?

Er is de Turken veel beloofd, de voorbije jaren. Misschien wat snel en wat veel, maar aan die bedenking hebben ze aan de oevers van de Bosporus niets. Turkije hervormt zijn binnenlandse politiek en is op weg om te doen wat Europa vraagt. De rest is niet de Turkse karwei, maar de onze. En met navelstaren, op zoek naar onze essentie, zullen we er niet komen.

Turkije ligt niet aan de oevers van de Bosporus, vriend Vos, dat is maar 2,7% van Turkije. De meeste Turken hebben uw Bosporus nooit gezien want Turkije ligt in Azië. Geschiedenis, aardrijkskunde ...allemaal niks hoor ik u denken.
Toch, "Bosporus"... het is geen regelrechte fout maar ikzelf schrijf meestal Bosphorus, omdat ik weet dat het een Grieks woord is, dat zoveel betekent als Oxford. De plaats waar de koe of os oversteekt, bijvoorbeeld als Zeus achter hem aan zit. Maar ja, etymologie is minder belangrijk dan sport.


Hendrik Vos
(De auteur is politicoloog aan de Universiteit Gent.)
.

29 september 2005

Het begrip racisme verdient herwaardering

.
In de kwaliteitskrant vanmorgen trof mij een vreemd klein titeltje:

“EU-Parlement jent Turkije”.
De journalist Bernard Bulcke had het bedacht.

Jennen doe je niet, zal elke ouder zeggen. Jennen is iets uit de kindertijd, van toen je nog kleine kleren droeg, en in ernstige internationale politiek past het begrip niet. Maar taalgevoel verschilt van persoon tot persoon, en voor Bernard Bulcke zullen er onder het begrip andere gedragingen vallen dan voor u of mij. Zo bijvoorbeeld vind ik niet dat de geallieerden na '40-'45 de Duitsers hebben gejend. Wél hebben die geallieerden afgedwongen dat Duitsland erkende dat er genocide was gepleegd door de nazi’s, en ook dat die genocide een logisch uitvloeisel was van de heersende ideologie.
Dat was toen niet iets waarover eerst met de nazikopstukken is onderhandeld! Dat werd afgedwongen, en de grote meerderheid der Duitsers heeft dat ook zo aanvaard want zij wilden zich weer opgenomen zien in de internationale gemeenschap, opnieuw deel worden van Europa.
Hoe komt zo'n journalist er toch bij om een woord als jennen te gebruiken vraag je je af?
Door collusie. Wie bij de hond slaapt krijgt zijn vlooien. Het is geloof ik mogelijk dat Bernard Bulcke iets te vaak heeft geluisterd naar de officiële politieke standpunten die België verdedigt in de kwestie van de Armeense genocide, zoals wij die pas nog in het Nieuws hebben gehoord van onze minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht. Ik resumeer even zijn gedachtegang, en louter ter verlevendiging van zijn betoog completeer ik hem ook:
De Europese bevolking is nu eenmaal geëngageerd, weze het door toedoen van mensen die niet echt een democratisch mandaat hadden. Ja, die journalistieke term van le déficit démocratique bevalt mij opperbest! Ik moet mijn vrienden journalisten hier bedanken, want een naam bedenken voor iets, dat is evengoed als zeggen dat iets onveranderlijk is, en zo wil ik het houden voor de burger. C’est malheureux mais c’est comme ça! En weze het zelfs dat de betrokken politici toen hebben gekonkelfoesd met negationisten, en dat zij bijgevolg in een bepaalde mate hun medeplichtigen zijn geworden: aangezien wij in Europa geen cordon sanitaire hebben kunnen zulke praktijken gewoon hun gangetje gaan, en wie nu nog iets tegenwerpt is een plaaggeest! (Bulcke vertaalt hier eenvoudig: “zo iemand jent”). Je moet nu eenmaal je woord gestand doen, meent tenslotte Karel De Gucht, want je niet aan je woord houden is slecht voor “de politiek”.
Laat nu niemand beginnen over BHV: dat laatste van hem is zeker waar, en ik hoor het graag uit de mond van een man die voor enkele maanden nog aantoonbaar stond te liegen, zo leek het, toen hijzelf in nauwe schoentjes kwam door zijn domme praat over Balkenende, en zijn bijzonder vulgaire commentaar over de dode Fortuyn. Maar gelukkig! Karel had dat niet gezegd …op een moment was er zelfs geen interview geweest!
Om nu naar onze Bulcke terug te gaan: die heeft een minder probleem. Hij moet enkel de precieze betekenis, later ook de gevoelswaarde van de woorden leren vatten. Daarna wacht hem een mooie toekomst.
En laat Bulcke alvast hierin sterkte vinden: hij is niet de enige die met dat probleem worstelt. Ik lees nog even door in mijn kwaliteitskrant en zie dat er in het zogeheten “Europees Parlement” – die vergadering heeft geen initiatiefrecht, geen wetgevende bevoegdheid en is dus niet echt een parlement – flink is gebakkeleid. Daniël Cohn-Bendit moet daar, zegt Bulcke, aan de EVP hebben verweten dat er "een zweem van 'racisme tegen de islam' achter haar stellingname tegen Turkije steekt."
Die term racisme hoor je bij elke gelegenheid tegenwoordig. Het is zoals met de woorden shit en fuck. Robert Graves, de auteur van Goodbye to all that en van I Claudius om hem even voor te stellen, schreef na de Eerste WO een klein boekje dat geloof ik "The Future of Swearing and Improper Language" heette. Zijn stelling daarin was, en nu resumeer ik gedwongen heel scherp want ik kan er niet zo gauw mijn hand weer opleggen, maar Graves beweerde: dat woorden als “bugger”, “bastard” of “bitch” enkel nog in de lagere klassen van dienst waren. Daar werden zij nog au sérieux genomen. In de hogere klassen waren het troetelnaampjes geworden en diende men op zoek te gaan naar nieuwe krachttermen.
Aan Cohn-Bendit zou ik willen vragen: als ik bijvoorbeeld de stelling verdedig dat er ten gunste van de pedofilie niet zo veel te vertellen valt ...ben ik dan racistisch tegenover pedofielen? Hij moet geloof ik ja antwoorden.
Et pour fixer les idées: racisme is onderscheid maken op basis van ras. Men zou zich bijvoorbeeld een Staat kunnen indenken waar je geen burger van kunt worden tenzij je tot een bepaald ras behoort. Of je die gang van zaken goedkeurt is een andere kwestie, maar die Staat zou je met reden “racistisch” kunnen noemen.
Kritiek echter op een godsdienst die in zijn geschriften de meest onwaardige, mensonterende stellingen tot het onveranderlijke woord Gods verklaart: dat is geen racisme.



