Posts tonen met het label religie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label religie. Alle posts tonen

10 april 2025

Palestrina - Bach - Heine - Marx - Lenin ...Cioran

 

Nu de christelijke ramadan bijna voorbij is, en Pasen nadert, zullen we op de radio veel Bach horen, of Palestrina, religieuze muziek, en dat is zeer welkom, ook voor mensen die zich niet tot enige religie geroepen voelen.

Over religie zei Karl Marx in 1844, in Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie: Zij is de opium van het volk, „das Opium des Volkes.“ Vladimir Lenin verving het voornaamwoord door een voorzetsel: „Religion ist Opium für das Volk.“ …en dat maakt een groot verschil, zoals Karel van het Reve al toelichtte. Voor Marx is religie door de mensen zélf uitgevonden, voor Lenin wordt zij door de heersende klasse opgelegd, om de kleine man onder de duim te houden.

Nu was een paar jaar daarvoor, in 1840, een boek verschenen onder de titel Heinrich Heine über Ludwig Börne (latere uitgaven kregen als titel Ludwig Börne. Eine Denkschrift), met daarin een lofzang op de religie:

De hemel is uitgevonden voor mensen aan wie de aarde niets meer te bieden heeft... Heil aan deze uitvinding! Heil aan een religie die een paar zoete, slaapverwekkende druppels goot in de bittere beker van de lijdende mensheid, spirituele opium, een paar druppels liefde, hoop en geloof!

Marx bewonderde Heine, bezocht hem ook in Parijs, en had dat boek natuurlijk gelezen. Het was een soort schandaalboek trouwens, een bestseller.

Later werd Heine ziek en raakte verlamd. Fanny Lewald, een Duitse vriendin, bezocht hem in zijn ‘matrassengraf’ en laat hem aan het woord in haar herinneringen:

Tegenwoordig kan ik eigenlijk alleen nog mijn armen en handen vrij bewegen. En dat alles, ging hij door, terwijl er een lachje over zijn van pijn vervulde trekken gleed, dat alles moet ik nu verdragen zonder de bijstand van Onze Heer Jezus Christus! Maar ik heb toch ook mijn geloof. Geloof maar niet dat ik het zonder religie red. Opium is ook een religie. Als zo’n beetje grijze stof in mijn vreselijk pijnlijke brandwonden wordt gestrooid en de pijn daarna onmiddellijk ophoudt, moeten we dan niet zeggen dat dit dezelfde verzachtende kracht is die in religie werkzaam is? Er is meer verwantschap tussen opium en religie dan de meeste mensen zich in hun dromen durven voorstellen.


Begegnungen mit Heine
Berichte der Zeitgenossen
II: 1847-1856
Herausgegeben von Michael Werner
Hoffmann und Campe Verlag, Hamburg 1973

Tegenwoordig worden auteurs die wij altijd voor goede atheïsten hadden gehouden plots katholiek, en dat overkwam ook Heine ...bijna. Maar u zult het met mij eens zijn: hij had daar ook een goede reden voor:

Franscheska had besloten deze nacht, al knielend en biddend alleen tot heil van haar ziel te benutten. Tevergeefs bood ik aan om te delen in haar gebedsoefeningen; – toen ze bij haar kamer kwam, sloot ze de deur voor mijn neus. Tevergeefs stond ik een vol uur buiten, smekend om binnengelaten te worden, alle mogelijke zuchten slakend en vrome tranen veinzend, en de heiligste eden zwerend – natuurlijk, onder geestelijk voorbehoud. Ik voelde me langzamerhand jezuïet worden.* Ik werd er helemaal slecht van, en bood ten langen leste zelfs aan om voor die ene nacht katholiek te worden.

“Franscheska!” riep ik, “ster van mijn gedachten! Gedachte van mijn ziel! vita della mia vita! mijn mooie, vaak gekuste, slanke, katholieke Franscheska! voor deze ene nacht die je me nog gunt, wil ikzelf katholiek worden – maar dan alleen voor deze ene nacht! Oh, de mooie, zalige, katholieke nacht! Ik lig in je armen, streng-katholiek geloof ik in de hemel van je liefde, met onze lippen kussen we elkaar het zoete geloof, het woord wordt vlees, naar vorm en gedaante wordt het geloof verzinnelijkt, wat een religie! Jullie, papen, jubelen ondertussen jullie Kyrie eleison uit, klingelen en branden wierook, luiden de klokken, laten het orgel daveren, laten Palestrina's mis weerklinken. ‘Dit is het lichaam!’** – ik geloof, ik voel me zalig, ik val in slaap – maar zodra ik de volgende ochtend wakker word, wrijf ik de slaap en het katholicisme uit mijn ogen en kijk weer helder in de zon en in de Bijbel, en ben weer protestants verstandig en nuchter, zoals voorheen.”

Reisebilder IV. Italien. Die Stadt Lucca

Heine had zich inderdaad protestants laten dopen. Als Doctor in de Rechten had hij gehoopt op een academische carrière, maar deze weg lag voor een jood niet open. Die doop noemde hij zijn entreebiljet tot de Europese cultuur.***

In Die Bäder von Lucca ontmoet hij vervolgens een man die hij nog van vroeger kende, en die hij eerder op de berg Sinaï dan in de Apennijnen had verwacht. Hirsch was zijn naam en hij had in Hamburg loterijbiljetten verkocht, maar nu heette hij Hyacinth en was kamerdienaar bij een rijke heer. Ze raken in gesprek over het voor en tegen van katholicisme en protestantisme:

“Maar, meneer Hyacinth, wat vindt u van de protestantse godsdienst?”

“Die is mij dan weer té redelijk, doctor, en als er in de protestantse kerk geen orgel zou zijn, dan wás dat helemaal geen religie. Onder ons gezegd, die religie doet geen kwaad en is zo puur als een glas water, maar baat brengt ze ook niet.”****

Alvast wat dat orgel betreft is Emil Cioran het eens met Hyacinth, en zijn tweede zinnetje had van Heine kunnen zijn:

Sans Bach, la théologie serait dépourvue d'objet, la Création fictive, le néant péremptoire. S'il y a quelqu'un qui doit tout à Bach, c'est bien Dieu.

Zonder Bach ware de theologie van voorwerp verstoken, was de Schepping een fictie en het Niets voldongen. Als er iemand is die alles aan Bach is verschuldigd, is het wel God.

Syllogismes de l'amertume

Gallimard, Folio Idées, 1952, 1980, p.119

____________

      * Hoewel men hierbij vaak aan de jezuïeten denkt, is de leer van het geestelijk voorbehoud, de reservatio mentalis, niet van hen afkomstig. Het is een tak van de casuïstiek, in de late Middeleeuwen en Renaissance ontwikkeld, die onder omstandigheden toeliet te liegen.
    ** 1 Kor 11:24 Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. Door eenvoudige gelovigen, zo beweren kwatongen, werden de meestal gemompelde woorden hoc est corpus verstaan als hocus pocus.
  *** In hun ideologische verdwazing wilden de lichtzinnige Giscard en de cynicus Dehaene geen verwijzing naar de christelijke wortels van Europa in de preambule van hun 'Grondwet', maar Heine wist wel beter.
**** Zijn doop heeft hem niet geholpen. Voor de joden was Heine nu wel een protestant, maar voor de anderen bleef hij gewoon een jood. Es ist nichts aus mir geworden, nichts als ein Dichter.

11 september 2024

Als zelfs de linksen godsdienstig worden


Nu in onze streken religies weer wild om zich heen grijpen, niet alleen in stedelijke achterstandsgebieden (les quartiers sensibles, zoals de Fransen zeggen), maar ook bij linkse partijen en in intellectuele milieus, bij auteurs bijvoorbeeld, is het misschien tijd om minstens deze laatsten op enkele confraters te wijzen die het goede voorbeeld gaven.

Stendhal hadden we hier al, maar er zijn oudere voorbeelden, en we hoeven echt niet tot Lucretius terug te gaan: er is keuze te over onder de moderne schrijvers en dichters en wetenschapslui, en ik licht er een paar uit. Neem de zestiende-eeuwer Pietro Aretino, die om den brode weliswaar ook religieuze teksten schreef maar die we toch als goede atheïst mogen rekenen, want dat deden zijn tijdgenoten ook.


Questo è Pietro Aretino, poeta Tosco,
che d'ogni un disse mal, eccetto che di Dio,
scusandosi con dir: non lo conosco.

Dit is Pietro Aretino, een Toscaanse dichter
die over iedereen kwaad sprak, behalve over God,
met als excuus: hem ken ik niet.



En wat te denken van volgend vers van Heine:

        En ben je dood, dan moet je lang
        In het graf liggen; ik ben bang,
        Ja, ik ben bang, dat de Opstanding
        Niet even vlot verloopt.

Dat komt uit zijn Romanzero, en voor dergelijke zaken werd hij op zijn vingers getikt:

Men had mij ervan beschuldigd dat ik God verloochende, en deswege gaf mijn vader mij een sermoen, waarschijnlijk het langste dat hij ooit heeft gehouden en dat als volgt ging: “Mijn lieve zoon! Je moeder laat je filosofie studeren bij rector Schallmeyer.* Dat is haar zaak. Wat mij betreft, ik hou niet van filosofie, omdat het allemaal bijgeloof is, en ik ben een koopman en heb mijn hoofd nodig voor mijn zaken. Je kunt filosoof zijn zoveel je wilt, maar ik smeek je om niet in het openbaar te zeggen wat je denkt, want het zou mijn zaken schaden als mijn klanten te weten kwamen dat ik een zoon heb die niet in God gelooft. Vooral de Joden zouden geen katoenfluweel meer van mij kopen, en dat zijn eerlijke mensen, ze betalen op tijd en hebben gelijk dat ze aan de religie hechten. Ik ben je vader en daarom ouder dan jij, en zodoende meer ervaren; dus je kunt me op mijn woord geloven als ik de vrijheid neem om je te vertellen dat atheïsme een grote zonde is.”

