28 juni 2020

Een weemoedig, prachtig liedje


Leopold II
Jef Elbers


Ik zag nen aave man, 'et s'ôeves langst de strôet
een zwette redingotte, ne lange witten bôed
Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi
Ik ken ni zaine nôem, k'nôem em Leopold II

Ik em ma afgevroegd as ek em zu zag goen
Wôe goet em heine en wôe komt em vandoen
en wôe vui wandelt, om middernacht op strôet,
kuining Leopold II me zaine witten bôed?

En vantaaid blaaift em stoen en schud em me zain huufd
Et es persees of hij nog ni geluuft
da dad echt Brussel es wa dad em rond em zeet
Zain uuge weudde ruud, hij eit te vuil verdreet...

Verdreet ouver zain stad dee afgebrouke weud,
Het es iene chantier en et es e gruut steut,
Wôe da na parkings stoen, dôe spelden em as kind
De nachte weudde kôud en oeile dôet de wind.

Wa da vuiroeitgang es, da kan em ni verstoen
De gôeie joere dei zain allang gedoen
En ouverdag es er te vuil lawaait,
Allien de nacht es nog 'lak in den taait.

Wannier den ochend gloêt, dèn raidt den iesten tram
En dui de stad, lupt er nen aave man
Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi
Ik ken ni zaine nôem, k'nôem em Leopold II



24 juni 2020

Geen Engelse leenwoorden in het Frans!


Met dat woord 'touriste' had Stendhal blijkbaar tegen de muur van deze recensent gepist:*

Artikel uit La Gazette de France
van vrijdag 27 juli 1838.

« MEMOIRES D’UN TOURISTE »,
par l'auteur du Rouge et Noir
Deux volumes in-8°, prix 15 fr.
Chez Ambroise Dupont, rue Vivienne, 7

Elk in zijn eigen huis! elk zijn eigen taal! als men de gruwel kent Fransman te zijn, zoals de korporaal van de karikatuur zegt,** dan moet men zich maar bij Frankrijk houden, en als men daar een wandeling maakt moet men zich wandelaar noemen, reiziger, flaneur, of zo u wil handelsreiziger, ijzerverkoper op tournee als u dat bent.*** Dat is allemaal beter dan een benaming ontlenen aan het Engels, dat bastaardidioom, dat mengsel van ontkracht Duits en verminkt Frans.

Tourist, in die gearrangeerde en bijeengegraaide taal, wil zeggen een reiziger, een individu, vitterig of niet, scepticus of gelovige, royalist of republikein, geestig of dom, mooi of lelijk, in slobkousen of gelaarsd, die voor zijn plezier of voor zaken een rondreis maakt in zijn land of bij de buren, en werkelijk, was het nodig om het Kanaal over te steken om die activiteit uit te drukken? Als men een reis maakt, kan men dat dan niet in goed Frans zeggen?

Ik zou nog gaan geloven dat de anglomanie blijft voortduren... En waarom niet ook? Er zijn tenslotte ook mensen die nog bij Diderot zijn blijven steken, bij M. de Voltaire, bij de koffie met room, bij de charta’s en het constitutionele bewind!

Touriste! onverteerbaar vind ik touriste vooraan in een Frans boek. Dit gezegd zijnde is het met die titel misschien zoals met de buitenissige uithangborden die men kiest om de aandacht van de klant te trekken. Het zij zo, al is het kwalijk bij onze droevige buren op zoek te gaan naar originaliteit. Is er inderdaad een volk dat minder origineel is in zijn kunst, zijn taalgebruik, zijn maatschappijvorm, en met uitzondering van hun met rum geflambeerde plumpudding, Shakespeare en hun boksers, deze drie plompe typeringen van dat buldogvolk, wat hebben ze wel dat van hen persoonlijk is? [...]****
_________

* Félix Vallotton; het onderschrift zegt: Dat zul je wel afleren, varken, tegen mijn muur pissen!
** «Avoir l’honneur d’être Français», werd hier «avoir l’horreur». Die woordspeling valt meen ik niet te behouden. Over welke karikatuur het gaat is onbekend, maar Napoleon zei ooit: «Mais je m'arrête; tant d'horreurs font rougir d'être Français !» Zijn bijnaam was «le petit caporal».
*** Stendhal beschreef zijn reis door Frankrijk, als was hij een ijzerhandelaar. Een zakenreis dus, met talloze terzijdes evenwel.
**** De recensent M.B. gaat nog even door: hier staan bijna vierhonderd woorden vertaald, maar hij schreef er vijfduizend.

