24 mei 2026

Het raadsel van de anderen


Gisteren was er in Mechelen, in boekhandel De Zondvloed, de voorstelling van het nieuwe boek van Benno Barnard: Het raadsel van de anderen.

De auteur signeerde mijn exemplaar met: ‘Voor de raadselachtige Marc, van de enigmatische Benno’. Dat lijkt mij goed aan te sluiten bij de titel van het boek.

En al heeft Benno me al vaker gezegd dat ik ook eens over iets of iemand anders dan Casanova moest schrijven – en al luister ik gewoonlijk als hij een stilistische aanmerking maakt bij een of andere zin op mijn blog, toch moet ik hier ongehoorzaam zijn.
De schrijfstijl van Barnard wordt algemeen geroemd – Joël De Ceulaer noemt hem zelfs de grootste levende stilist van de Nederlandse Letteren – en dus denk ik dat Barnard het met Casanova eens moét zijn als die beweert dat een auteur maar één stijl heeft: geen auteur heeft er twee, zoals ook geen aangezicht twee uiteenlopende trekken heeft.

Feiten kun je inderdaad liegen, verzinnen, verdraaien en verfraaien, maar stijl dat ben je zelf. Le stile est l’homme même, zei Casanova’s tijdgenoot Buffon in zijn discours de réception bij de Academie française.*
Maar nu over het raadsel van de anderen.

In Histoire de ma Vie laat Casanova ons een brief lezen die zijn grote liefde Henriette hem schreef. Of die brief echt is blijft onbewezen, zo leren ons de geleerden, maar de stijl ervan is prachtig – even mooi als de Brief van Tatiana in Poesjkins Jevgeni Onegin, al zijn die brieven inhoudelijk totaal verschillend.
Op mijn vertaling ervan mag Benno aanmerkingen maken, graag zelfs, maar de Franse tekst is smetteloos. Wát een stilist is Casanova, of wie weet Henriette zelf:


Voici la copie de la lettre qu’Henriette m’écrivait:
(ik cursiveer de zin die mijn ongehoorzaamheid moet rechtvaardigen)

Mijn enige vriend, ik ben het die je in de steek moet laten. Maak je verdriet niet nog groter door aan het mijne te denken. Laten we ons voorstellen dat we een mooie droom hebben gehad, en laten we niet klagen over ons lot want nooit heeft zo’n mooie droom zo lang geduurd. Laten we onszelf prijzen dat we elkaar drie maanden lang volmaakt gelukkig hebben gemaakt: er zijn maar weinig stervelingen die dat kunnen zeggen. Laten we elkaar dus nooit vergeten, en laten we onze liefde vaak in gedachten oproepen om ze in onze zielen te vernieuwen, die, hoewel gescheiden er des te levendiger van zullen genieten. Informeer niet naar mij, en mocht het je toevallig ter ore komen wie ik ben, doe dan alsof je het niet weet. Weet, mijn beste vriend, dat ik mijn zaken zo goed op orde heb dat ik de rest van mijn leven gelukkig zal zijn, voor zover ik dat zonder jou kan zijn. Ik weet niet wie je bent; maar ik weet dat niemand ter wereld je beter dan ik kent. Ik zal in mijn hele verdere leven geen minnaars meer hebben, maar ik hoop dat jij niet van plan bent hetzelfde te doen. Ik wens dat je weer zult liefhebben, en zelfs dat je een andere Henriette zult vinden. Adieu.
_________
* Al bedekt men verkeerde citaten in plechtige redevoeringen vandaag met de mantel der liefde: men schreef toen inderdaad nog stile en niet style.

Het raadsel van de anderen
2026, uitgeverij Atlas-Contact, Amsterdam/Antwerpen

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013

13 mei 2026

Wat wíst Casanova, en wat geloofde hij?

