In Duitsland gooit men ook geld over de balk
Er bestaan halfweg goede, en ook middelmatige en slechte kranten. Dat weet elke Vlaming. De Duitssprekende Zwitsers echter hebben een goede krant (19€/maand).
Nu staat daar vandaag een interview in dat ik zó goed vond dat ik het door DeepL heb gejaagd. Hopelijk is men daar in Zürich niet boos om... tenslotte is het ook reclame voor hun werk. Wel heb ik me gepermitteerd om enkele passages een kleurtje te geven, en heb ik onderaan nog een prentje toegevoegd, waarin ik een suggestie deed voor een volgende editie van de Dikke van Dale (tot nog toe zonder gevolg).
Holger Marcks vertelt immers dingen die mij bijzonder bevallen. Weliswaar heeft hij het niet expliciet over het soort NGO's dat ik viseerde, maar wel over gemeenschapsgeld dat naar minderwaardige dingen als dat Wassalon van de onbeschaamde Gennez vloeit.


Holger Marcks kent het reilen en zeilen van door de staat gesubsidieerde organisaties van binnenuit. Hij legt uit hoe deze organisaties het debat in Duitsland schaden. Het gevaar van een nieuw fascisme wordt volgens hem bewust overdreven.
Morten Freidel, Berlijn, 28 juli 2026.
Meneer Marcks, u hebt een linkse achtergrond, hebt onderzoek gedaan naar rechts-extremisme en werkt al vijf jaar in de ngo-sector. U staat echter in principe kritisch tegenover de ‘strijd tegen rechts’. Hoe komt dat?
Omdat ik die strijd als disfunctioneel beschouw, en dat niet pas sinds gisteren. We zien immers de resultaten. De AfD haalt in het oosten in verschillende deelstaten bijna 40 procent, is landelijk gevestigd als sterkste kracht en lijkt bijna oninhaalbaar. Het linkse kamp, dat voor deze strijd tegen rechts staat, verliest steeds meer terrein. En dat terwijl er heel veel overheidsgeld is geïnvesteerd in verenigingen, vooral via het programma ‘Demokratie leben!’. Ik zou willen dat ik iets anders kon zeggen, maar gezien deze balans kan niemand van een succes spreken. En toch zet de door de staat gesubsidieerde civiele samenleving haar strijd onverstoorbaar voort. Er is geen strategische koerswijziging te bespeuren, integendeel.
Moet de civiele samenleving dan geen strijd voeren tegen extremisten die delen van onze grondwet afwijzen?
Als het tenminste echt alleen om extremisten zou gaan. Maar dat is al lang niet meer het geval. We zien immers al bij de AfD dat zowel de autoriteiten als de politicologie moeite hebben om het eens te worden over de vraag of de partij „aantoonbaar extreemrechts“ is. We kunnen het erover eens zijn dat ze dat gedeeltelijk is. Maar als het om de partij als geheel gaat, wordt het al moeilijk, en bij de kiezers al helemaal. Uit onderzoek blijkt geen zo sterke toename van extreemrechtse opvattingen in de Duitse samenleving als deze politieke verschuiving naar rechts doet vermoeden. Tegelijkertijd zien we een verruiming van het begrip extremisme. Er wordt inmiddels heel veel als extreemrechts of fascistisch bestempeld.
Bijvoorbeeld?
Laten we bijvoorbeeld de reportage van „Correctiv“ nemen over de geheime bijeenkomst in Potsdam en de daaropvolgende demonstraties tegen rechts. Sindsdien wordt de CDU bestempeld als handlangers van het fascisme of zelfs als extreemrechts. We voeren inmiddels al wekenlang in de Duitse cultuurpagina’s een debat over een nieuw fascisme, wat naar mijn mening geen stand houdt bij een serieuze politicologische definitie. Of neem de nieuwe voorzitter van Die Linke, Luigi Pantisano, die de CDU een fascistische politiek heeft verweten. Dit alles radicaliseert jonge mensen. Velen geloven in het verhaal van een enorme dreiging van rechts.
