18 juni 2019

Dat mocht ook eens gezegd worden


De Russische dichter Ossip Mandelstam was arm, zoals het een dichter betaamt, en hij voorzag in zijn levensonderhoud met het vertalen van buitenlandse romans, bijvoorbeeld de Ulenspiegel van Charles de Coster. Dat werk kende in de Sovjetunie een groot succes omdat men in de figuur van Uilenspiegel een soort proletarische rebel zag – hiernaast ziet u een prachtuitgave uit 1922, in de reeks Les Maîtres Belges, maar zelf ben ik nooit verder dan een paar beginhoofdstukken geraakt. Dat rebellen in de Sovjetunie geliefd waren is ook niet helemaal correct. Stalin stelde bepaalde geschriften van Mandelstam niet op prijs en de dichter stierf in een Goelagkamp in 1938. Onderstaande grappig-toornige tekst schreef hij in 1929 in een brief aan het nog jonge sovjet-uitgeverswezen, en ik vertaalde hem noodgedwongen uit het Duits.

In het literaire werkveld is vertalen een van de moeilijkste en verantwoordelijkste taken. In wezen bouwt men op een fundament van vreemd materiaal een zelfstandige woordstructuur. Bij het omwerken van dat materiaal tot een Russische structuur is enorme concentratie vereist, oplettendheid en wilskracht, een brede vindingrijkheid, een frisse geest, een neus voor filologie, een uitgebreid woordklavier, de vaardigheid om zich in een bepaald ritme in te leven, de opbouw van een zin te begrijpen en hem ook te reproduceren – en bij dit alles hoort een strenge beteugeling van het eigen ik. Anders is het gewoon revuetheater. In het vertaalwerk gaat een schadelijke, ongezond nerveuze ontwrichting schuil. Dat werk vermoeit het brein en doet het sterker uitdrogen dan veel andere scheppende arbeid. Als men geen zorg draagt voor een goede vertaler, dan verslijt die bijzonder snel. Voor dit werk is een specifieke profylaxe geboden. Om beroepsziekten bij vertalers te voorkomen zou men daar onderzoek naar moeten doen, hun verzekeringsdekking bieden en geregeld rustpauzes toestaan.

Das Übersetzen ist eine der schwierigsten und verantwortungsschwersten Arten literarischer Arbeit. Es ist im wesentlichen die Schaffung einer selbständigen sprachlichen Struktur auf der Grundlage eines fremden Materials. Die Umschaltung dieses Materials auf eine russische Struktur erfordert eine ungeheure Konzentration, Aufmerksamkeit und Willensanstrengung, reiche Erfindungsgabe, geistige Frische, philologisches Gespür, eine große Wortschatzklaviatur, die Fähigkeit, sich in einen Rhythmus hineinzuhören, die Zeichnung eines Satzes zu erfassen und die auch wiederzugeben – und all dies bei strengster Zügelung des eigenen Selbst. Andernfalls ist das bloße Stegreifdarbietung. Im Akt des Übersetzens verbirgt sich eine an der Gesundheit zehrende nervliche Zerrüttung. Diese Arbeit ermüdet das Gehirn und trocknet es mehr aus als viele andere Arten schöpferischer Arbeit. Wenn man für einen guten Übersetzer nicht Sorge trägt, nutzt er sich sehr schnell ab. Hier ist eine arbeitsspezifische Prophylaxe notwendig. Man müßte die Berufskrankheiten der Übersetzer erforschen und ihnen vorbeugen, den Übersetzern Versicherungsschutz gewähren, ihnen regulären Verschnaufpausen zugestehen.