P.S.
Wat mij betreft houdt de term racistisch een zware beschuldiging in ...maar dat hij in de handen van onzorgvuldige sprekers en schrijvers is gebanaliseerd tot een synoniem voor bijvoorbeeld afkeurenswaardig, slecht, verwerpelijk, niét netjes &cet. bleek hier eerder al.

27 oktober 2004

Buttiglione en het Europarlement

.
ook dit was de moeite van het vertalen waard; de Duitse tekst volgt; en helemaal onderaan een vertaald stukje uit een editoriaal van Die Welt 27/10... Konrad Adam over de rol van Daniel Cohn-Bendit.



Hoe Brussel de spirituele fundamenten van Europa aan stukken slaat
Dr. Karlheinz Weißmann
[1]

Het „geval Buttiglione“ – bedoeld wordt de discussie rond de als EU-commissaris voor Justitie genomineerde Rocco Buttiglione – lijkt te zullen uitlopen op een zware machtsstrijd tussen de commissievoorzitter en de parlementsleden. Hierbij draait het echter niet om het roemruchte democratische deficit van de Unie, dus om de gebrekkige scheiding der machten en controle van de wetgevende op de uitvoerende macht in de EU, maar om een conflict rond wereldbeschouwingen.

Dit conflict is ontstaan omdat de linksen en liberalen in het Europese Parlement de opvattingen van Buttiglione inzake familie en homoseksualiteit te baat namen om hem als kandidaat af te wijzen. Dat Buttiglione er uitdrukkelijk het accent op legde dat hij wel degelijk het onderscheid wist te maken tussen zijn persoonlijke mening, volgens welke homoseksualiteit zonde is, en zijn ambtsplichten, waardoor hij tot een gelijke behandeling van homosexuelen en heteroseksuelen is gehouden, dat vond geen geloof, en ook zijn verzekering dat hij „tegelijk een goede christen en een goede Europeër kon zijn“ werd genegeerd.