Zelfs als dat onjuist of vertekend zou zijn: moet dat dan niet onder de vrijheid van meningsuiting worden geschaard?
Er is echter geen gelijkheid van middelen bij dergelijke uitingen. De staat ondersteunt immers maatschappelijke actoren met aanzienlijke middelen, die vervolgens proberen invloed uit te oefenen op het politieke discours en dit in een bepaalde richting te sturen. Dat is op zich al twijfelachtig vanuit democratisch-theoretisch oogpunt. Daar komt nog bij dat velen te ver gaan en zelf polariserend werken, soms zelfs repressief.
Hoe komt dat?
Allereerst moet men zich realiseren dat veel maatschappelijke organisaties politiek zeer homogeen zijn. Wie daar werkt, staat doorgaans dicht bij Die Linke, de SPD of de Groenen. Vanuit sociologisch oogpunt is het volkomen te verwachten dat er in dit kamp een sterke vooringenomenheid heerst, die door groepsdynamiek wordt versterkt.
Heeft u daar een voorbeeld van?
Neem bijvoorbeeld de discussie over mensvijandigheid en transfobie. Sinds 2022 heeft er een zeer sterke versmalling van het discours plaatsgevonden. Uitspraken die voorheen als onomstreden golden, werden plotseling als mensonvriendelijk beschouwd, bijvoorbeeld: „Er zijn slechts twee biologische geslachten.” In deze periode heeft er door de invloed van door de staat gesubsidieerde organisaties en bijbehorende meldpunten ook sprake geweest van zogenaamde „overblocking”: er werden dus accounts geblokkeerd, inhoud verwijderd en procedures gestart. Inhoud en meningsuitingen werden als onrechtmatig afgedaan en met sancties bestraft, alleen maar omdat bepaalde mensen ze niet opportuun vonden. Terwijl ze niet eens onjuist zijn.
Maar is er dan geen probleem met haatdragende uitlatingen op het internet? Moet daar niet op de een of andere manier op worden gereageerd?
Er is natuurlijk een bepaalde kern in de samenleving van mensen die daadwerkelijk mensonvriendelijke standpunten innemen. Maar het onderscheidend vermogen is verloren gegaan. Er wordt dan vaak geen onderscheid meer gemaakt tussen uitingen die bijvoorbeeld transgenders hun menselijke waardigheid ontzeggen, en uitingen die bijvoorbeeld bepaalde taalregels afwijzen of de zelfbeschikkingswet in deze vorm. Dit alles wordt dan onder transfoob gedrag geschaard en dienovereenkomstig behandeld.
Toch blijft de vele haat op internet een probleem, nietwaar?
Haat is een heel menselijke en normale emotie, hoe onaangenaam die ook is. En als we een digitale publieke ruimte hebben waarin heel, heel veel mensen zich op een zeer emotionele manier uiten, dan is het ook te verwachten dat er veel haat naar boven komt. En natuurlijk treft dat dan niet alleen linkse mensen. Volgens een onderzoek is er zelfs een licht overschot aan rechtse mensen die zich door vijandigheden op het internet niet durven vrij uit te spreken.
Wat u zegt, klinkt alsof niet-gouvernementele organisaties medeverantwoordelijk zijn voor de radicalisering van linkse mensen.
Wanneer bewegingen radicaliseren, staat meestal een sterk dreigingsverhaal centraal. Mensen gaan op een gegeven moment geloven dat er een direct gevaar dreigt, en dat er daarom nu bijzonder drastische of zelfs radicale maatregelen nodig zijn. Rechts discussieert al jaren over een vermeende bevolkingsvervanging of de ondergang van het volk. In de jaren 2010 hebben terroristen uit dergelijke verhalen hun legitimatie voor hun daden geput. Dit verhaal heeft het rechts-extremisme een zekere impuls gegeven, en daaruit volgden als reactie dan ook de strijd tegen rechts en het bevorderen van een burgermaatschappij die zich aan deze strijd moet wijden. Alleen: in de loop der jaren heeft deze haar eigen dreigingsverhaal gecreëerd.