Heinrich onthield die les ook, zoals blijkt uit volgend voorwoord dat hij schreef een jaar voor zijn dood (waarbij we wel moeten bedenken dat een reëel bestaand communisme nog verre toekomstmuziek was):


Lutèce. Lettres sur la vie politique, artistique et sociale de la France, Paris,1855. De eerdere Duitse uitgave had geen Préface. Deze schreef hij voor de Franse uitgave van Lutezia.

Vanuit mijn haat voor de aanhangers van het nationalisme zou ik bijna verliefd kunnen worden op de communisten. Het zijn tenminste geen hypocrieten met religie en christendom altijd op hun lippen. Nu is het waar dat de communisten geen religie hebben (geen mens is volmaakt), de communisten zijn zelfs atheïsten (wat zeker een grote zonde is), maar als hun belangrijkste dogma belijden ze het absolute kosmopolitisme, de universele liefde voor alle volkeren, een egalitaire broederschap tussen alle mensen, vrije burgers van deze aardbol. Dit fundamentele dogma is wat het Evangelie destijds predikte, zodat de communisten naar geest en waarheid veel christelijker zijn dan onze Germaanse zogenaamde patriotten, die bekrompen voorvechters van een exclusieve nationaliteit.

Heine, met zijn dubbelheid, is misschien geen voorbeeld van regelrecht atheïsme. Hij was laten we zeggen intermitterend atheïst, want al schreef hij:

        
        Wie gelijk heeft weet ik niet
        Maar mij dunkt duidelijk
        Dat de rabbi en de monnik,
        Dat zij beiden stinken

Zijn joodszijn heeft hij nooit verloochend (maar dat is geen strikt religieuze bekentenis):


        Laat mijn tong smachtend
        Aan mijn gehemelte kleven
        En mijn rechterhand verdorren
        Mocht ik u ooit vergeten, Jeruzalem

Victor Hugo vond het dan weer onbegrijpelijk dat iemand het bestaan van God zou loochenen (al is nog de vraag of hij dat serieus meende):


Arago was een groot astronoom. Het is ongehoord, maar hij keek altijd naar de hemel en geloofde niet in God. Dit malheur overkomt astronomen soms. Lalande
was net zoals Arago, terwijl zij nochtans de sterren en de zonnen bestuderen. Wat voor zin heeft dat, als zij er niet de ware helderheid uit putten? Die prachtstukken zijn niet alleen voor het lichamelijke oog geschapen: het zijn hemellichamen, toortsen voor de geest.
Mijnheer Arago had een favoriete anekdote. Toen Laplace zijn Mécanique céleste had gepubliceerd riep de keizer hem bij zich, vertelde hij. De keizer was woedend. – “Hoezo,” riep hij uit toen hij Laplace zag, “u zet heel het wereldsysteem uiteen, geeft de wetten van heel de schepping, en in uw hele boek noemt u niet één keer het bestaan van God!” – “Sire,” antwoordde Laplace, “die hypothese had ik niet nodig.”**

Choses vues – Faits contemporains (1847)
in: Œuvres Complètes
Histoire
Éditions Robert Laffont 1987, 2009
Bouquins, p. 686

_______________

* Het is zeer wel mogelijk dat Johann Schallmeyer jezuïet was (de Societas Jesu bleef verboden tot 1814), al was het lyceum waar Heine school liep een instelling van de kapucijnen: “… mijn katholieke leraren, van wie sommigen, zoals ik nu hoorde, voormalige leden van de jezuïetenorde waren. We spraken veel over onze oude dierbare Schallmeyer, die in de Franse tijd als rector de leiding had over het lyceum van Düsseldorf en die ook colleges filosofie gaf aan de hoogste klas, waarin hij ongegeneerd de meest vrijzinnige Griekse systemen uiteenzette, hoe schril die ook afstaken tegen de orthodoxe dogma's, terwijl hijzelf toch soms voor het altaar stond in priestergewaad.” (Geständnisse)
** We zien het wapen van Laplace.

14 december 2023

Une maîtresse à penser

M.M., minnares van Giacomo Casanova, was voor hem ook een maîtresse à penser. In zijn Histoire de ma Vie geeft hij alleen de initialen en noemt nergens haar naam. Zij was kloosterzuster en hij wilde haar nare gevolgen besparen. De hedendaagse casanovisten zijn het intussen eens geworden over die naam: Marina Maria Morosini (1731c.1802). Als achtjarig meisje was M.M. door haar rijke familie in het klooster Santa Maria dei Angeli van Murano geplaatst.

De kloosterregel moet onvoldoende indruk op haar hebben gemaakt, want ze regelde vaak afspraakjes met Giacomo in haar casino, haar buitenhuisje. Ook onderhield zij innige betrekkingen met een medezuster. Haar beschermheer, kardinaal Bernis, hield ervan om deze esbattementen gade te slaan door een ingenieus kijkvenstertje.*

Theologisch gesproken neigde M.M. naar een soort deïsme of agnosticisme, en ze zei aan Giacomo:

– Ik vind dat je toch moet komen [naar haar casino], ook tijdens de vasten, wanneer God wil dat we onze zinnen verstillen. Het is toch lachwekkend dat God zou bedenken dat er voor ons een tijd is om te genieten, en een andere tijd waarin we hem alleen kunnen behagen door verstervingen! Wat kan een verjaardag** met goddelijkheid te maken hebben? Ik zou niet weten hoe de daden van een schepsel de Schepper zouden kunnen beroeren. Mijn verstand kan hem alleen als onafhankelijk begrijpen. Mij lijkt het, dat als God een mens had geschapen die in staat was om hem te beledigen, die mens met reden alles zou moeten doen wat hij verbood, al was het maar om hem te leren scheppen. Kunnen we ons voorstellen dat God gekweld wordt tijdens de vastentijd?

Casanova was erg verbaasd: “Mijn goddelijke vriendin, je redenering klopt, maar mag ik weten waar je hebt léren redeneren, en hoe je erin bent geslaagd om de sprong over die greppel te maken?”

De non prees vervolgens de kracht en het effect van de natuurlijke rede:

– Mijn vriend [Bernis] gaf me een paar goede boeken, en het licht van de waarheid verdreef snel de wolken van bijgeloof die mijn rede fnuikten. Ik verzeker je dat als ik over mezelf nadenk, ik gelukkiger ben iemand te hebben gevonden die mijn geest heeft verlicht, dan ongelukkig dat die sluier is weggenomen, want het grootste van alle geluk is in vrede te leven en sterven, wat men niet kan hopen door geloof te hechten aan wat priesters ons vertellen.

En zij gaf Casanova nog een waardevolle les: denken is tegendenken.

"Dat is heel juist; sta me toe dat ik je bewonder, want de taak om een heel sterk geïndoctrineerde geest als de jouwe te verlichten, kan niet het werk van een paar maanden zijn geweest."

– Ik zou het licht veel minder snel hebben gezien, als ik minder doordrenkt was geweest van dwalingen. Wat in mijn geest het valse van het ware scheidde, was maar een gordijn: alleen de rede kon het ophalen, maar mij was geleerd haar te verachten. Zodra mij werd aangetoond dat ik er de hoogste waarde aan moest hechten, zette ik haar aan het werk en haalde zij het gordijn op. Glanzend verscheen de onmiskenbare waarheid, en de onzin verzwond. En ik heb geen reden om te denken dat hij weer opduikt, want ik word met de dag sterker. Ik mag zeggen dat ik van God pas ben beginnen houden, nadat ik me ontdaan had van de ideeën die de religie mij van Hem had gegeven.

"Ik feliciteer je. Je hebt meer geluk gehad dan ik. Je hebt tienmaal meer reizen gemaakt dan ik."

in: Alain Boureau
Casanova
Un générateur de hasard
Paris, 2022, Les Belles Lettres


_____________

  * Wat de kardinaal niet belette om in zijn Memoires te schrijven: «J’ai toujours eu en horreur le libertinage.» Losbandigheid is mij altijd een gruwel geweest.
** De vastentijden eindigen bij verjaardagen: Kerstmis, de geboorte, en Pasen, de verrijzenis.

31 december 2022

Joseph Ratzinger en de Vlaamse pers


Ik lees op de site van de VRT dat hun 'expert religie' Peter Decroubele de vanochtend overleden Joseph Ratzinger ‘onbehouwen’ noemt. Ook deed die man volgens Peter: “…weinig om bruggen te bouwen naar andere religies, integendeel. Hij schopte de moslimwereld door een Byzantijnse keizer te citeren die de islam als kwaadaardig en onmenselijk typeerde.”

De islam kun je inderdaad ook de godsdienst van de vrede noemen, en dan ben je niet onbehouwen, maar of die vlag de lading dekt is minder duidelijk.

Overigens verwijst Decroubele hier (maar misschien wist hij dat niet) naar een academische toespraak die toen in de Vlaamse pers onopgemerkt bleef, en waarin Ratzinger zich dus tot wetenschappers richtte: “Glaube, Vernunft und Universität. - Erinnerungen und Reflexionen.