Haal je nu even de oorsprong van de Europese éénmaking na de Tweede Wereldoorlog voor ogen, dan zal je deze ontwikkeling met enige irritatie gadeslaan. Want naast de algemene overtuiging dat er op het Continent nooit nog een broederoorlog mocht uitbreken, was ook het christelijke erfgoed van de volkeren van het Avondland een beslissende grondslag voor het besluit tot economische, politieke en culturele samenwerking.

En het was geen toeval dat alle leiders van deze beweging – Alcide De Gasperi, Robert Schuman en Konrad Adenauer – uit het politieke katholicisme voortkwamen, terwijl omgekeerd de tegenstanders van de uitbouw van de Gemeenschap (of van deze manier om de Gemeenschap uit te bouwen) niet enkel particuliere nationale belangen in stelling brachten maar ook, zoals de Duitse sociaal-democraat Kurt Schumacher, de verdenking koesterden dat het hier een klerikaal-kapitalistische samenzwering betrof.

Als vandaag iemand als Buttiglione in het Europese Parlement voor suspect doorgaat, omdat hij zich als christen tot de leer van zijn kerk bekent, dan vraagt deze situatie om opheldering. Maar de verklaring is niet moeilijk te vinden. Zoals de zaken staan betreft het hier een gevolg van een soort van politieke omslag in de maatschappij zoals die zich ook in afzonderlijke staten van de Europese Unie, voornamelijk in de Bondsrepubliek, heeft voltrokken. De vaders van de Grondwet zouden hun ogen nauwelijks zouden geloven als je hen zou confronteren met de huidige stand van wettelijkheid in Duitsland, en zo zouden ook de vaders van het verenigd Europa zich ergeren aan wat men van hun project heeft gemaakt. Dit geldt zeker met het oog op het wereldbeschouwelijke aspect.

Wat dat betreft had de relatieve openheid van de Europese Economische Gemeenschap, en daarvoor van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hiermee te maken dat men zich rond de periode van hun ontstaan nog zelfverzekerd voelde wat betreft religieuze en culturele inhouden. De concurrerende Europaconcepten – Midden-Europa, Paneuropa, een grote autarkische ruimte of een socialistische federatie – waren mislukt of hadden geen uitzicht op verwerkelijking.

In de ogen van velen, waarschijnlijk de meerderheid van de mensen, leek de catastrofe van 1945 mede een gevolg van een zich afkeren van de traditionele waarden. Dat deze waarden, in goed geweten of uit nonchalance, nogmaals in twijfel zouden worden getrokken kon men zich nauwelijks voorstellen. In de opvatting van de leidende elites konden enkel het Christendom en de Antieken een draagkrachtige basis leveren voor een nieuw begin.

Zeker heeft men de stabiliteit hiervan overschat, en dat hing samen met een psychologisch begrijpelijk maar in de feitelijkheid niet ondersteund optimisme omtrent het verdere verloop van de geschiedenis. De inhouden waar men op rekende stonden al niet meer ter beschikking, maar wie dat inzag die sprak enkel met gedempte stem. Dit verklaart ook iets van de weerloosheid, toen de grote overleveringen werden opgeruimd – een proces dat in de zestiger jaren begon en waarvan wij nu het eindstadium meemaken.

De lusteloosheid van de discussie rond de inhoudelijke aspecten van het ontwerp van een Europese Grondwet kan hiervoor een graadmeter zijn. Een andere indicatie is de manier waarop er in de EU gereageerd werd op de wens van Turkije tot volwaardig lidmaatschap. Niemand waagde het om, onder verwijzing naar religieuze of historische factoren vraagtekens te plaatsen bij het voornemen van Ankara, en om het feit te laten gelden dat Turkije onder geen beding als een deel van Europa kan doorgaan. Elkeen verschuilde zich achter economische argumenten en technische overwegingen. Enkel het plan van de Turkse regering van Recep Tayyip Erdogan om echtbreuk als een strafbaar feit te stellen stuitte op principiële weerstand. Iets dergelijks, zo luidde het ook in conservatieve en christen-democratische rangen, was niet in overeenstemming met de Europese “liberale maatstaven”.

Wat zulks op de keper te betekenen heeft is snel verklaard. De Europese identiteit bestaat uit een mengsel van hedonisme en secularisme, naar smaak gegarneerd met een beetje meer Markt of een beetje meer Verzorgingsstaat. Nu kun je hier als je dat wil naar waarden zoeken, je zult er geen vinden. Het is eerder zo dat wie de vraag naar waarden stelt, die deze naam verdienen, als verdacht voorkomt.