 

Giacomo Casanova mag dan losbandig hebben geleefd, zijn filosofie was dat niet – al sprak hij zichzelf wel eens tegen. In veel opzichten was ze schatplichtig aan de christelijke moraalfilosofie, maar die herinterpreteerde hij vanuit het aristotelisme van Padua* dat leerde dat alleen controleerbare en weerlegbare natuurlijke gegevens een bron van kennis waren, niet de theologie of de metafysica.
Meer dan eens verzekert Giacomo zijn lezer dat hij een christenmens is (zeer aan te raden in die dagen), maar tegelijk verwierp hij zowel de onsterfelijkheid van de ziel als de Heilige Drievuldigheid. Hij onderwierp het geloof aan materialistische kritiek, in de jaren waarin Europa werd overspoeld door de systemen van d’Holbach, Helvétius, Voltaire, die hij goed kende.
Voor Thomas van Aquino was het intellect, en dus de ziel nog onsterfelijk. Samen met Lucretius, vaak geciteerd, verwierp Casanova die gedachte. Maar ook de harde wetenschap wantrouwde hij.
De achtste van de negen dialogen tussen A en B begint zo – en A is natuurlijk Casanova:

B: Maar in de fysica zijn we er toch van overtuigd de waarheid te bereiken?
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.

Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:

Het gewone volk blijft hen in ere houden, al ziet men alledag dat ze hun gelofte alleen lijken te hebben afgelegd om hun naasten voor de gek te houden. Hun ontucht kent geen grenzen, alles op hun weg bezoedelen ze. Maar laten we het kort houden, en voorbijgaan aan de fouten waarvan ze kunnen zeggen dat ze die alleen vanwege hun geloof begaan […] laten we aannemen dat ze hun plicht doen. Laten we veronderstellen dat ze, hun gelofte getrouw, zich nooit met de geringste vleselijke daden bevlekken.
Maar, is het wél of niet waar dat de hele wereld in minder dan een eeuw zou zijn ontvolkt als de hele wereld voornemens was zich in kuisheid aan God te wijden? Zeker wel.
Ziedaar dan de mens, de mooiste loot van de natuur, vernietigd. Ziedaar bijgevolg de Prediker,** die onverholen overtuigde vijand van de natuur, en zie de kuisheidsgelofte, de ware zonde tegen haar. En vertel mij niet dat die vernietiging van de wereld er niet kán komen, omdat het moreel onmogelijk is dat iedereen zich eendrachtig daaraan zou wijden. Dat bewijst niets. Een morele onmogelijkheid vernietigt niet de kracht van een hypothese.
Telkens als je over een levenshouding, welke ook, kunt zeggen dat de menselijke soort eraan ten onder zou gaan als iedereen ze aannam, is het bewezen dat die levenswijze niet deugt, en dat iedereen die ze aanhangt het menselijk geslacht schade toebrengt, al behoort hij er zelf toe.*** Mijnheer de Voltaire is het die zo spreekt, maar ook vóór hem sprak de Rede al vaak in dezelfde zin.
Elke man die zweert zich niet met het vrouwtje te zullen verenigen, zweert dat wat hem betreft hij de menselijke soort te gronde zal richten. Wat is dat voor iemand, zo’n man? Hij is schuldig tegenover de natuur, en als die hem niet bevalt zal hijzelf zeker de maker ervan, God niet bevallen, die hem zijn wetten heeft voorgeschreven in zijn instincten.
Behalve de zelfmoord bestaat er dus geen tegennatuurlijke zonde, op de kuisheidsgelofte na. En wie mij vraagt waarom men onder tegennatuurlijke zonden dan meestal de pederastie verstaat, hem antwoord ik dat men die naam gegeven heeft omdat het altijd al een pekelzonde van de geestelijke stand is geweest, die om die reden passender de Tegennatuurlijken zou moeten heten.

Sapius a Domino nomina servus habet.****
_______________
      * Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
    ** Het Boek genaamd de Prediker (Statenvertaling) 4:2 Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 4:3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
  *** Casanova ontmoette nooit Kant, en kende ook geen Duits. De kans dat hij hem ooit las is onbestaande. Wel komt hij hier dicht bij diens: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, daß sie ein allgemeines Gesetz werde.Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785).
**** Bedoeld was wellicht saepius: meestal, gewoonlijk. De slaaf draagt meestal de naam van de meester. Wat deze zin hier komt doen wordt niet door de editor Bernardini verklaard. Op de bekende vraag: Discite grammatici cur mascula nomina cunnus, et cur femineum mentula nomen habet – verklaar eens, grammatici, waarom kut mannelijk is en pik vrouwelijk, zou Casanova ooit geantwoord hebben: Disce quod a domino nomina servus habet, weet dat de slaaf zijn naam krijgt van de meester.