13 juni 2019

Het Vrije Woord komt uit Québec


Voor mij is veel Amerikaans een lelijk soort Engels, maar Surinaams weer een mooi soort Nederlands, en Afrikaans ook en Québecs een mooi soort Frans. Akkoord, soms ontsnapt je iets: bij de onderstaande tekst bijvoorbeeld ontgingen me enkele woordjes, maar de Québecse filosoof Mathieu Bock-Côté is ook zonder deze interessant genoeg, en zijn lofzang op de literatuur zal alvast de mensen van de Arkprijs interesseren, want Bock-Côté heeft het over de Vrijheid van Gedachte, en laat nu Het Vrije Woord, de vrucht daarvan, net een concept zijn waar dat comité zich niets bij kan voorstellen.
(Het volledige gesprek ziet u op YouTube)

Philippe Bilger: Om er een naam aan te geven, wat is voor u de tegenpool van de conservatieve denktrant?
Mathieu Bock-Côté: Het progressisme. Het progressisme dat het fundamentalisme van de moderniteit is. Ik zal preciseren: het gaat niet om alle maatregelen die zich op het progressisme beroepen, dus op de sociaaldemocratie, op een bepaald socialisme. Mij jagen maatregelen van sociale herverdeling, van economische herverdeling geen schrik aan. Maatregelen die ongelijkheden corrigeren zijn vaak noodzakelijk. Goed, daar stoor ik me dus niet aan. Waar ik me wel aan stoor is dat antropologisch progressisme dat er hoofdzakelijk in bestaat ons te vertellen dat de mens zich moet bevrijden, moet losrukken van alle overleveringen, van elk erbij horen, om zodoende zich op een dag over te geven aan het waanbeeld dat hij zichzelf heeft gemaakt. Het individu zou dan zelf zijn eigen schepper worden, zijn… en vandaar – men merkt het in de gendertheorie – die wil om mannelijkheid en vrouwelijkheid uit te wissen, want dat zouden enkel sociale en tijdsgebonden constructen zijn afhankelijk van omstandigheden, om op die manier het feit weg te vlakken dat wij desalniettemin in een seksueel gedifferentieerde mensheid ter wereld komen, dat wij een afstamming aanvaarden, zaken die onze eigen grillen of wensen overstijgen. In dat licht is als filosofie het progressisme een logica van de desincarnatie die ertoe neigt de deconstructie tot het uiterste te drijven. Daarom dus verzet ik mij ertegen.

Philippe Bilger: Excuus voor deze lichte contradictie, maar zijn niet, in de mate dat zij voorspelbaar zijn, de conservatieve zowel als de progressistische denkwijzen ten gronde losgekoppeld van de vrijheid van denken?
Mathieu Bock-Côté: Welnee! Want voor mij is de vrijheid van denken… laat ik een precisering aanbrengen die me essentieel lijkt. Ik denk dat elke gemeenschap een progressistische en een conservatieve pool nodig heeft. En dat zeg ik niet om mezelf grootmoediger voor te doen dan ik ben: ik meen dat in het menselijk hart aspiraties woelen die even tegenstrijdig als legitiem zijn. De mens heeft kosmopolitisme nodig en geworteldheid. Hij heeft vrijheid nodig en autoriteit. Hij heeft gelijkheid nodig en verschillen. Een gemeenschap heeft links nodig en rechts nodig. Welnu, de kunst van de politiek – en hier verlaten we dan het terrein van de zuivere politieke filosofie – de kunst van de politiek bestaat erin al naargelang de eigen tijd aan die behoeften een antwoord te geven door er met verstand een hiërarchie in aan te brengen, en die is in de loop van de tijd weer verschillend, om zo tegemoet te komen aan de heersende verzuchtingen van het menselijk hart, verzuchtingen die altijd contradictoir zullen zijn, want opnieuw – zo conservatief ben ik hierin nog wel – in het hart van de mens zit onvermijdelijk zowel goed als kwaad, en het is een lange weg eer men met behulp van de beschaving het onderscheid weet te maken tussen het ene en het andere.
Ik meen dus dat beide polen nodig zijn, en dus moet men… de hele kunst van de politiek bestaat erin een vertaling te bieden… een voorlopige synthese te maken die men onvermijdelijk geregeld weer zal moeten bijstellen. Dit gezegd zijnde, wat betreft de vrijheid van denken, nee, ik vind niet… en vanzelfsprekend zal een man die een bepaald intellectueel systeem aanhangt …ongeveer kun je wel raden wat die zal denken. Maar laat me zeggen dat elk van de kampen zijn genieën heeft, en dus ben ik gekant tegen elke vorm van dogmatische beslotenheid in een denksysteem dat onafwendbaar een neiging tot verstening zal vertonen. Er zijn aan beide kanten bijzonder voortreffelijke auteurs wier oeuvre uitstijgt boven hun eventuele ideologie die ons misschien op de zenuwen gaat. Ik denk dat je in alle kampen begenadigde auteurs aantreft en je moet die werken tegemoet treden die ons intellectueel, of weerspreken of beantwoorden aan andere affecten en andere passies, of aan een andere denkwijze, ik bedoel aan een andere denkwijze dan die waar wij spontaan toe geneigd zijn. Zo bekeken is de literatuur wellicht de magnifiekste leerschool van de vrijheid, want zij dwingt ons buiten onszelf op weg te gaan – en al zal ons dat wellicht niet anders doen stemmen als er verkiezingen aankomen, niettemin biedt zij de mogelijkheid om niet exclusief binnen de eigen categorieën te blijven denken in een referentiesysteem dat alleen naar zichzelf verwijst.