Hier op victacausa was meteen wél een gedeeltelijke vertaling te lezen van die redevoering, een stukje dat ik uit Le Monde haalde, die hiervoor blijkbaar wél aandacht had.
Vraag blijft natuurlijk of je in een redevoering iemand mag citeren. Decroubele denkt dat zoiets onbehouwen is, en alvast voor moslims kwetsend kan zijn.*
________
* Later, onder grote druk, verontschuldigde Ratzinger zich voor zijn citaat. Volkomen ten onrechte.

21 juni 2020

Waarom altijd die slangen?


Wat Stendhal ook schrijft...  hij schrijft het zo mooi.

Aangezien alle religies, met uitzondering van de ware, die van de lezer, gebaseerd zijn op de angsten van de velen en de handigheid van enkelingen, lag het nogal voor de hand dat gewiekste priesters het serpent uitkozen als embleem van terreur. De slang komt inderdaad al bij de eerste woorden in het verhaal van alle religies voor.
Zij heeft als voordeel de verbeelding te doen verstommen, veel meer dan de arend van Jupiter, het lam van het christendom of de leeuw van Sint Marcus. Voor haar spreekt het zonderlinge van haar vorm, haar schoonheid, het vergif dat ze meedraagt, de fascinatie die zij oproept, haar altijd onverwachte en soms verschrikkelijke verschijning. Om deze redenen heeft de slang bij alle religies intrede gedaan, maar de eer haar Oppergod te zijn kreeg zij van geen enkele.

Toutes les religions, excepté la véritable, celle du lecteur, étant fondées sur la peur du grand nombre et l'adresse de quelques-uns, il est tout simple que des prêtres rusés aient choisi le serpent comme emblème de terreur. Le serpent se trouve en effet dans les premiers mots de l'histoire de toutes les religions.
Il a l'avantage d'étonner l'imagination bien plus que l'aigle de Jupiter, l'agneau du christianisme ou le lion de saint Marc. Il a pour lui l'étrangeté de sa forme, sa beauté, le poison qu'il porte, son pouvoir de fascination, son apparition toujours imprévue et quelquefois terrible; par ces raisons le serpent est entré dans toutes les religions, mais il n'a eu l'honneur d'être le Dieu principal d'aucune.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

13 februari 2019

Rationele filosofie en religie


Heinrich Heines geschiedenis van de religie en de filosofie in Duitsland, »Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland«, verscheen eerst in Frankrijk in de »Revue des deux mondes« in 1834, onder de titel »De l'Allemagne depuis Luther«.
De Duitse censuur had het jaar daarop moeite zelfs met een afgezwakte versie ervan. Klemens von Metternich bemoeide zich ermee en maakte op 31 oktober 1835 de Pruisische minister Wittgenstein opmerkzaam op dit geschrift. Weliswaar vond hij het een ‘waar meesterstuk wat stijl en behandeling betreft’, en bevatte het ‘de kwintessens van de inzichten en verwachtingen die behoren tot het pakket van dingen die ook ons bezighouden’, maar gedrukt worden kon het niet, want er stonden ook zaken van politieke aard in.

Metternich liet Heines werken verbieden, ook toekomstige werken – een mooi trekje van hem, want hij was een groot bewonderaar van bijvoorbeeld Das Buch der Lieder, dat op het nachtkastje van keizerin Sisi lag, en naar men zegt ook op het zijne.
Klemens liet ook spionnen op hem afsturen in Parijs, maar die waren soms niet snugger genoeg. Veel van hun rapporten geloofde hij niet want: »der pfiffige Heine«, die lepe Heine maakte hen blaasjes wijs.

Dat wist Heine natuurlijk allemaal, en hij stuurde eens een stukje naar de Augsburger Allgemeine Zeiting met in de marge de opmerking: »Sie drucken's ja doch nicht!«
Later raakte zijn essay wel gedrukt in een dik boek, samen met andere werken, »Der Salon«. Dikke boeken – van minstens zwanzig Bogen, 320 bladzijden dus – waren ongevaarlijk want de gewone man kon die toch niet betalen. Zo werkte het algoritme van die oude censoren.

Dit gezegd zijnde, wat vertelt Heine in dat essay? Wel, onder meer zaken die nuttig kunnen zijn voor jonge filosofen die menen dat religie steun kan vinden bij ‘rationele’ filosofie.

Van het ogenblik af dat religie de hulp van de filosofie inroept, is haar teloorgang onafwendbaar. Ze zoekt zich te verdedigen en zwetst zich almaar dieper het verderf in. Religie, zoals elk absolutisme, mag zich niet rechtvaardigen. Prometheus wordt aan de rots geketend door de zwijgende Kracht. Ja, Aischylos laat die gepersonifieerde Kracht geen enkel woord zeggen. Zij moet stom blijven. Zodra de religie een beredeneerde catechismus laat drukken, zodra het absolutisme een officieel staatsblad uitgeeft, is het voor allebei uit. Maar net dat is onze triomf, wij hebben onze tegenstanders tot spreken gedwongen en zij moeten ons te woord staan.

Weliswaar valt niet te loochenen dat het religieuze absolutisme, evengoed als het politieke, voor zijn woord bijzonder indrukwekkende stemmen heeft gevonden. Maar laat ons daarom niet bang zijn. Leeft het woord, dan wordt het door dwergen gedragen; is het woord dood, dan kunnen nog geen reuzen het overeind houden.

Sinds de tijd nu dat de religie, zoals ik hierboven heb verteld, hulp zocht bij de filosofie, werden er door Duitse geleerden, behalve dat ze haar een nieuw jasje gaven, ook talloze experimenten met haar opgezet. Men wilde haar een nieuwe jeugd schenken, en ging daarbij tewerk, ongeveer zoals Medea bij de verjonging van koning Aeson.* Men begon met een aderlating, al het bijgelovige bloed werd haar langzaam afgetapt; om mij zonder beeldspraak uit te drukken: men probeerde alle historische inhoud uit het christendom weg te halen, en enkel nog het morele deel te bewaren. Hierdoor werd het christendom een zuiver deïsme. Christus was niet langer mederegeerder met God, men ontnam hem als het ware zijn soevereine rechten, en louter als privépersoon vond hij nog respectvolle verering. Zijn morele kwaliteiten werden buitenmatig geloofd. Men kon niet hoog genoeg opgeven van wat voor brave mens hij zou geweest zijn.

Wat betreft de wonderen die hij heeft verricht, die verklaarde men natuurkundig, of men probeerde er zo weinig mogelijk ophef rond te maken. Wonderen, verklaarden er enkelen, waren nodig in die tijd van bijgeloof, en een slimme man die de een of andere waarheid te verkondigen had, bediende zich daarvan als annonce als het ware. Deze theologen, die al het historische uit het christendom banden, heten rationalisten, en tegen hen keerde zich de woede van zowel de piëtisten als van de orthodoxen, die elkaar sindsdien minder heftig bestrijden en niet zelden een verbond sloten. Wat de liefde niet vermocht, dat vermocht de gedeelde haat, de haat tegen de rationalisten.


En dat deel (Buch II) van zijn essay eindigt met de woorden die later Nietzsche zullen inspireren: Hört ihr das Glöckchen klingeln? Kniet nieder – Man bringt die Sakramente einem sterbenden Gotte. 
Horen jullie het klokje kleppen? Kniel neder – Men brengt een stervende God de sacramenten.


____________________
* Wie dat recept van Medea mocht intrigeren, vindt de uitleg in Ovidius' Metamorfosen, boek VII:


27 april 2018

Franse toestanden in België



Hengelaars hebben gewoonlijk 
een deugdelijke maatstok bij zich

In een Ipsos-document, een onderzoek in 23 landen, zie  ik dat België in een bepaald vak primus van de klas is. Achtenzestig Belgen op honderd antwoordden met ‘ja’ op de vraag: ‘Denkt u dat religie in de wereld meer kwaad doet dan goed?’ Daarmee laten we de rest van de leerlingen een eind achter ons.

Nu kun je twijfels hebben bij zulke enquêtes, want er waren alles samen 17.401 ondervraagden, tussen de 16 en 64 jaar, en als we 17.401 door 23 delen, hebben we afgerond 757 geënquêteerden per land. Hopelijk ondervroeg ter wille van de foutenmarge Ipsos een wat ruimere groep in Indië met zijn miljard jonge inwoners, dan in België met zijn kleine bevolking waarvan nog eens een groot deel boven de leeftijdsgrens zit.

Naar mijn mening kon bijvoorbeeld niet gevraagd worden, en ik zou nog veel mensen uit mijn omgeving kunnen noemen die in hetzelfde geval verkeren, maar een neutrale steekproef wil ik dat niet noemen.
Overigens had ik die vraag hoogstens aarzelend kunnen beantwoorden want er zijn godsdiensten en godsdiensten. Maar de meeste Belgen antwoordden dus ofwel volmondig, ofwel enigszins gekwalificeerd met ‘ja’, en dat mishaagt mij niet.

Blijft de vraag: kunnen mensen wel zonder godsdienst? U en ik allicht wel, maar dat stelt weinig voor. Tenzij ik hen slecht begrepen heb, leerden de jezuïeten mij destijds dat godsdienst een noodzakelijk middel was om de maatschappij te ordenen, en daar is misschien iets van aan. Natuurlijk, nu paus Franciscus – zelf een jezuïet – in een moment van dwaasheid de hel heeft afgeschaft, zal dit argument veel van zijn overredingskracht verliezen.