Giacomo Casanova
Dialoghi sul suicidio
Saggio introduttivo e cura di
Paolo L. Bernardini
Roma, 2005, Aracne editrice

11 mei 2026

Zweig zwetst


Een goede dertig jaar geleden las ik veel Stefan Zweig, en zijn laatste boek was meteen ook het beste: Die Welt von Gestern. Maar nu herlas ik nog eens wat hij in Drei Dichter ihres Lebens te vertellen had over Casanova, en dat is nogal tegenstrijdig. In de voetnoot die u hieronder ziet – en die ik onvertaald heb gelaten, maar het beeldje wordt leesbaar als u erop klikt – noemt hij diens Histoire de ma Vie een van de grote werken van de Weltliteratur,* én klaagt hij tegelijk aan dat er in 1928 nog geen betrouwbare tekst van Casanova ter beschikking was. Inderdaad berustte het manuscript bij de zedige, kuise uitgever Brockhaus, die er een opgeschoonde Duitse vertaling van had laten maken (door zekere Schütz), die op haar beurt weer naar het Frans werd vertaald door zekere Laforgue (1826-1838). Tot zijn ergernis moest Zweig het stellen met die tweedehandse en vaak zelfs aangedikte vertaling. Un texte remanié, zeggen Igalens en Leborgne in hun schitterende uitgave.
Wat laat Zweig dan toe om verderop zo negatief te oordelen over Casanova als auteur, en hem in vergelijking met Stendhal en Tolstoi op uiteraard de laagste, de primitieve trap te plaatsen? Niets denk ik, hoe geleerd en hoogdravend het allemaal ook klinkt. Het gebeurt zelden, maar hier zwetst Zweig.

Casanova, Stendhal, Tolstoj, deze drie namen – ik weet het – lijken op het eerste gezicht eerder onverwacht dan geloofwaardig bij elkaar te horen, en men zal zich op het eerste gezicht niet kunnen voorstellen op welk vlak een losbandige, amorele filou en dubieuze auteur als Casanova, naast een heroïsche ethicus, een zo volmaakte schepper als Tolstoj kan staan.
Inderdaad betekent dit samenzijn in een boek ook niet dat ze op hetzelfde intellectuele niveau naast elkaar staan; integendeel, deze drie namen symboliseren drie niveaus, dus een hiërarchie, een steeds hogere vorm van wezenlijk hetzelfde type. Ze vertegenwoordigen, ik herhaal het, niet drie gelijkwaardige vormen, maar drie opklimmende niveaus van precies dezelfde creatieve functie: de zelfpresentatie.
Casanova vertegenwoordigt uiteraard alleen de eerste, de laagste, de primitieve trap, namelijk de naïeve zelfpresentatie, waarbij een mens het leven nog gelijkstelt aan uiterlijke zintuiglijke en feitelijke beleving, en onbevangen verslag doet van het verloop en de voorvallen van zijn bestaan, zonder deze te beoordelen, zonder zichzelf te doorgronden.
Met Stendhal bereikt de zelfpresentatie al een hogere trap, de psychologische. Hij neemt geen genoegen meer met het loutere verslag, het simpele curriculum vitae: het ik is nieuwsgierig naar zichzelf geworden, het observeert het mechanisme van zijn eigen drijfveren, het zoekt de motieven van zijn handelingen en nalatigheden, de dramaturgie van de ziel. Daarmee begint een nieuw perspectief: het kijken met twee ogen naar het ik, als subject en object, de dubbele biografie van binnen en buiten. De waarnemer observeert zichzelf, de gevoelsmens onderzoekt zijn gevoel – niet alleen het wereldse, maar ook het psychische leven komt artistiek in beeld.
In het type Tolstoj bereikt deze zielsmatige zelfbeschouwing dan haar hoogste niveau doordat ze tegelijkertijd ook ethisch-religieuze zelfpresentatie wordt. De nauwkeurige waarnemer beschrijft zijn leven, de precieze psycholoog de opgewekte reflexen van het gevoel. Maar daarbovenop staat een nieuw element van de zelfbeschouwing, namelijk het onverbiddelijke oog van het geweten, dat elk woord op zijn waarheid, elke gezindheid op haar zuiverheid, elk gevoel op zijn blijvende kracht beoordeelt. De zelfweergave is, boven het nieuwsgierige zelfonderzoek uit, een morele zelftoetsing geworden, een zelfoordeel. Door zichzelf te presenteren, vraagt de kunstenaar niet langer alleen naar aard en vorm, maar ook naar de zin en waarde van zijn aardse bestaan.
______________
* Term van Goethe, in zijn gesprek met Eckermann van 31 januari 1827 (Inseluitgave 2015, p. 211).