21 juni 2020

Waarom altijd die slangen?


Wat Stendhal ook schrijft...  hij schrijft het zo mooi.

Aangezien alle religies, met uitzondering van de ware, die van de lezer, gebaseerd zijn op de angsten van de velen en de handigheid van enkelingen, lag het nogal voor de hand dat gewiekste priesters het serpent uitkozen als embleem van terreur. De slang komt inderdaad al bij de eerste woorden in het verhaal van alle religies voor.
Zij heeft als voordeel de verbeelding te doen verstommen, veel meer dan de arend van Jupiter, het lam van het christendom of de leeuw van Sint Marcus. Voor haar spreekt het zonderlinge van haar vorm, haar schoonheid, het vergif dat ze meedraagt, de fascinatie die zij oproept, haar altijd onverwachte en soms verschrikkelijke verschijning. Om deze redenen heeft de slang bij alle religies intrede gedaan, maar de eer haar Oppergod te zijn kreeg zij van geen enkele.

Toutes les religions, excepté la véritable, celle du lecteur, étant fondées sur la peur du grand nombre et l'adresse de quelques-uns, il est tout simple que des prêtres rusés aient choisi le serpent comme emblème de terreur. Le serpent se trouve en effet dans les premiers mots de l'histoire de toutes les religions.
Il a l'avantage d'étonner l'imagination bien plus que l'aigle de Jupiter, l'agneau du christianisme ou le lion de saint Marc. Il a pour lui l'étrangeté de sa forme, sa beauté, le poison qu'il porte, son pouvoir de fascination, son apparition toujours imprévue et quelquefois terrible; par ces raisons le serpent est entré dans toutes les religions, mais il n'a eu l'honneur d'être le Dieu principal d'aucune.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

16 juni 2020

De korte aandachtsspanne


Stendhal mocht dan wel klagen in 1837, maar je vraagt je af of het vandaag veel beter is.

Toute exposition exacte est horriblement difficile avec les Français actuels. La dose d'attention que les lecteurs accordent à une phrase imprimée a bien diminué depuis que les auteurs ne relisent plus les phrases qu'ils envoient à l'impression.

Met die Fransen van vandaag valt elke exacte uiteenzetting vreselijk moeilijk. De dosis aandacht die lezers geven aan een gedrukte zin is een stuk kleiner geworden sinds de auteurs de zinnen die ze laten drukken niet meer nalezen.

Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique

13 juni 2020

Iconoclasten aan het werk


Het is me wat met die standbeelden die overal van hun voetstuk tuimelen, in navolging van wat er in de VS gebeurt. In Engeland willen sommigen Churchill nu weg, en bij ons zelfs Piet Hein (zijn naam is klein, zijn daden benne groot).
Omdat de uitleg van een wat oudere historica, Mona Ozouf misschien iets kan bijbrengen aan jongelui die zich erover beklagen dat ze geen geschiedenisles hebben gehad, vertaal ik een stukje uit een gesprek dat de journaliste Anne-Elisabeth Lemoine met haar had op TV5.
Zij vroeg aan Ozouf of ze onverschillig bleef voor de nogal plotse morele opstoot bij de jonge beeldenstormers:

Mona Ozouf: Nee, onverschillig niet, maar wel met grote reserves. Evengoed als ik er alle begrip voor heb als een volk dat door een afschuwelijke periode van despotisme is gegaan het standbeeld van een folteraar van zijn sokkel haalt – dat kan ik best begrijpen – ben ik er integendeel niet helemaal van overtuigd dat het een bijzonder gelukkig idee is om onze publieke ruimte van haar oude standbeelden te ontdoen. Ten eerste omdat voor mijn part ik niet graag zou leven in een land waar de straten geen namen hebben maar enkel nummers. Ik geloof dat men er zich vaak onvoldoende rekenschap van geeft, welke historische diepgang een volk meekrijgt van het enkele feit te wandelen tussen standbeelden en door straten die namen dragen. Problematisch is overigens dat als men ons verleden absoluut wil uitzuiveren, en dus alleen nog volmaakt vlekkeloze figuren op onze pleinen wil overhouden, er een enorme verhuis zal plaatshebben. En daartegen ben ik gekant, ik ben ertegen gekant dat wij een volk zouden worden zonder beelden, zonder standbeelden enzovoort. Verdienen die standbeelden dan… natuurlijk houdt het plaatsen van een standbeeld op een bepaalde plek een viering in, het is ook een hommage. Maar die hommage kan, hoe zou ik het zeggen, gemotiveerd worden, gecorrigeerd worden, kan betwist worden.
Het voorbeeld dat men mij altijd geeft is natuurlijk dat van mijn dierbare Jules Ferry, aan wie wij niet alleen de gratis en verplichte lagere school, de lekenschool te danken hebben, maar ook alle vrijheden waar we nu mee leven. Want voor de luttele zes jaren dat hij aan de macht was, zijn we hem de persvrijheid verschuldigd, de ochtendkrant, wat voor krant we ook kopen, de syndicale vrijheid, de verkiezing van de burgemeesters, een kapitaal punt in het Franse leven. Dat alles zijn wij hem verschuldigd en we profiteren er nog van.
Maar, zegt men ons, hij was een kolonisator. Inderdaad hij was zonder omwegen een kolonisator, maar hij was geen kolonialist. Deze kolonisator waar men vandaag zo sterk mee afrekent, is iemand die overal in Algerije scholen heeft opgericht, scholen die hij met een koosnaampje ‘mijn dochters’ noemde, die scholen van Algerije. Het is iemand die, toen hij een lesopvraging door een schooljuf bijwoonde van een kleine Mohammed, en zij had natuurlijk haar beste leerling naar voren geroepen voor die gezagsdragers, Jules Ferry, de inspecteur van de academie, en zij vroeg hem: ‘Mohammed, kun je aan deze heren zeggen wat Frankrijk is?’ En Mohammed antwoordt: ‘Dat is onze moeder, mijnheer.’ En Jules Ferry noteert in zijn zakagenda: ‘Arm papegaaitje, zeg liever onze stiefmoeder.’ Tot zover die kolonialist.
Met de aantekeningen van Ferry, oordeelkundig uitgeknipt, zou men een magnifiek antikolonialistisch pamflet kunnen maken. Overigens, als voornaamste vijanden had hij toch de kolonisten die zich verzetten tegen scholen voor de kleine moslims, tegen de scholen waar Jules Ferry onderricht in de Arabische cultuur en geschiedenis wilde invoeren.
Ziet u, mensen zijn wat ingewikkelder. We moeten die ingewikkeldheid in ons bestaan proberen in te passen.
Anne-Elisabeth Lemoine : Ingewikkeldheid of complexiteit?
Ozouf: Beide.
Lemoine : Beide?
Ozouf: Beide, want onverhoeds worden ze oppervlakkig en binair. En wat ons wacht aan het eind van die brutalisering is, zo vrees ik, een autoritair regime. Dus moeten we de complexiteit accepteren. Dus ben ik voor commentaren en rectificaties. Dat men rectificaties op gedenkplaatjes zet en commentaar levert. Daar ben ik allemaal voor, maar niet voor het verhuizen van de beelden die onze steden bevolken.




Mona Ozouf: Non, pas indifférente, très réservée quand même. Autant je comprends parfaitement le déboulonnement de la statue d’un tortionnaire par un peuple qui vient de vivre une période affreuse de despotisme, je comprends ça très bien. En revanche je ne suis pas absolument sûre que démeubler notre espace des statues anciennes soit une très bonne idée. D’abord parce que je n’aimerais pas du tout pour ma part vivre dans un pays où les rues n’ont pas de noms, et simplement des numéros. Je crois qu’on ne se rend pas compte assez souvent de la profondeur historique que donne à un peuple le fait de se promener à travers des statues et dans des rues qui portent des noms. Et par ailleurs, le problème c’est que s’il faut absolument purifier tout notre passé, c’est-à-dire ne garder sur nos places que des êtres absolument parfaits, il va y avoir quand même un déménagement considérable. Et je suis hostile à cela, je suis hostile au fait que nous devenions un peuple sans images, sans statues et cætera. Alors ces statues méritent-elles… évidemment il y a un célébration dans le fait de poser une statue dans un endroit, il y a aussi un hommage. Mais l’hommage peut être, comment dire, justifié, il peut être corrigé, il peut être contesté. L’exemple qui m’est constamment proposé, c’est bien entendu l’exemple de mon cher Jules Ferry, à qui on doit non seulement l’école primaire gratuite et obligatoire, et laïque, mais auquel nous devons toutes les libertés sur lesquelles nous vivons. Parce que dans les six petites années où il a exercé le pouvoir, ce que lui devons c’est la liberté de la presse, c’est le journal du matin quelqu’il soit que nous achetons, c’est la liberté syndicale, c’est l’élection des maires, point capital de la vie française. Nous lui devons tout ça, nous vivons encore là-dessus. Alors, il a été nous dit-on un colonisateur. Il a été en effet un colonisateur sans état d’âme, il n’a pas été un colonialiste. Ce colonisateur maintenant pourfendu est quelqu’un qui a fait des écoles partout en Algérie, des écoles qu’il appelait tendrement ‘mes filles’, les écoles d’Algérie. C’est quelqu’un qui, assistant à une interrogation d’un petit Mohammed par une maîtresse qui avait fait venir évidemment son meilleur élève, et qui demande au meilleur élève devant les autorités, Jules Ferry, l’inspecteur d’académie : « Mohammed, peux-tu dire à ces messieurs ce que c’est que la France ? » Et Mohammed répond: « Monsieur, c’est notre mère. » Et Jules Ferry note dans son carnet : « Pauvre petit perroquet, dis plutôt notre marâtre. » Voilà le colonialiste. Avec les xxx de Ferry, judicieusement découpés, on peut faire un magnifique pamphlet anticolonialiste, d’ailleurs il a comme ennemis principaux les colons, arc-boutés contre les écoles aux petits musulmans, et aux écoles où Jules Ferry veut introduire l’enseignement de la culture et de l’histoire arabes. Voilà, les gens sont plus compliqués. Il faut essayer de mettre de la complication dans nos existences.
Anne-Elisabeth Lemoine : De la complication ou de la complexité ?
Ozouf: Les deux.
Lemoine : Les deux ?
Ozouf: Les deux, parce qu’elles deviennent brutalement sommaires et binaires. Et que ce qui nous attend à la sortie de cette brutalisation, j’ai peur que ce soit un régime d’autorité. Donc il faut compliquer. Donc je suis pour qu’on commente, qu’on rectifie, qu’on rectifie des plaques, qu’on écrive un commentaire. Je suis pour tout ça, mais pas pour le déménagement des images qui peuplent nos villes.

6 juni 2020

Weten wat dineren is


Ik ken maar één ding dat men zeer goed doet in Lyon: men eet er verrukkelijk, en volgens mij beter dan in Parijs. Vooral de groenten worden er goddelijk klaargemaakt. In Londen teelt men, heb ik vernomen, tweeëntwintig soorten aardappelen: in Lyon heb ik tweeëntwintig verschillende manieren gezien om ze klaar te maken, en minstens twaalf van die manieren zijn in Parijs onbekend.
Bij een van mijn reizen heeft de heer Robert van Milaan, handelaar, oud-officier, geestige man met een groot hart, het recht op mijn eeuwige erkentelijkheid verworven door me voor te stellen aan een gezelschap van lui die weten wat dineren is.
Deze heren, tien of twaalf in getal zetten elkaar vier keer per week een diner voor, elk om beurt. Wie een diner miste betaalde een boete van twaalf flessen Bourgognewijn. Deze heren hadden kokkinnen, geen koks. Bij de diners geen felle politiek, geen literatuur, geen enkele poging om geestig te doen; de enige kwestie was lekker eten. Was een gerecht excellent, dan onderhield men een religieuze stilte terwijl men ermee bezig was.
Overigens werd elke schotel streng beoordeeld, en zonder enige inschikkelijkheid voor de heer des huizes. Bij grote gelegenheden liet men de kokkin komen om de complimenten in ontvangst te nemen, die vaak niet unaniem waren. Ik heb, ontroerend schouwspel, een van die meisjes, een dikke Maritornes* van veertig, van vreugde zien wenen ter gelegenheid van een eend met olijven; wees maar zeker dat wij in Parijs alleen de kopie van dat gerecht kennen.
Zo’n diner waar alles perfect moet zijn, is geen kleinigheidje voor diegene die het geeft; twee dagen vooraf moet je al in de weer zijn, maar niets kan dan ook een idee geven van een dergelijke maaltijd. Deze heren, voor het merendeel rijke handelaars, doen makkelijk een uitstap van tachtig mijl om ter plekke die of die befaamde wijn aan te kopen. Ik heb de namen geleerd van dertig soorten Bourgognewijn, die aristocratische wijn par excellence, zoals de schitterende Jacquemont** zei.
Wat er zo prachtig is aan die diners, is dat men een uur daarna een even frisse kop heeft als ’s ochtends na het drinken van een kop chocola.
Lyon heeft vis in overvloed, alle soorten wild, en Bourgognewijnen; zoals overal kan men er met geld excellente Bordeauxwijn kopen; en ten slotte bezit Lyon groenten die waarlijk alleen de naam gemeen hebben met de smakeloze gewassen die men ons in Parijs durft te serveren.


Mémoires d'un Touriste
Édition de V. Del Litto
revue par Fanny Déchanet-Platz
Folio classique p.189
______________



* Don Quichot, hoofdstuk XVI.

** Victor Jacquemont (1801-1832), botanicus en ontdekkingsreiziger. Hij was bevriend met Prosper Mérimée en Stendhal (die hem zijn werk liet lezen voor het in druk ging).

5 juni 2020

Minder consumeren alstublieft


De Franse advocaat Régis de Castelnau geeft vaak interessante beschouwingen bij vonnissen of arresten die in de schijnwerper staan, of bij politieke beslissingen de notre ami Macron. Hij komt altijd goed uit zijn woorden, dat spreekt, maar het grappigst vind ik hem als hij zijn juridische terrein even verlaat voor een algemene beschouwing.
Hier spreekt hij streng een mooi actricetje toe, en als voormalig advocaat van de Franse Communistische Partij vergeet hij niet de kleine man in bescherming te nemen tegen halfgaar bobogebazel:


Voor diegenen die zoals u weet een mooie petitie hebben opgesteld, de Cotillards en anderen die vanuit hun stinkend rijke residenties aan de kleine man komen zeggen dat hij absoluut minder moet consumeren want anders wordt het een catastrofe enzovoort enzovoort: hoe minder we jullie horen hoe beter het zal zijn.
Werkelijk, ik denk dat het toch een kleine vooruitgang zou zijn als jullie ermee ophielden jullie op zo'n manier te gedragen.



À ceux qui vous savez ont fait une belle pétition-là, les Cotillard et autres qui de leurs résidences richissimes viennent dire que …au petit peuple qu’il faut absolument qu’il consomme moins, que sinon c’est la catastrophe etcetera etcetera : moins on vous entend mieux ce sera.
Franchement je pense que ce serait quand même un petit progrès si vous arrêtiez de vous comporter de cette façon-là.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html