Op een andere vraag – of godsdienst henzelf als persoon definieerde – behaalden de Belgen ook een flink resultaat. Ze eindigden op een eervolle vijfdelaatste plaats. Het was hier namelijk een wedstrijd om ter laatst.
Maar Frankrijk, nochtans la fille aînée de l’église, eindigde vierdelaatste. Als verklaring hiervoor zouden we misschien kunnen denken aan de deconstructivisten en aan de postmoderne filosofie waarin tegelijk alles waar is, en niets nog waar. Maar Groot-Brittannië,  Zweden en Japan deden nog slechter – of beter?  en ik weet niet of de Franse filosofie daar even sterk is doorgedrongen.

Nee, de mot zat er al langer in bij onze zuiderburen. En hun ongeloof betrof niet alleen hun god, maar zelfs hun politiek personeel, hun gazetten enzovoort. Ze hadden daar geen Quartier Latin-filosofen voor nodig, getuige de klacht die Heinrich Heine – die in Parijs woonde – honderd zesentachtig jaar geleden uitte:

En niet enkel het geloof in personen is hier de bodem ingeslagen, maar ook het geloof aan alles wat er bestaat. Ja, in de meeste gevallen wordt er niet eens meer getwijfeld – twijfel op zich stelt immers een geloof voorop. Hier zijn geen atheïsten. Voor Onze-Lieve-Heer heeft men zelfs niet zoveel achting overgehouden, dat men zich de moeite zou getroosten hem te verloochenen. De oude religie is grondig dood, ze is al in staat van ontbinding. »De meerderheid van de Fransen«* wil van dat lijk niets meer weten en houdt een zakdoek voor de neus als het katholicisme ter sprake komt. Evenzo dood is de oude moraal, of liever, ze is enkel nog een spook dat zelfs ‘s nachts niet meer verschijnt.

Aber nicht bloß der Glaube an Personen ist hier vernichtet, sondern auch der Glaube an alles, was existiert. Ja, in den meisten Fällen zweifelt man nicht einmal; denn der Zweifel selbst setzt ja einen Glauben voraus. Es gibt hier keine Atheisten; man hat für den lieben Gott nicht einmal so viel Achtung übrig, daß man sich die Mühe gäbe, ihn zu leugnen. Die alte Religion ist gründlich tot, sie ist bereits in Verwesung übergegangen, »die Mehrheit der Franzosen« will von diesem Leichnam nichts mehr wissen und hält das Schnupftuch vor der Nase, wenn vom Katholizismus die Rede ist. Die alte Moral ist ebenfalls tot, oder vielmehr, sie ist nur noch ein Gespenst, das nicht einmal des Nachts erscheint.
Französische Zustände
Artikel IX (1832)

_________
* Er waren toen ook al enquêtes, en die guillemets duidden meen ik op een bepaalde scepsis bij Heine.

2 april 2007

Over vogels en vissen

.
Verschuivingen in de toonaard van kranten- en radioberichten merk je elke dag wel, en bij de meest verschillende gelegenheden. Soms zijn het niet eens verschuivingen, maar regelrechte koerswijzigingen. Gisteren wordt éénzelfde feit overal nog zus verslagen, vandaag zo. Hoe komt dat?
Neem nu weer die Franse non, sœur Marie-Simon-Pierre, die van de ziekte van Parkinson genezen is nadat zij tot de pas gestorven Karol Józef Wojtyła een devotie had gericht. Een grap zult u denken, want een beschaafde West-Europeër zijn die schellen al langer van de ogen gevallen. Ook katholieken zullen vrezen dat die Franse dokter er met zijn eerste diagnose lichtjes naast zat. “D’ailleurs”, mag Albert Coburg aan die dokter terecht opmerken, ”iedereen beeft al eens, en dat is daarom nog geen Parkinson”.
Ik moet nu denken aan die oude prof in de psychiatrie, zijn naam ontschiet mij spijtig genoeg, maar die verklaarde: “Als ik een schizofrenie diagnosticeer, dan is zij ongeneeslijk. . Zulke mannen hebben wij nodig, een dokter naar mijn hart, maar misschien was zijn diagnose eenvoudiger dan een Parkinson.
Ernstige mensen glimlachen als zij horen vertellen over wonderen, vliegende schotels, telepathie of openbaringen. Tot voor kort deden ook kwaliteitsjournalisten dat.
Maar de laatste tijd valt het mij op hoe geweldig serieus deze laatsten worden zodra het Bovennatuurlijke ter sprake komt. Daarnet konden zij hun collectieve lach nauwelijks bedwingen, en nu kunnen zij niet respectvol genoeg klinken. Die coördinatie, dat synchroonzwemmen intrigeert mij, want journalisten zijn tenslotte geen troep soldaten die, zoals Leni Riefenstahl zo mooi heeft aangetoond, op commando de meest ingewikkelde figuren kunnen uitvoeren. Maar Riefenstahl toonde een eenvoudig geval; er was vooraf geoefend dunkt mij, en alleszins werden de commando’s ter plekke luid en duidelijk geroepen. Van een triomf van de gezamenlijke wil is onder die omstandigheden geen sprake meen ik.
Ons geval is stukken complexer. Ik geloof al niet dat de journalisten eerst geoefend hebben, en evenmin hoorde ik ergens een bevel. Élisabeth Lévy, van onder meer France Culture, lichtte ooit de pensée unique van journalisten toe met : Pas besoin d’aucune censure formelle: il suffit que tout le monde pense la même chose au même moment.
Maar dat is net het probleem! Hoe komt die synchroniciteit tot stand? Bij sociologen of politicologen wil ik niet te rade gaan, u zult daar begrip voor hebben lezer, maar biologen buigen zich al langer over dit vraagstuk.
Een school vissen kan ook plotseling van richting veranderen, of een klad vogels, en hun wonderbaarlijke, tijdloze coördinatie boezemt verbazing in. Alle mogelijkheden werden door de biologen onder ogen genomen. Misschien zijn er chemische signalen in het spel, zogenaamde gradiënten? Of fysische, bijvoorbeeld drukverschillen? Of misschien is er toch gewoon een Leider die het voorbeeld geeft? want met hoge-snelheidscamera’s zien zij, weliswaar infieme, tijdsverschillen in de bewegingen van de groepsleden. Wiskundige hulpwetenschappers werden ingeschakeld, en computermensen, en wat nog, en die werken samen aan een oplossing van dit heel moeilijke raadsel. Een antwoord dat eenieder bevredigt is er geloof ik nog niet.
Even ingewikkeld als een school vissen of een vlucht vogels zijn gelukkig journalisten weer niet. Met eenvoudig analogiedenken komen wij al een heel eind.
Aangezien journalisten tegenwoordig niet meer mogen twijfelen aan ridicule verhaaltjes die afkomstig zijn uit andere godsdiensten dan het katholicisme, en aangezien tegenwoordig niemand het zelfs nog zou wagen te lachen als de een of andere kwiet hem in ernst vertelt dat de engel Gabriël in de zevende eeuw een boek heeft gedicteerd aan een kamelendrijver …enkel daarom profiteert ook het door journalisten nog altijd verachte katholicisme mee van hun panische non-discriminatiedrift, en daarom ook kan de ziekte van Parkinson nu genezen worden.
.

2 juni 2006

Hoe een beschaafde Europeër al enkele eeuwen over ongelovigen denkt

.
Het is de laatste weken verschrikkelijk vermoeiend om kranten, tijdschriften, radio en televisie mee te maken. Niet dat er geen nieuws was natuurlijk, maar de elucubraties van de verzamelde redacties waren mij te saai en te moraliserend. Voorspelbaar vanaf de eerste lettergreep.
Tegen zulke verveling is niet op te bloggen. Liever lees ik dan wat verstandige mensen uit vroegere eeuwen vertelden, en bijvoorbeeld de geschriften van de Napolitaan Ferdinando Galiani neem ik graag ter hand.
In onderstaand brieffragmentje (dat ik heb vertaald, maar het Frans is natuurlijk veruit te verkiezen) vertelt de beroemde econoom en diplomaat abbé Galiani aan een vriendin in Parijs hoe hij denkt over ongelovigen. Het lijkt mij een typisch, maar helaas exclusief Europees standpunt. Serieus onderwerp, maar Galiani is altijd grappig. [cursief is van mij]