Drei Dichter ihres Lebens
Casanova-Stendhal-Tolstoi
1928 im Insel-Verlag zu Leipzig

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013-2018

9 mei 2026

Gevoelig onderwerp: suïcide


Jean-Jacques Rousseau kondigde zijn postuum te verschijnen Bekentenissen als volgt aan:
Ik begin aan een onderneming die nog nooit een voorbeeld heeft gekend en waarvan de uitvoering geen navolging zal vinden. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien in de volle waarheid van de natuur, en die mens zal ik zijn.

Alles goed en wel, maar ik heb zijn Confessions nooit kunnen uitlezen. Om te beginnen wáren er al voorbeelden, onder meer Augustinus’ Confessiones, en verder is de man mij te klagerig en te huilerig.
Rousseau, avec la sincérité calculée qui est la sienne… met de berekende oprechtheid die hem eigen is, schrijft zijn moderne editor. Geen krachtige aanbeveling.

Hoe anders klinkt niet Casanova!

De dag dat ik er zin in krijg om de geschiedenis te schrijven van alles wat mij is overkomen in de achttien jaar dat ik door heel Europa heb rondgereisd, zal ik beginnen bij die tijd* en mijn lezers zullen zien dat ze in dezelfde stijl zijn geschreven, want geen auteur heeft er twee, zoals ook geen aangezicht twee uiteenlopende trekken heeft. [...]

Ofwel zal mijn verhaal nooit het daglicht zien, ofwel zal het een echte bekentenis zijn. Lezers die nog nooit in hun leven hebben gebloosd, zal het doen blozen want het wordt een spiegel waarin zij zich af en toe zullen herkennen, en sommigen zullen mijn boek het raam uitgooien.
Toch zullen ze mij lezen, en het aan niemand vertellen. De waarheid houdt zich immers verborgen op de bodem van een put, maar als het in haar hoofd opkomt zich te vertonen, staart iedereen haar in verstomming aan, want ze is naakt, en een vrouw, en heel mooi. Ik zal mijn verhaal niet de titel ‘bekentenissen’ geven, want sinds een halvegare** die term heeft bezoedeld, kan ik hem niet meer verdragen. Maar een bekentenis zal het zijn, zo er ooit een was.

Ook over een ernstige aangelegenheid als de dood, zelfs de zelfgekozen dood weet Casanova een luchtige toon te treffen. Hier kondigt hij zijn Nove dialoghi sul suicidio aan, die pas lang na zijn dood zijn gepubliceerd. Hijzelf vond suïcide een recht van de mens, ongeveer zoals een majordomus zijn dienst kon verlaten en zonder meer naar een andere plek vertrekken. En één keer in zijn leven stond hij inderdaad op het punt er een eind aan te maken. Dat was toen een zeventienjarig Zwitsers hoertje, La Charpillon, hem haar gunsten had ontzegd. Ce jour-là j'ai commencé à mourir. Hij werd ook een dagje ouder besefte hij, 39 jaar al, de leeftijd waarop vrouwen minder acht op je slaan. Bijna had hij zich toen in de Theems geworpen. Maar nu schrijft hij negen, vaak grappige dialogen:

« Donec revertaris in humum, cum ex ea desuptus fueris:
nam pulvis es et in pulverem reverteris. »***

De auteur tot de lezer

Dertien jaar geleden schreef ik een korte verhandeling tégen zelfmoord en publiceerde die.**** In de jaren daarop bereikte mij het nieuws van de zelfmoord van twee personen die tot de daad waren overgegaan de dag nadat ze mijn verhandeling hadden gelezen. Dat bezwaarde mij. Mijn betoog over suïcide als verfoeilijke daad moet ik slecht hebben onderbouwd, zo dacht ik, want deze twee lezers zouden dan niet die extreme daad hebben gesteld. Hadden ze mijn betoog niet gelezen, waren ze misschien nog in leven. Bedroefd door dit gebeuren, en verlangend het kwaad te verhelpen dat ik de mensheid onbedoeld had aangedaan, besloot ik een pleidooi te schrijven pro zelfmoord, in de overtuiging dat als mijn redenering ertégen de rechterhand had gewapend, het effect van dit nieuwe essay haar zou ontwapenen.