Philippe Bilger : Pour la nommer, quel est le contraire selon vous de la pensée conservatrice?
Mathieu Bock-Côté : Le progressisme. Le progressisme, qui est ce fondamentalisme de la modernité. Le progressisme. Et là je précise: non pas toutes les mesures qui se réclament du progressisme, donc de la social-démocratie, d’un certain socialisme. Moi, des mesures de redistribution sociale, des mesures de redistribution économique, ne me font pas peur, elles sont nécessaires bien souvent, des mesures de correction des inégalités, très bien : ce n’est pas à cela que je m'en prends. Ce à quoi je m’en prends c’est cette anthropologie progressiste qui consiste essentiellement à nous dire que l’homme doit s’affranchir, s’arracher à tous les héritages, à toutes les appartenances, pour devenir un jour, se livrer au fantasme de l’auto-engendrement. Donc, l’individu deviendrait à lui-même son propre créateur, son… et ça, on le voit dans la théorie du genre, c’est la volonté d’abolir le masculin et le féminin, qui ne seraient plus que des constructions sociales, temporaires, circonstancielles, pour abolir le fait que nous naissons néanmoins dans une humanité sexuée, que nous sommes dans une filiation que nous assumons, quelque chose qui va au-delà des celles des caprices de notre volonté. Et de ce point de vue, le progressisme comme philosophie, est une logique de désincarnation qui a tendance à aller jusqu’au bout de la déconstruction. Voilà pourquoi je m’y oppose.

Philippe Bilger : Au fond, et pardon pour cette légère contradiction, la pensée conservatrice, comme la pensée progressiste, ne sont-elles pas, dans la mesure où elles sont prévisibles, déconnectées de la liberté de pensée ?
Mathieu Bock-Côté : Ah non ! Parce que la liberté de pensée pour moi… alors je fais une précision qui me semble essentielle. Je crois que toute cité a besoin d’un pôle progressiste et d’un pôle conservateur. Alors je ne dis pas ça pour paraître plus magnanime que je ne le suis: je crois que le cœur humain est traversé d’aspirations contradictoires mais également légitimes. L’homme a besoin de cosmopolitisme et d’enracinement. Il a besoin de liberté et il a besoin d’autorité. Il a besoin d’égalité et de différence. Une cité a besoin d’une gauche et besoin d’une droite. Or, l’art politique – et là on quitte le domaine effectivement de la pure philosophie politique – l’art politique consiste selon les époques à répondre à ces besoins, en les hiérarchisant intelligemment, et c’est pas toujours de la même manière d’une époque à l’autre, pour répondre aux aspirations présentes dans le cœur de l’homme, aspirations toujours contradictoires, parce que de ce point de vue, encore une fois, je suis assez conservateur sur ça, il faut que le bien et le mal soient mélangés dans le cœur de l’homme et c’est un long travail de discernement que d’être capable de distinguer l’un de l’autre, c’est [xxx] aidés par la civilisation. Donc je crois que ces pôles sont nécessaires, et ensuite il faut… l’art politique consiste à traduire… à construire une synthèse, inévitablement provisoire, qu’il faudra remettre à neuf régulièrement. Cela dit, sur la liberté de pensée, non je …évidemment ensuite un homme qui a un système intellectuel …on divine à peu près ce qu’il va penser. Mais je suis contre toute forme d’enfermement dogmatique dans un système mental qui a tendance inévitablement à se pétrifier parce que en dernière instance, je dirais qu’il y a des génies dans chaque camp. Il y a des auteurs absolument remarquables dans chaque camp, dont l’œuvre dépasse même l’idéologie qui peut nous agacer lorsqu’ils y adhèrent. Je pense que des penseurs de grand talent on trouve dans tous les camps, et il faut aller à la rencontre de ces œuvres qui soit nous contredisent intellectuellement, ou répondent à d’autres affects ou à d’autres passions, ou un autre imaginaire, c'est-à-dire un autre imaginaire que celui auquel on adhère spontanément. Et de ce point de vue, la littérature est probablement la plus belle école de liberté, parce qu’elle nous force à voyager au-delà de nous-mêmes – ce qui ne nous amènera probablement pas à voter autrement lorsque viendront les élections – mais néanmoins c’est la possibilité de ne pas penser exclusivement à travers ses propres catégories, dans un système autoréférentiel.