Napels vandaag 21 september 1776
Ongeloof is de grootste inspanning die de menselijke geest kan leveren, tegen eigen instinct en voorkeur in. Het komt erop neer dat men zich eens en voor goed alle geneugten van de verbeelding ontzegt, en elke smaak in het wonderbaarlijke; het komt erop neer dat men de zak der kennis leegschudt, terwijl de mens naar kennis zucht. Dat men loochent en voortdurend twijfelt aan alles, en achterblijft in verarmde denkbeelden over de kennis, de hogere wetenschappen etc. Wat een afschuwelijke leegte! wat een nietigheid! wat voor inspanning! Het is bijgevolg bewezen dat het overgrote deel van de mensen (en vooral van de vrouwen wier verbeelding dubbel is, aangezien zij de verbeelding van het hoofd bezitten, en de verbeelding van de baarmoeder) nooit ongelovig zou kunnen zijn, en diegenen die het wel kunnen, zullen de inspanning slechts volhouden zolang zij in de volheid van hun kracht verkeren en een jeugdig gemoed bezitten. Zodra het gemoed wat ouder wordt, duikt het een of andere geloof weer op. Juist daarom ook zou men de ware ongelovigen nooit mogen vervolgen: en laat mij hieraan toevoegen dat zij inderdaad nooit vervolgd werden. Vervolgen doet men enkel de fanatieke stichters van sekten die misschien volgelingen kunnen krijgen. De fanaticus is iemand die midden in een menigte het op een lopen zet, en aanvankelijk volgt iedereen hem. De ongelovige doet heel wat meer. Hij is een koorddanser die in de lucht de meest ongelooflijke toeren uithaalt en voltigeert op zijn koord. Hij vervult alle toeschouwers met huiver en verbazing, en geen mens die de neiging voelt om hem te volgen of te imiteren.
o-o-o-o-o-o
Naples ce 21 7mbre 1776
L’incrédulité est le plus grand effort, que l’esprit de l’homme puisse faire contre son propre instinct, et son goût. Il s’agit de se priver à jamais de tous les plaisirs de l’imagination, de tout le goût du merveilleux; il s’agit de vider tout le sac du savoir, et l’homme voudrait savoir. De nier ou de douter toujours, et de tout, et rester dans l’appauvrissement de toutes les idées, des connaissances, des sciences sublimes etc. Quel vide affreux ! quel rien ! quel effort ! Il est donc démontré, que la très grande partie des hommes (et surtout des femmes dont l’imagination est double, attendu qu’elles ont l’imagination dans la tête, et l’imagination de la matrice) ne saurait être incrédule, et celle qui peut l’être n ‘en saurait soutenir l’effort que dans la plus grande force, et jeunesse de son âme. Si l’âme vieillit, quelque croyance reparaît. Voilà aussi pourquoi il ne faudrait jamais persécuter les vrais incrédules: et je vous ajouterais qu’en effet ils n’ont jamais été persécutés. On ne persécute que les fanatiques fondateurs de sectes qui pourraient être suivis. Le fanatique est un homme qui se met à courir au milieu d’une foule, et d’abord tout le monde suit. L’incrédule fait bien plus. C’est un danseur de corde, qui fait les tours les plus incroyables en l’air voltigeant autour de sa corde. Il remplit de frayeur, et d’étonnement tous les spectateurs, et personne n’est tenté de le suivre, ou de l’imiter.
Ferdinando Galiani - Louise d’Épinay
Correspondance V, juin 1775 - juillet 1782
Les Éditions Desjonquères, 1997, pp.102-3

o-o-o-o-o-o

P.S. Voor zijn eigen geloofsgenoten (bv. van de orde der jezuïeten) is Galiani trouwens even kritisch als voor ongelovigen:

Elke jezuïet [op zich] was aardig, welopgevoed, nuttig, en de sociëteit als geheel, die nochtans niets meer was dan de verzameling van al deze individuen, was hatelijk, moreel corrupt, verderfelijk. Laat anderen dit zonderlinge fenomeen verklaren; ikzelf kom er niet uit.

Chaque jésuite était aimable, morigéné, utile, et toute la société, qui n’était pourtant que la masse de tous les individus, était odieuse, corrompue dans la morale, pernicieuse. Que d’autres expliquent cet étrange phénomène; pour moi je m’y perds.
ibid: p. 33

13 mei 2005

Laten wij heden het pauselijke wapenschild in ogenschouw nemen

.

Op het in drieën gedeelde schild is links bovenaan de Moor van Freising te zien. Die gekroonde moor kijkt naar links en stond al in 1316 op het wapen van prinsbisschop Konrad III van Freising. De eeuwen daarvoor was hij er wellicht ook al, maar de kleuren van die documenten zijn verschenen zodat wij niet met zekerheid over een moor kunnen spreken. Die kop bleef, tot aan de secularisering van het prinsbisdom in 1802-1803, en ook daarna zijn de aartsbisschoppen van Freising het Caput Aethiopum blijven voeren. Het aartsbisschoppelijk ordinaat van München heeft hem nog steeds. Waarom de moorkop voorkwam op het schild van de bisschoppen weet ook de huidige archivaris van het aartsbisdom, Roland Götz niet: misschien als een teken van kracht en wildheid zegt hij, net zoals sommige landen een al even vreemde leeuw in het schild voeren.

Rechts zien wij een beer met een rugzak, de Beer van Korbiniaan. De heilige bisschop Korbiniaan verkondigde in de achtste eeuw het christelijk geloof in het oude Beieren, alwaar het pad hem was geëffend door de heilige Bonifatius, die zoals wij weten in het jaar 755 of misschien 756 te Dokkum werd vermoord door onwillige bekeerlingen. Op een geestelijke reis naar Rome werd Korbiniaan nu overvallen door een beer, die zijn pakpaard verorberde. Daarop beval de heilige maar toornige Korbiniaan de beer om de last dan zélf naar Rome te dragen. De beer gehoorzaamde. Eens in Rome aangekomen, verdween hij echter en keerde waarschijnlijk terug naar de wouden van zijn voorouders.
Benedictus verleent aan deze beer, als „lastdrager in dienst van God“, nu burgerrecht in Rome. Met vastberaden en strenge bewoordingen kun je een wild beest de beschaving nog bijbrengen, mogen wij hieruit verstaan. Jan Polack schilderde in 1489 het altaarstuk: Das Bärenwunder.



Het onderste deel van het schild toont een schelp, een coquille Saint-Jacques zou de Guide Michelin zeggen maar eigenlijk is het de StJacobsschelp van het pelgrimerende godsvolk. Al bij StAugustinus (354-430 a.D.) lezen wij hoe hij aan het strand van wat nu Algerije is een jongen zag die met zo'n schelp water uit de zee schepte, en dat water vervolgens in een zelfgegraven greppeltje goot. Augustinus was op dat moment diep in gedachten verzonken, want zijn geest doorvorste het Mysterium Trinitatis. Hij vroeg aan de knaap wat voor zin zijn bezigheden hadden, en het antwoord was: .ik schep de zee in dit greppeltje. Augustinus begreep terstond dat de schelp symbool stond voor zijn eigen worsteling met het Drievuldigheidsmysterie.

Bij de ornamenten rondom het eigenlijke wapenschild is er bovenaan de bisschopsmijter die, na vele eeuwen, de van oorsprong Perzische en absolutistische pauselijke tiara vervangt. Dit kan worden geïnterpreteerd als een teken van collegialiteit onder de bisschoppen, een afstand nemen van het absolutisme. Verder zien wij de zilveren en gouden sleutels van StPieter, het koord (verbondenheid, trouw), en onderaan het pallium met de drie kruisen, teken van de absolute pauselijke macht, de plenitudo pontificalis officii, wat weer op een afstand nemen van de collegialiteit onder de bisschoppen zou kunnen wijzen.
.
.

22 februari 2005

De Standaard, Overstekend Wild, Hagenpreken met Steve; Reynebeau als "maître à penser", deel 2.

.
Bij het ontwikkelen van een gedachtegang zal een zorgvuldige denker vermijden om zijn argumentatie kracht bij te zetten door een beroep te doen op etymologische afleidingen. Dat is een goede stelregel. Al doen wij het allemaal wel eens, op etymologie steunen is meestal weinig zinvol. Iemand zei ooit dat etymologie als argument zelfs bijzonder verdacht is, en vooral in zwang bij mensen die graag alles tot een systeempje herleiden, van autoriteit houden, rotsvast geloven in de onveranderlijkheid der dingen, kortom blijk geven van een “closed mind”.

Reynebeau wil graag rotsvast geloven dat het woord “religie” afkomstig is van het Latijnse “religare”, samenbinden: het woord zegt het zelf, hoor je hem denken. Nu, zoals hijzelf dat graag uitdrukt: dit is wat kort door de bocht.

De etymologie van het woord religie is twijfelachtig. Cicero dacht dat het terugging op “relegere”, herlezen, opnieuw lezen, vandaar: riten in acht nemen. Latere, christelijke auteurs verkozen inderdaad “religare”, samenbinden …maar enigszins circulair wilden zij door deze veronderstelde etymologie juist hun visie kracht bijzetten, dat godsdiensten mensen en gemeenschappen samenhouden.

Robert Graves, de eigenzinnige vertaler van Apuleius, Lucanus en Suetonius, en auteur van de Claudius-boeken, had nog een andere uitleg: religie kwam van “rem legere”, de (juiste) zaak kiezen, de gepaste handeling stellen. Hij geeft een voorbeeld. Toen bij een aardbeving het Forum Romanum plots een diepe scheur vertoonde kon een heldhaftige Romeinse soldaat verhinderen dat de scheur verder liep, door bij wijze van offergave er resoluut zelf in te springen: een adequate reactie. Hetzelfde effect had die soldaat ook tegen een geringere prijs kunnen bereiken door een offerdier, bijvoorbeeld een kip erin te gooien. Twee bij uitstek religieuze daden: de juiste, irrationele, magische handeling wordt gesteld.

Geen van deze etymologieën heeft mijn voorkeur: ik weet er niet genoeg van. Marc Reynebeau kent geen twijfel.
Om op zijn column terug te komen, behalve de constatatie van zijn op niets gesteunde zekerheid, en zijn licht naïeve wijsneuzerigheid, zie ik niet in wat voor informatie er te halen valt uit volgende zin:
"Daarin zijn zingevingsystemen, godsdienstige en andere, niet langer elkaars concurrenten, maar partners in een dialoog die, naar de etymologische betekenis van het woord religie, de maatschappij samenbindt en tot een gemeenschap maakt."