______________________
      1756, de tijd van zijn ontsnapping uit Les Plombs, I Piombi, de gevangenis van Venetië: Histoire de ma fuite des prisons de la République de Venise, verhaal gepubliceerd in 1788 in Leipzig. In zijn postuum verschenen Histoire de ma Vie, doet hij dat verhaal nog eens over, in andere bewoordingen. Overigens begint hij daar met zijn kinderjaren. 
    ** Hij vond het niet nodig die halvegare te noemen.  ATILF: un extravagant: Dont la raison, l'imagination sont déréglées. Quasi-synon. fou, délirant.
  *** Letterlijk zegt de Vulgata (Genesis 3:19): ...donec revertaris in terram de qua sumptus es quia pulvis es et in pulverem reverterisIn de Statenvertaling: ...totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.
Casanova citeert Hiëronymus uit het hoofd, niet letterlijk maar wel correct naar betekenis. Zijn suptus in plaats van sumptus moet een schrijffout zijn, ofwel een verwarring met het bestaande adjectief suptus: lager gelegen, onder (OLD). Hier dus geen sprake van een vals citaat in de zin van bv. rector P. De Sutter of journalist P. Vandermeersch.
**** Discorso sul suicidio, verschenen in Lugano in 1769, en misschien het jaar daarvoor geschreven in de gevangenis van Barcelona waar hij een straf van 42 dagen uitzat. Wellicht zijn de Nove dialoghi sul suicidio dus van 1782, maar ze bleven ongepubliceerd. Pas in 1994 verscheen een Duitse vertaling van het manuscript (teruggevonden in het archief van Praag, maar er ontbreken vele bladzijden).
___________
Jean-Jacques Rousseau
Les Confessions
Livres I à XII
Édition établie, préfacée et annotée par François Raviez
Classiques. Le Livre de Poche, 2012/2025

Giacomo Casanova
Discours sur le suicide
Traduit, annoté et préfacé par René de Ceccaty
2007, Éditions Payot & Rivages
(hierin ook de Neuf Dialogues)

4 mei 2026

Uit de biecht geklapt


Vaak zijn bij auteurs de dialogen een zwak punt. Niet zo bij Casanova.
In deel negen, hoofdstuk VII, Mes amours avec Donna Ignaciazien we een proeve van zijn schrijverskunst. Hij vond het niet nodig dat Donna Ignacia zo vaak ter biechte ging:

– Is uw biechtvader nog jong?
– Zeventig is hij.
– Vertelt u hem alle details van uw zonden op zwakke momenten?
– O, wat dat betreft vertel ik hem alles, want elk detail, hoe klein ook, is een zware doodzonde.
– Ondervraagt hij u?
– Nee, want hij weet dat ik hem alles vertel. Dat is heel pijnlijk, het is een grote schande, maar men moet het verdragen. Ik heb deze nu al twee jaar, vóór hem had ik er een die onuitstaanbaar was. Hij vroeg me dingen die me verontwaardigden, die me beledigden. Ik heb hem laten zitten. 
– Wat vroeg hij u?
– O! Bespaar mij u dat te vertellen.
– Waarom moet u zo vaak te biecht gaan?
– Waarom? Bij God, ik wou dat ik het niet nodig had. Ik ga trouwens maar eens in de acht dagen.
– Dat is te veel.
– Dat is niet te veel want als ik in doodzonde ben kan ik de slaap niet vatten. Ik ben bang om in mijn slaap te sterven.
– Ik beklaag u, mijn lieve vriendin, want die angst moet u ongelukkig maken. Ik heb een voorrecht dat u niet hebt. Veel meer dan u vertrouw ik op de barmhartigheid Gods.

En soms wisselt de auteur ook af met een nuttige, wat algemenere beschouwing:

Niets is trouwens zekerder dan dit. Een godvruchtig meisje beleeft bij het bedrijven van de liefde met haar minnaar honderd keer meer genot dan een andere die vrij is van die vooroordelen. Deze waarheid ligt zo voor de hand dat ik het niet nodig acht om ze aan mijn lezer te bewijzen.

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013, Tome III, pp. 638-9

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html