5 juni 2019

Joseph de Maistre en Montesquieu


Montesquieu (1689-1755), de Verlichtingsfilosoof, vijand van het absolutisme en bewonderaar van de Engelse staatsordening, hield er ook enkele opvattingen op na die vandaag onder de brede noemer ‘discriminatie’ vallen. Sommigen zouden hem nu zelfs fobisch noemen, of toch minstens weinig gastvrij.
Joseph de Maistre (1753-1821) was juist een vijand van de Verlichting en verdediger van het absolutisme. Hier citeert deze gevreesde polemist Montesquieu, en stelt hem een paar praktische vragen:

Sur le protestantisme
Lausanne en Turijn, 1796-1798, postume publicatie in 1870 in:
Œuvres inédites du comte Joseph de Maistre

Montesquieu heeft gezegd, op die belerende toon die bij zijn gevoel van superioriteit past: “Het zou een heel goede burgerlijke regel zijn, mocht de Staat niet de vestiging van weer een andere religie dulden, als hij tevreden is met de religie die er al gevestigd is.
Ziedaar dus het grondprincipe van politieke wetten betreffende religie. Als men bij machte is al dan niet een nieuwe religie tot een Staat toe te laten, dan moet men de vestiging ervan beletten; is ze eenmaal gevestigd, dan moet men ze tolereren.”*

Had ik in de tijd van die grote man geleefd, dan had ik hem een paar vragen willen stellen. Ten eerste, wat is een in de Staat gevestigde religie? Als een sekte zoekt binnen te dringen in een land, dan stopt ze niet nederig bij de grens en laat ze niet van daaruit vragen of men haar wil ontvangen. Ze sluipt in stilte binnen als een reptiel, ze verspreidt haar dogma’s in het duister, buiten het weten van de soeverein om, en plots richt ze zich brutaal op, caput a cœli regionibus ostendens.** Is ze dan gevestigd?