Hoe ziet dat er precies uit?
Delen van het linkse kamp zijn er vast van overtuigd dat de opkomst van een nieuw fascisme op handen is. De laatste tijd spreken sommigen zelfs heel openlijk over linkse militantie, met concepten die we eigenlijk kennen uit de radicaal-linkse scene. Dat is heel duidelijk te zien aan de zanger Danger Dan, die nu in een liedje op gecodeerde wijze oproept tot geweld tegen rechtsextremisten.
Maar de muzikant mocht met zijn liedje niet optreden op de publieke omroep. Er werden dus grenzen getrokken.
Ik zou niet onderschatten wat daar op dit moment gebeurt. De man wordt gesteund door een van de grootste platenmaatschappijen ter wereld; zijn nummer heeft door de publieke aandacht miljoenen views gekregen. Hij schetst een scenario waarin fascisten aan de macht komen en doet vervolgens minutenlang voorstellen om tegen hen op te treden, die op het randje van de illegaliteit liggen of daar zelfs overheen gaan. Hij roept op om anoniem te handelen en geen sporen achter te laten. Er is zelfs een gecodeerde oproep tot geweld met verwijzing naar Antifa Ost, die immers bekendstaat om gewelddadige acties tegen extreemrechtse en vermeende extreemrechtse personen. Zelfs in academische kringen, op platforms als LinkedIn, discussiëren gewone mensen hier plotseling heel onbevangen over. Al maanden praten linkse mensen erover dat het fascisme op de loer ligt, en hoe verder je naar links gaat, hoe intenser dit discours wordt. Ik zou niet uitsluiten dat jonge mensen de komende maanden tot actie overgaan.
Van niet-gouvernementele organisaties tot gecodeerde oproepen tot geweld in songteksten is toch een heel lange weg. De meeste medewerkers van dergelijke verenigingen zullen geweld waarschijnlijk afwijzen. Je kunt hen toch moeilijk verantwoordelijk stellen voor de uitspattingen van muzikanten als Danger Dan, of wel?
Dat doet niemand. Toch wordt het dreigingsverhaal van een ernstige bedreiging voor de democratie door het linkse kamp in de openbaarheid gebracht, en sommige niet-gouvernementele organisaties schilderen dit gevaar voortdurend af. Wie zich hiertegen verzet, moet het verwijt van bagatellisering slikken.
Waar heeft u dat waargenomen?
Toen Jan Philipp Reemtsma zich onlangs in de «Frankfurter Allgemeine Zeitung» verzette tegen het buitensporige gebruik van het begrip ‘fascisme’, lieten linkse sociale wetenschappers van zich horen om hem te bekritiseren. De teneur was dat hij het gevaar bagatelliseerde. Natuurlijk zijn er geen directe organisatorische banden tussen de ngo’s en de wetenschappers, maar we hebben het hier wel over hetzelfde sociaal-politieke milieu. De door de staat gesubsidieerde civiele samenleving beroept zich altijd sterk op bepaalde wetenschappers en stelt zelf studies op die haar stellingen moeten ondersteunen, waarna de wetenschappers daar welwillend commentaar op geven. Zo ontstaat een vicieuze cirkel. Uiteindelijk is dat niet zo verrassend. Het bestaansrecht van de ngo hangt immers af van het feit dat het gevaar van rechts permanent in de publieke aandacht aanwezig is. De actoren rationaliseren de wereld op een manier die samenvalt met hun eigen belangen. Dat zouden we sinds Max Weber moeten weten.
Daarmee insinueert u dat het hier niet om wetenschap gaat. Een zwaar verwijt.