Onder die verdenking is nu Buttiglione gekomen, en het ontbreken van steun voor zijn kandidatuur vanwege de burgerlijke partijen van het Straatsburger Parlement toont duidelijk aan hoe het gesteld is met de bereidheid om dergelijke stellingnamen te dekken. Wat er ook in programma’s mag staan of wat voor verklaringen er worden afgelegd, niet eens een halfweg duidelijk beeld van wat Europa te betekenen heeft, of op welke grondvesten het rust, of tot welk doel de vereniging moet voeren zal je er uit kunnen afleiden. Te gronde genomen geldt Buttiglione’s enkele verwijzing naar christendom, humanisme en Aufklärung reeds als een verstoring van het “integratieproces”, dat zomaar vooruitholt, openstaand voor gelijk wat voor uitkomst. De algemene overtuiging is: pragmatisme zal de richting wel aanwijzen en economisch succes zorgt voor de rest.

De politieke klasse van Europa slaat geen acht op dit geestelijk vacuüm. Maar dit soort van lege ruimte kan niet voor een langere periode blijven bestaan. Zij zal worden opgevuld met ideeën en denkbeelden, wellicht niet die van Buttiglione, wellicht niet eens denkbeelden die überhaupt nog op de een of andere manier voor “Europees” kunnen doorgaan.