Voor zijn geestloze geroddel
Krijgt hij menigmaal een klap,
Voor zijn wekelijks gebroddel
Zelfs een dagelijkse hap.


(vrij naar Poesjkin, en zijn vertaler Boland)
.

12 februari 2005

Het "geval Buttiglione" zoals Buttiglione dat ziet

.

Rocco Buttiglione, Italiaans minister voor Europese aangelegenheden, sprak deze redevoering uit op het VIde congres over Katholicisme en Openbaarheid, in Madrid, de 20ste november 2004.
.
[voor de Nederlandse tekst gebruikte ik een Engelse vertaling, maar corrigeerde deze op details en naar best vermogen, met de Spaanse tekst; hier en daar, bijvoorbeeld bij voor mij de kernzin van het betoog, heb ik cursief aangebracht;
vooraf nog: als goede atheïst kan ik vooral het eind van Buttiglione's betoog maar moeilijk volgen, maar dat neemt niet weg dat hij principieel gelijk heeft in zowat alles wat voorafgaat, en dat hij ook heel welbespraakt uitlegt om welke fundamentele redenen het Europees Parlement beschaamd zou moeten zijn, in plaats van te spreken (zoals o.m. een verhit VLD-europarlementslid op de dag van de stemming) over: "een overwinning voor het Parlement, een overwinning voor de Democratie!";
en nóg een vooraf: op deze site staan ook twee andere stukjes over het zeer belangrijke "geval Buttiglione", zie 27 en 30 oktober]


Zoals u weet was ik voor kort kandidaat-Europees Commissaris. Zoals u ook weet, werd ik voor dat ambt afgewezen omdat ik tijdens de hoorzitting mijn katholieke overtuigingen aangaande seksualiteit en huwelijk had uitgedrukt.
Sommigen hebben gezegd dat ik onvoorzichtig was. Natuurlijk zeggen zij, Buttiglione had het recht om uitdrukking te geven aan zijn katholieke principes, maar dit was het verkeerde moment en de verkeerde plaats.
Ik ben het daar niet mee eens. Ik geloof dat ik bij mijn presentatie een extreem Nicodemische houding heb aangenomen. U zal zich herinneren dat Nicodemus, een discipel van Jezus, een zeer vreesachtige man was. Moedig was hij niet, hij was bijzonder voorzichtig. Net als Nicodemus, was ook ik hoogst voorzichtig.
Je mag dan denken: als wij onze principes niet in de openbaarheid kunnen uitdrukken, dan lijkt het wel of we er beschaamd over zijn. Daar ga ik niet in mee. Ik was niet beschaamd, maar ik wilde niet uitdagend zijn. Ik was voorzichtig.
Zíj introduceerden de categorie van de zonde in het politiek discours, en ik zei “Nee, in de politiek mogen wij niet over zonde spreken. Wij horen te spreken over non-discriminatie, en ik ben grondig gekant tegen discriminatie van homoseksuelen, of wat voor discriminatie ook.” Ik zei niet dat homoseksualiteit zonde is, zoals vele kranten hebben gemeld. Ik zei: 'I may think', 'ik mag misschien denken'. Mogelijk denk ik dat, maar ik heb hen niet verteld of ik dat denk of niet. Wat ik daarover denk heeft niet de minste invloed op politieke zaken, want het politieke probleem is dat van de discriminatie, en achter dat principe schaar ik me.
Dat volstond niet. Zij wilden me doen zeggen dat ik geen bezwaar zie in homoseksualiteit. Dat kon ik niet doen want het is niet wat ik denk. In de Catechismus van de Katholieke Kerk staat niet geschreven dat de homoseksualiteit een zonde is, maar veeleer dat het vanuit moreel oogpunt een objectief gestoorde toestand is. Homoseksualiteit kan zonde worden, als men het subjectieve element eraan toevoegt, te weten volle kennis dat het om iets verkeerds gaat, en ook de wilsvrijheid om het verkeerde standpunt te kiezen. Ik kreeg niet de gelegenheid om dit te zeggen, en zo kwam het dat ik niet waardig werd geacht om Europees commissaris te worden.
Zo belangrijk is dat voor mij niet, want politieke gevechten komen voor in het leven. Je wint er en je verliest er, en dat is de gang van het leven.
Katholieken hebben het recht om in de Europese Unie functies te bekleden. Is het denkbaar dat katholieken uitgesloten worden van het openbaar ambt, omwille van hun katholicisme? Omdat ze op het standpunt van de Kerk staan? Sommigen zeggen dat de katholieke stellingname inzake seksualiteit aberrant is, en dat dit standpunt voldoende grond moet zijn voor discriminatie binnen de EU, of wat betreft het bekleden van publieke ambten. Dit wens ik niet tot een aanvaarde praktijk te zien uitgroeien. Zij hebben als regel gesteld dat tegen een katholiek, die zegt dat homoseksualiteit mogelijk een zonde zou kunnen zijn, gediscrimineerd mag worden. Ik kwam in een positie te staan waarin ik in dezen klaarblijkelijk de keuze moest maken: of ik bleef bij mijn standpunt, bij mijn geloof (en indien niet mijn geloof, dan tenminste bij de doctrine van mijn geloof), ofwel moest ik accepteren dat er tegen mij gediscrimineerd werd. Voor mijn geloof kon ik het opbrengen om een zetel in de EU op te offeren, want zo belangrijk is dat ding niet. En zo gebeurde het tenslotte.
Ik weet niet of God me de moed zou verlenen om mijn hoofd aan te bieden voor mijn geloof, zoals StThomas Morus. Ik hoop dat ik me nooit in de positie zal bevinden om daarachter te komen. Maar het aanbod van een zetel in de commissie – ja, dat aanbod kan ik doen.

Er blijft een probleem. Het is een probleem in verband met de aard van democratische instellingen, want achterliggend zitten wij met de vraag rond het liberalisme, en wat het inhoudt om liberaal/vrij te zijn, en wat het betekent om een liberale grondwet te hebben, of een liberale democratie in Europa vandaag.
We staan voor twee visies, een die ik als eigenlijk liberaal beschouw, en de andere die ik beschouw als een anti-liberale perversie van het liberalisme.
In de eerste visie heeft de Staat zelf niet een ingrijpende visie als zodanig; de Staat denkt er niet over om zelf de waarden te scheppen die voor het bestaan als burger noodzakelijk zijn. De Staat beseft dat anderen die waarden moeten voortbrengen: kerken en de cultuur. Waarden worden in de culturele sfeer voortgebracht; bijgevolg benadert de Staat de culturele sfeer met een positieve ingesteldheid. Hij erkent de rol van kerken in de samenleving, en accepteert de rol die zij spelen.
De tweede visie is eerder continentaal-Europees; het is de visie van Jean-Jacques Rousseau. Rousseau is van oordeel dat de Staat zijn eigen waarden moet voortbrengen, dat we een civiele religie nodig hebben, en dat de geopenbaarde religies – geopenbaard tussen aanhalingstekens – ondergeschikt moeten zijn aan deze Staatsreligie. Daar lag de oorsprong van het klassieke totalitarisme, want Marxisme, Fascisme en Nationaal-Socialisme waren de civiele religies van het Europa van gisteren.
En wat is er vandaag aan de hand? Er is aan de hand dat een deel van de linkerzijde in Europa de neiging vertoont om een nieuwe civiele religie te bevestigen. Deze nieuwe religie stelt dat het ontoelaatbaar is om sterke ethische overtuigingen te hebben, en dat de democratie haar grond moet vinden in relativisme.
Relativisme betekent dat er geen onderscheid is tussen goed en kwaad. Dat is verkeerd geloof ik. Ik denk dat onze democratie een andere grondslag nodig heeft, en die grondslag is de christelijke notie van vrijheid – christelijk en ook liberaal wat de vrijheid betreft. Dit betekent dat ik het recht heb om te vinden dat jij verkeerd bent, en tegelijk dat ik bereid ben om mijn leven te geven zodat jij het recht behoudt om verkeerd te zijn, immers, indien jij voor jezelf het goede zou hebben, niet door je eigen vrijheid maar door dwang van buitenaf, dan zou dat geen morele waarde bezitten. Het zou een morele onwaarde zijn.
Respect voor de menselijke persoon en zijn rechten is de basis van een authentieke democratie. Cultureel relativisme is geen adequate grondslag voor de democratie. Ik wil graag twee zeer belangrijke auteurs citeren die dit standpunt vertolken. De eerste is een grote expert van het totalitarisme, Benito Mussolini. Benito Mussolini schreef dat het fascisme de politieke uitdrukking is van de meest moderne stromingen in de hedendaagse filosofie, te weten van het relativisme. Want als er geen objectieve waarheid bestaat die wij moeten respecteren, dan zal elk individu het recht hebben om gebruik te maken van welke macht ook die hij bezit – fysieke kracht, intellectuele kracht, de macht om te manipuleren via media en communicatie – om aldus zijn visie op de wereld aan anderen op te dringen. Dat is niet helemaal wat wij onder democratie verstaan, dat is het begin van totalitarisme.
De andere auteur die ik wens te citeren is Plato. In De Republiek legt Plato ons uit dat democratieën sterven door de hand van het ethisch relativisme; hij gebruikt niet de term “ethisch relativisme” – hij leeft in de tijd van de Sofisten. Als er geen onderscheid is tussen goed en kwaad, dan kan een politicus om het even wat doen. Wat voor motivatie kan de politicus hebben om te weerstaan aan corruptie, het grote gevaar in onze democratieën? Wat voor motivatie heeft hij om de publieke opinie niet te manipuleren? Wat voor motivatie heeft de politicus om trouw te blijven? Zonder geweten is er geen politiek en wordt de loop van de democratie van binnen uitgehold.
Nu geloof ik dat er in de encycliek van paus Johannes Paulus II, Veritatis Splendor [glans der waarheid (mv)], iets dergelijks stond. Ook daar vinden we die idee terug: een adequate basis voor de democratie is niet het ethisch relativisme, maar veeleer de idee van de menselijke persoon, van het respect voor de menselijke persoon, van het recht van de menselijke persoon en van de juiste samenhang tussen waarheid en vrijheid.
Ik wil daaraan toevoegen dat er verder nog iets soortgelijks staat in Veritatis Splendor. De waarheid wil de vorm van het menselijk handelen zijn, en enkel door de menselijke vrijheid kan zij de vorm van het menselijk handelen zijn, want dat is de moeder van de democratie.

Europa staat voor de keuze tussen deze twee modellen van democratie, het ene of het andere, en ik geloof dat dit de inzet is in een democratische strijd, in een democratisch gevecht dat nog vele jaren zal duren.
Mijn zorg is het, en ook de hoop die ik koester, dat mijn speciale geval een gelegenheid kan zijn, een hulpmiddel, niet enkel voor christenen maar ook voor hen die geloven in de vrijheid om te mobiliseren en een discussie los te maken over de adequate fundering van de democratie.
Kwaad is nooit kwaad zonder meer; er zit altijd iets positiefs in het kwaad. Wat voor mij een kwaad was, heeft voor ons allemaal iets positiefs in zich geloof ik. Misschien zullen we voor het eerst over Europa spreken, niet om ons beklag te doen over bureaucratische problemen, maar eerder om ons af te vragen: wat is het geweten, wat zijn de waarden, wat is de identiteit van Europa?
En er zijn in Europa vanzelfsprekend groepen, niet al te groot, maar wel degelijk georganiseerd en gemobiliseerd, die een niet-christelijke grondslag zien voor Europa; en de christenen, ik weet niet of zij een meerderheid vormen of een minderheid, maar goed georganiseerd zijn zij niet. Ik ken de discussie: “Zijn de christenen een meerderheid of een minderheid in Europa? Is dit Europa christelijk of niet?” Het is geloof ik een valse vraagstelling. Europa is niet christelijk en onchristelijk is het al evenmin. Ik geloof niet dat er ooit een christelijk Europa heeft bestaan. Europa leeft geloof ik altijd al op de spanningslijn tussen geloof en ongeloof. Het leeft zo in onze tijd, net zoals het altijd heeft geleefd. En in die spanning tussen geloof en ongeloof moeten wij een positie innemen.
En we kunnen de overwinning halen als we in de eerste plaats zelf geloven, want niets heeft zoveel overtuigingskracht als een overtuiging. Christenen die niet het geloof bezitten, zijn niet in staat om anderen te overtuigen van de menselijke waarheid van hun zienswijze.
En in de tweede plaats, als wij de moed hebben om onszelf in beweging te zetten en actief te worden in het publieke leven, wat niet hetzelfde is als onze zienswijze aan anderen opdringen, het is juist de vrijheid van allen verdedigen, en vanuit onze visie op de mens deelnemen.
Soms zullen we in de meerderheid zijn, op andere momenten weer niet, en Europa zal zijn weg gaan, die een weg is van dialoog tussen geloof en ongeloof, en dat is precies wat het geweten van Europa uitmaakt, ons geweten.
Ik wil hier enkele zaken aan toevoegen betreffende het thema van deze conferentie. “Europa, wees uzelf”, hetgeen betekent (ik ben de gelukkige echtgenoot van een psychanaliste die altijd zegt dat er in een familie één persoon moet zijn die een serieuze job heeft, en dat ik mijzelf de luxe kan veroorloven om aan politiek te doen, want zij heeft een serieuze job; en zij heeft mij een beetje wegwijs gemaakt in de denkwereld van Sigmund Freud): Europa is als een menselijke persoon; elk van ons vormt zijn geweten in dialoog en relatie met zijn vader en moeder. Deze dialoog is moeilijk, er komen schokken voor, en handgemeen; wij kunnen met elkaar breken, en ons weer verzoenen. Zoon of dochter zijn is niet makkelijk, maar ouder zijn is moeilijker. Iemand die niet in deze dialoog leeft, veroordeelt zichzelf tot een oppervlakkig leven en hij heeft geen toegang tot de diepere lagen van zijn menselijk bestaan.
Wie zijn de vaders en moeders van Europa? Het zijn Socrates en Christus, geboren uit de ontmoeting tussen de judeo-christelijke religie en de Griekse en Latijnse denkwereld. Binnen deze dialoog zijn er vanzelfsprekend veel verschillende opvattingen: filosofen die zeggen dat Christus een filosoof is, niet de Zoon van God, maar de meester van de moraal (Hegel, in zijn jeugdschriften), of de christenen die zeggen dat Socrates eigenlijk een profeet van Christus is en dat hij de heidenen heeft voorbereid op hun ontmoeting met Christus (StAugustinus – we vierden zijn verjaardag nog net – in zijn Stad van God geeft ons de idee dat Socrates een soort Moses is).

Goed, Europeaan zijn betekent dus dat men aan deze dialoog deelneemt. Welke positie je in de dialoog kiest doet er niet toe, maar een persoon die onverschillig blijft voor deze dialoog – en hij kan best een geschikte persoon zijn – een Europeaan is hij niet.