De sociale wetenschappen vormen een wetenschappelijk domein dat altijd vatbaar is voor politieke instrumentalisering. Het is geen wetenschap waarvan de uitspraken, zoals bij de natuurwetenschappen, duidelijk kunnen worden bewezen of weerlegd. In de sociale wetenschappen gaat het altijd om het aannemelijk maken van stellingen, hoezeer men ook met empirische methoden werkt. Daar komt nog bij – en dat is wetenschappelijk aangetoond – dat er in de afgelopen decennia een steeds sterkere verschuiving naar links in de sociale wetenschappen heeft plaatsgevonden. Ook het onderzoek naar rechts-extremisme was tien, vijftien jaar geleden nog een nicheonderwerp. Inmiddels houden heel veel mensen zich hiermee bezig, wier politieke identiteit nauw verweven is met de strijd tegen rechts-extremisme.
Heeft u concrete aanwijzingen dat er onder het mom van wetenschap politieke agitatie wordt bedreven?
Een goed voorbeeld hiervan is het discours over transfobie, waar ik het al over had. Zelfs mensen als Jan Böhmermann beweren inmiddels dat er wetenschappelijk al lang consensus bestaat dat er meer dan twee – let op de formulering – biologische geslachten zijn. Dat strookt natuurlijk niet met het debat in de biologie. Daar wordt gediscussieerd over varianten binnen de geslachtsklassen. Maar dat trekt het tweeslachtigheidsprincipe niet in twijfel. Men kan goed zien hoe deze verdraaiing concreet tot uiting komt, bijvoorbeeld in het AfD-rapport van de Gesellschaft für Freiheitsrechte. Een heel hoofdstuk is gewijd aan de vermeende „ideologie van de tweeslachtigheid”. Uitspraken van individuele AfD-leden dat er slechts twee geslachten zouden zijn, worden daar aangehaald als bewijs voor de grondwetvijandigheid van de partij. Wat valt daar nog over te zeggen? Dit zijn anti-verlichtingstendensen in academische kringen.
Dit is echter geen voorbeeld van activistische wetenschap, maar van de achteraf plaatsvindende verdraaiing van wetenschappelijke discussies.
Dat komt inderdaad veel vaker voor. Men mag echter niet onderschatten dat sociale wetenschappers geneigd zouden kunnen zijn om de resultaten te leveren die van hen worden verwacht of die zij van zichzelf verwachten.
Zijn de begrippen haat, opruiing en desinformatie volgens u geschikte termen om mogelijke misstanden op de sociale netwerken onder één noemer te brengen?
Als we het over haat en opruiing hebben, dan hebben we het, hoe onaangenaam dat ook is, over relatief normale menselijke eigenschappen. Daar komt nog bij dat de term zeer selectief wordt toegepast, namelijk in de zin van de zogenaamde groepsgerichte mensenvijandigheid. Daarmee worden specifieke groepen bedoeld die men beschouwt als onderdrukt, gediscrimineerd of tot de minderheden behorend. Als een AfD-politicus aan haat wordt blootgesteld, telt dat niet mee. Soortgelijke problemen zie ik bij het begrip desinformatie. In strikt wetenschappelijke zin veronderstelt het begrip een bewuste intentie tot misleiding.
Dat is echter moeilijk aan te tonen.
Dat is precies het punt. Want het begrip wordt vaak gebruikt voor iets wat ik eerder zou omschrijven als ‘postfactische dynamieken’, die voortvloeien uit toenemend groepsdenken in het tijdperk van sociale netwerken. We hebben een digitale publieke ruimte waarin zaken snel uit de hand lopen, mensen zich afsluiten en men op een gegeven moment gelooft wat men wil geloven. Dat is overigens niet iets wat voorbehouden is aan rechts. Ook het linkse kamp, en ook academische kringen, zijn vatbaar voor identiteitsondersteunende denkfouten en postfactische dynamieken.
Wat moet er gebeuren met programma’s als ‘Demokratie leben’?