Wie Brüssel die geistigen Fundamente Europas zertrümmert


Der „Fall Buttiglione“ – also die Auseinandersetzung um den als EU-Kommissar für Justiz nominierten Rocco Buttiglione – scheint zu einer ernsthaften Machtprobe zwischen Kommissionspräsident und Parlamentsausschuß zu werden. Dabei geht es aber nicht um das vielbeschworene Demokratiedefizit der Union, also den Mangel an Gewaltenteilung und Kontrolle der Exekutive durch die Legislative in der EU, sondern um einen Weltanschauungskonflikt.
Dieser Konflikt wurde ausgelöst von Buttigliones Haltung zu Familie und Homosexualität, die Linke und Liberale im EU-Ausschuß zum Anlaß nahmen, ihn als Kandidaten zurückzuweisen. Daß Buttiglione ausdrücklich betonte, er werde zwischen seiner persönlichen Meinung, derzufolge Homosexualität Sünde sei, und seinen Amtspflichten, die ihn auf die Gleichbehandlung von Homosexuellen und Heterosexuellen festlegen, zu trennen wissen, fand keinen Glauben, und auch die Versicherung, er könne „zugleich ein guter Christ und ein guter Europäer sein“, wurde übergangen.
Wenn man sich für einen Augenblick die Ursprünge der europäischen Einigung nach dem Zweiten Weltkrieg vor Augen hält, dann wird man diesen Vorgang mit einer gewissen Irritation zur Kenntnis nehmen. Denn neben der allgemeinen Überzeugung, daß es auf dem Kontinent keine weiteren Bruderkriege geben dürfe, bildete das christliche Erbe der abendländischen Völker eine entscheidende Grundlage für den Entschluß zur wirtschaftlichen, politischen und kulturellen Zusammenarbeit.
Und es war kein Zufall, daß alle Führer der Bewegung – Alcide De Gasperi, Robert Schuman und Konrad Adenauer – aus dem politischen Katholizismus kamen, während umgekehrt die Gegner der Gemeinschaftsbildung (oder dieser Art von Gemeinschaftsbildung) nicht nur nationale Sonderinteressen ins Feld führten, sondern wie der deutsche Sozialdemokrat Kurt Schumacher auch den Verdacht hegten, es handele sich um eine klerikal-kapitalistische Verschwörung.
Wenn heute jemand wie Buttiglione im Europäischen Parlament als suspekt gilt, weil er sich als Christ zur Lehre seiner Kirche bekennt, dann ist dieser Sachverhalt erklärungsbedürftig. Aber die Erklärung ist nicht schwer zu finden. Faktisch handelt es sich um eine Folge jener Art von politischer Umgründung des Gemeinwesens, wie sie sich auch in Einzelstaaten der Europäischen Union, vor allem in der Bundesrepublik, vollzogen hat. So wie die Väter des Grundgesetzes ihren Augen kaum trauen dürften, wenn man sie mit der heutigen Verfassungswirklichkeit in Deutschland konfrontierte, so wären auch die Väter des vereinten Europa irritiert über das, was man aus ihrem Projekt gemacht hat. Das gilt gerade im Hinblick auf die weltanschauliche Dimension.
Die relative Offenheit der Europäischen Wirtschaftsgemeinschaft und davor der Europäischen Gemeinschaft für Kohle und Stahl in dieser Hinsicht hatte damit zu tun, daß man zum Zeitpunkt ihres Entstehens der religiösen und kulturellen Bestände noch sicher zu sein meinte. Die konkurrierenden Europakonzepte – Mitteleuropa, Paneuropa, ein autarker „Großraum“ oder eine sozialistische Föderation – waren gescheitert oder ohne Aussicht auf Verwirklichung.
Die Katastrophe von 1945 erschien in den Augen vieler, wahrscheinlich der Mehrheit der Menschen, auch als Ergebnis einer Abwendung von den traditionellen Werten. Daß diese noch einmal guten Gewissens oder fahrlässig in Frage gestellt werden könnten, war kaum vorstellbar. Das Christentum und die Antike bildeten nach Auffassung der tonangebenden Eliten die einzig tragfähigen Grundlagen für einen Neubeginn.
Sicherlich überschätzte man deren Stabilität, was mit einem psychologisch verständlichen, aber in der Sache nicht begründeten Optimismus bezogen auf die weitere geschichtliche Entwicklung zusammenhing. Über die Bestände, mit denen man rechnete, verfügte man schon nicht mehr, aber wer das erkannte, sprach nur mit gesenkter Stimme. Das erklärt auch etwas von der Widerstandslosigkeit, als die großen Überlieferungen abgeräumt wurden – ein Prozeß, der in den sechziger Jahren begann und dessen Endstadium wir jetzt erleben.
Die Lustlosigkeit, mit der über die inhaltlichen Aspekte des Entwurfs für eine europäische Verfassung diskutiert wurde, kann dafür als Indikator dienen. Ein anderer ist die Art und Weise, wie auf den Wunsch der Türkei nach Vollmitgliedschaft in der EU reagiert wurde. Niemand wagte, die Absicht Ankaras unter Hinweis auf religiöse oder historische Faktoren in Frage zu stellen und der Tatsache Geltung zu verschaffen, daß die Türkei keinesfalls als Teil Europas gelten kann. Jeder verschanzte sich hinter wirtschaftlichen Argumenten und technischen Erwägungen. Nur die Absicht der türkischen Regierung unter Recep Tayyip Erdogan, Ehebruch als Straftat zu ahnden, stieß auf grundsätzlichen Widerstand. Derlei, so verlautete auch aus den Reihen der Konservativen und der Christdemokraten, entspreche nicht den europäischen „Liberalitätsstandards“.
Was das im Kern heißt, ist rasch geklärt. Europas Identität besteht in einer Mischung aus Hedonismus und Säkularität, nach Geschmack garniert mit etwas mehr Markt oder etwas mehr Sozialstaat. Da kann, wer mag, nach „Werten“ suchen, er wird keine finden, vielmehr macht jede Werthaltung, die diesen Namen verdient, verdächtig.
Unter solchen Verdacht ist Buttiglione jetzt geraten, und die mangelnde Unterstützung seiner Kandidatur durch die bürgerlichen Parteien des Straßburger Parlaments zeigt deutlich, wie es um die Bereitschaft bestellt ist, derartige Positionen zu decken. Was auch immer in Programmen steht oder in Deklamationen bekundet wird, eine halbwegs klare Vorstellung davon, was Europa ausmacht, auf welchen Fundamenten es beruht, zu welchem Ziel seine Einigung führen soll, wird sich daraus nicht ableiten lassen. Buttigliones Bezugnahme auf Christentum, Humanismus und Aufklärung gilt im Grunde schon als Störung des „Integrationsprozesses“, der ergebnisoffen vor sich hin läuft. Die Überzeugung ist allgemein, der Pragmatismus werde es richten und alles andere verbürge der ökonomische Erfolg.
Die politische Klasse Europas ignoriert das geistige Vakuum, das sich gebildet hat. Aber Leerräume dieser Art können nicht über längere Zeit bestehen. Es wird Ideen und Vorstellungen geben, die sie auffüllen, vielleicht nicht die von Buttiglione, vielleicht nicht einmal solche, die überhaupt noch in irgendeiner Weise als „europäisch“ gelten können.



© JUNGE FREIHEIT Verlag GmbH & Co. 44/04 22. Oktober 2004

[1] Dr. Karlheinz Weißmann, geboren in 1959, onderwijst geschiedenis en evangelische godsdienst aan een gymnasium, en is de auteur van een boek “Mythen und Symbole“.