Dat bedoelde Montesquieu wellicht niet te zeggen: indien wel was er geen reden om het onderscheid te maken. Deze grote man bedoelt dus te spreken over een legale toelating steunend op een positieve wet, of op een stilzwijgend gedogen blijkend uit tijdsverloop en verjaring. Tot op dat moment is ze niet gevestigd, en hoeft men niet te dulden dat ze zich vestigt; maar hoe? Dat zou mijn tweede vraag zijn en ze lijkt mij wel belangrijk. Zal men hen per manifest verzoeken de Staat te willen verlaten? Ik vrees dat die methode niet werkt. Om aan het voorschrift van Montesquieu te voldoen zal men zal dus moeten bevelen, dwingen en straffen. Maar tot op welk punt is gestrengheid toegestaan, en van waar af wordt ze misdadig? Wat we met zekerheid kunnen zeggen is dat elke nutteloze gestrengheid misdadig is, en elke gestrengheid onschuldig als ze noodzakelijk is. Wat men eveneens met volle zekerheid mag stellen is dat de reactie van de soeverein die zich teweerstelt evenredig moet zijn met de actie van de vijand die aanvalt. Uitgaand van dit principe, dat onaanvechtbaar is, zal men noodgedwongen heel wat minder deernis voelen bij de grote gewelddaden die in werkelijkheid slechts ongelukken waren. Bekijk dat lijk op de openbare weg: de moordenaar staat ernaast; hij wekt uw algehele verontwaardiging op; maar zodra u hoort dat die moordenaar een vreedzame reiziger is, en de andere een struikrover was die het slachtoffer werd van wettige zelfverdediging, dan verdwijnt uw medelijden. Het recht in bredere zin blijft immer ongewijzigd. Over de morele rechtvaardiging van maatregelen waarmee een soevereiniteit zich na een aanval verdedigt, moet men niet oordelen naar dezer gestrengheid maar naar hun noodzakelijkheid. Alles wat achterwege had kunnen blijven is crimineel; maar alle verschrikkingen die men zich kan voorstellen zijn toegelaten als er geen ander verdedigingsmiddel voorhanden was.
____________
* De l'Esprit des Loix, 1. XXV, ch. x. (Genève, 1748)
**‘…en toont vanuit de hemelse sferen haar akelige kop’.
Lucretius, De Natura Rerum, Liber I, 63-65:
                                                           …sub religione
                   quae caput a caeli regionibus ostendebat
                  horribili super aspectu mortalibus instans
…superstition, which displayed her head from the regions of heaven, lowering over mortals with horrible aspect. (Loeb – W. H. D. Rouse, revised by Martin F. Smith)  …une religion dont le visage, se montrant du haut des régions célestes, menaçait les mortels de son aspect terrible. (Les Belles Lettres – Alfred Ernout).

2 juni 2019

Angela's dankrede afgekraakt


Op dertig mei werd Angela Merkel doctor honoris causa van Harvard, en bij die gelegenheid sprak ze natuurlijk een dankrede uit. Edo Reents van de Frankfurter Allgemeine kwam niet onder de indruk. Zelf ook doctor zijnde (hij promoveerde op een proefschrift over de Schopenhauer-receptie bij Thomas Mann) sprak hij zelfs van ‘ein intellektuell niederschmetterndes Niveau’, intellectueel terneerslaand dus.
Blijkbaar had Reents de lat hoger gelegd, zoals dat nu heet. Nochtans had Angela groot succes met haar rede, want zonder diens naam te noemen had ze kritiek geleverd op Trump en dat was het Harvardpubliek niet ontgaan.
Eén zinnetje aan het begin van Reents’ artikel nam me helemaal voor de man in:

Sie sagt nichts eigentlich Falsches, bestimmt nur Gutgemeintes; aber schon, dass sie sich nicht entblödet, einem mit Hermann Hesses „Jedem Anfang wohnt ein Zauber inne“- Kitsch zu kommen, verheißt Schlimmes.

[Iets ronduit verkeerds zegt ze niet, en beslist meende ze het allemaal goed; maar alleen al dat ze zich niet geneerde om met de Hermann Hesse-kitsch van ‘Elk begin heeft zijn betovering’ uit te pakken voorspelde weinig goeds.]

Nu was deze Hermann Hesse een auteur die in de hippietijd bij universiteitsstudenten geweldig in trek was. Je kon nauwelijks een café betreden of iemand begon over Siddhartha of Der Steppenwolf. Zelf las ik die dingen niet, bladerde wel eens in een exemplaar dat mij werd voorgelegd, maar een Wodehouse of zelfs nu en dan enkele bladzijden Schopenhauer bevielen mij meer. Want zoals Karel van het Reve opmerkte: je kunt ook een hekel hebben aan een schrijver die je nooit gelezen hebt.

Eén ding misschien: Angela Merkel is vandaag ongeveer afgeserveerd, en de FAZ schreef nooit zo negatief over haar toen ze nog schitterde aan het Duitse firmament.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html