Een Europa dat niet de moed bezit om zichzelf met deze wortels te verstaan – en het lijkt niet of er iets in de plaats wordt geboden – zo’n Europa lijkt sterk op een man die met zijn familie totaal heeft gebroken. Andere vaders en moeders kan hij zichzelf niet verschaffen, een ander mens worden lukt ook niet, het blijft erbij dat diezelfde man een oppervlakkig leven gaat leven, en er niet meer in slaagt de ware diepten van zijn identiteit te bereiken.
Net zo, een Europa waar het aan de moed ontbreekt om in deze dialoog te treden, om deze wortels onder ogenschouw te nemen, zal een Europa zijn dat aan de oppervlakte leeft. Wat wij echter nodig hebben is een Europa dat diepte heeft, en dat is de reden waarom ik het een kwalijke zaak vind dat er in de preambule van de grondwet geen melding wordt gemaakt van de christelijke wortels van Europa, maar ook geen melding van de judeo-christelijke en grieks-latijnse wortels. Nu, een preambule is enkel een preambule, en van groot belang is dat niet.
Ik wil hier enkele zaken aan toevoegen over de grondwet zoals wij die nu hebben: als ik in de gelegenheid was geweest om de grondwet te schrijven, dan had ik iets anders geschreven. Maar dit is nu de enige die we hebben, het enige dat ons allen samenbrengt. Wij hebben nood aan een grondwet. Heel goed is ze niet, maar heel slecht ook weer niet. Er ontbreekt een klare verwijzing naar de wortels, maar in het eerste artikel van de Verklaring van de Rechten van de Mens staat een duidelijke referentie naar de menselijke persoon, als centrum van de juridische en politieke orde.
Dat is fundamenteel, en tegelijk is het ook een fundamenteel christelijke idee. Dezelfde idee staat ook aan het begin van de encycliek Redemptor Hominis ["terugkoper", zoals iemand die een borgsom komt betalen d.i. verlosser van de mens (mv)] : God die zichzelf in waarheid aan de mens reveleert (omtrent God), en tegelijk de waarheid reveleert aan de mens, dat de mens zelf eveneens een persoon is.
En “een persoon” betekent dat hij vrij is; dat hij de plicht heeft, en het recht, om de waarheid te zoeken, en om daar in zijn vrijheid en door zijn vrijheid naar te zoeken. De waarheid, zoals mijn oude leersmeester Augusto del Noce placht te zeggen, is een zaak die niemand voor jou kan bedenken. Jij moet haar bedenken. Jijzelf zal haar moeten ontdekken. En als ze wordt opgelegd, dan is het geen waarheid, want je hebt het niet zelf bedacht; zoiets bezit geen waarheidswaarde.
Naast de vrijheid om naar de waarheid te zoeken, bezit een persoon ook de vrijheid om zichzelf in liefde te geven. Wij zijn vrij opdat we de mogelijkheid hebben om verliefd te worden, en al mag dat paradoxaal klinken: de verliefde mens, de gehuwde mens kent meer vrijheid dan de vrijgezel.
Om een gemeenschap aan te gaan met een vrouw, om jezelf aan haar te beloven, om kinderen te hebben, om kinderen op te voeden, is in de natuurlijke ordening de hoogste expressie van de menselijke vrijheid.
En hier stuiten we op een ander politiek probleem, het probleem van de familie. De familie is in het Europa van vandaag het meest gediscrimineerde subject. Om kinderen te hebben moet een van de twee in het koppel, meestal de vrouw, een belangrijk deel van haar carrière opofferen. Het betekent dat we een hoop geld aan de kinderen zullen besteden, dat we een groot deel van onze energie in de opvoeding van de kinderen zullen stoppen, en deze kant van de zaak is sociaal relevant, het is een sociaal contract, want zonder kinderen gaat Spanje dood, gaat Italië dood, gaat Europa dood, gaat de mensheid dood.
En als kinderen opgroeien, dan betalen zij belastingen en dragen ze bij aan de pensioenen van diegenen die geen kinderen hebben gewild, en die rijker werden, en meer geld hadden om te spenderen. Is zoiets rechtvaardig? Het is enkel rechtvaardig als er een politiek is die de familie gunstig gezind is, die de familie fiscaal recht laat geworden, en hulp geeft aan dat deel van het koppel, meestal de vrouw, die een gedeelte van haar beroepsloopbaan laat varen voor de sociale taken van het huishouden. Het is enkel rechtvaardig als er een familiale politiek is, en dat is niet een politiek van solidariteit met de families, maar een plicht van rechtvaardigheid tegenover de families. Want deze categorie is duidelijk de meest gediscrimineerde in Europa, en wij hebben een cultuur die dit niet wenst te erkennen, wij hebben een politiek systeem dat dit niet wenst te erkennen.
Men heeft mij ook al aangevallen als zijnde een chauvinist, en wat ik wens te zeggen is dat naar mijn overtuiging het probleem vandaag is dat een vrouw recht heeft op een beroepsloopbaan, maar ze heeft evenzeer het recht om moeder te zijn.
Vrouwen die er vrijelijk voor hebben gekozen om zich aan de opvoeding van hun kinderen te wijden en geen carrière te hebben, kunnen wij maar beter niet als tweedeklasmensen, als tweederangsburgers beschouwen. Zij mogen als groep niet worden gediscrimineerd. We moeten anderzijds vrouwen die een beroepsloopbaan wensen, én kinderen, niet met de vinger wijzen: wat we nodig hebben is een politiek die de vrouw toelaat om vrij te kiezen hoe ze haar taken wil opnemen, de ene zowel als de andere. Wat er moet komen zijn werkregelingen die compatibel zijn met familiale schikkingen, etc.
Doen we dat niet, dan is het uit met Europa. We hebben nu al weinig kinderen, binnen een paar jaar hebben we er nog nauwelijks.
En dan is er nog de idee van diegenen die de mogelijkheid van de mens om zich aan een ander te binden niet wénsen te zien, de mogelijkheid om een gemeenschap te vormen, vertrekkend van een familie. Zij die denken aan een Europa van geïsoleerde individuen die geen gemeenschap meer vormen, die geen huwelijk meer aangaan omdat ze bang zijn om verliefd te worden, en als ze toch verliefd worden dan hebben ze niet de moed om te geloven dat het misschien voor altijd is, moed die noodzakelijk is om een verbintenis aan te gaan. Het resultaat is een Europa waar kinderen niét geboren worden, en als ze geboren worden dan niet in de optimale voorwaarden om te worden opgevoed en als mens tot bloei en wasdom te komen.
Dit houdt veel in voor de toekomst, en dit wordt een fundamenteel thema in de Europese politiek de komende jaren. En het is niet enkel een Europees probleem; het is een probleem voor de natiestaat.
Er wordt druk uitgeoefend om het homoseksuele huwelijk te legaliseren. Daar zit het probleem niet. Het probleem is de afschaffing van het huwelijk. Het probleem zit in het ignoreren van het verschil tussen dit instituut, dat een sociale functie heeft, en andere samenlevingsvormen, die ik respecteer, maar die geen sociale functie hebben. Ik snap niet waarom de staat deze zou ondersteunen, of waarom hij daar een sociale relevantie aan zou toekennen. Aan koppels die geen familie vormen stelt normalerwijs het privaatrecht de nodige instrumenten ter beschikking om hun zaken te regelen. Ik heb er niets op tegen als de staat deze mensen helpt met zaken die hun het leven aangenamer maken, maar dat zijn geen families, een familie is iets anders. Alles een familie noemen, komt erop neer dat niets nog een familie is.
Nog een opmerking over dit Europa en de moderniteit: ik deel niet de visie die zegt dat de geschiedenis van Europa een proces is van secularisatie en ontkerstening, als in een Cartesiaans vlak waar religiositeit de ene as vormt en de tijd de andere, met als neerwaartse curve de secularisatie. Het christendom wordt alsmaar kleiner, tot het verdwijnt. Ik geloof niet dat het zo zit.
Katholieken dragen zelf ook een grote verantwoordelijkheid voor deze kijk op de geschiedenis, want hun visie idealiseert voortdurend het verleden, dat verondersteld wordt christelijker te zijn geweest dan het heden. Maar geloven wij nu écht dat de dertiger jaren, de jaren van communisme, fascisme, nationaal-socialisme, zoveel christelijker waren dan deze tijd? Ik geloof dat niet. Ik denk dat er altijd een strijd is geweest tussen het christendom en een aan aantal andere zaken, en die strijd zit in het hart van elk van ons.
Wij hebben de jaren gekend van de civiele religie van het nationalisme en het fascisme, en toen viel die uiteen. Dat uiteenvallen ging gepaard met een periode van herkerstening, de vijftiger en zestiger jaren. Vervolgens, de zeventiger jaren, begon er een nieuwe parabool van ontkerstening. Wie weet zitten we in een verandering, en treden we een fase van herkerstening binnen?
Weet u wat er in de Verenigde Staten gebeurde? ik werd ervan beschuldigd een theocon te zijn – ik zou niet weten wat dat betekent want in Amerika zijn er wel neocons, maar theocons bestaan niet. Nu geloof ik niet dat we Amerika moeten imiteren, maar het blijft interessant, en het stelt een probleem voor links dat Europa weliswaar stáát voor moderniteit, maar dat de V.S. op ons vooruit zijn – er is meer technische vooruitgang dan bij ons, economisch zijn ze efficiënter dan wij – en zij hebben meer religie. Dit beduidt dat er geen waarheid zit in de bewering dat het proces van modernisering noodzakelijk ook met ontkerstening samengaat. Men zegt dan dat het ruraal Amerika betreft, maar in Amerika zijn er geen 59 procent boeren: er zijn in de hele Verenigde Staten twee miljoen landarbeiders. De waarheid is anders, en wel dat de piek van de secularisatie in Amerika al achter de rug ligt, en dat ze een nieuwe periode zijn ingetreden. Zij werden er zich bijvoorbeeld van bewust dat je de familie kan bekritiseren, dat je de familie kan vernietigen, maar dat wij geen instituut klaar hebben dat de familie kan vervangen in haar fundamentele sociale rol. Dit proces maakte dat family values in het politieke leven van Amerika tot een fundamenteel element werden getransformeerd. Dat is niet enkel zo voor de republikeinen, want voor de Vrijhedencommissie van het Europees Parlement zou niet enkel Bush worden verworpen, maar Kerry evengoed, want ook hij had gezegd dat, bijvoorbeeld, abortus moreel slecht is, al vindt hij dat het geen voorwerp van juridische sancties mag zijn. Hij zei dat, en dat komt niet overeen met de nieuwe [autonomie?] die men wil opleggen, die men zich voorneemt op te leggen in Europa. Er heeft zich ginds een verandering voltrokken. Ik geloof dat die verandering ook in Europa mogelijk is. Er zijn interessante elementen.
In mijn vliegtuig op weg naar Madrid las ik Il Corriere della Sera en zij hadden een interessante enquête. Weet u dat een grote meerderheid van de Italiaanse jeugd tegen abortus gekant is? Had u dat voor mogelijk geacht? Het is zo. Ik moet daarbij vertellen dat een meerderheid van de Italiaanse jeugd, een kleine meerderheid maar een meerderheid, voor euthanasie is. Dit betekent dat zij hun weg aan het zoeken zijn en dat op die weg het christendom een interessante optie kan zijn, en dat zij geïnteresseerd zouden zijn als wij moed betoonden, wij moeten moed scheppen in de Kerk.
Ik weet niet of u graag statistieken leest, maar het is altijd zeer interessante lectuur, met een grote invloed. Weet u hoeveel Italianen zich praktiserend katholiek noemen? 57%. Weet u hoeveel er ’s zondags naar de mis gaan? De helft. Wat betekent dat? Het betekent dat veel meer mensen zouden praktiseren als de Kerk meer aantrekkingskracht had, meer bereidheid tot dialoog, meer bereidheid om tussen de mensen aanwezig te zijn.
Europa is niet christelijk, maar evenmin is het onchristelijk.
Europa zoekt, net als de Italiaanse jeugd, zijn weg. Om dat pad te ontdekken, om Christus te ontdekken als een adequaat antwoord op de verlangens van het menselijk hart, is het noodzakelijk dat er christenen zijn die getuigenis geven, die de moed hebben om te zijn wat ze zijn. Ik zou nog meer kunnen vertellen, maar de tijd is op. En ik beschouw het als een privilege om met u te hebben mogen spreken, en als een succes dat niemand, voor zover ik zie, in slaap is gevallen. Tot straks.



January 28, 2005

ROCCO BUTTIGLIONE has held professorships at the International Academy of Philosophy in Liechtenstein and Saint Pius V University in Rome and has been a member of the Pontifical Academy of Social Science. He has lectured internationally and is on the editorial boards of many Italian and foreign journals. In the early 1990s, Buttiglione helped to form an Italian political party, the Christian Democratic Union and since 1994 has served in the Chamber of Deputies in the Italian Parliament. From 1999 until 2004 he was a member of the European Parliament, and in 2001 he was appointed by Italy’s President Silvio Berlusconi to be Minister of European Affairs. He also serves on the Acton Institute's board of advisors.

Copyright ©2004,Rocco Buttiglione. All rights reserved.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html