Uittreksel uit een editoriaal van Die Welt 27/10


[...] De derde in het spel is Rode, intussen Groene Dany. Nadat in Frankrijk zijn rapport bekend was geworden, over zijn belevenissen uit de tijd toen hij in de zestiger en zeventiger jaren in Frankfort kleuterleider was, brak daar een storm van verontwaardiging los, wat ertoe leidde dat Cohn-Bendit de Franse kieslijst inwisselde voor de Duitse.
In Frankrijk namelijk hoort men het niet graag dat iemand herinneringen ophaalt aan zulke zaken, als hem meermaals zijn overkomen, “dat kinderen mijn gulp openmaakten en mij streelden…, hun verlangens stelden mij voor problemen…, maar als zij daarop aandrongen heb ik hen toch maar aangeraakt.” Het is een wonder waar zo’n man de vermetelheid vandaan haalt om Buttiglione en de kerk het verwijt te maken van “leugenachtigheid” inzake seksualiteit.
[…]
Zeker, Cohn-Bendit heeft zijn “pedofiele avonturen”, zoals ze vergoelijkend worden genoemd, toegegeven en ze door de tijdsgeest verontschuldigd, want het was toen eenmaal zoals het was. Iets gelijkaardigs moest ook Buttiglione doen; ook hij heeft zich verontschuldigd, zij het niet voor welke daden dan ook, maar gewoon voor woorden. Baten deed het hem niet. “Alle beesten zijn gelijk, maar sommige zijn gelijker dan anderen”, heeft Orwell als motto boven zijn Animal Farm gezet. Dit kan best ook het devies van het Europese Parlement worden. “Te katholiek” is een vonnis dat voor een Europeaan gevaarlijk kan zijn, “te pedofiel” blijkbaar niet.

Multipliant les justifications, s’entourant de mille précautions, pesant chacun de ses mots comme si elle avait conscience de pénétrer dans un sanctuaire réputé inviolable, la journaliste Jacqueline Remy – elle-même ancienne soixantehuiteuse – rappelle donc au mauvais souvenir de Dany le ludion quelques lignes écrites dans Le Grand Bazar, livre publié en 1977 par Belfond et aujourd’hui épuisé. Dany le transgressif y raconte son expérience d’éducateur dans un jardin d’enfants autogéré de Francfort: «Il m’était arrivé plusieurs fois que certains gosses ouvrent ma braguette et commencent à me chatouiller. Je réagissais de manière différente selon les circonstances, mais leur désir me posait un problème. Je leur demandais: "Pourquoi ne jouez-vous pas ensemble, pourquoi m’avez-vous choisi, moi et pas les autres gosses?" Mais s’ils insistaient, je les caressais quand même.»



Élisabeth Lévy
Les maîtres censeurs
pour en finir avec la pensée unique
2002, éditions Jean-Claude Lattès
Livre de Poche, p. 363
[en zie: l’Express van 22 februari 2001]


Ik begrijp niet waarom Elisabeth Lévy het citaat daar laat eindigen: in het oorspronkelijke boekje had Daniel Cohn-Bendit nog lang niet gedaan. Tenslotte waren die pedofiele lotgevallen slechts anekdotisch, dat waren futiliteiten en een politieke analist van zijn caliber hoort zulke zaken in een breder kader te plaatsen. Wat waren de sociale implicaties bijvoorbeeld? Volgens pedofiele Daniel was het voornaamste gevolg dat Daniel ...op een bepaald moment zijn job als kleuterleider dreigde te verliezen!

Mais s’ils insistaient, je les caressais quand-même. Alors on m’accusait de «perversion». Il y a eu une demande au Parlement pour savoir si j’étais payé par la municipalité, toujours au nom de la loi qui interdit aux extrémistes d’être fonctionnaires. J’avais heureusement un contrat direct avec l’association des parents, sans quoi j’aurais été licencié. En tant qu’extrémiste je n’avais pas le droit d’être avec des enfants. C’était trop dangereux. L’interdiction d’exercer des fonctions dans l’enseignement frappe les gauchistes, les communistes et même parfois les sociaux-démocrates de gauche.


Daniel Cohn-Bendit
Le Grand Bazar
Mai et Après
Entretiens avec Michel Lévy, Jean-Marc Salmon, Maren Sell
Bibliothèque Méditations, Denoël/Gonthier, Paris, 1975, p. 203

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html