In tijden waarin een nieuwe publieke ruimte ontstaat, die het politieke discours onvermijdelijk zo emotionaliseert dat het daadwerkelijk steeds moeilijker wordt om stabiel te regeren en er polarisatiedynamieken ontstaan, is het volkomen zinvol om instellingen of netwerken op te richten die proberen het discours op een beschaafde manier te beïnvloeden. Ze moeten echter strikt onpartijdig zijn en vooral observeren. Er is geen behoefte aan meldpunten met een linkse inslag. En als het er echt om gaat het debat te reguleren, dan hebben we eerder zoiets nodig als een nieuw maatschappelijk contract, waarin we afspreken hoe we de digitale publieke ruimte en verantwoordelijkheid willen structureren.
Waarom spreekt u van een complex tussen media, wetenschap en ngo’s?
Allereerst zijn niet-gouvernementele organisaties politieke organisaties die politieke doelen nastreven. De staat voorziet hen nu van middelen, en zij gebruiken deze middelen om in het discours in te grijpen. Deze instellingen staan op hun beurt ter beschikking van de media als gesprekspartners. Als het om bepaalde thema’s gaat – democratie, polarisatie, verschuiving naar rechts –, dan is er inmiddels sprake van een regelrechte vaste verbinding. Tegelijkertijd zijn ngo’s organisch verweven met wetenschappers, in die zin dat ze grotendeels uit academische kringen rekruteren. Veel jonge sociale wetenschappers vinden daar een baan. Tegelijkertijd probeert men het werk altijd te onderbouwen met een wetenschappelijke basis. Dat betekent dat men met overheidsgeld wetenschappers aantrekt die worden ingeschakeld om onderzoek te doen. Het is natuurlijk problematisch als men de wetenschap zo sterk in het politieke bestel inbedt; dit brengt haar onafhankelijkheid in gevaar. Dat zou men als socioloog eigenlijk ook moeten weten.
Zou het, gezien al het bovenstaande, niet consequent en juist zijn als de staat zich volledig terugtrekt uit de financiering van dit gebied?
Er bestaat natuurlijk geen recht op een door de staat gesubsidieerde baan. Het gaat hier om publieke middelen; men is verantwoording verschuldigd en moet aantonen dat het eigen werk daadwerkelijk nut heeft voor de samenleving. Strikt genomen zouden er eigenlijk eerst maar een paar modelprojecten nodig zijn geweest, die verschillende benaderingen volgen, pluralistisch zijn opgezet en die vervolgens op een verstandige manier geëvalueerd en geanalyseerd zouden zijn. Op basis van deze resultaten had men dan kunnen beslissen wat zinvol is. De realiteit is echter ook dat hier politieke belangen een rol spelen. Daar moeten we eerlijk over praten.
Wordt u persoonlijk aangevallen vanwege uw standpunten?
Ik zou het zo willen formuleren: in een homogene werkomgeving, waar bepaalde narratieven de boventoon voeren, ben je met een meer afstandelijke houding natuurlijk niet bijzonder populair. Op sociale media wordt mij ook af en toe verweten dat ik de rechtse krachten in de kaart speel of zelfs rechtse narratieven verspreid. Mijn zeer duidelijke linkse achtergrond beschermt me echter tegen al te onbeholpen pogingen om mij in diskrediet te brengen. Het gaat mij daadwerkelijk om een gezonde, volwassen democratie. Ik beschouw het als een republikeinse plicht en een kwestie van wetenschappelijke integriteit om het werk van de niet-gouvernementele organisaties te bekritiseren, om zo als tegenwicht te fungeren.
Over Holger Marcks – sociaalwetenschapper
Geboren in 1981 in Viernheim. Van 2012 tot 2018 deed hij onderzoek naar politiek geweld aan de Goethe-Universiteit in Frankfurt. Van 2018 tot 2021 deed hij onderzoek naar islamisme en rechts-extremisme aan het Instituut voor Vredesonderzoek en Veiligheidsbeleid in Hamburg. In 2021 was hij medeoprichter van het online magazine „Machine against the Rage“. Tot 2024 maakte het deel uit van de federale werkgroep «Gegen Hass im Netz» en is sindsdien ondergebracht bij het Instituut voor Democratie en Burgermaatschappij in Jena.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten